Over roeping, loslaten en het begin van de Kerk
Zondag van de derde week door het jaar A
Inleiding
Deze preek wordt gehouden op de derde zondag door het jaar, wanneer de liturgie ons terugbrengt naar het begin van Jezus’ openbaar optreden. Het evangelie van deze zondag toont geen spectaculaire wonderen, geen grote redevoeringen, maar een eenvoudig en beslissend moment: Jezus die mensen ziet in hun dagelijkse arbeid en hen aanspreekt met één woord — “Kom, volg Mij.”
In deze overweging staat niet de uitzonderlijkheid van de geroepenen centraal, maar juist hun gewoonheid. Vissers, bezig met hun netten, worden aangesproken midden in hun werk, hun zekerheid en hun vertrouwde bestaan. Zo wordt zichtbaar dat roeping geen ontsnapping is uit het leven, maar een omvorming ervan. Het evangelie raakt daarmee aan een fundamentele vraag die iedere gelovige aangaat: waar en hoe laat ik mij aanspreken door Christus, en wat vraagt dat vandaag van mij?
Deze preek wil geen theoretisch antwoord geven, maar uitnodigen tot innerlijke ontvankelijkheid: tot luisteren, onderscheiden en het durven loslaten van wat ons vasthoudt, opdat wij vrijer kunnen volgen.
Preek
Het evangelie van vandaag voert ons naar het begin van Jezus’ openbaar optreden.
Tot ongeveer zijn dertigste levensjaar heeft Jezus een verborgen leven geleid in Nazareth. Hij leefde er eenvoudig, werkte als timmerman in de werkplaats van Jozef, opgenomen in het gewone ritme van het dagelijkse bestaan. Geen wonderen, geen zichtbare zending. Alleen trouw, arbeid en stilte.
Dat is geen leegte. Dat is een rijping. Een leven dat eerst geleefd wordt vóór het gesproken wordt.
Dan komt het keerpunt. Jezus laat zich dopen in de Jordaan door Johannes de Doper.
Daarna begint Hij zijn weg door Galilea. Niet naar Jeruzalem. Niet naar de religieuze of politieke centra. Zijn weg begint in een gewone streek, langs vissersdorpen rond het meer.
Daar ziet Hij mensen aan het werk. Simon en Andreas. Jakobus en Johannes.
Geen geleerden. Geen religieuze elite. Geen mensen met aanzien of macht. Gewone mannen, bezig met hun netten, hun boten, hun dagelijkse arbeid. Mensen die leven van wat zij met hun handen doen, mensen die weten wat vermoeidheid is, afhankelijkheid van weer en water, onzekerheid over morgen.
Juist hén roept Jezus. “Kom, volg Mij.”
Het is geen uitnodiging tot overleg. Geen uitleg, geen plan, geen garanties. Jezus doet geen voorstel, Hij spreekt een woord dat raakt en roept.
En dan gebeurt iets dat blijft verbazen: zij laten onmiddellijk hun netten achter en volgen Hem.
Die netten betekenen meer dan touw en vis. Zij staan voor hun werk, hun zekerheid, hun vertrouwde leven. Voor datgene waaraan zij zich vasthouden, dat hun plaats en identiteit geeft. – Dat laten zij los.
Dat doen zij niet uit impuls of lichtzinnigheid. Waarschijnlijk hebben zij Jezus al eerder gehoord, Hem zien optreden, iets ervaren van zijn gezag, zijn nabijheid, zijn waarheid. Maar nu komt het beslissende moment: zij vertrouwen Hem. Zij laten zich aanspreken. Zij láten zich roepen. Roeping begint altijd daar, waar iemand zich laat aanspreken.
En Jezus zegt hen: “Ik zal jullie vissers van mensen maken.”
Hun leven krijgt hier een nieuwe gerichtheid. Niet langer draait het om wat zij zelf vasthouden, maar om wie zij mogen dienen. Niet om bezit of veiligheid, maar om relatie. Zo begint Jezus met het vormen van een gemeenschap — met deze vier mensen. Zo klein. Deze dag. En toch: hier begint de Kerk.
En daarmee komt het evangelie heel dicht bij ons eigen leven. Ook vandaag roept Jezus mensen.
Meestal niet met een hoorbare stem, maar in de stilte. In een verlangen dat niet verdwijnt. In een vraag die blijft terugkeren. In een innerlijke onrust die ons niet met rust laat omdat zij ons uitnodigt tot een dieper en waarachtiger leven.
Dat noemen wij roeping. Roeping is geen dwang van buitenaf. Geen opdracht die ons wordt opgelegd. Het is een innerlijk aangesproken worden. Het besef: dit wordt mij toevertrouwd. Dit vraagt om mijn antwoord.
Die roeping kan verschillende vormen aannemen. In het priesterschap, het diaconaat, het religieuze leven. Maar evenzeer in de trouw van het huwelijk en het gezin. In zorg voor anderen. In dienstbaarheid, rechtvaardigheid, volgehouden nabijheid waar het leven kwetsbaar is.
Iedereen wordt geroepen. Maar niet op dezelfde wijze. Maar niemand leeft in ieder geval zonder roeping.
De vraag is: waartoe word ik vandaag geroepen?
Welke “netten” houd ik vast uit schijnzekerheid of angst?
Wat durf ik niet los te laten omdat het mij houvast geeft, maar mij ook gevangenhoudt? Waar nodigt Jezus mij uit om Hem te volgen — niet morgen, niet ooit, maar vandaag?
Jezus trekt ook nu zijn weg door ons leven. Middels de Kerk. Hij onderricht er. Hij geneest er. Hij verkondigt er de Blijde Boodschap. In Jezus en Zijn Kerk wil God zelf bij de mensen wonen. En steeds opnieuw klinkt datzelfde beslissende woord: “Kom, volg Mij.”
Moge ons hart open genoeg zijn om die roep te kunnen horen. En moge ons vertrouwen groot genoeg zijn om te antwoorden.
Amen.
Slotwoord
Het evangelie van deze zondag laat zien dat de Kerk niet begint met structuren, plannen of zekerheden, maar met mensen die zich laten aanspreken en antwoorden. Vier vissers, een woord van Jezus, en een vertrouwen dat groter blijkt dan angst of verlies. Daar begint de weg die tot op vandaag voortgaat.
Ook nu blijft die roep klinken — vaak niet luid, maar in de stilte van het hart, in vragen die zich blijven aandienen, in een verlangen naar een leven dat meer is dan vasthouden en veiligstellen. Deze preek wil die ruimte openen: niet om snelle keuzes af te dwingen, maar om het hart beschikbaar te maken voor Gods initiatief.
Moge dit woord helpen om eigen “netten” onder ogen te zien, om te onderscheiden wat losgelaten mag worden, en om met vertrouwen te antwoorden waar Christus vandaag voorbijgaat en zegt: “Kom, volg Mij.”
Pastoor Geudens, Smakt, 21 januari 2026