Chesterton: De eeuwige mens

G.K. Chesterton: “De eeuwige mens” deel I, II, III en IV

G.K. Chesterton; “De eeuwige mens”

I

Nieuwsbrief XVII.52, Pater Daniel, Gemeenschap Mar Yakub, Qâra, Syrië, 23 december 2022

Bijna een eeuw geleden schreef de Engelse journalist G.K. Chesterton “De eeuwige mens(The Everlasting Man, 1925). Hij was enkele jaren voorheen katholiek geworden. Deze scherpzinnige en humoristische verdediging van het christelijk geloof en van de katholieke Kerk heeft als “kerstboek” niets van zijn actualiteit verloren. Hij wil geen theologie bedrijven. Hij wil slechts nuchter naar de historische feiten kijken. Chesterton is een meester in het uitwerken van paradoxen. Zijn boek heeft twee delen. Het eerste deel noemt hij “Het schepsel dat mens heet” en begint met “De mens in het hol”. Het tweede deel draagt de titel “De mens die Christus heet” en begint met een hoofdstuk over “God in de grot”.

In zijn tijd genoot het werk van H.G. Wells, The Outline of History een groot gezag. Hierin wordt de wereldgeschiedenis uitvoerig beschreven als een product van blinde evolutie en velen namen deze ideologie fanatiek over. Chesterton zal meesterlijk aantonen hoe dit “veelsoortig heidendom” als sneeuw verdwijnt voor de Zon, nl. met de historische komst van Christus en zijn Kerk. Hij reageert tegen een diep ingeworteld antiklerikalisme van hen die geen christen willen worden maar ook niet kunnen ophouden antichristelijk te zijn. Hij vergelijkt ze met kankeraars in het portaal van de kerk, niet in staat om buiten te lopen, noch om binnen te gaan en te bidden. Terloops wijst hij op de “hinderpaal van de moeheid”. De westerse mens is moe van het christendom: “zodra hij met een zaak vertrouwd is, heeft hij er genoeg van“. Vooral reageert hij tegen de vereerders van een evolutieleer waardoor “mensen moeten veracht worden als apen en paarden aanbeden als goden”.

Met “de mens in het hol” wil hij “de goede naam van de holbewoner” herstellen. Wat de “bekrompen kamergeleerden” over hem vertellen is niets anders dan mythe en verzinsel, vindt hij. We weten over hem niets meer dan wat we kunnen opmaken uit “een paar leuke en onschuldige tekeningen op de wand van een rotskamer”. In onze dagen, zo schrijft Chesterton, staan onze romans, tijdschriften en dagbladen vol van een evolutionaire geschiedschrijving van “De Holbewoner” met illustraties erbij. Je ziet de vakgeleerde, zijn brilletje op het tipje van zijn neus, voor een geopend doosje met enkele resten van beenderen. Hiermee schijnen wij de holbewoner door en door te kennen “…niet alleen in zijn publiek optreden, doch zelfs in zijn particulier leven. Met zijn psychologie wordt ernstig rekening gehouden… zelfs in de psychologische geneeskunde…  de voornaamste bezigheden van zijn leven: zijn vrouw afranselen, en hardnekkig optreden tegen de vrouwen in het algemeen… ik weet niet op welke primitieve dagboeken, of prehistorische echtscheidingsprocessen deze voorstelling steunt”. Kortom, wat men in de grot vindt heeft geen enkel verband met de moderne “wijsgerige gevolgtrekkingen” of “romantische praatjes” in onze media. Als de moderne mens zijn “ploertennatuur wil botvieren” moet hij daarvoor de goede naam van de holbewoner niet misbruiken, vindt Chesterton. We kunnen dit meteen actualiseren: als het westen zich in gruwelijke oorlogen wil botvieren, moet het daarvoor niet Rusland, Irak, Syrië… misbruiken! Vervolgens toont Chesterton aan hoe de mens oneindig verheven is boven het dier, tegen al wat de evolutieleer ons wil wijsmaken. Deze mens “verschilde waarlijk van alle andere schepselen omdat hij niet alleen schepsel, doch ook schepper was.” En dit blijkt uit de kunst. “De apen zijn niet met de tekeningen begonnen, terwijl de mens ze voltooide de hond schilderde in zijn betere periode niet beter dan in zijn onderontwikkelde stijl, toen hij nog een jakhals was; het wilde paard schilderde niet impressionistisch en het renpaard kubistisch”. Er is nergens ter wereld in een grot één beredeneerde centimeter van een lijntje van een dier te vinden wat het begin zou geweest zijn van een kunstwerk dat later door een mens werd voltooid. Het gaat niet om een verschil dat door tijd of evolutie overbrugd kan worden, het is een radicale kloof. “De kunst is de handtekening van de mens”. Zo is ook die “heerlijke waanzin, die lachen heet” alleen eigen aan de mens “alsof hij in de vorm zelf van het heelal een geheim had aanschouwd, dat voor het heelal zelf verborgen was”. Zeker, er zijn gelijkenissen tussen mensen en dieren en sommige dieren hebben verbluffende instincten. “Er is echter in het geheel niets, wat ook maar uit de verte doet denken aan zulk een ontwikkeling van de menselijke geest”. Van de mensengeest is er niets te vinden in het dier. Ook onze tijd loopt over van een pseudowetenschap die voorhoudt dat de menselijke geest niets anders zou zijn dan een constructie van materiele hersens en bouwt ijverig aan een monster van een robot, waarvan naïef verwacht wordt dat hij ooit het bewustzijn van een mens zal hebben. Dit is het trieste resultaat van een “verlichtingstraditie” en een mechanisch denken, terwijl de grootste natuurkundigen zoals Albert Einstein, Niels Bohr, Max Planck hun hoofd allang gebogen hebben voor het ondoorgrondelijk mysterie van de schepping, het leven en vooral van het bewustzijn van de mens.

*

De mens in het hol” van Chesterton inspireert ons om op gelijkaardige wijze de valse ideologieën van onze tijd te ontmaskeren vanuit het christelijk geloof. De westerse beschaving blijft het christelijk geloof en de katholieke Kerk arrogant verwerpen en zelfs bestrijden met alle onheil tot gevolg. De westerse economie is aan het instorten. Er heerst een energie- en voedselcrisis met de dreiging van een atoomoorlog. Het westen zoekt zijn heil in een zelfvernietigend totalitarisme met een grenzeloze verheerlijking van de dood, door abortus, euthanasie, de ontwrichting van seksualiteit en huwelijk, een oeverloos moreel relativisme, opgevuld met heidense praktijken van aanbidding van het klimaat en “de planeet”. Om het verlies van de menselijke waardigheid te compenseren, koesteren sommigen zich in de oude, opgewarmde fantasieën van een “reïncarnatie”, zonder te beseffen dat ze een vloek is voor de echte waardigheid van de mens die in zijn wezen en handelen ieder ogenblik uniek en onherhaalbaar is. Neen, de mens is geen evolutie maar een “revolutie”, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, geroepen om gereinigd te worden van zonden en verheven tot het goddelijke leven. Hiervoor is God mens geworden in Jezus Christus. God boog zich neer en werd mens om ons op te heffen tot zijn goddelijke waardigheid. In zijn onvoorstelbare armoede heeft Hij zijn duizelingwekkende grootheid geopenbaard.

II

Nieuwsbrief XVII.53, Pater Daniel, Gemeenschap Mar Yakub, Qâra, Syrië, 30 december 2022

Eeuwenlang bracht het Kerstfeest de grootste feeststemming in de gezinnen en in heel de maatschappij met originele kerstversieringen en flikkerende lichtjes, kerstliederen uit alle landen, aangrijpende verhalen en gedichten rond de kerstboom met kerststal. Ze gaven aan het private en openbare leven een ongekende diepte en drukten de onuitroeibare hunkering uit van de mensheid naar verlossing en vrede.

Al is de nood aan vrede en heil in onze wereld groter dan ooit, de kerststemming in de samenleving is nu sterk verminderd. Ook bij christenen is niet alleen de kerstsfeer maar tevens het besef van het unieke kerstgebeuren zelf aan het verdwijnen.

Met het fris en helder geloof van een bekeerling en de beeldrijke taal van een groot schrijver heeft de Engelse letterkundige Gilbert Keith Chesterton (1874-1936) het goddelijk mirakelspel van Kerstmis in al zijn grootheid opnieuw doen herleven.  Zijn boek “De eeuwige mens” toont eerst: “De mens in het hol”. Vervolgens legt hij uit hoe ook God een holbewoner werd: “God in de grot”.

In Bethlehem hebben de uitersten elkaar ontmoet. Een hulpeloos Kind met onbeperkte macht werd daar geboren.  En dit gebeurde niet op het wereldtoneel maar geschiedde als het ware “onder de wereld”. Het eerste bedrijf van het goddelijk treurspel vond plaats op een niet verhoogd en niet verlicht podium, waarvan zelfs het gordijn was neergelaten. “In het geheim van Bethlehem was het de hemel die zich onder de aarde bevond”. En deze “revolutie” werd ontdekt door gewone mensen uit het volk, zoals de herders: “…omdat hun geest het minst was besmet en verkild door de spitsvondigheden van de filosofieën en het bederf van de overbeschaving”. Ja, deze herders hadden hun Herder ontdekt. De plaats waar zij Hem vonden was geen campus van een universiteit of een academie maar “een plaats waar dromen waarheid werden”. In de verschillende landen worden de herders voorgesteld met de kleding, en in de omgeving van de plaatselijke bevolking. Denk maar aan de grote Vlaamse dichter en schrijver Felix Timmermans (+ 1947) en zijn “Kindeken Jezus in Vlaanderen”, dat toen in zovele parochies als kerstspel werd opgevoerd. En de meesten van ons beseffen wel “hoe waar deze dwaling is”, hoe wijs, christelijk en katholiek. Bovendien komt hier ook het beste van de mensheid samen. Met de wijsgeren uit oosterse landen, “gekroond met de majesteit van koningen en bekleed met de geheimzinnigheid van wichelaars”: de wijsheid komt naar haar bron. Het hadden Confucius, Pythagoras, Aristoteles of Plato kunnen zijn. Ze vertegenwoordigen het zoeken van de oude leer naar de diepste waarheid, naar God. Boeddha zou “uit zijn onpersoonlijk paradijs gekomen zijn” om een Persoon te aanbidden en Confucius “zou de tempels, waar hij zijn voorvaderen vereerde, verlaten om te komen knielen voor een Kind”. En het is dit Kind dat de heidense deugden en heidense overtuigingen aantrekt, want “de kerk bevat wat de wereld niet bevat”.  Moderne pogingen van syncretisme brengen vele geesten in vervoering. Theosofen willen een parlement van godsdiensten samenroepen en bouwen een pantheon voor de hereniging van alle volken. Moslims, hindoes, boeddhisten, tolstojaanse vredesapostelen, troubadours zoals Franciscus, Calvinisten en Quakers… allen samen in één wereldgodsdienst. Helaas, “ze kunnen nooit iets groters maken dan het Credo”, zonder dat ze het verminken. Ze verwijderden namelijk altijd iets wezenlijks uit het kerstgebeuren en het was niet iets goddelijks maar meestal iets menselijks: de Moeder, de herberg, de herders, de wijzen of de soldaten van koning Herodes. Hun pantheon diende slechts voor een club van waanwijzen. De christenen weigerden resoluut Jezus Christus in dezelfde rij te plaatsen en “dat was het keerpunt van de geschiedenis”, want hierdoor werd belet dat de wereld zou sterven “aan de breedheid van opvatting en aan de verbroedering van alle godsdiensten”. Onbeperkte tolerantie leidt immers naar de grootste dictatuur. De katholieke geloofsbelijdenis is veel meer dan wijsbegeerte. Ze is, zoals geen enkele andere godsdienst katholiek, nl. universeel, voor alle mensen van alle tijden. De herders vertegenwoordigen het joodse volk, de wijzen alle andere volken. Samen vormen ze de twee-eenheid van de Kerk van Jezus Christus.

Kerstmis is echter niet alleen zalige vreugde, zoals “een brahmaanse vredesconferentie” of een “Scandinavisch winterfeest”. Het is feestvreugde in een loopgraaf. Het klokkengelui van middernacht heeft iets van de klank van zware kanonnen van een pas gewonnen veldslag. De mystieke figuren in het mirakelspel zijn de Moeder en de engelen, maar er is ook de dreiging van Herodes, die een oproep is tot voortdurende waakzaamheid. Kerst Iconen drukken dit uit doordat de kribbe al de vorm van een doodskist heeft. Het hoogste en meest waardevolle kan slechts verkregen worden “vanuit de diepte vanuit strijd”. Toen Christus geboren werd, nam de Olympus, de woonplaats van Zeus, nog steeds de plaats van de hemel in. ”De wijsbegeerte zat nog op haar verheven gestoelte en zelfs op de tronen van de koningen, toen Christus geboren werd in de grot en het christendom in de catacomben” We mogen de optimisten de beschaving niet laten verwisselen met weldoend comfort. Herodes blijft op post als de blijvende bedreiging voor de strijdende Kerk. En de grot is niet alleen de plaats van Jezus’ geboorte maar ook van zijn dode lichaam.

Het katholieke kerstgebeuren bevat volgens Chesterton drie verschillende en tegengestelde elementen, die alleen maar in de Kerstnacht tot eenheid gemaakt kunnen worden. Er is vooreerst het instinctmatige, onuitroeibare menselijke verlangen naar een hemel als naar een vaderhuis. Zovele dichters en scheppers van mythen doorheen de eeuwen beschreven een sprookjesland als hun verlangen naar een heiligdom van een god of naar een verblijf voor gelukzaligen. Het tweede element is een wereldbeschouwing die alle filosofieën ver overtreft en zich richt tot alle soorten mensen in alle mogelijke gemoedsgesteltenissen. Ze is tegelijk veelzijdig, gevoelig en veelomvattend. Ze beschouwt de wereld, niet door één enkel venster zoals de oude stoïcijn of de moderne agnosticus maar door honderd vensters tegelijk. Het derde element is de uitdaging voor de strijd. Het christendom spreidt zijn armen wijd open voor iedere goede gedachte en elk waardig initiatief maar zet zich schrap en bekleedt zich met “een ondoordringbaar harnas voor iedere vorm van dwaling”. Kortom, het kerstgebeuren is tegelijk “algemeen en énig”. Geen andere geboorte van een god of van een godsdienst stichter lijkt in de verste verte op de Kerstnacht. Wie dit ontdekt, weet zich gedwongen “een beter mens” te worden. Alles wat in ons voorbijgaande vertedering is, wordt dan “een eeuwige ontroering”. 

III

Nieuwsbrief XVIII.1, pater Daniel, vrijdag 6 januari 2023

In de vorige twee overwegingen voor Kerstmis, genoten we van de grote Engelse essayist G. K. Chesterton en zijn boek over “de Eeuwige Mens” (1925). Hij wijst op de unieke plaats van de mens en vervolgens toont hij de onovertroffen grootheid aan van Jezus Christus en zijn Evangelie. We bieden nu nog een derde overweging aan, nl. over het al even wonderbaarlijk verschijnsel van de Kerk van Jezus Christus.

Een algemene overtuiging in zijn tijd, die ook nu nog sterk leeft, beweert dat “de Jezus van het Nieuwe Testament weliswaar een barmhartig en medelijdend rechter is, maar dat de Kerk deze humane persoonlijkheid omzwachteld heeft met weerzinwekkende dogma’s en kerkelijke schrikbeelden, totdat er niets dan een onmenselijke persoonlijkheid te onderscheiden is”. Dat is, zo schrijft hij, “juist het tegendeel van de waarheid”. Dat de ideeën die Jezus voorhield zouden passen bij zijn tijd en niet meer bij onze tijd is onzin. Het feit dat Jezus het bewust ongehuwd leven omwille van het Rijk Gods aanprijst, was een gruwel zowel voor joden als voor heidenen. Ook met zijn uitspraken over het huwelijk houdt Jezus geen rekening met de situatie van Palestina in zijn tijd. Toch was Hij de grootste profeet ooit en zijn parabels behoren tot de prachtigste meesterwerken uit de wereldliteratuur. De dialogen van Socrates, Boeddha of Confucius zijn in vergelijking hiermee slechts episoden van “een langgerekte picknick zonder begin en zonder einde”. Zijn leer was zeker ook niet afhankelijk van het Romeinse Rijk. “Hij houdt rekening met niets…”. “De verpletterende kracht van de ongekunstelde Evangeliewoorden is als het malen van een molensteen…”. De leer van Christus is geen “moraal van een andere tijd, misschien is ze echter wel van een andere wereld”. Welnu, voor Chesterton horen deze Jezus en zijn Kerk onafscheidelijk samen: “het Evangelie is het raadsel en de Kerk is de oplossing”.  

In de Kerk staat het Kruis altijd centraal, zoals in het leven van Jezus. Bij zijn geboorte waren alle machten en wijsheden van de aarde symbolisch aanwezig. Bij zijn dood zullen ze allemaal met Hem sterven en begraven worden: Pilatus wast zijn handen en is niet in staat zijn verantwoordelijkheid te nemen. De soldaten volgen hem en de volksmassa volgde blind de blinde hogepriesters en schriftgeleerden. De wereld bleek zichzelf niet te kunnen redden. Zoals God echter na de zondeval van de mens in de koelte van de avond in de tuin wandelde, zo wandelde de verrezen Jezus in het licht van de dageraad op de eerste dag van de nieuwe schepping.

De Kerk was een “énig verschijnsel” en zelfs “een bovennatuurlijk verschijnsel”. Ze leek in geen enkel opzicht op de andere godsdiensten. In iedere omwenteling werd de Kerk innerlijk uitgehold of uiterlijk afgebroken en is ze mee gestorven, maar in elke eeuw treedt ze “de wereld tegemoet als een nieuwe, en niet als een oude godsdienst”.

De eerste drie eeuwen kende de Kerk bloedige vervolgingen en leefde in catacomben. Vanaf begin IVe eeuw groeide ze samen met het Romeinse Rijk in grote praal. Gnosticisme, manicheïsme en arianisme hadden hun dodelijk gif al verspreid. En toen het Romeinse Rijk instortte, stierf ook de Kerk met al haar pracht, maar het Kruis bleef overeind. In het westen stond de Kerk niet in een wereld “waar de dingen te oud waren om te sterven” maar waar “ze altijd jong genoeg was om gedood te worden”. Ze is overigens ook dikwijls “een natuurlijke schijndood gestorven van uitputting en ouderdom” .Volgens Chesterton is de Kerk vele malen gestorven. De Kerk werd naar alle schijn minstens vijfmaal plechtig ten grave gedragen, nl. door de Arianen, de Albigenzen (of Katharen = de reinen), de humanisten, Voltaire en Darwin. In deze gevallen waren het echter de Arianen zelf, de Albigenzen, de humanisten, Voltaire en Darwin die zelf ten grave daalden terwijl de Kerk, zoals Jezus, de weg kende om uit het graf op te staan.

De Kerk werkt telkens aan de bekering van de wereld. Terwijl de wereld zich bezighoudt met de vraag of de rivier sneller of trager moet stromen, zag ze plots op de rivier “een reusachtig vaartuig dat stroomopwaarts dreef”. Welnu, dode voorwerpen drijven met de stroom mee, maar alleen een levend wezen kan er tegenin gaan. “En menige wereldbeschouwing geleek verrassend veel op een papieren boot, die men maar even behoeft aan te raken om ze ineen te slaan tot een natte papierprop”. “De bloedrode waterval” van “de onvervalste purperen wijn ” is slechts in de Kerk te vinden. De donkere tijd van de “tweede gisting” was al lang voorbij “toen de wijn van het katholicisme verzuurde tot de azijn van het calvinisme”. De Kerk is niet alleen dikwijls gestorven maar ook dikwijls ontaard en vervallen, doch ze heeft haar “eigen zwakheid en eigen nederlaag overleefd”. De Kerk is een ”beweging die nog in beweging is”.Na 2000 jaar blijft de Kerk nog even nieuw als ze oud is. Telkens wanneer we vaststellen dat het christelijk geloof verslapt is, zien we slechts wat gedurende de eerste eeuwen al werd waargenomen.

Het is best mogelijk dat de Kerk ook nu zal sterven, samen met de totalitaire, zelfvernietigende maatschappij waarmee ze zich grotendeels verenigd heeft, en plechtig ten grave gedragen worden, mede door haar eigen herders, uitgehold door een “synodaal proces” en omgevormd tot een moderne NGO, aangepast aan onze tijd, met als woordvoerster een keurig uitgedoste mevrouw met perfecte coiffure, die niet meer van het Tv-scherm weg te slagen is. Nu zijn er immers verwoede pogingen om de Kerk te “moderniseren” en aan te passen aan de globalistische ideologieën van de Nieuwe Wereldorde, door het hoogste gezag in de Kerk en de machtigste wereldheersers en -organisaties buiten de Kerk gepromoot. De pauselijke raden (dicasteries) zijn op enkele jaren tijd grondig omgevormd en opgevuld met kerkleiders die er alles aan doen om het Evangelie en de kerkelijke leer aan te passen aan de perverse stromingen van onze tijd. Ook deze pogingen met al hun morele platitudes zullen uiteindelijk op niets uitlopen. De Kerk zal macht, praal en aanzien verliezen maar herleven met gewone gelovigen, priesters en bisschoppen, herders van eigen streek en wijzen vanuit verre landen. Zij zullen trachten hun leven in overeenstemming te brengen met het Evangelie van Jezus Christus en niet met de heersende modeverschijnselen. Zij zullen zonder discussie, radicaal tegen de openbare opinie in, de waardigheid aanvaarden van ieder mens vanaf de conceptie tot de natuurlijke dood, het huwelijk erkennen als een blijvend verbond van man en vrouw, ze zullen de rijkdom van twee geslachten erkennen, ze zullen waardig de Eucharistie en sacramenten vieren in  de traditionele of nieuwe vorm, bidden en zich verenigen met de Drie-ene God in hen en zich creatief inzetten voor de enorme  nood van hun medemensen, materieel en geestelijk. Het zal een jonge Kerk zijn, vooral Aziatisch, bruin of zwart.

(Zie in die zin ook de beschrijving van de priester Dwight Longenecker, die eveneens geïnspireerd werd door het genoemde boek van Chesterton: https://dwightlongenecker.com/the-waning-of-the-west-and-the-future-of-the-church/; Nederlands: https://vitaminexp.blogspot.com/2022/12/de-teloorgang-van-het-westen-en-de.html). 

IV

Nieuwsbrief XVIII.2, pater Daniel, vrijdag 13 januari 2023

De voorbije 3 weken handelden we over de mens, Jezus Christus en de Kerk, volgens het inspirerende boek van G. K. Chesterton, De eeuwigen mens, 1925. De mens is niet zomaar een dier tussen alle andere dieren, Christus is niet zomaar iemand tussen zovele andere groten op aarde en de Kerk is niet een van die puur aardse instellingen die opkomen en verdwijnen.  Chesterton stelt zich hierbij op als een willekeurige heiden die het christendom niet kent of zelfs bestrijdt. Daarbij toont hij op scherpzinnige en vaak humoristische wijze hoe dwaas zijn redeneringen kunnen zijn, om dan het unieke van het christelijk geloof, Jezus Christus en de Kerk aan te tonen. We willen dit nu afronden met een eigen toelichting om zijn inzichten te bevestigen.

De mens is het enige schepsel in het universum, dat een ziel heeft, begiftigd met verstand en vrije wil. Alle materiele, chemische processen van het menselijk lichaam zijn in het heelal overal terug te vinden. Toch beschikt alleen de mens over iets unieks, dat nergens anders te vinden is, een zelfbewustzijn, een geweten, “de meest verborgen kern en het heiligdom van de mens” (Vaticanum II, Gaudium et spes, nr. 16). Alleen de mens is “geschapen naar Gods Beeld”, zoals het boek Genesis (1, 27) ons verklaart. Hij is ook het enige wezen op aarde dat “om zichzelf geschapen is” en niet mag dienen als middel voor iets anders. En hij kan alleen maar authentiek zichzelf worden door zijn goddelijke roeping te beleven, nl. “de gave van zichzelf” (ibidem nr. 24). Dit is niet alleen de diepste betekenis van een gelukkig huwelijk of van een inspirerend religieus leven of priesterschap. Dit is het echte gelukkig makend geheim van ieder mens in ieder beroep. Daarvoor werden ons verstand en vrije wil gegeven als bijzondere gaven, waardoor we delen in het wezen van God zelf. En het is Christus die ons daartoe het voorbeeld en de mogelijkheid heeft gegeven. Hiermee kunnen we tenslotte delen in het diepste geheim van Christus, die zichzelf gaf door te sterven op het kruis, in vrijheid en liefde. Neen, alles komt niet simpel voort uit materie, hoe aantrekkelijk de ideologie van een grootse evolutie ook kan zijn: een plant is dan een groeiende steen, een hond een blaffende plant en een mens een aap op twee benen. Het menselijk bewustzijn kan op geen enkele wijze herleid worden tot een materiele evolutie. De duur van enkele jaren of van miljoenen jaren maakt hierbij geen enkel verschil. Wanneer een gezaghebbend persoon of politicus zegt dat hij er geen enkele moeite mee heeft dat hij afstamt van een aap, zouden we – in de geest van Chesterton – kunnen antwoorden: “Wij ook niet, zolang je dit tenminste in uw gedrag maar niet laat zien!” Een baksteen, een plant en een dier zullen nooit evolueren tot menselijk bewustzijn. “Toen boetseerde God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen” (Genesis 2, 7). God heeft iets van zijn eigen goddelijkheid aan de mens meegedeeld. Dit is geen kwestie van evolutie maar van goddelijke schepping. “Door zijn innerlijkheid gaat hij immers alle natuurdingen te boven; hij komt tot zichzelf tot bij deze innerlijke diepte, wanneer hij zich inkeert in zijn hart, waar God op hem wacht…” (Gaudium et spes, nr.14). Daarom is er “voor alle mensen slechts één uiteindelijke roeping, nl. een goddelijke” (ibidem 22). Verstand en wil werden ons gegeven door God uit pure liefde, opdat wij uiteindelijk gelijkvormig zouden kunnen worden aan Christus en bewust kunnen intreden in het goddelijk leven van de Drie-eenheid. “Het vaderhuis” als eindbestemming van onze aardse pelgrimstocht is ons uiteindelijke doel.

Dit is ook de vervulling van de onuitputtelijke poëtische verzuchtingen van zovele schrijvers en zoekers doorheen de eeuwen. Wie eens iets anders wil horen dan een vroom christelijk sermoen, kan luisteren naar de Indische dichter en filosoof Rabindranath Tagore (+ 1941), “de Bengaalse nachtegaal” en een van de grootste dichters uit de geschiedenis van de mensheid: “In ene groet aan U, mijn God, mogen al mijn zinnen zich spreiden… Als een vlucht heemzuchtige kraanvogels, die nacht en dag doorvliegen tot hun nest in de bergen, zo moge heel mijn leven afreizen naar zijn eeuwig thuis, in ene groet aan U” (R. TAGORE, Wij-zangen (Gitanjali), Ankh-Hermes bv-Deventer, 1973 7e druk, vertaling Frederik van Eeden, blz. 68). Of nog: “Wanneer al de snaren van mijn leven gestemd zullen zijn, mijn Meester, dan zal bij elke van Uw aanrakingen, de muziek der liefde weerklinken” (blz. 81); “Laat dit mijn laatste woord zijn, dat ik geloof in Uw liefde” (Zwervende vogels, Wereldbibliotheek Amsterdam blz. 81 en 83).

Mogelijk werden deze ‘eeuwige waarheden’ in vroegere tijden soms te zeer voorgesteld als ver verheven boven en los van het dagelijkse leven en daarom uiteindelijk afgewezen als vrome kletskoek. Toch zijn ze niet minder waar en wezenlijk. Ze zijn de noodzakelijke remedie voor de huidige existentiële leegte en depressie van zovele mensen die niet meer weten welke zin hun leven heeft. Velen weten warempel niet vanwaar ze komen, waar ze naartoe gaan en waarvoor ze leven. Anderen zoeken afleiding en zetten al hun krachten in voor zaken die wel enige kleur kunnen geven maar nooit de diepste zin van hun leven kunnen worden. Ze gaan zich dan met al hun krachten inzetten voor het “dierenwelzijn” alsof de mens geschapen is voor de dieren. Hoe dwaas dit is blijkt duidelijk uit het feit dat velen zich totaal niet bekommeren om de bescherming van het ongeboren leven in zijn heiligdom, de moederschoot. Anderen willen zich met al hun energie inzetten om “de planeet” of “het klimaat” te redden. Ze zijn door een ideologie verblind en beseffen hun diepste goddelijke roeping niet. Of wij dit nu willen erkennen of niet, wij dragen iets goddelijks en eeuwigs in het diepste van ons wezen mee. Het is een hunker die hier op aarde nooit volledig kan bevredigd worden, juist omdat we geschapen zijn voor het eeuwig geluk in God. Vandaar dat ook onze verlangens oneindig zijn. We zeggen wel eens dat we volmaakt gelukkig zullen zijn wanneer we een van onze grootste dromen kunnen verwezenlijken, maar we weten zelf dat we daarna toch weer naar iets anders verlangen. Dat drukte Augustinus meesterlijk uit in het begin van zijn “Belijdenissen”: “Ons hart is onrustig totdat het rust in U God”. Wie deze beperktheid van zijn aardse leven kan aanvaarden, kan hier op aarde ook echt (beperkt) gelukkig zijn met een hart dat gericht is op het eeuwige geluk in God. Kortom, de mens is als oneindig door God geschapen en Jezus toonde ons de weg.

In de jaren ’80 van vorige eeuw verzekerden enkele “vrienden” me dat de Kerk het jaar 2000 zeker niet zou halen en ze meenden dit te kunnen bewijzen. Ze hebben me ook uitgenodigd om met hen een cursus vrijzinnig denken te volgen. Na één les ben ik echter al gestopt. Immers, om te beginnen moest ik geloven dat het heelal niet door God geschapen is, dat de schepping zonder doel is, dat mijn leven eigenlijk geen zin heeft enz… En daarvoor was mijn “geloof” niet groot genoeg! Chesterton heeft – zonder theologie! – perfect begrepen dat de Kerk niet alleen een menselijke organisatie is maar ook een goddelijke stichting. Hij zag de twee kanten van de Kerk: aards en hemels, tijdelijk en eeuwig, bestaande uit zondige mensen en toch geheiligd door de heilige Geest, het Mystieke Lichaam van Christus, een blijvend mysterie.   

Pater Daniel