Wanneer mocht jij eigenlijk bestaan? – Reflectie

Standaard

Wanneer mocht jij eigenlijk bestaan?

Denken en doen in de collegezaal: reflectie op twee niveaus van bevestiging en verstaan


Het interview (nogmaals *)

Beste man, die de gangen schoonhoudt, terwijl wij denken,

Sta mij toe dit even te formuleren zoals ik het in de collegezaal zou doen —
maar dan zonder PowerPoint,
en met aandacht voor degene die het lokaal schoonhoudt
terwijl wij professoren denken dat wij het begrijpen.

Wat wij, met onze boeken, termen en theorieën, bevestiging noemen,
is in wezen niets anders dan dit:
dat een mens innerlijk tot rust komt
omdat hij niet langer hoeft te bewijzen
dat hij het recht heeft om te bestaan.

De psychiater Anna Terruwe heeft dit klinisch zichtbaar gemaakt:
waar een mens nooit bevestiging ontving,
ontstaat geen vrijheid maar spanning;
geen liefde maar controle;
geen openheid maar overleving.¹

De theologie —
waar ik beroepshalve mijn brood mee verdien —
heeft daar eeuwenlang moeite mee gehad.
Zij sprak sneller over zonde
dan over angst,
sneller over plicht
dan over gemis.²

En toen kwam jij binnen,
met een dweil en een zin
die geen enkele professor kan verbeteren:

“Wanneer mocht jij eigenlijk bestaan?”

Zie je, man die de gangen schoonhoudt,
daar valt de hele antropologie stil.

Want die vraag raakt aan wat wij
de voor-ethische laag van het mens-zijn noemen:
dat iemand eerst moet zijn,
voor hij iets kan doen (agere sequitur esse);³
dat hij eerst moet ontvangen,
voor hij zich kan geven.⁴

Wij professoren noemen dat
gratia praeveniens,
affectieve ontvankelijkheid
of de relationele constitutie van de persoon.⁵

Jij noemt het:
“Dat je niet steeds zo je best hoeft te doen.”

En eerlijk gezegd —
dat is preciezer.

Dus als jij ’s avonds de gang schoonmaakt
waar wij over het Kruis debatteren,
weet dan dit:
jij bewaakt iets wat wij vaak vergeten zijn,
namelijk dat waarheid alleen landt
waar iemand zich veilig weet.⁶

En mocht iemand je ooit vragen
wat jij bijdraagt aan de theologie,
zeg dan gerust:

“Ik help mensen zodat ze niet vallen
over dingen waar ze nooit over mochten praten.”

Dat is —
naar mijn beste academische oordeel —
meer dan genoeg.

Met achting —
en met dank voor het schoonmaken
van wat wij intellectuelen soms onbedoeld achterlaten.

De professor


Maar nu in Jip-en-Janneke-taal

Wanneer mocht jij eigenlijk bestaan?

Soms zeggen mensen iets
dat slimmer is dan duizend boeken.
Niet omdat ze gestudeerd hebben,
maar omdat ze goed hebben gekeken
naar het leven.

Die ene vraag:
“Wanneer mocht jij eigenlijk bestaan?”
is zo’n zin.

Die betekent eigenlijk dit:
Mocht jij er zijn zoals je was?
Zonder dat je eerst flink moest zijn?
Zonder dat je iets moest bewijzen?

Veel mensen hebben dat nooit echt gevoeld.
Ze leerden al jong:
doe je best,
wees sterk,
maak geen fouten.

Maar diep vanbinnen
blijven ze dan gespannen.
Altijd op hun hoede.
Altijd bang om het fout te doen.

Een dokter die veel met mensen werkte,
Anna Terruwe,
zag dat heel duidelijk.
Mensen worden niet beter
door harder hun best te doen,
maar doordat iemand zegt — soms zonder woorden:
“Het is goed dat jij er bent.”

Niet: je doet het goed
maar: je bént goed.

Dat hebben sommige kerkmensen
lang niet goed gezien.
Ze hadden het vaak over regels
en over wat moet.
Maar ze vergaten soms
dat een mens zich eerst veilig moet voelen
voor hij echt goed kan leven.

Jij zegt het eenvoudiger.
Jij zegt:
“Dat je niet steeds zo je best hoeft te doen.”

En eigenlijk klopt dat precies.

Dus als jij ’s avonds
de gangen schoonmaakt
en je ziet mensen druk praten
over moeilijke dingen —
weet dan dit:

Jij helpt mee
dat mensen niet uitglijden
over wat nooit gezegd mocht worden.

En dat is belangrijk.
Heel belangrijk.
Meer dan genoeg.



Theologische en psychologische doorgronding

1. Inleiding: waarheid aan de rand van het discours

Deze tekst vertrekt vanuit de overtuiging dat fundamentele antropologische inzichten niet uitsluitend ontstaan binnen formele academische discoursen, maar zich vaak aandienen in existentiële ontmoetingen aan de rand van diezelfde academie. Zij sluit aan bij een personalistische traditie waarin waarheid niet louter propositioneel wordt verstaan, maar relationeel en belichaamd.

De vraag “Wanneer mocht jij eigenlijk bestaan?” fungeert hier als hermeneutische sleutel. Zij ontsluit een laag van mens-zijn die voorafgaat aan morele oordelen en religieuze verplichtingen, en die de ontvankelijkheid voor geloof juist mogelijk maakt. Het betreft geen alternatief voor geloof of moraal, maar de existentiële bedding waarin moreel en religieus spreken überhaupt verstaan en ontvangen kan worden.


2. Bevestiging als voor-ethische voorwaarde

Binnen de klinische psychologie heeft Anna Terruwe overtuigend aangetoond dat emotionele rijping slechts mogelijk is wanneer een mens zich in zijn bestaan fundamenteel bevestigd weet. Waar deze bevestiging ontbreekt, ontstaat geen vrijheid maar innerlijke verkramping; geen liefde maar controle; geen openheid maar overlevingsgedrag.

Bevestiging is daarbij geen morele goedkeuring van gedrag, maar een existentiële erkenning van het recht om te zijn. Zij situeert zich op de voor-ethische of pre-morale laag van het menselijk bestaan: dat niveau waarop iemand ervaart dat hij mag bestaan, nog vóór hij aangesproken wordt op wat hij moet doen of laten.


3. Theologische verlegenheid en herontdekking

In bepaalde perioden van de klassieke moraaltheologie werd deze laag onvoldoende onderscheiden. In de nadruk op wet, zonde en plicht werd impliciet verondersteld dat het subject reeds innerlijk beschikbaar was voor moreel handelen. Angst, onveiligheid en affectieve beschadiging bleven daardoor vaak theologisch onderbelicht.

Tegelijk biedt de traditie zelf duidelijke correctieven. Het beginsel agere sequitur esse herinnert eraan dat handelen het zijn volgt, terwijl de leer van de gratia praeveniens wijst op de prioriteit van ontvangen-zijn boven morele prestatie. Moreel handelen wordt daarin niet afgeschaft, maar gefundeerd.


4. Relationele constitutie van de persoon

Zowel psychologisch als theologisch verschijnt de menselijke persoon hier als relationeel geconstitueerd: niet primair als moreel handelend subject, maar als een ontvangend, kwetsbaar en op relatie aangewezen wezen. Affectieve ontvankelijkheid is in dit perspectief geen tekort of zwakte, maar een constitutief element van mens-zijn zelf. Dit doet geen afbreuk aan morele verantwoordelijkheid, maar vormt juist haar noodzakelijke voorwaarde.

Deze fundamentele intuïtie sluit aan bij de klinisch-psychologische inzichten van Anna Terruwe, die heeft laten zien dat emotionele en morele rijping slechts mogelijk zijn wanneer een mens zich in zijn bestaan voorafgaand bevestigd weet. Zij correspondeert tevens met de klassieke theologische overtuiging dat handelen het zijn volgt (agere sequitur esse), en met een existentieel verstaan van het christelijk geloof waarin ontvangen-zijn voorafgaat aan geroepen-zijn.

Concreet betekent dit dat een mens pas verantwoordelijkheid kan dragen, waarheid kan verstaan en tot genezing kan komen wanneer hij eerst mag bestaan. Zonder deze bestaansgrond verzandt normering in druk en correctie in angst; met deze grond kan morele en spirituele groei daadwerkelijk vrucht dragen.


5. Conclusie: epistemische nederigheid

De wijsheid die in deze eenvoudige vraag besloten ligt, vraagt om epistemische nederigheid. Zij herinnert de academie eraan dat kennis zonder bevestiging kan verwonden, en dat waarheid alleen vrucht draagt waar het bestaan van de ander niet eerst moet worden verdiend.

In die zin bewaakt wie schoonmaakt, ordent en zorg draagt voor de ruimte, meer dan infrastructuur alleen: hij of zij bewaakt de mogelijkheid tot menswording zelf — de ruimte waarin een mens mag bestaan en van daaruit aangesproken kan worden op waarheid, verantwoordelijkheid en geloof.


Voetnoten

  1. A.A.A. Terruwe, Bevestiging en emotionele ontwikkeling, diverse lezingen en klinische casuïstiek.
  2. Vgl. kritische reflecties op de moralistische verenging van antropologie vóór Vaticanum II.
  3. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 4.
  4. Relationele antropologie binnen personalistische psychologie en theologie.
  5. Genadeleer: gratia praeveniens als existentieel-relationeel verstaan.
  6. Pastoraal-theologische notie van veiligheid als voorwaarde voor waarheid.
  7. Terruwe & Baars, Psychic Wholeness and Healing.

(*) Interview: https://pastoorgeudens.com/2026/01/31/waarom-mocht-jij-eigenlijk-bestaan/


Vertaalsleutel

Van Jip-en-Janneketaal naar pastorale praktijk

  1. Luister vóór je uitlegt – eenvoudige taal is vaak diagnostisch.
  2. Corrigeer nooit vóór je bevestigt – erkenning gaat aan interpretatie vooraf.
  3. Scheid persoon en prestatie – waardigheid is gegeven, niet verdiend.
  4. Laat je taal afdalen – wat niet eenvoudig gezegd kan worden, is vaak nog niet begrepen.
  5. Oefen epistemische nederigheid – waarheid vraagt om behoedzaamheid.

Slotnoot

Deze tekst beoogt geen romantisering van eenvoud, maar een herwaardering van relationele wijsheid. Zij nodigt theologen, psychologen en pastores uit hun taal te laten toetsen door hen die zelden gehoord worden, maar vaak precies weten waar het schuurt.

Waar iemand eindelijk mag bestaan, daar begint bevestiging — Pastoor Jack Geudens