Teresa Higginson en de devotie tot het Heilig Hoofd van Jezus
Zetel van de Goddelijke Wijsheid
Een heilmiddel tegen de hedendaagse kwalen van ongeloof en geestelijke hoogmoed
Z.E.P. Marcel OFM Cap.
Geschreven nabij Brugge (1937–1945)
Eindredactie ca. 1962
Heruitgave en theologische duiding
Pastoor J. Geudens
Smakt, 25 januari 2026
Inhoudsopgave
Woord vooraf
Situering
Hoofdstuk I
De noodzakelijkheid van Jezus’ Wijsheid voor het christelijk leven
- God openbaart de waarheid door Jezus
- God verlicht ons door de leer van Jezus
- Het laatste oordeel is aan Jezus toevertrouwd
- De noodzaak van de Wijsheid
1) voor alle christenen
2) voor wie naar volmaaktheid streven
3) voor geestelijke leiders
4) voor allen die gezag uitoefenen
5) in de laatste tijden van de Kerk
Hoofdstuk II
Grondslagen van deze godsvrucht
- Het Heilig Hoofd van Jezus als zetel van de Goddelijke Wijsheid
- Het Heilig Hoofd van Jezus als zetel van zijn menselijke wijsheid
1) De zalige Godsaanschouwing
2) De ingestorte kennis (de kennis van de engelen)
3) De menselijke kennis, verworven door ervaring en zintuigen - Aan het Heilig Hoofd van Jezus komt de hoogste eer en verering toe
- In Jezus is het Heilig Hoofd het middelpunt van alle vermogens van zijn ziel
- Het Heilig Hoofd van Jezus als leidende kracht van alle gelovigen
1) Jezus als Licht van de lerende Kerk
2) Jezus als Licht van de lerende én onderwezen Kerk - Het Heilig Hoofd als leidende kracht ook voor hen die van de Kerk gescheiden zijn
Hoofdstuk III
Kenmerken van deze godsvrucht
- Zij is innerlijk
- Zij is nederig
- Zij is vertrouwvol
- Zij is voorzichtig
- Zij is gericht op het Licht
Hoofdstuk IV
Het wezen van deze godsvrucht
- De verering van Jezus’ Wijsheid
- Twee vormen van verering
1) Innerlijke verering
2) Uiterlijke beoefening - Het beleven van Jezus’ Wijsheid
- Het loslaten van wereldse wijsheid om deel te krijgen aan Jezus’ Wijsheid
Hoofdstuk V
Beweegredenen voor deze godsvrucht
- De voortreffelijkheid van Jezus’ heilige Wijsheid
- De voortreffelijkheid van de gave van Wijsheid
- Verdere motieven om Jezus’ Wijsheid te vereren en te verlangen
- De actualiteit van deze godsvrucht
- Jezus’ verlangen dat zijn Heilig Hoofd vereerd wordt
- Beloften en waarschuwingen
Hoofdstuk VI
Beledigingen en eerherstel
- Aantal en ernst van de beledigingen
1) Het aantal
2) De ernst - Hulde en eerherstel
- Bijzondere redenen voor eerherstel aan het Heilig Hoofd
- Persoonlijke hulde aan Jezus
1) Het Heilig Hoofd als orgaan van de wil
2) Als orgaan van het geheugen
3) Als orgaan van het verstand - Overweging over de juiste wijze om Jezus te benaderen
Hoofdstuk VII
Oefeningen en gebeden
Oefeningen
- Viering van het feest van het Heilig Hoofd van Jezus
- Viering van het feest van Christus Koning
- Pinksterviering
- De tweede maandelijkse communie
- De vrijdagviering
Gebeden
- Gebed uit het Boek der Wijsheid
- Vijf korte schriftgebeden om de Wijsheid van God
- Zes gebeden van Teresa Higginson tot het Heilig Hoofd
- Andere gebeden
Hoofdstuk VIII
De godsvrucht tot het Heilig Hoofd en andere godsvruchten
- De godsvrucht tot het Heilig Hoofd als kern en doel van alle andere devoties
- Heilig Hoofd en Heilig Aanschijn: onderscheid, aanvulling en bekroning
- Heilig Hoofd en de Heilige Ziel van Jezus
- Heilig Hoofd en de godsvrucht tot de Heilige Geest
- Heilig Hoofd en de ware godsvrucht tot Maria
- Voor wie houvast zoekt
Aanhangsel
- Beloften aan de vereerders van het Heilig Aanschijn
- Beloften aan de vereerders van het Heilig Hart
- Beloften aan de vereerders van het Heilig Hoofd
Nawoord – Pastoor Geudens
Bibliografie
Woord vooraf
Deze verhandeling is geen leesboek, maar een naslagwerk. Elk onderdeel vraagt om afzonderlijke overweging en, meer nog, om innerlijke toe-eigening. Een godsvrucht is geen middel om nieuwsgierigheid te bevredigen, noch een sensatie of nieuwigheid waarvan alles zou afhangen. Zij is genade: een aanbod, een uitnodiging tot een dieper geestelijk leven.
Zij helpt ons God en zijn wegen beter te verstaan en biedt houvast in de duisternis die ons omringt: Christus, die met de Emmaüsgangers meeging en bij hen bleef toen zij Hem vroegen: “Blijf bij ons, Heer.”
Dit wenst de schrijver u, geachte lezer, van harte toe.
Mijn dank gaat uit naar de heer Jan Jongen voor de zorgvuldige persklare uitgave en de verzorgde vormgeving. Tevens dank ik de familie Devlam uit Brugge, in het bijzonder de heer Valeer Devlam voor de taalkundige herziening, en mevrouw Lucrèce Devlam-Serreyn voor het typwerk.
Waar in dit boek termen voorkomen als heilig, wonder, profetie, openbare cultus of wil van God, wil de schrijver geenszins het oordeel van de Kerk vooruitlopen. Met betrekking tot de openbare cultus houdt hij zich aan het decreet van 18 juni 1938 van de Heilige Congregatie van het Heilig Officie, waarin de instelling van een openbare eredienst tot het Heilig Hoofd — als zetel of orgaan van de Goddelijke Wijsheid — niet wordt toegestaan.
Dit werk wil daarom uitsluitend een theologische en devotionele uiteenzetting zijn voor privégebruik. Wat de leer betreft, aanvaardt de schrijver volledig de leer van de Kerk, ook waar sommige formuleringen voor meerdere uitleg vatbaar zouden kunnen zijn.
Wanneer in dit werk het woord Wijsheid wordt gebruikt, dient dit steeds te worden verstaan als: wijze liefde, wijs handelen en wijze wil.
Fr. Marcel OFM Cap.
Situering
1. Inleiding
De geschiedenis van de katholieke spiritualiteit laat zien dat devoties zich zelden los van elkaar ontwikkelen. Nieuwe accenten ontstaan doorgaans niet uit breuk, maar uit verdieping: een verdere ontvouwing van aspecten die reeds impliciet aanwezig waren in de beschouwing van het mysterie van Christus. In dat licht dient ook de devotie tot het Heilig Hoofd van Jezus, Zetel van de Goddelijke Wijsheid, te worden verstaan.
Deze uitgave presenteert en contextualiseert een omvangrijk, maar nauwelijks bekend gebleven handschrift van Z.E.P. Marcel OFM Cap., gebaseerd op de brieven en mystieke ervaringen van de Engelse mystica Teresa Higginson (1844–1905). Het werk beoogt niet de instelling van een nieuwe openbare cultus, maar een theologische verdieping van het verstaan van Jezus Christus als mensgeworden Wijsheid van de Vader.
Juist deze focus maakt het handschrift bijzonder relevant in een tijd waarin het christelijk geloof steeds vaker wordt gereduceerd tot ethiek, gevoel of sociaal engagement, losgemaakt van de vraag naar waarheid en wijsheid.
De centrale these luidt dat de devotie tot het Heilig Hoofd van Jezus expliciet aandacht vraagt voor de menselijke én goddelijke Wijsheid van Christus als ordenend principe van zijn liefde, zijn handelen en zijn verlossingswerk. Daarmee biedt zij een correctief tegen zowel rationalistisch ongeloof als tegen een sentimentele geloofsbeleving die het verstand wantrouwt.
2. Opzet en inhoud
Het handschrift van pater Marcel is systematisch opgebouwd. De eerste hoofdstukken behandelen de noodzakelijkheid van Jezus’ Wijsheid voor het christelijk leven en de theologische grondslagen van deze godsvrucht. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ongeschapen, goddelijke Wijsheid van de Zoon en zijn geschapen, menselijke wijsheid, zonder deze van elkaar los te maken. Vervolgens worden de kenmerken en het wezen van de godsvrucht uiteengezet, waarbij nadruk ligt op haar innerlijke, nederige en vertrouwvolle karakter. De daaropvolgende hoofdstukken bespreken de beweegredenen voor deze devotie, haar actualiteit in tijden van ongeloof en intellectuele hoogmoed, en de thematiek van belediging en eerherstel. Het werk besluit met praktische oefeningen, gebeden en een uitgebreide reflectie op de verhouding tussen de devotie tot het Heilig Hoofd en andere vormen van christologische vroomheid, zoals het Heilig Hart, het Heilig Aanschijn, de Heilige Ziel van Jezus en de godsvrucht tot de Heilige Geest en Maria.
3. Theologische duiding
Christologie en Wijsheid
Theologisch gezien sluit het handschrift nauw aan bij de klassieke leer over Christus als mensgeworden Logos. De identificatie van de Zoon met de Wijsheid van God (vgl. Spr. 8; Wijsh. 7–9; Joh. 1) wordt niet louter speculatief uitgewerkt, maar verbonden met Jezus’ concrete menselijke kennen, willen en oordelen. De nadruk op het Heilig Hoofd fungeert daarbij niet anatomisch, maar symbolisch: het Hoofd staat voor het centrum van verstandelijke en wilsmatige gerichtheid.
Pneumatologische dimensie
Opvallend is de sterke pneumatologische ondertoon. Jezus’ menselijke wijsheid wordt voorgesteld als volkomen ontvankelijk voor de werking van de Heilige Geest. Daarmee vermijdt de auteur zowel een reductionistisch psychologisme als een docetische spiritualisering. De H. Geest werkt heilbrengend door Christus’ menselijkheid heen en wil van daaruit ook het verstand van de gelovigen verlichten.
Ecclesiologische implicaties
Ecclesiologisch verschijnt Christus als het verlichtende Hoofd van de Kerk. De devotie wordt verstaan als een oefening in onderscheiding en gehoorzaamheid aan het evangelie, juist in tijden van leerstellige verwarring en morele ambiguïteit. Daarmee krijgt zij ook een pastorale relevantie voor ambtsdragers en gelovigen die verantwoordelijkheid dragen.
4. Kerkelijk kader
Deze studie benadrukt expliciet dat de devotie tot het Heilig Hoofd van Jezus geen door de Kerk ingestelde openbare cultus betreft. Het handschrift respecteert het decreet van het Heilig Officie van 18 juni 1938 en presenteert zich als theologisch devotionele reflectie voor privégebruik. Dit kader is essentieel om het werk correct te situeren en misverstanden te vermijden.
5. Conclusie
De heruitgave en theologische duiding van het handschrift van Z.E.P. Marcel maken duidelijk dat de devotie tot het Heilig Hoofd van Jezus geen marginaal of louter affectief verschijnsel is, maar berust op een samenhangende theologische visie waarin verstand en geloof, wijsheid en liefde, christologie en pneumatologie elkaar wederzijds verhelderen.
Tegen de achtergrond van toenemend ongeloof en intellectuele zelfgenoegzaamheid biedt deze godsvrucht een spiritueel-theologisch antwoord dat het menselijk verstand niet buitenspel zet, maar zuivert, geneest en ordent in het licht van Christus.
Eerste hoofdstuk: De noodzaak van Jezus’ wijsheid voor ons christelijk leven
1. God heeft Jezus gebruikt om de mens de waarheid te leren
Toen God ons wilde verlossen en ons bestaan op aarde dragelijker wilde maken, koos Hij ervoor ons te redden door een Mens. Zo werd onze verlossing tegelijk menselijk én goddelijk. God gaf ons in Jezus een hemelse, maar ook menselijke Leraar, vervuld van een wijsheid zo hoog en zo wonderlijk dat de mensen zeiden: “Nog nooit heeft iemand zo gesproken.”
Gods eigen wijsheid gaat ieder menselijk begrip te boven. Daarom maakte Hij haar voor ons toegankelijk door het menselijke verstand van Jezus: een waarachtig menselijk intellect, rijk aan kennis en inzicht. Juist dat wekte vertrouwen. Mensen durfden Hem te benaderen, vragen te stellen en zelfs met Hem in gesprek te gaan, omdat Hij werkelijk mens was.
De profeet Jesaja zag deze volheid van wijsheid al vooruit:
“Op Hem zal rusten de geest van de HEER: geest van wijsheid en inzicht, geest van raad en sterkte, geest van kennis en godsvrucht; ontzag voor de HEER zal Hem vervullen.”
Wij leven in een tijd waarin niet alleen Gods liefde ter discussie staat, maar uiteindelijk God zelf. Waar men vroeger vaak nog geloofde, maar God vooral zag als een strenge Rechter, wordt vandaag Zijn voorzienigheid, Zijn raadsbesluit en zelfs Zijn bestaan bestreden. Filosofische, politieke en economische stromingen stellen dezelfde vraag: hoe kan er een God bestaan als de wereld lijkt te evolueren naar zelfvernietiging?
Veel mensen zoeken daarom betekenis buiten het evangelie en buiten Jezus’ wijsheid: in productie, welvaart, vooruitgang of puur menselijk maakbaarheidsdenken. Maar materiële overvloed kan de diepere honger van de ziel niet stillen; de mens raakt verzadigd en tegelijk leeg. Anderen zeggen: God is een verzinsel; leef met de “waarheid” van de wetenschap. Maar ook dat neemt de angst niet weg voor de ontsporingen van de wetenschap, die zelfs middelen tot vernietiging heeft voortgebracht. Weer anderen zeggen: geloof wat je wilt, maar regel het leven zelf met redelijkheid en menselijke afspraken; bidden zou zinloos zijn, voorzienigheid overbodig—help jezelf.
Zo ontstaan systemen die de mens vormen alsof hij geen verlossing nodig heeft, niet op aarde en niet hierna. Maar heeft de mens ook op aarde verlossing nodig? Ja: van onwetendheid en wilszwakte.
Onwetendheid groeit, paradoxaal genoeg, juist omdat naast wetenschappelijke kennis ook dwalingen, tegenstrijdige theorieën en sektarische “wijsheden” toenemen. De enkeling vraagt zich af: wie spreekt nog waarheid, als iedereen elkaar tegenspreekt?
Wilszwakte wordt eveneens zwaarder, naarmate de mens zich meer aangetrokken voelt tot steeds verleidelijker goederen voor zintuig en geest. Het leven kent bovendien veel meer momenten van plots gevaar en kwetsbaarheid. Daarbij komt de pijn van ontrouw en oneerlijkheid in relaties, en de druk van begeerte en roes, versterkt door reclame, winstbejag en genotscultuur.
De mens die zijn behoefte aan waarheid en innerlijke kracht ontkent, raakt gemakkelijk verdwaald. Vaak klampt hij zich vast aan wat het moment biedt, verwijdert zich van God, en kan uiteindelijk geestelijk instorten—soms zelfs tot wanhoopsdaden.
Toch kan zo iemand zich laten aanspreken door het menselijke in Jezus. Dan plaatst hij Hem tussen de “wijzen” van de geschiedenis en bewondert Hem om zijn mildheid en goedheid. Maar hij noemt Jezus’ volledige leer al snel “onmenselijk”, omdat ze ook moeilijke en veeleisende dingen vraagt. Daarbij vergeet hij dat Jezus’ leer tegelijk menselijk én goddelijk is: ze komt van God die de mens geschapen heeft en dus als geen ander weet wat de mens tot zijn bestemming leidt—hier en in de eeuwigheid. Wie Jezus’ wijsheid vereert zonder zijn goddelijkheid weg te denken, ontdekt juist hoe diep zijn leer overeenstemt met de ware verlangens van het menselijk hart.
Als de eeuwige Vader zich van de Mens Jezus heeft bediend om ons de waarheid mee te delen, en zo heeft getoond hoe hoog Hij het menselijk geslacht acht, dan moeten we nu zien waarin die leer werkelijk wijs is.
2. God gebruikt Jezus’ leer om ons te verlichten
Wie de menselijke nabijheid van Jezus’ woorden wil verstaan, moet aanvaarden dat Hij niet enkel kwam voor ons tijdelijke welzijn, maar voor ons eeuwig geluk—waarmee het aardse verbonden is. Dat vraagt geloof: Hem betrouwbaar achten en zijn woorden werkelijk willen overwegen. De grootste hindernis is lichtzinnigheid: een oppervlakkige kennis, samen met een spontane weerstand tegen de “harde kanten” van zijn leer, dringt nooit door tot haar wijsheid. Het is als bij sommige vruchten: een bittere schil kan een zoete kern verbergen. Wie oprecht zoekt, vindt waarheid.
God wil onze onwetendheid genezen, want Hij is licht: “God is licht, en in Hem is geen duisternis.” Wie Christus volgt, “wandelt niet in de duisternis.” Als we met vragen blijven rondlopen, komt dat vaak doordat we zijn woord niet laten doordringen, dat ons “uit de duisternis roept naar zijn wonderbaar licht.”
Wijsheid bezitten is daarom niet zomaar een menselijke prestatie, maar een roeping van de Vader. Paulus zegt dat wie Christus kent niet in de duisternis hoort te leven, maar als kind van het licht. Als we Jezus’ leer dwaas vinden of verleid worden tot afval, ligt de oorzaak vaak in onszelf: we vragen zijn licht niet, en we gaan aan de genademiddelen voorbij—zoals biecht en eucharistie.
De Vader beweegt ons om wereldse dwaalleraren te mijden. Toch stelt iemand die zich graag voedt met alle meningen en theorieën, zich bloot aan zware bekoring. Jezus moet in ons verstand kunnen werken; dat verhinderen we wanneer we ons hart steeds weer openzetten voor elke wisselende opinie. Bij velen zijn geloofswaarheden vaag en krachteloos geworden, zodat ze de wil niet meer vormen. Men went aan “nacht”: nieuwe stelsels, een opgerekte moraal, kritiek op bekende waarheden. Dan wordt Jezus’ waarschuwing ernstig: “Als het licht dat in u is duisternis wordt, hoe groot is dan de duisternis.”
Daarom moeten we hongeren naar licht: Jezus’ woorden wegen, en niet behoren tot hen die de duisternis liever hebben dan het licht. Christus verbindt ons met zichzelf: als ledematen van één lichaam, als ranken aan de wijnstok. Van Hem ontvangen wij geloofskracht, christelijke wijsheid en verlichtende genade. Hij is als een centrale die stroom uitzendt; wij moeten de “schakelaar” openen.
Sinds zijn hemelvaart werkt Christus onafgebroken aan onze verlossing. Hij heeft de schuld door zijn offer weggenomen, en deelt sindsdien genade uit. Hij draagt voor ieder bijzondere zorg, omdat Hij zich voor ieder geofferd heeft. Zoals we onze ogen beschermen tegen beschadiging, zo waakt Hij met een zorg die alles overtreft over hen die de Vader Hem heeft gegeven. Daarom is een dagelijkse oefening voor wie Jezus’ wijsheid vereert: in twijfel of onbegrip naar Hem opzien, zijn licht vragen, en ontvankelijk worden voor zijn verlichtende genade.
“O Wijsheid van het heilig Hoofd, leid ons op al onze wegen.”
3. God heeft het laatste oordeel aan Jezus toevertrouwd
In het evangelie van Johannes lezen we: “Het oordeel is geheel aan de Zoon gegeven.” Dat is de wil van de Vader: Jezus heeft macht om te oordelen “omdat Hij de Mensenzoon is.” Het oordeel is dus goddelijk, maar ook menselijk. En toch blijft het volkomen rechtvaardig, want Jezus oordeelt niet naar eigen willekeur, maar naar de wil van Hem die Hem gezonden heeft.
Daarbij krijgt ook de gemeenschap van Christus een plaats: wie Hem gevolgd is, zal met Hem delen in het oordelen. Het laatste oordeel wordt zo niet enkel een daad van Christus als Hoofd, maar ook een getuigenis van zijn Mystiek Lichaam tegenover wie daarvan geen deel wilde uitmaken.
Omdat het oordeel menselijk is, zullen alle omstandigheden worden meegewogen: tijd en plaats, mate van inzicht, voorbedachtheid of onwetendheid, verzachtende of verzwarende factoren, achtergrond en opvoeding—alles wat een rechtvaardig oordeel vraagt. Maar om dat volkomen te kunnen, moet het ook goddelijk zijn: Jezus moet alle harten doorzien, alle tijden omvatten, en ieder leven kennen in zijn verborgen drijfveren.
Vanuit dat perspectief wordt de symboliek van het “boek met de zeven zegels” uit de Openbaring verstaan als een groot visioen van Christus’ gezag en wijsheid. Het Lam—als geslacht, dus krachtens zijn overwinning—ontvangt het boek uit de hand van Hem die op de troon zit. Zijn zeven horens en zeven ogen drukken de volheid van macht en wijsheid uit. De hemel bezingt zijn waardigheid, omdat Hij door zijn bloed mensen uit alle volken voor God heeft vrijgekocht en hen deelt laat hebben aan koninklijke en priesterlijke waardigheid.
Dit visioen is een bron van vertrouwen: het Lam leidt zijn volk naar het hemels Jeruzalem, waar geen honger en dorst meer is en God alle tranen afwist. Daarom is de Openbaring, ondanks haar zware beelden, uiteindelijk een hymne op de menselijke én goddelijke wijsheid van Jezus, die alles richt naar het heil van de uitverkorenen.
Omdat Jezus ons leven kent en onze wegen heeft gevolgd, kent Hij ook onze verantwoordelijkheid. Hij weet wat verleiding is en wat trouw is. Daarom zal Hij ieder zijn last laten dragen en ieders werk naar waarheid vergelden. Het is dus van wezenlijk belang Hem te erkennen als Leider van ons innerlijk leven én van de gebeurtenissen van onze tijd, in het geloof dat Hij alles ordent tot heil, omdat de Vader Hem die macht heeft gegeven.
4. Waarom wijsheid noodzakelijk is voor christenen
1) Voor alle christenen
Omdat wij de waarheid hebben ontvangen en naar die waarheid geoordeeld zullen worden, is wijsheid voor iedereen noodzakelijk. Zonder deelname aan Christus’ verlichtende genade kan niemand tot zaligheid komen. Wie Jezus’ woorden veracht, veroordeelt zichzelf: hij wijst niet alleen het goddelijke af, maar ook het volmaakt menselijke van Christus’ leer—en handelt daarmee tegen rede en geweten.
Buiten Jezus bestaat er geen wijsheid die vrij is van de gebrokenheid van het menselijk verstand en de wanorde van de hartstochten. Wie bewust het licht vermijdt, doet dat vaak omdat hij zijn eigen werken niet wil laten beoordelen. Maar wie waarheid doet, komt naar het licht.
Bovendien kan niemand God goed dienen zonder te weten wat God vraagt. Dat leren we door Jezus te beluisteren: door het evangelie te lezen, en door zijn genadeverlichting te ontvangen. Wie in de Zoon gelooft, heeft leven; wie Hem afwijst, blijft buiten het leven.
2) Voor wie naar volmaaktheid streeft
Het hoogste van het christelijk leven is liefde tot God en de naaste. Die liefde groeit door de door het geloof verlichte rede en, dieper nog, door de gave van wijsheid van de Heilige Geest. Deze gave is een innerlijke “smaak” voor wat God betreft: een aanvoelen van Gods uitmuntendheid, dat de ziel afkerig maakt van alles wat de liefde verduistert (gehechtheid, zinnenlust, eigenliefde) en haar leert onderscheiden wat God behaagt.
Deze gave is bij het doopsel ingestort, maar vraagt medewerking. Wanneer we trouw bidden en handelen uit liefde, ontwaakt die smaak en wordt de verbondenheid met God sterker. Dan wordt het geestelijk leven niet een sleur, maar een groei naar vrede en eenvoud: een blijvende staat van genietende liefde.
3) Voor geestelijke leiders
Velen verlangen naar brood: naar leiding, verdieping, een woord dat verlicht. Toch vinden ze niet altijd een herder die hen werkelijk helpt. Vaak is de oorzaak: gebrek aan wijsheid, gebrek aan bovennatuurlijkheid. Zielen zoeken niet nog meer “menselijkheid” in de platte zin—mensen zien ze overal—maar iemand die leeft uit geest en waarheid, die terugkeert naar de geloofswaarheden en woorden spreekt die “geest en leven” zijn. Zo’n leider wordt gevormd in de school van Jezus. Dan groeit het onderscheid der geesten, de barmhartige zorg voor gewonde zielen, en de kracht om innerlijke geslotenheid te openen.
Deze gave maakt een priester tot leider: waar ze aanwezig is, komen zielen; waar ze ontbreekt, zoeken zij elders. En God kan deze leidersgave ook aan leken schenken. Het volk verlangt een herder die “afgescheiden” is: niet afstandelijk, maar toegewijd, gedragen door gebed en geloof, herkenbaar als getuige van een hoger leven.
4) Voor allen die verantwoordelijkheid dragen
Ook voor leiders en overheden is wijsheid nodig. Bestuur dat zich alleen baseert op wisselende moraal en ideologie, verliest richting. Het boek Wijsheid houdt leiders voor dat zij rechtvaardigheid moeten liefhebben, zich niet laten meeslepen door cynisme of genieten-zonder-einde, en steeds Gods oordeel voor ogen houden. Ware wijsheid is een afstraling van Gods licht: ze maakt het oordeel helder en het woord gezaghebbend.
5) In de laatste tijden van de Kerk
Volgens de overlevering rond Teresa Higginson zal deze godsvrucht vooral in tijden van groot ongeloof belangrijk worden: wanneer velen weer “in duisternis” zitten en het geloof afneemt. Dan hebben gelovigen steun nodig om trouw te blijven. Wie Jezus’ wijsheid zoekt, ontvangt kracht.
Bovendien: naarmate het oordeel nadert waarin Jezus’ wijsheid zal schitteren, past het dat de gelovige ermee leert leven. Wie naar zijn woord luistert en gelooft, gaat “niet naar het oordeel” in de zin van veroordeling, maar leeft in het licht en mag zelfs met Christus delen in zijn overwinning. Daarom kan men verstaan dat de wijsheid van Christus als een “zegel” wordt gezien: een teken van toebehoren, zichtbaar in het dragen van lijden uit liefde en in vertrouwen dat de Alwijze ook door beproeving heen zuivert en leidt.
Tweede hoofdstuk: Grondslagen van deze godsvrucht
1. Jezus’ heilig Hoofd, zetel van de goddelijke Wijsheid
Deze godsvrucht noemt het heilig Hoofd van Jezus “Zetel van de goddelijke Wijsheid”, zoals de devotie tot het heilig Hart het Hart van Jezus aanduidt als zetel van de goddelijke Liefde.
Daarbij is van meet af aan een onderscheid nodig tussen de goddelijke Wijsheid in de Persoon van Christus en zijn menselijke wijsheid. Beide zijn in één Persoon verenigd, maar blijven onderscheiden.
De ongeschapen Wijsheid behoort tot de natuur van God en wordt dus door Vader, Zoon en heilige Geest bezeten. Er zijn geen “drie wijsheden”, want Gods natuur is één. Toch wordt deze Wijsheid vooral aan de Zoon toegeschreven, omdat Hij in menselijke taal het Woord, de Gedachte, het Verstand van de Vader is: het levende Beeld waarin de Vader zich volledig herkent, het eeuwig Model waarnaar Hij de schepping vormde en dat Hij bemint omdat het volkomen op Hem gelijkt. Daarom wordt de Zoon met recht Wijsheid genoemd.
In dit Licht leeft en handelt de Vader. Vandaar de Schrift: “Wie de Wijsheid vindt, vindt het leven” (Spr. 8,35), want de Zoon is het leven van de Vader: “Zoals de Vader het leven in zichzelf heeft, zo heeft Hij ook aan de Zoon gegeven het leven in zichzelf te hebben” (Joh. 5,26). Bossuet merkt daarbij op dat de Vader de Zoon het leven niet “van buitenaf” gaf, maar uit zijn eigen levende werkelijkheid: de Vader is bron van leven en maakte de Zoon tot bron van leven.
De Zoon heet ook Wijsheid omdat Hij in volmaakte gerichtheid op de Vader leeft: onafgebroken contemplatie, voortdurende vreugde in de goddelijke volkomenheid, zonder ooit van de Vader los te raken. Zo toont Hij alle schepselen het hoogste voorbeeld van wijsheid: alleen met God bezig zijn en in Hem leven.
Deze goddelijke Wijsheid heeft als “zetel” genomen het heilig Hoofd van onze Verlosser. In de gewone menselijke ervaring is het hoofd het voornaamste deel van het lichaam: daar situeren wij het denken, het overwegen, het oordelen. Als wijsheid bij mensen samenhangt met het juiste gebruik van de rede, dan verbinden wij dat spontaan met het hoofd. Overgedragen op de Mensenzoon is het verstaanbaar dat het Hoofd het uitverkoren “teken” en “centrum” wordt van de Wijsheid die Hij als Zoon van de Vader is.
(Teresa gebruikt hiervoor niet alleen “zetel”, maar ook woorden als centrum, tempel en woonplaats. Het gaat om een geestelijke aanduiding, niet om een natuurkundige stelling over het orgaan van de ziel.)
2. Jezus’ heilig Hoofd, zetel van zijn menselijke wijsheid
Wie Teresa Higginson oppervlakkig leest, kan denken dat zij enkel de goddelijke Wijsheid bedoelt. Maar bij aandachtige lezing blijkt dat zij steeds weer terugkeert naar Jezus’ menselijke wijsheid, geheel doorstraald door de goddelijke. Juist dit vormt de kern van de godsvrucht.
De ongeschapen Wijsheid is voor ons te hoog om te bevatten; de menselijke wijsheid van Jezus staat dichter bij ons. God heeft zich bediend van het menselijke verstand van Jezus om zijn barmhartige raadsbesluiten voor ons zichtbaar te maken. Wat in God verborgen was, werd in Christus concreet: de Wijsheid werd voor ons hoorbaar, aanraakbaar, “menselijk” nabij.
Het eigenlijke voorwerp van deze godsvrucht is daarom de wijsheid van Jezus zoals zij in zijn menselijke leven verschijnt, zonder haar los te maken van de goddelijke. Men kan spreken van goddelijke, menselijke of “godmenselijke” wijsheid; theologisch is het één mysterie, pastorale taal kiest soms verschillende woorden.
Het geloof leert dat Christus een ware menselijke ziel had en dus een geschapen mensenverstand (tegen de dwaling die dit ontkende). Juist hierover klaagt Hij, volgens Teresa, dat zijn Ziel zo weinig gekend en bemind is. De overlevering benadrukt bovendien dat Jezus’ menselijke kennis uitzonderlijk rijk was, vrij van dwaling, al blijft zij als menselijke kennis begrensd (oneindigheid behoort alleen aan Gods kennis toe).
Gewoonlijk onderscheidt men in Christus als mens drie vormen van kennis:
1) De zaligmakende aanschouwing van God
Van het eerste ogenblik van zijn ontvangenis bezat Christus als mens de aanschouwing van God. Zijn geest was op unieke wijze met God verenigd; dit visioen was volmaakt en overstijgt wat enig schepsel ooit zal ontvangen. Het past Hem als Hoofd, Wetgever en Redder: Hij moet de weg naar de zaligheid volkomen kennen. In dit licht kent Hij God en ook alles wat tot zijn zending behoort, waaronder het heil van zielen.
2) De ingestorte wetenschap
Daarnaast was er een kennis die niet uit zintuiglijke ervaring groeit maar door God wordt ingegeven: een licht dat hoger is dan alle menselijke wetenschap. Hierdoor kende Jezus schepselen en harten met een diepte die ons te boven gaat; Hij doorzag ook wat Hem zou treffen in lijden en dood. Deze kennis helpt verstaan waarom zijn lijden zo intens was: zijn geest zag scherp wat kwaad, zonde, ontrouw en verharding betekenen.
3) De kennis door ervaring
Omdat Hij waarachtig mens was, gebruikte Hij ook gehoor, zicht, herinnering en verbeelding. Zo verwierf Hij kennis zoals wij die verwerven: door ervaring. In die zin “nam Hij toe in wijsheid” (Lc. 2,52): niet omdat Hij onwetend was in goddelijke zin, maar omdat zijn menselijk kennen zich ook langs de weg van het leven ontvouwde.
Jezus’ menselijke wijsheid bestaat dan hierin dat Hij al deze kennis op volmaakte wijze gebruikte: heel zijn innerlijk leven was gericht op de Vader. Verstand, wil, geheugen en verbeelding stonden in dienst van Gods raadsplan en van de verkondiging. Teresa vat dit in korte gebeden samen: het Verstand dat verlicht, de Wil die gehoorzaamt, het Geheugen dat om genade blijft vragen.
Het evangelie toont hoe menselijk en tegelijk verheven Jezus redeneert: scherp in zijn weerlegging, helder in zijn uitleg van de wet, rijk in beeldspraak en gelijkenissen. Zijn verbeelding is niet losgeslagen, maar dienstbaar aan waarheid. Daarom is het begrijpelijk dat het heilig Hoofd “zetel” heet van zijn menselijke wijsheid: in menselijke taal verbinden wij het denken en oordelen met het hoofd.
O heilig Hoofd, zetel van goddelijke en menselijke Wijsheid, laat ons U beter kennen om U inniger lief te hebben.
3. Het heilig Hoofd is de hoogste eer verschuldigd
Eer is het erkennen van iemands uitmuntendheid. De hoogste eer is aanbidding: erkenning van Gods oneindige majesteit en heerschappij. Aan heel Jezus’ heilig Lichaam komt die goddelijke eer toe, omdat wij daarin niet een mens “naast God” vereren, maar de Mensheid die onlosmakelijk verenigd is met de tweede Persoon van de Drie-eenheid. Christus’ Mensheid bestaat niet zelfstandig buiten de Zoon; zij is in de Persoon van de Zoon opgenomen en deelt in de waardigheid van die Persoon.
Ook in menselijke omgang gaat eer spontaan naar het hoofd: groet, blik, kus, herkenning. In het gelaat zoeken wij de persoon; daar lezen wij gedachten en gevoelens. Daarom komt ook belediging vaak het scherpst neer op het gelaat. Dit menselijke gegeven helpt verstaan waarom Jezus aan Teresa duidelijk maakte dat aan zijn heilig Hoofd bijzondere eer verschuldigd is.
Toen Teresa’s geestelijk leidsman vroeg waarom het Hoofd zo centraal staat, antwoordde zij in deze zin: het verstand is in ons het vermogen dat het dichtst bij God staat, het licht waarmee wij goed en kwaad onderscheiden. Het hoofd wordt dan gezien als zetel of teken van deze vermogens. Vandaar dat uit het heilig Hoofd als het ware het licht van kennis en leiding straalt, dat ook de bewegingen van het heilig Hart ordent: niet om het Hart te verkleinen, maar om te tonen dat Jezus’ liefde nooit blind sentiment is, maar liefde die geleid wordt door wijsheid.
4. In Jezus is het heilig Hoofd het middelpunt van de vermogens van zijn ziel
Bij ieder mens is het hoofd, op lichamelijk vlak, het centrum dat de organen aanstuurt: indrukken komen binnen, worden “verwerkt”, en het handelen volgt. Op geestelijk vlak is het hoofd in onze gewone taal het middelpunt van het verstandelijk leven: via het lichaam (hersenen) oefent de ziel haar kennen en willen uit.
Wanneer Teresa zegt dat het Hoofd het middelpunt is van Jezus’ zielsvermogens, bedoelt zij dat Jezus’ innerlijk leven ordelijk is:
- de hogere vermogens (verstand en wil),
- de midden vermogens (geheugen en verbeelding),
- de lagere vermogens (neigingen en hartstochten),
staan onder de leiding van zijn door God verlichte wijsheid.
Zo wordt ook Getsemane verstaan: “Niet mijn wil, maar de uwe geschiede” (Mt. 26,42). Jezus’ menselijk verstand ziet in dat het aanvaarden van het lijden hoort bij de wil van de Vader; vervolgens brengt Hij zijn menselijke wil ertoe dit te omhelzen. Hier wordt zichtbaar dat het beslissende centrum van onze verlossing geen drift is, maar gehoorzame wijsheid.
Geheugen en verbeelding zijn bij ons vaak onrustig en moeilijk te sturen. In Christus staan zij in volmaakte orde: zijn geheugen en verbeelding dienen de waarheid. Daarom kan Hij met ongeëvenaarde kracht spreken in beelden en gelijkenissen die uit het leven gegrepen zijn, zonder dat de verbeelding de richting bepaalt.
Ook de hartstochten zijn werkelijk aanwezig in Jezus, maar altijd geordend. Zijn afkeer van zonde vloeit voort uit zijn liefde tot de Vader; zijn toorn in de tempel is geen opwelling, maar een rechtvaardige ijver voor heiligheid; zijn droefheid bij Lazarus is echte vriendschap; zijn vreugde is geworteld in het aanschouwen van Gods handelen. Zo blijkt telkens: het hart is niet los van het hoofd, en de liefde van Jezus is niet enkel tederheid, maar wijsheid die soms ook harde wegen toelaat om een hoger heil.
5. Het heilig Hoofd is ook leidende macht voor de gelovigen
De Vader bestuurt de Kerk door Jezus’ menselijke wijsheid. Wie Jezus ziet, ziet de Vader; wie zijn wijsheid herkent, raakt aan de wijsheid van de Vader. Jezus’ werken dragen een wijsheid die de menselijke maat overstijgt en zo de eenheid van het menselijke en het goddelijke in Hem aanwijst.
Daarom is Jezus’ heilig Hoofd het onzichtbare Licht van de Kerk. De zichtbare leraar—de paus—staat onder zijn leiding; de gave van onfeilbaarheid wordt verstaan als bijzondere bijstand van Christus’ Wijsheid om de waarheid te bewaren.
Dit licht werkt ook in de onderwijzende Kerk: in allen die geroepen zijn tot verkondiging en theologische verdieping. Christus’ belofte “Ik ben met u alle dagen” (Mt. 28,20) betreft vooral het bewaren en zuiver doorgeven van het geloof. In tijden van verwarring en druk tot compromis wordt deze godsvrucht daarom voorgesteld als een oefening om in het volle licht te blijven.
Tegelijk is Jezus’ wijsheid het licht van de onderwezen Kerk: apostelen kunnen planten en begieten, maar God geeft de groei (1 Kor. 3,6). Christus is het ware Licht dat ieder mens verlicht (Joh. 1). Zoals de ster de wijzen leidde, zo kunnen ook gebeurtenissen in ons leven—als wij leren zien—tekens worden van zijn leiding. Na de hemelvaart begint de nacht waarin de Bruidegom onzichtbaar is: het uur van het geloof. Zijn leiding blijft werkelijk, maar verborgen: bekoringen worden begrensd, beproevingen gewogen, genaden bereid, wegen bijgestuurd. Hij kent zijn schapen en laat het niet aan Hem liggen dat iemand verloren gaat.
6. Het heilig Hoofd als leidende macht voor wie buiten de Kerk staat
Simeon noemde Christus “een licht tot openbaring voor de heidenen” (Lc. 2,32). Wie Christus niet kent, mist het volle leven, want het leven is de Vader kennen en Hem die Hij gezonden heeft (Joh. 17,3). Toch blijft Christus ook voor volkeren en personen die Hem verwerpen of niet kennen hun Koning en Leider: door zijn scheppingsmacht én door zijn overwinningsrecht.
De Schrift toont dit in krachtige beelden (bijv. Ps. 2): volkeren kunnen razen tegen de Gezalfde, maar God blijft Heer, en de Messias ontvangt de volken tot erfdeel. Voor wie zich van het lichaam van Christus heeft afgescheurd, is redding verbonden met het aanschouwen van het met doornen gekroonde Hoofd: een oproep tot terugkeer, berouw en eenheid. Voor wie Hem nooit echt heeft ontmoet, blijft gelden dat God mensen inschakelt om mensen te winnen: de oogst is groot, arbeiders zijn nodig. Ook dat behoort tot de zorg van wie deze godsvrucht beoefent: bidden om eenheid, om licht, om herders en getuigen.
Derde hoofdstuk: Kentekenen van de godsvrucht
1. Zij is inwendig
Deze godsvrucht is vóór alles innerlijk. Uitwendige oefeningen hebben slechts zin als zij in ons een houding vormen: een evangelische geest die het leven vervolgens richting geeft. Door de verering van Jezus’ heilig Hoofd willen wij Hem de eer bewijzen die Hem toekomt, maar ook zijn geest aannemen: leren denken zoals Hij.
Dat betekent concreet dat wij onze meningen en gedachten—ook de meest vertrouwde en geliefde—leggen naast zijn wijsheid en toetsen aan het zuiver evangelisch denken. Daarom begint deze godsvrucht met zelfonderzoek: “Laat ons onszelf oordelen, opdat wij niet geoordeeld worden” (1 Kor. 11,31). Wie zich vaak in het licht van Jezus’ denken plaatst, leert onderscheiden wat werelds is en wat werkelijk uit het evangelie komt.
Daarbij wordt duidelijk hoe gemakkelijk valse denkbeelden zich aan ons hechten. Veel mensen zijn, zonder het te beseffen, gevormd door een vrijzinnige mentaliteit die zo lang in de omgeving heeft gecirculeerd dat men niet meer handelt vanuit het geloof, maar vanuit eigen maatstaven. Men noemt dat dan “gezond verstand”, terwijl het in feite de “voorzichtigheid van het vlees” kan zijn: een redeneren dat niet door Christus wordt geleid.
Een tweede innerlijk kenmerk is eerbied voor het woord van Jezus. Deze godsvrucht kan niet verdragen dat het evangelie lichtvaardig wordt behandeld. Wanneer Schriftwoorden gebruikt worden voor oppervlakkige grapjes of goedkope toespelingen, verliest het woord zijn gewicht en dooft zijn kracht in ons. Het evangelie moet zijn volle ernst behouden. Daarom willen wij de woorden van de Heer met ontzag uitspreken, vooral wanneer ze in het leven nodig zijn om te bemoedigen, te vermanen of aan te sporen tot een vuriger geloof.
Ten slotte draagt deze innerlijke geest ook een nuchtere houding tegenover de louter menselijke geest. Wij verachten het menselijk verstand niet: het is een gave en zijn vindingrijkheid mag dankbaarheid wekken. Maar God wil dat menselijke mogelijkheden ondergeschikt blijven aan zijn Rijk. Uitvindingen kunnen dienen tot opbouw, maar ook misbruikt worden tot afbraak. Tegenover de oceaan van Christus’ wijsheid blijft de menselijke kennis beperkt. Daarom achten wij menselijke prestaties alleen dan werkelijk waardevol wanneer ze ons dichter bij God brengen; wanneer ze ons van Hem aftrekken, verdienen ze niet onze overgave.
Wie de menselijke kunde hoort verheerlijken alsof zij de maat van alle dingen is, zal daarom wijzen op haar grenzen en tegelijk op de grootheid van Jezus’ kennis en goedheid. Dat de mens vooruitgang boekt in het verstaan van de schepping kan zelfs een weg worden om de Schepper beter te kennen en Hem trouwer te dienen.
2. Zij is ootmoedig
Deze godsvrucht leert ons onszelf te zien in verhouding tot God. De wereld bekijkt het menselijk verstand graag vanuit wat het kan; de evangelische wijsheid herinnert ons tegelijk aan wat het niet kan. Wie zich spiegelt in Jezus’ wijsheid, wordt klein: niet uit zelfhaat, maar uit waarheid. Men merkt hoe beperkt het eigen oordeel is, hoe vaak men zich vergist, hoe snel men oordeelt zonder alle omstandigheden te kennen. Dat wekt een innerlijke buiging: een nederigheid die ruimte maakt voor Christus’ licht.
Daarom vraagt deze godsvrucht een voortdurende strijd tegen geestelijke hoogmoed. Er bestaat hoogmoed die zich vastklampt aan uiterlijkheden—schoonheid, bezit, status—en het leven daarin laat opgaan. Maar gevaarlijker is de hoogmoed van het verstand: het bewonderen van eigen ideeën, het wantrouwen tegen het gezag van de levende Kerk, het relativeren van evangelische waarheid, het bespotten van zichtbare vroomheid. Deze houding begint vaak als “kritische onafhankelijkheid”, maar kan eindigen in het afglijden naar dwaling en ongeloof.
Die intellectuele hoogmoed is in wezen een overmatige liefde voor het eigen verstand: waanwijsheid. Volgens Teresa wees Jezus erop dat deze godsvrucht een tegengif is tegen twee grote kwalen: geestelijke hoogmoed en ongeloof.
Heer Jezus, bewaar ons voor de hoogmoed die U uit ons leven zou verdrijven, en geef ons de nederigheid van uw eigen Geest tegenover de Vader.
3. Zij is vertrouwend
Christus heeft tijden voorzegd waarin dwaling sterk en weerstand zwak zou zijn, zodat zelfs gelovigen het moeilijk krijgen om stand te houden zonder genade. Ook nu sluipen leerstellingen rond die zich met schijnbare waarheid kleden. Zij kunnen zelfs oprechte mensen doen afwijken van de ware zin van het evangelie.
Wie echter Jezus’ heilig Hoofd vereert, hoeft in zulke beproevingen niet zonder licht te staan, zolang hij de leiding van Jezus volgt in vertrouwen—en daarmee ook de leiding van de Kerk. De Schrift zegt: “De rechtvaardige wordt langs rechte wegen geleid” (vgl. Wijsh. 10,10). Daarom mag het leven gedragen worden door de zekerheid van Christus’ verlossingswil.
Dit vertrouwen sluit realisme niet uit. Dwalingen kunnen tijdelijk terrein winnen; de Kerk kan in haar werken belemmerd worden; mensen kunnen wankelen of overlopen. Zelfs druk, misbruik van macht en manipulatie kunnen beproevingen worden. Toch blijft de belofte staan: God beproeft niet boven onze kracht, maar geeft met de beproeving ook de uitweg en de sterkte om te volharden (vgl. 1 Kor. 10,13). Christus laat beproevingen toe om zijn uitverkorenen te louteren; Hij bestuurt en leidt alles langs wegen die ons vaak verborgen blijven, maar die op heil gericht zijn.
Daarom is het verkeerd om in alles wat ons overkomt meteen “Gods straffen” te zien. Wij hebben daar zelden zekerheid over. Bovendien is veel kwaad eerder gevolg van menselijk handelen dan van Gods directe ingrijpen. Gods voorzienigheid is niet de bron van chaos, maar de macht die wanorde herstelt en naar heil terugbuigt. Wie God ziet als een beul, wordt moedeloos. Wie gelooft dat God zelfs uit verwarde omstandigheden een weg tot zaligheid kan maken, vindt moed en innerlijke vrede. Paulus vat het samen: “Wij weten dat God alles ten goede laat meewerken voor wie Hem liefhebben” (Rom. 8,28).
4. Zij is voorzichtig
De heilige Theresia van Avila ziet de volmaaktheid nauw verbonden met bescheidenheid. Toch moet men onderscheiden tussen een “voorzichtigheid van het vlees”—slimme berekening ten dienste van eigenbelang—en de christelijke voorzichtigheid: het vermogen om in elke omstandigheid de juiste middelen te kiezen om het ware doel te bereiken, vooral de zaligheid.
Velen laten zich leiden door drift of gevoel, willen Gods werk forceren en richten daardoor schade aan. Gods handelen is vaak stil, geduldig en standvastig; het zaad groeit in de verborgenheid. De vereerder van Jezus’ heilig Hoofd oordeelt daarom rustig en laat zich leiden door één maatstaf: Gods eer. Hij redeneert vanuit evangelische beginselen, vraagt in moeilijke gevallen raad aan bevoegde geestelijke leiding, bidt om licht, vormt zijn geweten en handelt dan zonder onrust, omdat hij met zorg en gehoorzaamheid heeft gekozen.
Ook in het geestelijk leven is deze voorzichtigheid noodzakelijk. Niet elke innerlijke indruk of buitengewone ervaring verdient geloof. Verbeelding kan misleiden; zelfs het kwaad kan zich voordoen als “engel van het licht” om de ziel tot ongehoorzaamheid te brengen. Daarom volgt de vereerder de apostolische raad: “Gelooft niet iedere geest.” Hij houdt zich aan het evangelie en aan de beproefde leiding van de Kerk, en laat het oordeel over uitzonderlijke zaken aan het bevoegd gezag.
5. Zij ziet uit naar het licht
De Schrift zegt: “Verwerf u wijsheid” (Spr. 4,7). Verlangen maakt ontvankelijk. God geeft graag wanneer Hij een hart ziet dat werkelijk wil ontvangen. Wie begint te verlangen naar wijsheid, ervaart tegelijk hoe groot de vroegere duisternis was. Men gaat meningen toetsen, herkent de zwaarte van dwalingen, zoekt degelijk onderricht, leest geestelijke boeken en vindt smaak in heiligenlevens. Er gaat een nieuwe wereld open en de ziel gaat hongeren naar licht: “Mijn ziel verlangt naar U in de nacht” (Jes. 26,9).
Vereerders van het heilig Hoofd zoeken daarom mensen en gesprekken die het geloof verhelderen. Zij bespreken vragen van deze tijd zonder opwinding, maar met rustige ernst. Zij lijken op de Emmaüsgangers: “Brandde ons hart niet, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften opende?” (Lc. 24,32).
Waar zij kunnen, verdedigen zij de waarheid: ze zetten scheve gedachten recht, wijzen op drogredenen, en verspreiden—door woord en geschrift—het ongeschonden evangelie. Zij lijken op de wijze uit het Oude Verbond die zegt dat hij de wijsheid zocht in gebed en haar vond door volharding (vgl. Sirach/Wijsheidstraditie).
Dit verlangen naar licht is geen nieuwsgierigheid, maar een strijd om bevrijd te worden van twijfel, verwarring en misleidende opinies. In de woestijn van geloofsafval ziet de ziel op naar het kruis, waaruit de reddende wijsheid van Christus straalt.
6. Zij bemint de “dwaasheid” van het kruis
Het is onmogelijk een godsvrucht tot Jezus’ heilig Hoofd te denken zonder liefde voor zijn lijden. Wie wijsheid zoekt, moet de Gekruisigde voor ogen houden. De zalige Hendrik Suso bidt dat wie het eeuwig geluk wil verwerven en ware wijsheid verlangt, in vreugde en lijden de gekruiste Jezus voortdurend moet aanschouwen.
Suso ervoer dit ook in zijn eigen nood: toen hij in zijn cel onder het lijden bezweek, werd hij innerlijk opgeroepen zich te verliezen in Christus’ smarten; door het overwegen van Jezus’ lijden werd zijn eigen lijden draaglijk. Daarmee herinnert hij aan een kernpunt: Christus aanvaardde het lijden om ons moed te geven het harde leven te doorstaan.
Daarom is dit ook de lijn van Paulus: hij kwam niet met schitterende woorden, maar met “Jezus Christus, en wel gekruisigd” (1 Kor. 2,2). De hoogste wijsheid bestaat erin het lijden te aanvaarden en Christus daarin na te volgen. Elk mensenleven moet tegenover het lijden positie kiezen: met liefde of met verzet.
De vereerder van het heilig Hoofd antwoordt: met liefde, omdat dit—hoe paradoxaal ook—de wijsheid van het evangelie is.
Vierde hoofdstuk: Het wezen van de godsvrucht
1. Jezus’ Wijsheid vereren
Laten wij het heilig Hoofd van onze Geliefde Meester van nabij beschouwen. Laat ons opzien naar zijn heilig Gelaat en ons een voorstelling vormen van het “huis dat de Wijsheid zich bouwde” (Spr. 9,1).
Teresa beschrijft hoe zij rond zijn Hoofd een lichtglans zag van onuitsprekelijke schoonheid, als een zon: beeld van de eeuwige, ongeschapen Wijsheid van God. In die glans schitterden twaalf edelstenen die alle kleuren van de regenboog weerkaatsten, als teken van de vruchten van de heilige Geest. In het Hoofd zelf zag zij iets als een oceaan: peilloos, diep en helder, beeld van Jezus’ menselijke, geschapen wijsheid. De stralen van de zon drongen tot in elke diepte door: de menselijke wijsheid wordt doorlicht en doordrongen door de goddelijke. Alles wat in die zon en in de twaalf stenen schitterde, werd weerspiegeld in die oceaan. En ongeveer in het midden zag zij een oog.
Zij begreep daarbij dat het heilig Hoofd op bijzondere wijze woonplaats van de heilige Geest is. Zoals bij de schepping Gods Geest zich over de wateren bewoog, zo is Hij ook als het ware aanwezig in deze “kristallen zee”: zijn glans is het licht daarin, zijn liefde de zon die alles verlicht en ordent, in het aardse en het hemelse paradijs, zoals de zon het leven op aarde beheerst.
In een ander visioen zag zij het heilig Hoofd stralen in een zee van licht, als een zon die het heilig Hart tot in de diepste diepte doordringt, er de aandoeningen en overwegingen in wekt en alle werkingen ordent, terwijl zij dit alles als het ware naar boven haalt, zoals de zon damp uit de oceaan optrekt. In dat licht zag zij duidelijk de gedaante van een zilveren duif, die zij verstond als de heilige Geest. Daarboven zag zij gloriekransen, of liever zuilen als een regenboog: teken van de eeuwige Vader. Het geheel vormde één oog: het oog van de ene God.
Wanneer wij deze visioenen samennemen, ontstaat een krachtige theologische voorstelling van Jezus’ heilig Hoofd.
Allereerst ziet Teresa het heilig Hoofd als centrum in de heilige Drie-eenheid. De Vader is er aanwezig onder de gedaante van gloriekransen: omdat de Vader volmaakte glorie ontvangt van de Zoon, die niet zichzelf zoekt, maar de glorie van de Vader (vgl. Joh. 8,49–50; 8,54). De Vader wil dat de wijsheid van de Zoon voor de mensen schittert. Hij wil dat allen Hem kennen in wie Hijzelf al zijn vreugde vindt. Jezus, die deze wil kent, brandt van verlangen om de Vader te behagen en verlangt daarom dat mensen zijn Wijsheid vereren.
Ook de heilige Geest is aanwezig in het heilig Hoofd. De goddelijke Wijsheid, die Hij met de Vader deelt, doorstraalt het menselijke verstand van Jezus als een zon die een zee verlicht en alle diepten doordringt: alle vermogens en hun werking. Bovendien is de Geest er aanwezig door de “twaalf vruchten” die Hij in een ziel verwekt die zich geheel aan Hem onderwerpt. Omdat Jezus’ ziel volkomen gehoorzaam is aan zijn werking, zegeviert in Hem de vreugde van de deugd: vreugde die uit volmaakte deugd voortkomt.
Deze visie — het heilig Hoofd als centrum in de Drie-eenheid — is theologisch juist. Een theoloog die de goddelijke waarheden met het hart beschouwde, vat dit samen: de Zoon komt in de eeuwigheid voort uit de Vader en brengt met Hem de heilige Geest voort; Hij wordt gezonden door de Vader en zendt met Hem de Geest. Hij is het centrum van Gods leven: centrum van licht, waarheid, gedachte en eeuwige schoonheid. Daarom is Hij ook in de tijd, als mens, centrum van alle dingen. Zo moeten wij Jezus’ heilig Hoofd altijd verstaan in verband met de Drie-eenheid: als centrum van Gods leven, waarin de Vader en de Geest wonen.
Maar wat zegt dit over het innerlijk leven van Jezus’ heilig Hoofd, over zijn Wijsheid? Teresa laat zien dat de goddelijke Wijsheid vier dingen doet: zij doorgrondt, zij wekt op, zij vergoddelijkt en zij ordent het heilig Hart.
Zij doorgrondt: zij legt de gevoelens bloot, zoals God “harten en nieren doorgrondt” (Ps. 7,10). Jezus kent dus tot in de fijnste bijzonderheden de neigingen en bewegingen van zijn menselijk Hart. Hij is volkomen bewust van wat in zijn ziel gebeurt, en ziet dit alles in het goddelijke licht. Wij kennen onszelf veel minder: vele bewegingen ontsnappen ons; soms stemmen wij al toe voor wij het beseffen. Daarom moeten wij Jezus navolgen in deze innerlijke waarheid: leren onze strevingen zien in het licht van zijn Wijsheid.
Zij wekt op: de Wijsheid is bron van de goede neigingen, oorzaak van heilige strevingen. Het Hart van Jezus laat zich leiden door deze Wijsheid. Als wij onze eigen beweegredenen eerlijk onderzoeken, vinden wij vaak alles behalve de Geest van God: eigenbelang, eerzucht, zinnelijke bevrediging. In Jezus is de oorsprong van daden en gevoelens de Geest van God; de Wijsheid is het motief. Daarom staat er dat Hij “in de Geest” naar de woestijn werd geleid (vgl. Mt. 4,1).
Zij ordent: dat het heilig Hart geregeld wordt door het heilig Hoofd betekent dat de gevoelens die door Gods Geest worden gewekt, maat en orde ontvangen volgens de heilige bescheidenheid. Jezus’ droefheid bij het graf van Lazarus is waarachtig menselijk, maar niet onbedaarlijk zoals de onze. Zijn angst in het vooruitzicht van het lijden is diep, maar zij keert Hem niet af van het offer.
Zij vergoddelijkt: wanneer Teresa ziet hoe het leven van het heilig Hart als damp uit de oceaan “naar boven” wordt gehaald, kan dit betekenen dat de gevoelens van Jezus’ mensheid — juist omdat zij onder de werking van de eeuwige Wijsheid staan — een goddelijke waarde ontvangen. Daarmee wordt ons een voorbeeld gegeven: ook wij worden geroepen onze gevoelens te “verheffen” door te handelen onder de heilige Geest, zodat het innerlijk leven niet blijft hangen in zondige neigingen, maar gericht wordt op het bovennatuurlijke en op de glorie van de Vader.
Dit visioen is ons gegeven opdat wij zouden verstaan wat Jezus in ons wil volbrengen: ons verlichten, onze gedachten en gevoelens zichtbaar maken in het licht van zijn inwerking, zodat wij hun misvorming leren kennen; ons opwekken tot het goede, zodat wij gaan verlangen naar genade; ons leiden, omdat wij onszelf niet kunnen besturen zolang wij onszelf blijven zoeken. Zo haalt Hij ons, onder zijn beleid, omhoog uit de zondige gehechtheid waarin wij vastzitten, naar het leven van God en naar de glorie van de Vader, waarnaar zijn Hart dorst, opdat ook onze daden en bewegingen eeuwigheidswaarde ontvangen.
Teresa zag in het midden van het visioen een oog, dat zij later zelf duidt als teken van de eenheid van het goddelijk wezen. Wanneer wij dus Jezus’ heilig Hoofd vereren, doen wij dit op twee manieren: als centrum van het goddelijk leven én als één met het ene goddelijke Wezen.
2. Twee vormen van verering
Nu wij het voorwerp van onze verering met Teresa hebben aanschouwd, moeten wij vragen: hoe vereren wij het heilig Hoofd? De verering is tweevoudig: inwendig en uitwendig.
1) Inwendige verering
Tot de inwendige oefeningen behoren vooral: aanbidding, overweging, bewondering, dank, lof en liefde; verder smeking om verlichting en gewetensonderzoek.
Aanbidding betekent: het heilig Hoofd van Jezus beschouwen als het verhevenste wat bestaat, heiliger dan alle heiligheid, en zijn Wijsheid erkennen als ons hoogste goed, tegenover wie wij niets zijn. Daarom moeten wij ons dikwijls Jezus voor ogen stellen zoals Teresa Hem zag: als de goddelijke Wijsheid, als een kostbaar “kristal” waarin alles aanwezig is — wat was, wat is en wat zal zijn — en dat stromen licht uitzendt, helderder dan duizend zonnen; als met ontelbare “ogen” bezet, teken van Gods alwetendheid. Wie zo naar Christus ziet, wordt vanzelf tot aanbidding gebracht.
De aanbidding kan bijvoorbeeld uitmonden in een gebed dat Jezus’ alwetendheid en voorzienige zorg belijdt: Hij kent ons verleden, heden en toekomst; Hij doorweeft levenswegen, houdt rekening met personen en omstandigheden, smeekt de Vader om genaden en laat verlichting in zielen stromen om ons te leiden naar zijn wil. En tegenover die grootheid leren wij onze eigen kleinheid zien: niet om in wanhoop te vallen, maar om onszelf af te leren bewonderen en Hem te leren aanbidden.
Overweging betekent: de grootheden van Jezus’ heilig Hoofd doordenken, en alles herinneren wat reeds is overwogen: hoe de Vader het heilig Hoofd verheerlijkt, hoe het Woord de mensheid tot zetel van zijn leven heeft gemaakt, hoe de heilige Geest er de volheid van genaden in uitstort; hoe de hemelse geesten het aanbidden als tabernakel van de goddelijke Wijsheid; hoe Maria het met diepe eerbied heeft vereerd; hoe ook de boze geesten beven voor zijn blik; hoe het heilig Hoofd de bewegingen van het heilig Hart wekt en ordent; hoe wij door die mond geoordeeld zullen worden; hoe het mensdom in de aanschouwing ervan zijn geluk zal vinden.
Gewetensonderzoek krijgt hierbij een bijzonder accent: is mijn geestesgesteldheid gelijkvormig aan die van de Meester? Denk ik evangelisch? Speelt de strijd om volharding of onboetvaardigheid zich niet af in mijn denken? Heb ik zijn beginselen over geld, arbeid, rechtvaardigheid, gezag, rang en stand, gelijkheid en overheersing, innerlijk leven, zuiverheid en gehechtheid, bekoring en beproeving? Heb ik achting voor wat de evangelische geest uitstraalt?
Wie deze inwendige oefeningen ernstig beoefent, raakt het hart van de godsvrucht. Men moet er vaak opnieuw mee beginnen. Want deze akten willen in ons een houding vormen: aandacht, liefde en verbondenheid met Jezus, zodat wij het aardse en wereldse achter ons laten en binnengaan in het ware leven waarvan Jezus spreekt: Hem kennen.
2) Uitwendige oefeningen
Met uitwendige oefeningen bedoelen wij daden die zichtbaar zijn, maar nooit louter uiterlijk mogen blijven: zij moeten gedragen worden door een innerlijke geest, anders betekenen zij niets.
Veel mensen menen dat enkele uiterlijke plichten volstaan om Gods zegen te verkrijgen. Een medaille dragen is op zich niet genoeg: zij moet ons helpen het hart en het denken te richten op Jezus’ heilig Hoofd; zij kan aanleiding zijn om met anderen over deze devotie te spreken, en zo te tonen dat er innerlijk werkelijk iets leeft.
Voorbeelden van uitwendige oefeningen zijn: toetreden tot een geestelijke vereniging en anderen uitnodigen; spreken over Jezus’ heilig Hoofd en over de ernst van evangelische mentaliteit; een medaille dragen; gebeden bidden in de geest van deze devotie; knielingen en andere tekenen van aanbidding; heilige Missen laten opdragen ter ere van Jezus’ heilig Hoofd; offergaven voor eredienst (kaarsen, bloemen); geestelijke lectuur over het heilig Hoofd.
Ook deze uitwendige oefeningen aanvaardt Jezus graag, wanneer zij met innerlijke geest gebeuren. Al blijft de inwendige oefening de eerste, toch mogen uiterlijke vormen niet worden verwaarloosd: door het zichtbare worden wij naar het onzichtbare geleid (vgl. Rom. 1,20).
3. Jezus’ Wijsheid beleven
Het diepste wezen van deze godsvrucht is gelijkvormigheid met Jezus’ Wijsheid. Wij vereren zijn Hoofd niet alleen omdat de aanbidding, bewondering en liefde waard is, maar ook om zijn innerlijk leven te ontvangen, zoals Hij het verlangt. Jezus wil dat mensen hun denken laten omvormen, dat zij leren denken zoals Hij: verzaken aan de nietigheden van de wereld; in de wereld leven alsof zij er niet van zijn; leven in voortdurende gerichtheid op de Vader, bekommerd om Gods belangen, verlangend naar vereniging met Hem, in gebed en overgave. Kortom: zijn Wijsheid bezitten en beleven.
Dat betekent niet dat wij moeten streven naar Jezus’ wijsheid zoals Hij die bezit — dat is onmogelijk. Soms ontvangen heiligen uitzonderlijke gaven, zoals de zalige Anna Maria Taïgi, die jarenlang een “hemelse zon” zag waarin haar morele en geestelijke werkelijkheden werden getoond. Zulke gaven zijn gratis: niemand heeft er recht op, en wij mogen er niet naar streven, omdat ze niet nodig zijn voor onze zaligheid. Zij dienen om te tonen wat de goddelijke Wijsheid is en hoe de menselijke geest met God kan worden verenigd, opdat wij de Wijsheid zouden vereren en navolgen.
Daarbij moeten wij onderscheid maken tussen wetenschap en wijsheid. Wetenschap is de hoeveelheid kennis die men verwerft; wijsheid is het goede gebruik van die kennis. Daarom kunnen grote geleerden toch dwaas zijn, en eenvoudige mensen zeer wijs, zoals Franciscus van Assisi of Theresia van Lisieux. Velen werden heilig door zich vast te hechten aan één evangelisch woord en dat te herkauwen tot het hun leven vormde: “Als gij niet wordt als kleine kinderen…” (Mt. 18,3). Ook anderen vonden hun weg in één waarheid die zij tot centrum maakten, zoals het bewustzijn dat God in de ziel woont.
Voor gelijkvormigheid met Jezus’ Wijsheid is dus geen grote geleerdheid nodig, maar de wil om het licht dat Christus geeft, trouw te gebruiken. Daarom is het verkeerd te denken dat deze godsvrucht te hoog of te moeilijk is: zij is eenvoudig. Heiligen waren niet ingewikkeld, maar consequent: zodra zij iets begrepen, maakten zij er gebruik van met heel hun bestaan. Als wij de verlichtingen die ons uit Jezus’ heilig Hoofd toekomen, telkens goed hadden gebruikt, waren wij veel verder gevorderd.
Het geestelijk leven wordt bovendien eenvoudiger naarmate men God nadert. Een enkele gedachte kan een ziel lang dragen. De genade heeft niet al onze redeneringen nodig: zij brengt rechtstreeks licht in het verstand en liefde in het hart.
Zo verstaan wij dat de kern van deze godsvrucht, voor ons, de ontwikkeling en vervolmaking is van de gave van wijsheid. Deze gave ontvingen wij bij het doopsel en zij groeit met de heiligmakende genade, telkens wanneer wij de sacramenten ontvangen. Van Christus’ kant is de bron overvloedig; waar het op aankomt is dat wij die gave laten rijpen. Toch blijven velen werelds denken, zelfs als zij vaak communiceren. Zij vinden smaak in menselijke vreugden, niet in God. Zij zouden met weinig inspanning geestelijker kunnen leven, maar noemen het “flauw” of “zonderling”. Dat verraadt dat zij de Wijsheid van Jezus niet kennen en zijn genade niet radicaal gebruiken.
Waarom blijft men half werelds en half geestelijk? Omdat men de wereld en de zinnelijkheid liefheeft en vrede zoekt in bevrediging, niet in de vrede die alle verstand te boven gaat.
Wat helpt dan om de gave van wijsheid te laten groeien?
- Leef voortdurend in Gods tegenwoordigheid. Kruisen langs de weg en in huis zijn er om ons aan zijn nabijheid te herinneren. Wie hiervan zijn doel maakt, zal gaandeweg zijn geluk hierin vinden, zoals David: “Ik stel mij de Heer steeds voor ogen… daarom verheugt mijn hart zich” (vgl. Ps. 15).
- Ruk overheersende hartstochten en hardnekkige gemoedsbewegingen uit, zodat de ziel zuiver wordt tegenover God en de goddelijke liefde vrij kan werken.
- Word eenvoudiger: vraag geen bijzondere genaden, maar gebruik de genade van het ogenblik. Wie daaraan trouw is, wordt omgevormd naar Hem die het beeld is van de Vader.
Laat de christenziel daarom met Theresia van Avila bidden: “Geef mij, Heer, de hemelse wijsheid, opdat ik U boven alles zou zoeken en vinden, smaken en liefhebben, en al het overige slechts zou achten voor zover het overeenkomt met uw Wijsheid.”
4. Wereldse wijsheid verlaten om de Wijsheid van Jezus te bezitten
Bestaat er zoiets als wereldse wijsheid? En mag het verheven woord “wijsheid” worden toegepast op wat de Schrift “de voorzichtigheid van het vlees” noemt? Hier is onderscheid nodig: er bestaat een natuurlijke, goede wijsheid van de wereld, en er bestaat een verkeerde.
De natuurlijke wijsheid is die van filosofen en sommige geleerden die door juist gebruik van de rede tot belangrijke waarheden kwamen. Plato, Aristoteles, Cicero, Seneca en anderen bereikten veel, al brachten zij ook dwalingen voort. Dat toont tegelijk de kracht én de begrenzing van het menselijk verstand: zonder het licht van Christus kan het veel vinden, maar niet de volle waarheid. Toch past het ons niet het goede te minachten dat zij bereikten. De genade vernietigt de natuur niet, maar vervolmaakt haar. Daarom konden Thomas van Aquino en Bonaventura voortbouwen op inzichten uit de oudheid, om een christelijke wijsbegeerte te vormen.
Maar er bestaat ook een verkeerde wereldse wijsheid, zoals de Schrift haar tekent: een denken dat het leven herleidt tot kortstondig genieten, dat de rechtvaardige tegenwerkt, dat macht tot wet maakt, dat de dood als einde ziet, en daarom de mens aanspoort tot wellust, onrecht en verdrukking. “Zo denken zij en dwalen,” zegt de Geest van God, “want de boosheid verblindt hun hart.” Wie het kwaad bemint, begrijpt Gods wegen niet en raakt verstrikt in de logica van de boze.
Deze wereldse wijsheid moeten wij ook afwijzen in haar mildere vormen: wanneer zij niet openlijk moorddadig is, maar wel zorgeloos wordt tegenover eeuwigheid, wanneer zij rijkdom tot zaligheid verklaart, geen medelijden kent, altijd over rechten spreekt maar de ander vergeet, zuiverheid onmogelijk noemt, twist zaait om voordeel, zwijgt bij vervolging omwille van christelijke overtuiging, een neutraal en braaf katholicisme aanprijst uit menselijk opzicht, en uiteindelijk het kruis ontwijkt en zelfs zijn schaduw vreest. Wie Jezus’ Wijsheid wil volgen, moet deze mentaliteit verachten en verzaken, en het evangelie raadplegen om wereldse wijsheid in het hart uit te roeien.
Deze wijsheid is het tegendeel van Gods wijsheid: “De wijsheid der wijzen zal Ik doen vergaan” (1 Kor. 1,19), en “de gezindheid van het vlees is vijandig tegenover God.” Zij is vaak niet grof, maar geslepen: een verborgen zoeken van eigen voordeel en genot, met behoud van schijn. De wereldwijze is dan de handige man die alles naar zich toe trekt zonder het te laten blijken, die bedekt kan liegen, anders spreekt dan hij handelt, de vormen beheerst, maar zich weinig bekommert om de eer van God; die de waarheid vermengt met de leugen, het evangelie met de wereld, de deugd met de zonde, Christus met Belial; die voor “eerbaar” wil doorgaan, maar niet voor vroom; die echte oefeningen van godsvrucht veracht omdat zij zijn levensstijl ontmaskeren.
Zijn gedrag rust op wat de wereld “onschuldige” drijfveren noemt: eergevoel, menselijk opzicht, gewoonte, eigenbelang, deftigheid en een zorgeloos leven. Hij noemt schranderheid en sluwheid deugden, en volgt praktische geboden die in feite wereldgeloof zijn: de wereld dienen, fatsoen bewaren, zaken behartigen, bezit behouden, “iets worden”, vrienden maken, hogerop komen, goed eten en drinken, geen zorgen toelaten, vooral niet “zonderling” lijken.
Zo raakt de wereld bedorven, juist omdat zij in eigen ogen wijs is. En op geslepen wijze kan zij zelfs met woorden uit het evangelie haar levenshouding vergoelijken, zodat ook wie naar God wil leven, in haar netten verstrikt raakt.
Vijfde hoofdstuk: Beweegredenen van deze godsvrucht
1. De voortreffelijkheid van Jezus’ heilige Wijsheid
Om de uitmuntendheid van Jezus’ Wijsheid te begrijpen, helpt het haar te vergelijken met het licht. Jezus noemt zichzelf immers “het Licht van de wereld” (Joh. 9,5).
Niets trekt onze aandacht zo vanzelfsprekend als licht. In de natuur is het een van de schoonste werken van God en, als het ware, de voorwaarde voor alle andere: zonder licht zouden de wonderen van de wereld voor ons verborgen blijven. Door het licht krijgt alles kleur; vormen worden zichtbaar, lijnen scherp, gedaanten duidelijk; wat doods lijkt, wordt levend. Bossuet zag daarom in het licht een beeld van Gods Wijsheid.
Zoals het oog gemaakt is voor licht, zo is de menselijke geest geschapen om het licht van de eeuwigheid te ontvangen — Christus, het evenbeeld van de Vader. In dit Licht krijgt het leven betekenis. Door deze Wijsheid is alles geschapen; ieder schepsel draagt een spoor van de Zoon, zoals alles in de wereld iets van de zon weerspiegelt. Zonder Jezus wordt de wereld een duistere plaats waarin wij niets meer verstaan en alles ongerijmd lijkt; in Hem wordt alles verklaarbaar, want “Hij is het Licht dat iedere mens verlicht” (Joh. 1,9).
De Schrift bezingt deze Wijsheid als “een adem van Gods kracht” en “een zuiver uitvloeisel van de heerlijkheid van de Almachtige”: niets onreins raakt haar aan; zij is “een afschijnsel van het eeuwige licht”, “een spiegel zonder vlek van Gods majesteit” en “een beeld van zijn goedheid” (Wijsh. 7,25–26). Daarom spreekt de Vader: “Deze is mijn welbeminde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb” (Mt. 3,17).
Nog rijker wordt zij getekend in hetzelfde boek: in haar is een geest “verstandig en heilig”, tegelijk één en veelvoudig, fijn en krachtig, onbesmet en onbedrieglijk, zacht en het goede minnend, scherpzinnig en weldadig, menslievend en standvastig, alles overziend en alle geesten omvattend: rein, helder en doordringend (vgl. Wijsh. 7,22–23). Grignion de Montfort merkt hierbij op: wie zulke woorden leest, kan haar toch niet anders dan beminnen en, naar vermogen, zoeken — temeer omdat zij een onmetelijke schat is, aan de mens gegeven, en zelf verlangt zich aan hem mee te delen.
Teresa spreekt in dezelfde geest, maar met de taal van het vuur: zij noemt deze Wijsheid een wereld van eindeloze grootheid, een zee zonder bodem, een zon die nooit ondergaat, met hoogten en diepten van mysterie en schoonheid. En wanneer zij het heilig Aangezicht voor ogen krijgt, bekent zij dat zij geen woorden vindt voor de glorie en majesteit ervan; zij kan die overvloed van goddelijk licht niet dragen, zoals de apostelen op de Tabor. Daarom werpt zij zich neer in aanbidding voor wat het oog niet kan omvatten en de tong niet kan beschrijven.
Als wij dit alles overwegen, dringt de vraag zich op: hoe moet de weerglans van die Wijsheid op het gelaat van de Meester hebben gelegen? Men kan zich voorstellen dat het doorstraald was van een bovennatuurlijke ernst én een aantrekkende zachtheid. De heilige Chrysostomus zegt dat de schoonheid en majesteit van zijn gelaat tegelijk zo beminnelijk en zo eerbiedwekkend waren, dat wie Hem ontmoette Hem onwillekeurig liefhad; zelfs vorsten uit verre landen zouden, zodra de faam van zijn schoonheid hen bereikte, zijn beeltenis hebben verlangd.
Zoals de koningin van Saba ontzet was over Salomo’s wijsheid, zo moet de majesteit van de Verlosser des te dieper hebben getroffen. Men vertelt zelfs dat Hij tijdens zijn lijden werd geblinddoekt: zijn blik was te doorgrondend, zijn ogen te stralend voor wie Hem sloegen en bespotten.
Ook zijn woord wekte die indruk: “Nooit heeft een mens zo gesproken als deze” (Joh. 7,46). Anderen vroegen: “Vanwaar heeft Hij deze wijsheid?” (vgl. Mt. 13,54). De menigte bleef dagen bij Hem, vergat voedsel en vermoeidheid, totdat Jezus zelf medelijden kreeg: “Ik heb medelijden met het volk… ik wil hen niet nuchter wegzenden, opdat zij onderweg niet bezwijken” (Mt. 15,32). Wat trok hen zo onweerstaanbaar aan? Wat deed hen alles vergeten? Het was de Wijsheid die uit zijn heilig Hoofd straalde, verenigd met de zachtheid en liefde van zijn Hart.
In het leven van de heilige Hendrik Suso wordt verhaald hoe hij de eeuwige Wijsheid in visioen zag: gezeten op een ivoren troon, in menselijke gedaante, omgeven door licht; haar aangezicht straalde als de middagzon en haar woord was enkel zoetheid. Wie haar naderde ontving de volheid van het goede. Zij verscheen hem nu eens als Maagd, dan weer als stralende Jongeling; soms leek haar hoofd boven de hemelen uit te reiken, dan weer raakten haar voeten de afgronden. En zij sprak hem aan met een glimlach: “Mijn zoon, geef mij uw hart.” Suso wierp zich neer en gaf het haar onherroepelijk. Laat ook wij, naar zijn voorbeeld, ons hart toevertrouwen aan de Mensgeworden Wijsheid.
2. De voortreffelijkheid van de gave van wijsheid
Job zegt dat de mens haar waarde niet kent: zij is niet te koop met goud en niet te ruilen tegen zilver (vgl. Job 28,15–16). Niemand heeft haar uitmuntendheid krachtiger bezongen dan Salomo. Hij stelt dat zij beter is dan lichamelijke kracht (vgl. Wijsh. 6,1). Als onze tijd dit woord werkelijk verstond: vandaag bewondert men spierkracht en uiterlijke schoonheid, terwijl de innerlijke schoonheid — de adel van de ziel, de ware grootheid — wordt verwaarloosd.
Salomo zegt dat alle rijkdom niets is vergeleken bij haar: goud is stof, zilver slijk (vgl. Wijsh. 7,8–9). In een tijd waarin velen achter geld aanjagen, leert deze godsvrucht het hart te hechten aan iets dat goud en zilver overtreft. Zij brengt in ons die waardering tot leven die Job als zeldzaam beklaagt.
“Boven alle schoonheid heb ik haar liefgehad… want alle goederen zijn mij door haar gekomen” (vgl. Wijsh. 7,10–11). Dat is de echo van Christus’ woord: “Zoek eerst het Rijk Gods, en al het andere zal u geschonken worden.” Dit is evangelische wijsheid: God op de eerste plaats, en in Hem het ware genoegen vinden. Salomo noemt haar “de moeder van alle goederen” (vgl. Wijsh. 7,12). Dat is een verborgen waarheid voor wie de wereld zoekt, maar een vreugde voor wie Jezus’ heilig Hoofd vereert: wie zich volledig aan God geeft, ontvangt van God een honderdvoud terug, niet in wereldse zin, maar in het licht en de vrede van de gave van wijsheid.
Zij is “een oneindige schat voor de mensen” (vgl. Wijsh. 7,14). Wie haar laat groeien, wordt deelgenoot van Gods vriendschap. Salomo durft zelfs zeggen dat niemand God bemint tenzij wie met de wijsheid “samenwoont” (vgl. Wijsh. 7,28). Hij spreekt over haar als over een bruid: gezocht vanaf de jeugd, bemind om haar schoonheid (vgl. Wijsh. 8,2). Haar omgang kent geen bitterheid en haar gezelschap geen verveling; met haar zijn er blijdschap, rijkdom, glorie en deugd (vgl. Spr. 8,18).
Sint Franciscus groet in zijn “Begroeting der deugden” de wijsheid als eerste: “Wees gegroet, koningin Wijsheid; de Heer beware u met uw zuster, de heilige, reine eenvoud.” Ook geestelijke schrijvers hebben hun biechtelingen aangespoord vooral de gave van wijsheid te laten binnenschijnen.
De heilige Jakobus tekent de wijsheid van boven als: rein, vreedzaam, bescheiden, instemmend met het goede, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd (Jak. 3,17). De heilige Thomas van Aquino licht dit toe: wijsheid beschouwt niet alleen de goddelijke dingen, maar regelt ook het handelen. Zij begint met het kwaad te doen vluchten; daarom heet de vreze des Heren het begin van de wijsheid: zij maakt ons zuiver door de zonde te vermijden. Vervolgens leert zij maathouden: zij maakt bescheiden. Zij opent de ziel voor raad en voor het oordeel van anderen: zij maakt gezeggelijk. Uit deze zuiverheid, bescheidenheid en ontvankelijkheid groeit vrede: de rust van de kinderen Gods, het eigen doel van de wijsheid. Maar die vrede moet ook naar buiten overlopen: de vreedzame ziel stemt in met het goede, handelt met barmhartigheid en draagt goede vruchten. En zij bewaart de vrede door, zonder schijnheiligheid en zonder partijdigheid, helder te oordelen over kwaad en zonde.
Wie dit verstaat, zal niet snel zeggen dat men “alles tot wijsheid herleidt” op overdreven wijze. Wijsheid is immers de innerlijke stuwing van de bovennatuurlijke liefde, die alle krachten van de ziel naar God trekt.
3. Andere beweegredenen om Jezus’ heilige Wijsheid te vereren en te verlangen
Teresa noemt als eerste reden: door deze godsvrucht wordt de heilige Geest dieper meegedeeld tot verlichting van het verstand. Zijn volmaaktheden, die voor velen verborgen blijven, treden helderder aan het licht in de Persoon van de Zoon en in zijn menselijke ziel. Daardoor leren wij ook de heilige Geest meer beminnen, die voor veel zielen “de onbekende God” blijft.
Een tweede reden: deze devotie zou afgedwaalden helpen terugkeren in de schoot van de Kerk; Teresa verbindt hieraan zelfs de hoop op terugkeer van volken die van Rome verwijderd raakten, wanneer zij deze genade niet afwijzen.
Daarbij komt wat Suso zegt: een dieper begrip van de Voorzienigheid groeit langs de kennis van Jezus’ mensheid. Hoe zouden wij Gods raadsbesluiten beter leren kennen dan door de Mensheid die God heeft aangenomen? En Suso voegt eraan toe dat wijsheid ons leert lezen in het boek van Jezus’ lijden. Wat brengt ons sneller bij dat lijden dan zijn heilig Hoofd: daar zien wij de doornenkroon, de bespotting, het verguisde koningschap, tranen en doodsangst; in zijn ogen ligt een zee van smart; op zijn wangen brandt de kus van verraad en de slag van verachting. Het lijden lijkt daarin samengetrokken.
Suso geeft vervolgens “eerste lessen van de Wijsheid” die de leerling vormen: breek met het ongeregelde verlangen om alles te horen en te zien; leer beminnen wat je tegenstaat en wees ermee tevreden; wees uit liefde niet te toegeeflijk voor het lichaam; zoek je rust in Christus; leer ook pijnen en onrecht te dragen; zoek vernedering en misprijzing; maak een einde aan onmatige begeerten en breng verlangens tot stilte. Deze harde lessen hebben één bedoeling: de ziel losmaken van zichzelf, zodat zij vrij wordt voor God.
Ten slotte mag men de werking van de gave van wijsheid zelf noemen: zij schenkt een dieper verstaan van de geloofsmysteriën, ontkracht valse principes en geeft een juist oordeel in het licht van de eeuwigheid.
4. De actualiteit van deze godsvrucht
Teresa getuigt dat Jezus haar op 16 juli 1881 zei dat deze devotie lijkt op het mosterdzaad: nu nog weinig gekend en nog minder beoefend, maar bestemd om in komende tijden een grote devotie in de Kerk te worden. Zij is dus bedoeld voor onze tijd omdat zij een nood van deze tijd raakt.
Een eerste nood is geestelijke hoogmoed, vooral in de vorm van vrijdenken en rationalisme. Teresa zegt dat er wel zonden zijn uit zwakte en ongeregelde begeerten, maar dat de zonden van het intellect in aantal en zwaarte overheersen: intellectuele hoogmoed trekt zielen weg van Christus en zijn Kerk. Het zogenaamde “licht” van de eeuw blijkt dan een dwaallicht: het lokt mensen naar schaduwbeelden en holle schijn. Men drinkt uit de stroom van “wetenschap” alsof zij het leven geeft, maar wanneer zij losraakt van God wordt zij vergif. Omdat dit menselijk aangestoken licht velen dreigt te misleiden, zal Christus, het ware Licht, opstaan om wijsheid en warmte uit te storten: geen dode kennis, maar voeding met de tarwe van zijn uitverkorenen en de wijn die vernieuwt.
Een tweede uitwas van hoogmoed is materialisme: het misbruiken van de vermogens van de onsterfelijke ziel om te beweren dat stof eeuwig is, zichzelf voortbrengt, en dat God overbodig zou zijn. Men verbeeldt zich dat de wereld zichzelf onderhoudt zonder Schepper en Voorzienigheid. Deze taal klinkt in elke tijd anders, maar de kern blijft dezelfde: men wil zonder God verklaren en zonder God leven.
Een tweede reden voor de actualiteit is dat deze devotie God een passende eerherstel biedt tegenover de zonden van ongeloof. Wanneer mensen God uit het leven willen wegduwen, valt ook de wet weg die het kwaad begrenst: waar geen God wordt erkend, verdwijnt het besef van goddelijke norm. Tegenover godslastering en belediging vraagt de goddelijke gerechtigheid herstel. Het mensgeworden Woord — de Wijsheid van de Vader — biedt deze godsvrucht aan als weg van eerherstel: niet als menselijke tegenprestatie, maar als deelname aan Christus’ eigen verheerlijking van de Drie-eenheid.
Teresa zegt dat Jezus haar de glorie liet zien die door deze devotie aan de Drie-eenheid en aan zijn heilige Mensheid zou worden gebracht. Zij beschrijft hoe zij op Hemelvaart 1881, in aanbidding, werd als opgenomen in het licht van de Zon der goddelijke gerechtigheid, en hoe zij in een groot “kristal” de glorie weerspiegeld zag die de Drievuldigheid door deze devotie zou ontvangen.
5. Jezus’ groot verlangen dat zijn heilig Hoofd vereerd wordt
Teresa schrijft voor het eerst in 1879 over Jezus’ verlangen dat een bijzondere devotie tot zijn heilig Hoofd zou worden ingesteld als Zetel van de goddelijke Wijsheid en als leidende macht van het heilig Hart. Jezus wil deze twee godsvruchten niet scheiden: de devotie tot het Hoofd “voltooit” de devotie tot het Hart, omdat zij de innerlijke ordening en de wijsheid belicht die de liefde draagt.
Zij verduidelijkt dat het niet gaat om verering van het Hoofd als een apart lichaamsdeel, zoals men handen of voeten vereert, maar om het Hoofd als centrum van de krachten van Jezus’ ziel en van de vermogens van zijn Geest, vooral als centrum van de Wijsheid die iedere aandoening van zijn Hart leidt en alles ordent in het wezen van de Heer.
In latere brieven beschrijft zij hoe Jezus haar steeds sterker liet voelen dat dit verlangen Hem “bijna verteert”. Zij ziet Hem als een vuur van liefde, waarvan het licht tot in de diepte van zijn Hart doordringt. Zij probeert woorden te vinden om dat innerlijk vuur te beschrijven en roept God aan dat Hij mensen zou wekken die dit verlangen bekend kunnen maken. In deze passages wordt zichtbaar hoe nauw dit motief verbonden is met Jezus’ verlossende werkzaamheid: zijn Wijsheid heerst, zijn zielvermogens werken mee aan het heil van de mensen, en Hij vraagt dat de wereld Hem daarin erkent en aanbidt.
6. Beloften en waarschuwingen
Een krachtige aansporing tot deze devotie zijn de beloften die Teresa weergeeft. Omdat zij ontmoedigd raakte door de traagheid van de verspreiding, bemoedigde Jezus haar en liet haar de glorie zien die Hem erdoor zou worden gebracht, evenals de bijzondere beloning voor wie haar bevorderen.
Zij schrijft aan haar geestelijke leidsman dat hij zich niet moet laten ontmoedigen door moeilijkheden en talrijke kruisen. Jezus belooft dat wie helpt deze devotie te verbreiden “duizendvoudig gezegend” zal worden. Hij zegt dat Hij aan wie Hem eren iets van zijn macht zal meedelen: “Ik zal hun God zijn en zij mijn kinderen; op hun voorhoofd zal Ik mijn teken zetten en een merk op hun lippen.”
Meer nog: Teresa geeft door dat Christus beloofde dat al wat Hij beloofd had aan vereerders van zijn heilig Hart, ten volle — zelfs “honderdvoudig” — zou worden vervuld bij hen die de devotie tot de Zetel van de goddelijke Wijsheid beoefenen en verspreiden. Zij beschrijft ook hoe hij in de hemel met glorie zou bekleden wie Hem op aarde met eer bekleedden, en hoe zij de grootte van het loon voor enkelen daarvan met verwondering zag. Deze hulde, zo begreep zij, is een vergoeding voor de beledigingen die de Wijsheid werd aangedaan toen Christus uit spot werd gekroond en als een dwaas werd behandeld.
Als bijzondere belofte wordt een woord uit Openbaring aangehaald: “Zij zullen zijn gelaat aanschouwen, en zijn naam zal op hun voorhoofd staan” (Apok. 22,4). Hoe dit reeds op aarde vervuld wordt, blijft geheimzinnig. Maar het kan betekenen dat wie Christus om zijn Wijsheid aanbidt, zichtbaar deelt in zijn wijze gezindheid: als een merkteken op het voorhoofd, in het denken, in de blik op het leven.
Tegenover deze beloften staan echter ook zware waarschuwingen. Teresa noteert dat Jezus het “wee” uitspreekt over wie zijn verlangen verwerpt of tegenwerkt. Zij beschrijft strenge beelden van oordeel en straf voor wie de verspreiding zou verhinderen. Deze taal is hard en huiveringwekkend; zij wil vooral het gewicht tonen dat Teresa aan dit verlangen toekent en hoe dicht zij het bij het Hart van de Heer situeert.
Daarom bidt zij met vrees en eerbied: “O heilig Hoofd, moge uw Wijsheid ons altijd leiden; moge uw heilige Tong ons zegenen en om genade en vergeving vragen; en mochten wij nooit het vonnis horen dat uitgesproken wordt over hen die deze devotie minachten of tegenwerken.”
Zesde Hoofdstuk: Beledigingen en eerherstel
1. Aantal en ernst van de beledigingen
Aan Teresa werd door Jezus te kennen gegeven dat er weliswaar veel tegen Hem wordt gezondigd uit wilszwakte en ongeordende hartstochten, maar dat de zonden van het verstand deze in aantal en zwaarte overtreffen.¹
a. Het aantal
Het is onmogelijk met cijfers vast te stellen hoeveel er gezondigd wordt door bewust ongeloof en door een vrijwillige verwerping van Jezus’ leer. Daarbij moeten eerst verschillende groepen worden onderscheiden en uitgesloten. Velen verkeren namelijk in onwetendheid te goeder trouw. Zij menen oprecht dat hun godsdienst en levenswijze God welgevallig zijn. Opgegroeid in een omgeving waarin zij nooit anders hebben gekend dan dwaling, kennen zij van de waarheid slechts een schaduw.
Zij dienen God zoals Abraham ooit zijn afgoden diende, totdat de Heer tot hem sprak en hij de ware God leerde kennen. Tot deze groep behoren vele heidenen en afgodendienaars. Zij volgen een onoverwinnelijk vals geweten en moeten God dienen binnen het licht dat hun gegeven is. Over hen spreekt de Zaligmaker hier niet, evenmin als over onze afgescheiden broeders – protestanten en andere christenen – die te goeder trouw zijn.
Te vaak veronderstellen katholieken dat al deze mensen bewust de dwaling aanhangen en begrijpen zij niet dat iemand God kan dienen volgens zijn geweten. Hun terugkeer vraagt geen afkeer of hardheid, maar christelijke wijsheid en liefde. Met onbegrip bereikt men niets.
Hier gaat het dus om bewust ongeloof: om mensen die inzien dat Jezus’ waarheid aanspraak maakt op hun gehoorzaamheid, maar haar afwijzen uit tegenzin, schaamte, vrees voor verlies van aanzien, of omdat zij hun hartstochten tegenspreekt. Jezus prijst immers deugden aan die zij verachten. Tot deze groep behoren ook zij die, zoals Herodes, Jezus’ leer verwerpen omdat zij hun zondig leven niet willen opgeven en Hem daarom als dwaas beschouwen.
Nog ernstiger is echter het ongeloof dat voortkomt uit intellectuele hoogmoed. Dit betreft hen die Jezus in zijn Persoon aanvallen. Zij vinden het geloof in een Godmens belachelijk en ontkennen dat God ooit op aarde zou zijn gekomen. Voor hen is dit een mythe of fabel. Zij erkennen hoogstens een historische figuur met de naam Jezus, soms zelfs een edel mens, maar geen God. Zijn wonderen verklaren zij als listige genezingen, zijn verrijzenis als een verzinsel van zijn volgelingen. Omdat Hij volgens hen slechts een mens was, zou Hij geen recht hebben om universele morele wetten op te leggen of aanbidding te vragen.
Tot deze groep behoren ook deïsten die wel een God aannemen, maar een God die zich niet met de wereld bemoeit en zeker niet in de geschiedenis is binnengetreden. Anderen ontkennen elk bestaan van God en belijden een louter materialistisch wereldbeeld, waarin alles herleid wordt tot stof en een eindeloze evolutie zonder doel.
Onder deze goddelozen zijn er die het recht op godsdienstvrijheid erkennen en ieder zijn overtuiging gunnen. De meest extreme groep echter bestaat uit militante atheïsten, die het geloof actief willen uitroeien. Zij menen dat geloof de wetenschap en maatschappelijke vooruitgang belemmert en daarom moet verdwijnen. Hier wordt het verstand zelf misbruikt en tegen de rede gekeerd. Over deze bewuste ongelovigen gaat het hier.
b. De ernst
Het misbruik van het intellect is een hemeltergende ondeugd. Deze strijdende goddeloosheid is in Gods ogen een afschuwelijke vorm van hoogmoed. Dat God zulke mensen niet onmiddellijk straft, zoals soms in het Oude Testament gebeurde, is te danken aan het Nieuwe Verbond, waarin ieder mens een tijd van genade ontvangt: een tijd om Gods barmhartigheid te aanvaarden of zich definitief van Hem af te keren.
Toch belasten deze zonden de gehele mensheid met schuld. Zoals een overwonnen vijand oorlogsschuld moet betalen, zo moet ook deze schuld worden uitgeboet. Wordt zij niet hersteld, dan dwingt men de hemel als het ware tot straffen om de mens tot bekering te brengen.
Deze mensen begrijpen niets van de oneindige majesteit van God, die Teresa zo intens ervoer dat zij erdoor werd overweldigd. “O mijn God,” schrijft zij, *“wie zal U kunnen weerstaan? Het lijkt mij hetzelfde gevoel dat de ziel ondervindt wanneer zij voor U staat om geoordeeld te worden.”*²
Dit ontzag ontbreekt bij de hoogmoedigen, die zich nooit in Gods tegenwoordigheid stellen. Het leeft daarentegen in de nederigen. Teresa vervolgt:
*“Waar zal ik woorden vinden om de glorie, de majesteit en de schoonheid te beschrijven van dat Aangezicht waarvoor Cherubijnen en Serafijnen in stomme aanbidding neervallen? Zoals de apostelen op de Tabor kan ik die overvloed van goddelijke heerlijkheid niet verdragen.”*³
Volgens Thomas van Aquino wordt de ernst van een belediging gemeten naar de waardigheid van degene die beledigd wordt. Als mensen hun eer zo hoog achten dat zij processen voeren, duels aangaan of zelfs hun leven opofferen om haar te herstellen, hoe groot moet dan de krenking zijn die de Heer der heren ondervindt wanneer Hij door miljoenen wordt vernederd?
Wanneer zelfs heilige zielen, die nauwelijks schuld op zich hebben geladen, beven bij een glimp van Gods majesteit, wie kan dan bevatten hoe groot Gods gekrenkte heiligheid is? En wie is in staat haar volledig eerherstel te bieden?
2. Hulde en eerherstel
Er bestaat een wezenlijk verschil tussen hulde en eerherstel.
Hulde is de erkenning van waardigheid: een eerbetoon zoals men vorsten of staatslieden ontvangt met feestelijkheid, woorden van lof en tekenen van eerbied.
Eerherstel daarentegen is een verplichte hulde na een aantasting van iemands eer. Wanneer bijvoorbeeld een onschuldige door een gerechtelijke dwaling is veroordeeld, vraagt gerechtigheid om openlijke spijt, herstel en soms zelfs een openbare rehabilitatie.
Ten aanzien van God zijn wij tot beide verplicht. Over de hulde zal later gesproken worden; hier richten wij ons op het eerherstel.
- Allereerst door hen die de godsvrucht tot het Heilig Hoofd bevorderen. Teresa schrijft dat Jezus haar liet verstaan dat Hij allen die deze devotie verspreiden, met bijzondere glorie zal bekronen. Zij begreep dat Jezus en zijn Moeder deze hulde beschouwen als een vergoeding voor de spot en vernedering die de goddelijke Wijsheid onderging toen Hij werd gekroond, bespot en als een dwaas werd behandeld.¹
Uit haar verdere woorden blijkt dat naarmate de ziel heiliger is, ook haar eerherstel dieper en volmaakter wordt aanvaard. Zoals een kunstenaar meer waarde hecht aan het oordeel van een vakgenoot dan aan dat van een toevallige bewonderaar, zo aanvaardt Jezus het eerherstel van heilige zielen als bijzonder kostbaar.
- Jezus verlangt echter dat niet alleen zijn vrienden, maar zoveel mogelijk mensen eerherstel aanbieden. Daarom vraagt Hij om een openbaar eerherstel op de octaafdag van het Heilig Hart. Teresa noteert zijn klacht: “Zelfs in het huis van mijn vrienden kent men Mij slechts met het dwazenkleed en de spotkroon, terwijl Ik de God van wijsheid en alle kennis ben.”
Veel christenen leven lichtzinnig, werelds en dubbelzinnig. Zij willen tegelijk Christus en de wereld dienen. Zij vervullen sommige plichten, maar verwaarlozen andere. Zo worden zij een ergernis en houden zij velen van het geloof verwijderd. Ongelovigen zeggen dan: “Zij zijn niet beter dan wij, misschien zelfs slechter; wij tonen tenminste wat wij zijn.”
Zouden deze christenen hun leven toetsen aan het Heilig Hoofd van Jezus, dan zouden zij hun innerlijke verdeeldheid herkennen. Grote bijeenkomsten van eerherstel kunnen hen wakker schudden en opnieuw tot ware volgelingen maken, tot vermeerdering van het getal van Jezus’ vrienden.
3. Bijzondere redenen om het Heilig Hoofd hulde te brengen
- Door Jezus’ Wijsheid te aanbidden, eren wij de Heilige Drie-eenheid. De Vader, die aan de Mens Jezus deze volmaakte wijsheid schonk; de Heilige Geest, die zijn ziel voortdurend inspireerde; en de Zoon zelf, die zijn menselijk verstand, wil en geheugen volmaakt gebruikte. Teresa zegt daarom terecht dat wij de Drie-eenheid eren wanneer wij het Heilig Hoofd van Jezus als zetel van de goddelijke wijsheid aanbidden.¹
- Deze devotie eert de hele Persoon van Christus. Zoals men in het menselijk leven het edelste deel eert, zo vereren wij zijn Hoofd en tegelijk zijn ziel met haar drie vermogens: verstand, wil en geheugen, die tot dan toe geen eigen hulde ontvingen.² Zo leren wij Jezus beter begrijpen en beseffen wij dat al zijn woorden en daden voortkwamen uit goddelijke wijsheid.
Wanneer wij zeggen: “Hij begrijpt mij,” drukken wij daarmee diepe waardering uit. Zo is ook ons begrip voor Jezus een hulde, omdat wij erkennen dat in elke daad van de Godmens oneindige wijsheid, macht, kennis en liefde aanwezig zijn, en dat al zijn handelen de volmaakte vervulling van Gods wil is.³
4. Persoonlijke hulde aan Jezus
Zoals Jezus gekrenkt wordt door het misbruik van het verstand, de wil en het geheugen van de mens, zo kan deze krenking worden hersteld door diezelfde vermogens aan God toe te wijden. Dat is de ware betekenis van het eerste gebod: God beminnen met geheel ons hart, geheel onze ziel en al onze krachten.
De heiligen hebben dit verstaan. Zij richtten hun verstand op Gods aanwezigheid, hun wil op zijn welbehagen en hun geheugen op wat heilig is. Zo werden zij innerlijk aan Jezus gelijkvormig en brachten zij Hem de hoogste hulde: de gave van hun hele wezen.³
5. Over de wijze waarop wij Jezus naderen
Deze godsvrucht vereert niet slechts één eigenschap van Jezus, maar zijn hele Persoon. Zij vervangt andere devoties niet, maar bekroont ze. Zoals de mensen in het evangelie elk een ander aspect van Jezus’ mensheid benaderden, zo mogen ook wij langs verschillende wegen tot Hem komen.
Geen enkele devotie is op zichzelf voldoende. Alle leiden zij, wanneer zij zuiver worden beoefend, tot de ene Christus. Zo helpt ook deze godsvrucht tot het Heilig Hoofd ons om dieper binnen te treden in het liturgisch leven van de Kerk, waarin alles uiteindelijk naar Christus verwijst.
In Jezus zijn liefde en wijsheid één. Daarom mogen Hoofd en Hart nooit worden gescheiden. Met Teresa bidden wij:
“O Wijsheid van het Heilig Hoofd, leid mij op uw wegen.”
“O Liefde van het Heilig Hart, verteer mij in uw vuur.”
Zevende Hoofdstuk: Oefeningen en gebeden
I. Oefeningen
1. Het feest van Jezus’ Heilig Hoofd vieren
De goddelijke Heiland heeft zelf de datum aangeduid waarop zijn Heilig Hoofd, Zetel van de goddelijke Wijsheid, openbaar vereerd moet worden.
Op 2 juni 1880 vroeg Hij aan Teresa om aan haar geestelijke leidsman te laten weten dat Hij een openbare eredienst verlangde ter ere van zijn Heilig Hoofd, en dat daarvoor de vrijdag, de octaafdag van het Heilig Hartfeest, bestemd moest worden. Op die dag wilde Hij bijzonder eerherstel ontvangen:
“Ik verlang dat deze devotie nu bekendgemaakt wordt. Ik wil dat de eerste vrijdag na het Feest van mijn Heilig Hart een afzonderlijke feestdag wordt ter ere van het Heilig Hoofd als Zetel van de goddelijke Wijsheid, en dat Mij dan openbare aanbidding wordt gebracht als eerherstel voor de grofheden en de zonden die voortdurend tegen Mij bedreven worden.”¹
Dat Jezus juist de octaafdag kiest, maakt duidelijk dat deze godsvrucht gezien wordt als vervulling en verdieping van de devotie tot het Heilig Hart: langs het Hart naar het Hoofd, en zo naar de hele Persoon van de Godmens. Daarom vieren de Heilig-Hoofdvereerders deze dag met Eucharistie, biecht en communie, met aanbidding en met een bewuste geest van eerherstel. Waar mogelijk nodigen zij ook anderen uit om mee te doen.
Men kan die dag ook een bedevaart organiseren naar een plaats waar deze devotie leeft, bijvoorbeeld het heiligdom in Bootle (bij Liverpool). Thuis kan men een afbeelding waardig versieren en de dag besteden aan eerherstel voor zonden tegen de goddelijke Wijsheid: godsloochening, spot met het evangelie, vrijdenkerij, intellectuele hoogmoed en dwalingen. Daarbij past ook gebed voor regeringsleiders, staatshoofden en volksleiders, opdat zij zich laten leiden door het evangelie.
2. Het feest van Christus Koning vieren
Met deze godsvrucht hangt ook de verering van Christus’ Koningschap nauw samen. Het is immers de geestelijke adel en vooral de Wijsheid van Jezus die zijn koninklijk gezag over alle mensen zichtbaar maakt. Hij is de hoogste, edelste en wijste Mens; zijn Koningschap straalt uit zijn Wijsheid.
Daarmee worden andere gronden voor zijn koninklijke macht niet ontkend: het recht van de overwinning – *“Waardig is het geslachte Lam… de macht te ontvangen”*² – en de aanstelling door de Vader – *“Ik ben aangesteld als koning op de berg Sion”*³. Maar hier ligt het accent op de waarheid dat Jezus de ware Leider is: Hij ordent ons leven, draagt onze weg, en laat zich in zijn handelen leiden door de Heilige Geest.
Hij dwingt niemand. Hij vraagt om vrije onderwerping: de erkenning dat zijn leiding beter is dan de onze, en dat zijn geboden het leven openen. Hij wil niet enkel uiterlijke gehoorzaamheid, maar een innerlijke: van geest en zintuigen, van hoofd en hart. Zijn heerschappij is geen knechtschap, maar een geheim van meeregeren: wie zich vrijwillig aan Hem geeft, ontvangt Hemzelf. Zo verstaan de Heilig-Hoofdvereerders het Koningschap van Jezus.
3. Pinksteren (Sinksen) vieren
Pinksteren en het feest van het Heilig Hoofd staan dicht bij elkaar, omdat het gevierde mysterie in hun uitwerking samenvalt: de verlichting en leiding die God aan de Kerk schenkt. Jezus zegt: *“Ik ga weg en Ik kom bij u”*⁴. Hij spreekt over zijn komen en over de komst van de Heilige Geest zó, dat duidelijk wordt: de Personen zijn onderscheiden, maar de werking is één. Hij belooft bovendien zelf de Geest te zenden.
Ook in de taal van de Kerk komt dit naar voren. Soms zeggen wij dat Christus zijn Kerk bewaart voor dwaling; soms zeggen wij dat de Heilige Geest haar leidt. Jezus belooft: *“Ik zal met u zijn tot aan het einde der eeuwen”*⁵ – en tegelijk is het de Heilige Geest die de Kerk bezielt.
Pinksteren is daarom ook de neerkomst van Jezus’ heilige Wijsheid over de apostelen. Zijn lichaam gaat heen, maar zijn levengevende Geest blijft werkzaam. Daarom verlangen Heilig-Hoofdvereerders naar een voortdurend Pinksteren: een blijvende nederdaling van Jezus’ Geest in hun leven.
4. De tweede maandelijkse communie
De maandelijkse communie is voor veel gelovigen vanzelfsprekend geworden. Voor velen is zij zelfs te weinig. Die groei is mede te danken aan de beweging rond het Heilig Hart.
Wie echter Jezus’ liefde vereert, doet er goed aan ook zijn Wijsheid niet te vergeten. Velen zouden gemakkelijker in de genade volharden als zij na de communie in de geest van het Heilig Hart nog eens in de maand zouden communiceren, bijvoorbeeld op de vrijdag of zondag daarna. Jezus verlangt immers de vakere communie, opdat wij in de genade blijven en groeien in liefde.
Waarom zouden wij dan niet tweemaal per maand communiceren, waarbij de tweede communie uitdrukkelijk wordt opgedragen in de geest van het Heilig Hoofd, Zetel van de Wijsheid?
5. De vrijdag vieren
Sinds eeuwen bewaren de beste leden van de Kerk een bijzondere eerbied voor elke vrijdag, omdat dit de dag is van Jezus’ kruisiging. Na de zondag heeft deze dag in de traditie een eigen gewicht; ook daarom kent de Kerk de praktijk van vleesonthouding.
In kloosterordes bleef de vrijdagviering sterk behouden: biecht, boetedoening en andere vormen van herinnering aan het lijden van Christus. Het is een dag die uitnodigt tot bekering.
Wie de devotie tot het Heilig Hoofd vurig beleeft, zal deze katholieke gewoonte ook in het gezin willen doen herleven. Juist op vrijdag straalt Jezus’ Wijsheid bijzonder: Hij koos lijden en dood boven wereldse eer, en verwierf ons daardoor het eeuwig leven.
Verwijzingen:
¹ Teresa Higginson, p. 114.
² Apok. 5,12.
³ Ps. 2,6.
⁴ Joh. 14,18.
⁵ Mt. 28,20.
II. Gebeden
1. Gebed uit het Boek der Wijsheid (hoofdstuk 9)
God van onze vaderen, barmhartige Heer,
Gij die door uw Woord het heelal hebt geschapen
en door uw Wijsheid de mens hebt gevormd,
opdat hij over de schepping zou waken
en de wereld heilig en rechtvaardig zou besturen,
met een oprecht hart en een zuiver oordeel:
schenk mij de Wijsheid die bij uw troon is,
en sluit mij niet buiten de kring van uw kinderen.
Ik ben uw dienaar, de zoon van uw dienstmaagd,
zwak en kort van dagen,
met weinig inzicht in recht en wet.
Zelfs al was iemand de volmaaktste onder de mensen,
zonder uw Wijsheid geldt hij voor niets.¹
Bij U is de Wijsheid die uw werken kent,
die aanwezig was toen Gij de wereld schiep;
zij weet wat U behaagt
en wat recht is volgens uw geboden.
Zend haar neer uit de heilige hemel,
laat haar uitgaan van uw troon van glorie,
opdat zij mij bij mijn werk ter zijde staat
en ik mag verstaan wat U behaagt.
Zij weet en doorgrondt alles;
zij zal mij wijs leiden in wat ik doe
en mij behoeden door haar glans.
Dan zullen mijn werken U welgevallig zijn.¹
Want wie kan uw wil kennen, Heer,
wie kan verstaan wat Gij verlangt?
De gedachten van stervelingen zijn wankel,
onze berekeningen onzeker.
Het sterfelijk lichaam drukt de ziel neer,
de aardse tent belemmert de geest bij het denken.
Nauwelijks vatten wij het aardse,
zelfs het voor de hand liggende begrijpen wij met moeite.
Wie zal dan het hemelse doorgronden,
wie uw wil kennen,
als Gij geen Wijsheid schenkt
en uw heilige Geest niet van boven zendt?
Zo alleen vinden mensen rechte wegen,
leren zij wat U welgevallig is
en worden zij gered door uw Wijsheid.
¹ (In de oorspronkelijke bewerking zijn enkele verzen weggelaten omdat ze specifiek op Salomo slaan.)
2. Vijf korte Schriftgebeden om Gods Wijsheid
- Heer, onze God,
Gij zijt goed en waarachtig. - Gij zijt lankmoedig en vol ontferming;
Gij bestuurt het heelal.
Wij zijn van U. Ook wanneer wij zondigen, erkennen wij uw macht.
Maar wij willen niet bewust zondigen,
omdat wij U toebehoren. - U kennen is volmaakte gerechtigheid;
uw macht beseffen is de wortel van onsterfelijkheid.¹ - Groot zijn uw oordelen, Heer,
en onuitsprekelijk uw besluiten.²
O diepte van rijkdom, wijsheid en kennis van God:
hoe ondoorgrondelijk zijn zijn raadsbesluiten,
hoe onnaspeurlijk zijn wegen.
Wie kent de gedachte van de Heer,
wie is ooit zijn raadsman geweest?³ - Waardig is het Lam dat geslacht is
macht te ontvangen, rijkdom en wijsheid,
kracht, eer, glorie en lof.⁴
¹ Wijsh. 15,1–3.
² Wijsh. 17,1.
³ Rom. 11,33–34.
⁴ Apok. 5,12.
Achtste Hoofdstuk: De godsvrucht tot het Heilig Hoofd en de overige godsvruchten
I. De godsvrucht tot het Heilig Hoofd als kern en voltooiing van andere godsvruchten
Wie de geschiedenis van de christelijke Christusbeschouwing overziet, merkt hoe de Kerk gaandeweg dieper is binnengedrongen in het mysterie van Christus’ Persoon. In het begin richtte de vroomheid zich vooral op wat uitwendig zichtbaar was.
Lange tijd stonden vooral Jezus’ lijden en wonden centraal: de vijf wonden, de schouderwonde, de doornenkroon, de lanssteek. In de middeleeuwen kwam daar de verering van relieken bij die kruisvaarders hadden meegebracht: het Heilig Bloed (Brugge), het Heilig Kleed (Trier), de Lijkwade (Turijn), enzovoort. Toch is in al deze vormen van vroomheid de godsvrucht tot het Heilig Hoofd impliciet aanwezig, omdat men uiteindelijk altijd uitkomt bij de Persoon van Jezus: Hij is het die deze smarten in wijsheid en liefde heeft willen dragen.¹
De wonden zijn niet “losse feiten”: zij werden gedragen door een Mens die het in vrijheid en inzicht “goed vond” te lijden; de schouderwonde werd toegebracht aan een voelende, denkende Mens; het bloed wordt vereerd omdat het behoort tot het lichaam van de Meester. De kern van deze godsvruchten is dus telkens Christus zelf, gezien vanuit één aspect van zijn lijden.
In de nieuwe tijd wordt de beschouwing verder naar binnen getrokken. Met Margareta-Maria Alacoque treedt men binnen in het Hart, langs de wonde van de zijde. Het Hart – Jezus’ liefde – wordt het voorwerp van overweging: men zoekt in het evangelie tekenen van zijn menselijke liefde. Nog nooit verschijnt Hij zo nabij als wanneer Hij zegt: “Ziehier het Hart dat de mensen zozeer heeft liefgehad.”
Bij Johannes Eudes worden Eucharistie en Heilig Hart samen gezien. De Eucharistie is immers de hoogste uitdrukking van Jezus’ liefde; daarom scheidt hij deze twee niet. Het Hart is voor hem het eucharistische Hart: als Christus werkelijk in het tabernakel verblijft, dan is er ook een menselijk hart bij ons, dat “onder ons woont”. Wie bij het tabernakel woont, woont als het ware bij het Hart dat de mensheid liefheeft.
Maar de beschouwende beweging van de Kerk gaat nog verder. De eerbiedwaardige Olier wijst erop dat liefde wel de edelste beweging van het hart is, maar dat zij behoort tot het innerlijk leven van de ziel. Daarom nodigt hij uit om de hele Ziel van Jezus te beschouwen: zijn houding tegenover de Vader, zijn liefde tot de naaste, zijn zelfvergetenheid, zijn afkeer van de zonde, zijn vrijheid tegenover de geest van de wereld.
Dan blijft er nog één verdieping: dat wij ook het Heilig Hoofd gaan beschouwen als zetel van zijn Wijsheid; dat wij zijn menselijk verstand, wil en geheugen – niet de ziel “als begrip”, maar de ziel in haar vermogens – eerbiedigen, aanbidden en navolgen.²
Is dit dan een “nieuwe” devotie? In wezen niet. Zij ligt al in de andere besloten, maar werd niet altijd uitdrukkelijk benoemd. Heiligen hebben Jezus nooit los gezien van zijn Persoon: zij gingen via een aspect naar Hem toe om Hem meer geheel te ontmoeten. Zo verstaan, is de devotie tot het Heilig Hoofd niet een losstaande oefening, maar de hoofdzakelijke devotie die de andere verheldert en verdiept, omdat haar voorwerp – de heilige Wijsheid – bijzonder dicht bij Christus’ Persoon staat.¹
Dat wij vandaag deze dimensie explicieter benadrukken, gebeurt niet om een mode of nieuwigheid binnen te brengen, maar omdat de Meester zelf dit vraagt: opdat zielen Hem beter leren kennen, in een helderder licht, en daardoor des te meer tot liefde, navolging en innerlijke overgave komen.
II. Heilig Hoofd en Heilig Aanschijn
Verschil, aanvulling en bekroning
Verwarring kan ontstaan omdat het zichtbare “voorwerp” vaak hetzelfde lijkt: het Heilig Aanschijn is niet los te maken van het Heilig Hoofd, en op elke afbeelding van het Hoofd is ook het gelaat aanwezig. Toch verschillen beide godsvruchten in hun eigenlijke bedoeling.
- Bij de devotie tot het Heilig Aanschijn ligt het accent op de innerlijke en uiterlijke smarten van het goddelijke Gelaat, met als doel eerherstel te brengen voor de zonde, die deze smarten veroorzaakt.
- Bij de devotie tot het Heilig Hoofd ligt het accent minder op de smarten en meer op de goddelijke Wijsheid: haar vereren, navolgen en bidden dat zij gekend wordt.¹
Dit betekent niet dat de smarten van Jezus worden weggeschoven. Wie het Heilig Hoofd vereert, zal vanzelf ook bij tijden stilstaan bij zijn lijden. Alleen: in het licht van zijn Wijsheid gaan wij beter verstaan waarom Hij dit alles wilde dragen. Dan begrijpen wij bijvoorbeeld waarom Hij de doornenkroon verkoos boven een gouden kroon: zijn Koninkrijk is niet van deze wereld; Hij wilde dienen, niet heersen. Wij verstaan waarom Hij slagen en bespuwing verdroeg: het is wijzer om vervolgd te worden om de gerechtigheid dan de wereld te bezitten en God te verliezen.
In het licht van zijn Wijsheid zien wij ook helderder: het is beter een korte tijd te lijden dan voor eeuwig verloren te gaan; beter de waarheid te dragen dan de zonde te sparen. Wie de Wijsheid van Jezus vereert, mag zijn smarten dus nooit uit het oog verliezen, anders zou men Hem werkelijk “in stukken” trekken. Het gaat om heel zijn Persoon, met bijzondere aandacht voor de Wijsheid, omdat zij bron is van dieper verstaan en beminnen.
De verhouding tussen de godsvruchten kan men vergelijken met een diamant: één facet helpt ons de andere beter zien. Geen enkel facet is “alles”, maar elk facet kan het geheel doen oplichten.
III. Heilig Hoofd en de devotie tot de Heilige Ziel van Jezus
In de laatste eeuwen hebben veel zielen zich toegewijd aan de verering van Jezus’ Heilige Ziel. Olier heeft deze godsvrucht verdiept vanuit de beschouwing van het Heilig Hart. Zij bestaat in het overwegen van Jezus’ innerlijk leven: zijn gezindheden tegenover de Vader, de naaste en de wereld.
Olier roept uit: *“Welk Hart, het Hart van Jezus… Laat mij uw gezegende Ziel aanbidden…”*¹ Daarmee wordt een vroomheid zichtbaar die ruimer is dan enkel de hart-devotie: zij omvat het geheel van Christus’ innerlijk leven.
Ook aan Teresa Higginson klaagde Jezus dat zijn Heilige Ziel te weinig gekend werd en vroeg Hij om vertroosters. In die zin kan men zeggen: deze godsvrucht vormt een soort midden tussen Heilig Hart en Heilig Hoofd. Want alle deugden die wij in Jezus’ Ziel bewonderen – met de liefde als hoogste – zijn zo diep en zo zuiver juist omdat zij onder leiding staan van de Wijsheid van God.
Daarom geeft de devotie tot het Heilig Hoofd, als zij goed wordt beleefd, ook een dieper begrip van de Heilige Ziel van Jezus: zij is er geen concurrent van, maar een bekroning. Wij zullen de Ziel als het ware zien “doorgloeid” van wijsheid: elke beweging, elke liefde-akte, elke lofprijzing en dankbaarheid geordend door het licht dat haar centrum is.
IV. Heilig Hoofd en de godsvrucht tot de Heilige Geest
Er bestaat een innerlijke verwantschap tussen deze twee godsvruchten. Jezus’ menselijke Wijsheid staat volledig open voor de werking van de Heilige Geest en draagt diens stempel. In Jezus’ Ziel kon de Geest zijn levenwekkende werking ten volle uitoefenen. Een ziel die zo gehoorzaam is aan de minste ingeving van God, wordt een zuiver beeld van Degene die haar vormt. Daarom is Jezus’ menselijke wijsheid een helder “afbeeldsel” van de Geest.
Toch blijft het onderscheid: Jezus’ wijsheid is geschapen; de Wijsheid van de Heilige Geest is ongeschapen. Het verschil tussen schepsel en God blijft.
En toch is er ook diepe samenwerking: de Heilige Geest wordt de Levendmaker genoemd en aan Hem wordt onze heiliging toegeschreven; tegelijk is Jezus aan de mensen gegeven als Licht en Redder, die door zijn leer en zijn genade de verlossing werkt. De Geest maakt zalig door Christus’ woord, door de Wijsheid die Hij eerst in Jezus’ ziel in volheid heeft uitgestort en van daaruit in de Kerk wil doen doorstromen: “Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen” (Joh. 1,16).
Waarom wordt dit werk vooral aan de Heilige Geest toegeschreven? Omdat elke genadewerking die uit Christus’ mensheid tot ons komt, uitdrukking is van Gods oneindige liefde; en de Heilige Geest is de Persoonlijke Liefde tussen Vader en Zoon.
Wie dus de devotie tot het Heilig Hoofd juist verstaat, zal des te helderder zien hoe de Geest werkt: God geeft zijn leven via het “prisma” van Jezus’ menselijke Wijsheid. Dan worden ook Jezus’ woorden transparant: “Ik ga heen en Ik kom bij u terug” en “Ik zal de Geest zenden.” (vgl. Joh. 16,7). Zo voert een goed begrepen godsvrucht tot het Heilig Hoofd vanzelf omhoog naar een dieper leven met de Heilige Geest.
V. Heilig Hoofd en ware godsvrucht tot Maria
Bij Louis-Marie Grignion de Montfort vinden we een bijzonder rijke leer over de liefde tot de goddelijke Wijsheid. Hij maakt onderscheid tussen de eeuwige, ongeschapen Wijsheid en de mensgeworden Wijsheid. Hoewel hij het “Heilig Hoofd” niet expliciet noemt, blijkt dat hij een diepe devotie tot Jezus’ Wijsheid bezit.
Volgens zijn visie heeft de goddelijke Wijsheid zich een eerste “huis” bereid: Maria. In haar verzamelt God genaden die de mensheid in gerechtigheid hadden kunnen dragen. Wanneer Maria instemt om Moeder van God te worden, voltrekt zich het grote wonder: de Geest vormt uit haar zuiverste bloed een menselijk lichaam; God schept een volmaakte ziel; en de eeuwige Wijsheid – de Zoon – verenigt zich met lichaam en ziel in eenheid van Persoon. Het Woord wordt vlees: God wordt mens zonder op te houden God te zijn.
Daarom is Maria werkelijk onze Moeder: wie het Hoofd (in de zin van “de Eerste”, de Eerstgeborene) baart, baart ook de ledematen.² Omdat wij innig verbonden zijn met Christus, kan Maria niet alleen Moeder van God genoemd worden, maar ook Moeder van de mensen. Daarom heet zij met recht Zetel der Wijsheid en Moeder der Wijsheid.
Als Maria de eerste weg is waarlangs de Wijsheid tot ons kwam, dan is zij ook onze leermeesteres in de liefde tot de Wijsheid. Montfort noemt daarom een ware godsvrucht tot Maria een bijzonder middel om de Wijsheid te ontvangen: omdat zij de waardige Moeder van de Wijsheid is; omdat de Wijsheid zich aan haar heeft willen onderwerpen; en omdat zij als het ware de “troon” is waarop de Wijsheid met welbehagen rust.
Zijn kernzin is scherp: men is geen leerling van de Wijsheid wanneer men geen kind is van Maria. Ware mariale toewijding bewaart de Wijsheid ook tot het einde: niet alleen verkrijgen, maar ook bewaren, opdat wij haar niet verliezen zoals Salomo. Daarom raadt hij aan onszelf en al wat wij hebben aan Maria toe te vertrouwen, in nederig wantrouwen tegenover eigen wijsheid.
VI. Voor wie houvast zoekt: een leerschool van evangelische gezindheid
Wie deze devotie volgt zoals zij hier is beschreven, merkt dat Jezus wil dat wij een evangelische gezindheid verwerven, waaruit een evangelisch leven groeit. Waar leert men die gezindheid concreet? Bestaan er kringen of een leerschool waar dit wordt geoefend? Ja.
Al eeuwenlang bestaat een leerschool van evangelisch leven die door vele pausen is aanbevolen en vrucht heeft gedragen in tal van heiligen: de Derde Orde van Sint Franciscus, bedoeld voor leken in de wereld. Teresa Higginson vond daarin een concrete weg om de geest te leren die Jezus haar voorhield.
Zij werd derde-ordelinge in 1885. Zij spreekt over haar godsvrucht vanaf 1879. Het hoogtepunt van mystieke vereniging – het mystiek huwelijk – beleeft zij twee jaar na haar intrede. Wie deze data naast elkaar legt (1879 – 1885 – 1887) ziet een lijn: de devotie leidt haar naar een school van evangelische gezindheid, en binnen die weg wordt zij dieper in Christus getrokken.
Een veelzeggend detail: in 1887, op het feest van Franciscus van Assisi, klaagde Teresa dat zij door ziekte niet in staat was de generale absolutie voor derde-ordelingen te ontvangen, omdat er geen franciscanen in de buurt waren. Volgens haar getuigenis verscheen Jezus haar en gaf Hij zelf absolutie, niet omdat er iets te vergeven was, maar om haar meer aan Hem gelijkvormig te maken en haar te verzadigen met zijn kostbaar Bloed. Zo wordt zichtbaar hoe zij de genaden van deze weg verstond, en hoe Christus zulke genaden gebruikt om een ziel naar zich toe te trekken.
Zegen van Sint Franciscus aan zijn volgelingen
De Heer zegene en beware u.
Hij doe zijn Aanschijn over u lichten en ontferme zich over u.
Hij wende zijn Gelaat tot u en geve u vrede.
De Heer zegene u, mijn broeder.
De Heer zegene u, mijn zuster.
¹ Zie oorspronkelijke noot: niet alsof alleen deze devotie Christus als Persoon tot voorwerp heeft, maar omdat zij dit méér expliciet doet door haar focus op de heilige Wijsheid.
² “Hoofd” in de zin van eerste, eerstgeborene, overste; en: niet de ziel abstract, maar de ziel in haar vermogens.
Aanhangsel
1. Beloften aan de vereerders van het Heilig Aanschijn
- Wie mijn Heilig Aanschijn vereert, zal door de afdruk van mijn Mensheid innerlijk een levendige weerspiegeling van mijn Godheid ontvangen. Daardoor wordt de ziel tot in haar diepste grond verlicht, en zal zij in de eeuwigheid stralender zijn dan vele anderen.
- Bij hun dood zal Ik het door de zonde geschonden beeld van God in hun ziel herstellen.
- Wie mijn Heilig Aanschijn in een geest van boete vereert, zal Mij even welkom zijn als de heilige Veronica: zij bewijzen Mij dezelfde dienst. Ik zal hun ziel tekenen met mijn goddelijke Geest.
- Dit aanbiddelijke Gelaat is als het zegel van de Godheid: het drukt het beeld van God in zielen die zich er in geloof toe wenden.
- Hoe meer zij zich inzetten om mijn door godslastering geschonden Gelaat te herstellen, des te meer zal Ik ook zorgdragen voor hun gelaat, hoezeer het ook door zonde misvormd is: Ik zal mijn beeld opnieuw in hen afdrukken en het herstellen tot de schoonheid van hun doopgenade.
- Wanneer u mijn Vader mijn Heilig Aanschijn aanbiedt, zult u zijn toorn verzachten en als het ware “met hemelse munt” de bekering van zondaars verkrijgen.
- Wie mijn Heilig Aanschijn aanbiedt, zal niets worden geweigerd. Ik zal zelfs mijn mond openen om bij mijn Vader al uw zorgen te bepleiten.
- Door mijn Heilig Aanschijn zult u wonderen zien: Ik zal u verlichten met mijn Licht, u omgeven met mijn Liefde en u standvastig maken in het goede.
- Ik zal u nooit verlaten.
- Allen die mijn zaak in dit werk van verzoening steunen met woorden, gebed of geschriften, zal Ik bij mijn Vader verdedigen. In hun stervensuur zal Ik hun ziel reinigen van alle zondenvlekken en haar oorspronkelijke schoonheid teruggeven.
2. Beloften aan de vereerders van het Heilig Hart
- Ik zal hun alle genaden geven die zij nodig hebben in hun levensstaat.
- Ik zal vrede brengen in hun gezinnen.
- Ik zal hen troosten in hun verdriet.
- Ik zal hun veilige toevlucht zijn in het leven, en vooral in het uur van hun dood.
- Ik zal al hun ondernemingen overvloedig zegenen.
- Zondaars zullen in mijn Hart de bron en de onmetelijke oceaan van barmhartigheid vinden.
- Lauwe zielen zullen vurig worden.
- Vurige zielen zullen groeien naar een hoge volmaaktheid.
- Ik zal de huizen zegenen waar het beeld van mijn Heilig Hart wordt uitgestald en vereerd.
- Ik zal aan priesters de gave schenken om de meest verharde harten te raken.
- Wie deze godsvrucht verspreidt, zal zijn naam in mijn Hart geschreven vinden; die naam zal er nooit uitgewist worden.
- Ik beloof allen die op negen opeenvolgende eerste vrijdagen van de maand communiceren, de genade van de eindvolharding: zij zullen niet sterven in ongenade, noch zonder de sacramenten te ontvangen. Mijn goddelijk Hart zal in dat laatste uur hun veilige toevlucht zijn.
3. Beloften aan de vereerders van het Heilig Hoofd
als Zetel van de goddelijke Wijsheid
- “Wie helpt om deze devotie te verspreiden, zal duizendvoudig gezegend worden. Wee echter wie haar afwijst of tegen mijn verlangen ingaat: zij zullen verstrooid worden in mijn toorn en hun plaats zal niet meer gevonden worden.” (2 juni 1880)
- Onze Heer zal hen die deze devotie verspreiden “kronen en bekleden met bijzondere heerlijkheid”. (10 september 1880)
- “Hij zal hen met heerlijkheid bekleden ten aanschouwen van engelen en mensen in de hemelse hoven. Wie Hem op aarde met glorie bekleedde, zal Hij kronen met een gelukzaligheid die eeuwig blijft.” (10 september 1880)
- Onze Heer zegent allen “die deze devotie op welke wijze ook beoefenen of bevorderen”. (16 juli 1881)
- Er zijn ongekende zegeningen beloofd aan wie zich inzet om deze devotie te verspreiden en te doen groeien. (2 juni 1880)
- Hoe meer wij de devotie tot het Heilig Hoofd beoefenen, des te dieper zullen wij het werken van de Heilige Geest in onze ziel zien en verstaan. Daardoor leren wij Vader, Zoon en Heilige Geest beter kennen en meer liefhebben. (2 juni 1880)
- De devotie en liefde tot het Heilig Hart van Jezus als Zetel van de goddelijke Barmhartigheid zal honderdvoudig toenemen bij wie de devotie tot het Heilig Hoofd van Jezus als Zetel van de goddelijke Wijsheid beoefent. (mei 1883)
- “Aan wie Mij eert, zal Ik mijn macht geven. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn kinderen zijn. Ik zal mijn teken op hun voorhoofd plaatsen en mijn zegel op hun lippen.” (2 juni 1880)
- Onze Heer liet Teresa verstaan dat de heilige Johannes in de laatste twee hoofdstukken van de Apocalyps verwijst naar zijn Heilig Hoofd als Zetel van de goddelijke Wijsheid, en dat met dit teken het aantal van de uitverkorenen wordt “verzegeld”. (23 mei 1880)
- Onze Heer toonde Teresa de grote zegeningen en genaden die Hij heeft bereid voor allen die zijn goddelijke wil tot het einde toe bevorderen. (9 mei 1880)
Nawoord
Voor deze uitgave heb ik, pastoor Jack Geudens, gebruikgemaakt van twee bundels met getypte manuscripten van pater Marcel.
De eerste bundel draagt de titel Boodschap van de Wijsheid Gods voor de twintigste eeuw. Tweede vervolg: Handboek voor de godsvrucht tot het Heilig Hoofd van Jezus, Zetel van de Goddelijke Wijsheid (pp. 1–103). Deze tekst bevat de theologische uitwerking van de godsvrucht tot het Heilig Hoofd van Jezus.
De tweede bundel behoort eveneens tot de reeks Boodschap van de Wijsheid Gods voor de twintigste eeuw en omvat:
– Geest van Teresa Higginson, een korte levensschets (pp. 1–15);
– Naklanken uit 1937, een onderzoek naar bronnen en getuigen rond Teresa Helena Higginson in verband met de devotie tot het Heilig Hoofd van Jezus;
– Reis naar Engeland, het onderzoeks- en reisverslag van pater Marcel uit oktober 1937 (pp. 16–51).
Over de auteur, Z.E.P. Marcel (Zeer Eerwaarde Pater Marcel), is opmerkelijk weinig bekend. Vaststaat dat hij kapucijn was. Zijn volledige naam, woon- of werkplaats worden nergens vermeld. Evenmin is duidelijk of hij in een klooster leefde of pastoraal werkzaam was in een parochie. Ook over de ontstaansgeschiedenis en verspreiding van de manuscripten ontbreken veel gegevens.
Enkele jaartallen kunnen wel met zekerheid worden vastgesteld:
– de reis naar Engeland in 1937;
– verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog (1940–1945);
– het jaartal 1962, dat betrekking heeft op de eindredactie van de teksten.
Uit het reisverslag blijkt dat pater Marcel bij het typen werd geholpen door medewerkers uit Brugge. Brugge wordt bovendien genoemd als vertrekpunt van zijn reis naar Engeland. Het is aannemelijk dat deze geschriften gedurende meerdere jaren in het bezit zijn geweest van een Belgische uitgeverij die inmiddels niet meer bestaat. Omdat destijds geen aanleiding of mogelijkheid werd gezien tot publicatie, zijn deze waardevolle documenten geleidelijk in de vergetelheid geraakt.
Daarna zijn de manuscripten van hand tot hand gegaan: van de opgeheven uitgeverij naar een Nederlandse contactpersoon (mevrouw N.), vervolgens naar een vriend van mij (de heer D.), en uiteindelijk zijn zij in 1977 in mijn bezit gekomen.
Moge het pionierswerk van pater Marcel ook in de eenentwintigste eeuw vrucht blijven dragen.
Documentatie en artikelen: www.teresahigginson.wordpress.com
Bibliografie
Nederlands
- Het Heilig Hoofd van Jezus, Th. Kwakman, 1934, Amerikalei 106–110, Antwerpen.
- Leven van Teresa Helena Higginson, Lady Cecil Kerr; vertaling uit het Engels door Th. Kwakman, 1933, Amerikalei 106–110, Antwerpen.
Frans
- Térèse Hélène Higginson. Histoire synoptique, Zevo Filsewil, 1934, Brussel, Simons, Rue Ketels 23.
- Extraits de la vie de Teresa H. Higginson sur la Dévotion à la Tête Sacrée, 1934, Brussel, Simons, Rue Ketels 23.
- Teresa Higginson, vie de la stigmatisée anglaise, apôtre du Chef Sacré de N.S.
- Franse documenten, brochures en maandbladen over Teresa Higginson, uitgegeven door Sagesse, Bellevue, Cagnotte (Landes), Frankrijk, vanaf de jaren 1930.
Engels
- Teresa Helena Higginson, Cecil Kerr, Sands & Co., 15 King Street, Covent Garden, Londen.
- Letters of T. H. Higginson, geselecteerd door een monnik van St. Augustine’s Abbey, Ramsgate, 1937, Sands & Co., Londen.
(Deze brieven handelen onder meer over de toestand van zielen in het vagevuur.) - T. H. Higginson. Miss Minnie Catterall’s Narrative, Watson & Co., Preston, 1936.
- The Last Days of the Servant of God T. H. Higginson, zuster Barbara (Casey), Poor Clare Colletine, Ormskirk, 1937.
Duits
- Das Haupt Christi und die Andacht zum Sitz der Weisheit, P. Willibrordus Schons O.S.B., Innsbruck–Hungerburg, Peter Meier, 1935. Dit boekje bundelt verschillende aspecten van het lijden van Jezus, met bijzondere aandacht voor zijn Heilig Aanschijn (het Veronicabeeld en de Lijkwade van Turijn), de Heilig-Aanschijndevotie van Léon Dupont, openbaringen aan zuster Marie de Saint-Pierre en zuster Marthe Chambon, en ten slotte Teresa Higginson.
NB: Deze uitgave is vrij van auteursrechtelijke aanspraken. Overname is toegestaan, mits voorzien van correcte bronvermelding van deze website. – Pastoor Jack Geudens