J. Geudens

Pastoor Jack Geudens

Pastoor Jack Geudens is rooms-katholiek priester, gevormd aan het Grootseminarie Rolduc, waar zijn filosofische en theologische opleiding expliciet stoelde op de denktraditie van Thomas van Aquino. Binnen deze thomistische vorming ging bijzondere aandacht uit naar de samenhang tussen antropologie, moraaltheologie en genadeleer, met een blijvende focus op menselijke vermogens, habitusvorming en morele verantwoordelijkheid.

Naast zijn priesteropleiding volgde hij de opleiding Arbeidstherapie, waarin de mens wordt benaderd als een handelend en relationeel wezen binnen zijn concrete leef- en werkomgeving. Deze vorming richt zich op het opbouwen, ondersteunen en optimaliseren van menselijk functioneren, in het bijzonder daar waar kwetsbaarheid, psychisch lijden of existentiële breuklijnen het dagelijks leven en werken onder druk zetten. Niet prestatie, maar herstel van draagkracht, participatie en zinvolle betrokkenheid staat daarbij centraal.

Deze dubbele achtergrond — thomistische theologie en arbeidstherapeutische menskunde — bepaalt blijvend zijn theologisch en pastoraal uitgangspunt. Moraal, spiritualiteit en pastoraat kunnen volgens hem slechts vruchtbaar zijn wanneer zij aansluiten bij de reële draagkracht van de persoon en diens affectieve rijping. Normativiteit zonder innerlijke beschikbaarheid leidt niet tot vrijheid, maar tot verkramping.

Vanuit een expliciet gelovig perspectief verstaat Geudens arbeid, therapie en pastoraat als plaatsen waar de scheppingsgoedheid van God zichtbaar kan worden in bevestiging, nabijheid en herstel. In aansluiting bij de affirmatietraditie van Anna Terruwe en Conrad Baars beschouwt hij menselijke ondersteuning niet als vervanging van genade, maar als een menselijke ontvankelijkheidsruimte waarin genade kan genezen en verheffen (gratia sanans et elevans).

Het theologisch kader van zijn werk wordt gedragen door wat hij aanduidt als een kruis-criteriologie. Daarin worden waarheid en gezag onderscheiden naar hun vermogen om de mens te dragen en te bevrijden. Het Kruis van Christus fungeert als hermeneutische sleutel voor moraal, gezag en genezing: waarheid openbaart zich niet waar zij overweldigt, maar waar zij zichzelf geeft ten dienste van het heil van de ander.

Met kruistheologie wordt in zijn werk geen afzonderlijke thematische theologie bedoeld naast andere disciplines, maar een fundamenteel hermeneutisch perspectief van waaruit geloof, mensbeeld, moraal en kerkelijk gezag worden verstaan. Het Kruis fungeert daarbij niet louter als object van devotie of als geïsoleerd soteriologisch moment, maar als criterium van waarheid en onderscheiding.

Kruistheologie vertrekt vanuit de overtuiging dat Gods beslissende zelfopenbaring niet samenvalt met macht, succes of zichtbare werkzaamheid, maar met zelfgave, kwetsbaarheid en dragende liefde. In het Kruis openbaart God niet alleen wat Hij doet voor de mens, maar hoe waarheid, gezag en liefde zich tot elkaar verhouden. Waar waarheid breekt wat zij zegt te dienen, verliest zij haar christelijke gestalte.

Antropologisch betekent dit dat de mens niet primair wordt benaderd als autonoom moreel subject, maar als relationeel en kwetsbaar wezen, geschapen naar Gods beeld en tegelijk getekend door onrijpheid en verwonding. Het Kruis openbaart dat God deze kwetsbaarheid niet omzeilt, maar draagt. Daarom krijgt bevestiging een centrale plaats: de mens moet eerst mogen bestaan, voordat hij werkelijk aangesproken kan worden op verantwoordelijkheid. Moraal volgt op relatie, niet omgekeerd.

In aansluiting bij een thomistisch mensbeeld benadrukt Geudens dat morele vrijheid en verantwoordelijkheid slechts mogelijk zijn waar rede, wil en affectiviteit daadwerkelijk kunnen functioneren. Het Kruis maakt zichtbaar dat Gods omgang met de mens niet begint bij eis, maar bij gave; niet bij norm, maar bij nabijheid. Kruistheologie verbindt daarom theologische waarheid met een affirmatieve benadering van de mens, zonder deze te reduceren tot psychologie.

Ecclesiologisch impliceert deze benadering een herijking van gezag. Kerkelijk gezag wordt niet opgevat als controle over het innerlijk leven van de gelovige, maar als dienst aan diens vrijheid in waarheid. Gezag is authentiek voor zover het de ander helpt staan, niet voor zover het hem breekt. Correctie en normering blijven noodzakelijk, maar verliezen hun legitimiteit wanneer zij losraken van verstaan, barmhartigheid en dragende aanwezigheid.

Samenvattend kan kruistheologie in het werk van pastoor Geudens worden omschreven als een theologische leesregel: het Kruis fungeert als criterium om te onderscheiden of waarheid bevrijdt of overheerst, of moraal vormt of verlamt, of gezag dient of domineert. Het Kruis is daarbij niet één thema onder andere, maar de plaats waar theologie haar eigen maat ontvangt.