Maria wordt in de Hemel opgenomen / Maria wordt in de Hemel gekroond

Standaard

Uit het boek “De mystieke stad Gods”: deel 8, na visioenen opgetekend door zuster Maria van Agreda o.i.c. – Greeth’s Blog https://greeth.wordpress.com/2010/02/21/de-tenhemelopneming-van-maria-is-waar-gebeurd-verhaal/

crowningDe ziel van de allerheiligste Maria komt binnen in de hemel en keert, in navolging van Christus, onze Zaligmaker, terug om haar heilig lichaam wederom tot leven te wekken; verenigd stijgt zij opnieuw op naar de rechterhand van de Heer, op de derde dag.

  1. Van de glorie en het geluk van de heiligen in zalig schouwen zegt de heilige Paulus met Jesaja (1 Kor 2,9;Js 64,4), dat geen oog heeft gezien, geen oor het gehoord kan hebben en het in geen mensenhart kan bedacht zijn wat God heeft gereedgemaakt voor degenen die Hem liefhebben en op Hem hopen. In overeenstemming met deze katholieke waarheid zouden wij ons niet moeten verbazen over wat gezegd wordt van de heilige Augustinus, het grote licht van de Kerk, dat, toen hij een boek wilde schrijven over de glorie van de zaligen, hij door zijn vriend, de heilige Hiëronymus, die juist overleden was en was binnengegaan in de glorie van de Heer, bezocht werd en door hem gewaarschuwd werd, dat hij zijn plan niet zou kunnen uitvoeren, aangezien geen tong of pen in staat was het kleinste deel van de zegeningen, die door de heiligen in het zaligschouwen genoten worden, te beschrijven. Dit is het getuigenis van de heilige Hiëronymus en indien we door de heilige Schrift geen andere inlichting hadden dan dat deze glorie eeuwig duurt, dan zou dit reeds boven ons begrip gaan, want hoe groot ons verstand ook is, het zal nooit in staat zijn de eeuwigheid te begrijpen en aangezien deze eindeloos en grenzeloos is, is zij onuitputtelijk en onbegrijpelijk, hoeveel wij er ook van kennen en hoezeer wij haar beminnen. Juist zoals God, de Eindeloze en de Almachtige, alle dingen geschapen heeft, zonder zich daarbij uit te putten en zelfs indien Hij eindeloze werelden steeds weer opnieuw had geschapen toch oneindig en onveranderlijk zou blijven, zo blijft Hij ook een oneindige bron voor nieuwe kennis en liefde, ofschoon Hij gezien en genoten wordt door ontelbare heiligen, want in de schepping en in de glorie delen de schepselen slechts zeer beperkt in Hem, ieder, overeenkomstig zijn toestand, terwijl Hij, in Hemzelf zonder grenzen of einde is.
  2. Indien hierdoor de glorie, zelfs van de minste der heiligen, onuitsprekelijk is, wat moeten we dan zeggen van de glorie van de allergezegendste Maria, aangezien zij, onder de heiligen de heiligste is en zij, meer op haar Zoon lijkt dan alle heiligen tezamen en aangezien haar genade en glorie de gehele rest, als van een keizerin of soeverein over haar vazallen, te boven gaat. Deze waarheid kan en moet geloofd worden, maar in dit leven kan zij niet begrepen worden noch kan zelfs het kleinste deel daarvan worden verklaard. Want de ontoereikendheid en het tekortschieten van onze woorden en uitdrukkingen leiden eerder tot vertroebelen dan tot verhelderen van de grootheid van alles wat oneindig is. Laten wij in dit leven werken, niet om dat te begrijpen, maar om dit oneindige in glorie te verdienen en in de hemel in overeenstemming met onze werken daar meer of minder van te ondervinden.
  3. Onze Verlosser Jezus trad de hemel binnen en leidde de zuivere ziel van zijn moeder aan zijn rechterhand. Slechts zij, uit alle stervelingen verdiende ontheffing van het bijzonder oordeel; er was dan ook geen voor haar; haar werd geen rekening en verantwoording gevraagd over wat zij ontvangen had, want dit was wat haar beloofd was toen zij was ontheven van de erfschuld en uitverkoren tot de koningin, staande boven de wetten van de kinderen van Adam. Om dezelfde reden zal zij aan de rechterhand van de Rechter gezeten zijn, in plaats van geoordeeld te worden zoals de rest, om met Hem alle schepselen te oordelen! Indien zij, in het eerste ogenblik van haar ontvangenis het lichtend morgenrood schitterend met de stralen van de zon van de Godheid, schoner dan de meest verheven serafijn was en zij later nog groter glans verkreeg door haar contact met het hypostatische Woord, die zijn mensheid aan haar wezen dankte, dan volgt hier natuurnoodzakelijk uit, dat zij zijn metgezellin moest zijn door alle eeuwen heen dusdanig Hem gelijk, dat geen ander schepsel deze gelijkheid met de Godheid evenaren kon. In dit licht leidde de Verlosser haar voor de troon van de Godheid en sprekende tot de eeuwige Vader in tegenwoordigheid van alle zaligen, die verrukt waren over dit wonder, uitte de allerheiligste mensheid deze woorden:

“Eeuwige Vader, mijn allerliefste moeder, uw geliefde dochter en uitverkoren bruid van de heilige Geest, komt nu om bezit te nemen van de kroon en de glorie die wij voor haar verdiensten in gereedheid gebracht hebben. Zij is degenen die geboren is als de roos zonder doornen, onberoerd, zuiver en schoon, waardig om door ons te worden omhelsd en geplaatst te worden op een troon die door geen van onze schepselen ooit bereikt kan worden en voor hen, die in zonden ontvangen zijn, onbereikbaar is. Dit is onze uitverkorene en onze enige, onderscheiden boven alle anderen, aan wie Wij onze genade en volmaaktheden in ruimere mate dan aan andere schepselen geschonken hebben; waarin Wij de schatten van onze onbegrijpbare Godheid en haar gaven gelegd hebben; die getrouw de talenten, die Wij haar gaven begeerd en vruchtbaar gemaakt heeft; (Lc 1,30) die nooit van onze wil is afgeweken en genade en welbehagen in onze ogen gevonden heeft. Mijn Vader, het tribunaal van onze gerechtigheid en barmhartigheid is onpartijdig en door Hem worden de diensten van onze vrienden meer dan overvloedig betaald. Het is juist, dat aan mijn moeder de beloning van een moeder gegeven wordt en aangezien gedurende heel haar leven en in al haar werken zij zo gelijk mogelijk is geweest aan mij als voor een schepsel maar mogelijk is, laat haar dan nu ook gelijk zijn in glorie op de troon van onze Majesteit, zodat daar waar heiligheid in wezen aanwezig is, zij ook gevonden zal worden in haar hoogste deelhebbing!”.

  1. De Vader en de heilige Geest keurden het besluit van het mensgeworden Woord goed. De allerheiligste ziel van Maria werd onmiddellijk opgeheven naar de rechterhand van haar Zoon en ware God en op de koninklijke troon van de allerheiligste Drie-eenheid geplaatst, welke noch mens noch engel en zelfs geen serafijn ooit betreden had, noch in der eeuwigheid betreden zal. Dit is het meest verheven en grootste privilege van onze koningin en vrouwe dat zij zit op de troon met de Drie goddelijke Personen en haar plaats als koningin bezet, terwijl heel de rest dienaren en priesters zijn van de hoogste Koning. Haar gaven van glorie, verstand, inzicht en rijpheid geven haar recht op de hoogte en majesteit van haar positie, onbereikbaar voor alle stervelingen, omdat zij boven allen en meer dan allen dat oneindige Voorwerp geniet, dat de andere zaligen in een eindeloze variëteit van graad genieten. Zij kent, dringt door en begrijpt dieper het eeuwige Wezen en zijn oneindige mogelijkheden; zij geniet met liefde van zijn mysteries en allergeheimste strevingen, meer dan heel de rest van de zaligen. Ofschoon er tussen de glorie van de goddelijke Personen en die van de allerheiligste Maria een oneindige afstand is, want het Licht van de Godheid is ongenaakbaar, zoals de apostel zegt (1Tim 6,16) en daarin alleen onsterfelijkheid en glorie door haar Wezen woont en ofschoon ook de allerheiligste Ziel van Christus aan gaven die van zijn moeder mateloos overtreft, streeft de grote koningin toch onbereikbaar door alle heiligen hen in glorie voorbij en bezit zij een gelijkenis met die van Christus die in dit leven noch begrepen noch beschreven kan worden.
  2. Even moeilijk is het de accidentele vreugde van de zaligen te beschrijven welke zij op die dag ondervonden bij het zingen van nieuwe lofzangen tot de Almachtige en bij het vieren van de glorie van zijn dochter, moeder en bruid, want in haar verhief Hij alle werken van zijn rechterhand. Ofschoon de Heer zelf geen aanwas aan nieuwe of wezenlijke glorie kon ondervinden, omdat Hij alle denkbare glorie onveranderlijk bezit en in eeuwigheid bezitten zal, waren toch de uitwendige blijken van dit welbehagen en zijn voldoening over de vervulling van zijn eeuwige raadsbesluiten op die dag groter dan ooit en vanaf de troon klonk als van een klankbord afspringend de stem van de eeuwige Vader, zeggende:

“In de glorie van onze geliefde en ons liefhebbende dochter is geheel het welbehagen van onze heilige wil tot onze volledige voldoening vervuld. Aan alle schepselen hebben wij aanzijn gegeven, ze werden uit niets geschapen, opdat ze zouden deelhebben aan onze oneindige goederen en schatten overeenkomstig het welbehagen van onze onmetelijke barmhartigheid. Juist degenen die geschikt werden gemaakt voor onze genade en glorie, hebben deze weldaad verguisd. Alleen onze geliefde dochter had geen deel aan de ongehoorzaamheid en afdwalingen van de rest en zij heeft dan ook verdiend wat de onwaardige kinderen van verderf verworpen hebben. Ons hart is nooit, geen ogenblik, in haar teleurgesteld. Aan haar komen de beloningen toe, welke wij in ons voorwaardelijk besluit in gereedheid gebracht hadden voor de ongehoorzame engelen en hun volgelingen onder de mensen als ze getrouw geweest waren aan hun genade en roeping. Zij heeft ons genoegdoening gegeven voor hun afval door haar onderworpenheid en gehoorzaamheid; zij heeft ons welbehagen opgewekt door al haar daden en heeft een plaats op de troon van onze Majesteit verdiend”.

  1. Op de derde dag nadat de allerzuiverste ziel van Maria bezit genomen had van deze glorie -die zij nimmer meer verlaten zou- openbaarde de Heer zijn goddelijke wil aan de heiligen, zeggende dat zij naar de wereld terug moest keren, haar heilig lichaam tot nieuw leven zou roepen en haar daarmede verenigen zou, opdat ze met ziel en lichaam wederom zou opgeheven worden naar de rechterhand van haar goddelijke Zoon zonder wachten op de algemene opstanding van de doden. De geëigendheid van deze gunst, haar passen bij de andere gunsten die de allergezegendste koningin reeds ontvangen had en bij haar overgrote waardigheid sprong de heiligen in het oog, want zelfs stervelingen vinden dit zo geloofwaardig dat zelfs al had de Kerk dit niet bekrachtigd, wij degenen die dit zouden willen ontkennen voor ongelovigen en dwazen houden. Maar de zaligen zagen dit met groter helderheid tezamen met de daartoe bestemde tijd en het vuur welke God zelf hen geopenbaard had. Toen de tijd voor dit wonder aangebroken was, daalde Christus onze Heiland uit de hemel neer, aan zijn rechterhand de ziel van zijn moeder, vergezeld door vele legioenen engelen, patriarchen en profeten. Zij kwamen naar het graf in de vallei van Josafat en aangekomen bij de maagdelijke tempel sprak de Heer de volgende woorden tot de heiligen:
  2. “Mijn moeder werd zonder zonden ontvangen, opdat Ik Mij uit haar maagdelijk wezen zou kunnen kleden in de mensheid waarin Ik naar de wereld kwam en deze wereld van zonde verloste. Mijn vlees is haar vlees; zij werkte met Mij samen in de werken van de verlossing; daarom moet Ik haar doen opstaan, juist Ik uit de doden opstond en wel tezelfdertijd en in hetzelfde uur. Want Ik wil haar op Mij gelijkend maken in alle dingen”.

Al de oude heiligen van het menselijk geslacht dankten voor deze nieuwe gunst in lof- en gloriezangen tot de Heer. Zij die zich bijzonder onderscheidden in hun dank waren onze eerste ouders Adam en Eva, de heilige Anna, de heilige Joachim en sint Jozef. Zij waren nauw betrokken bij dit wonder van zijn Almacht. Daarna, op bevel van de Heer, verenigde zich de zuivere ziel van de koningin met het maagdelijk lichaam, herlevendigde dit en deed het opstaan, gaf het nieuw eeuwig leven en glorie en deelde de vier gaven: doorzichtigheid, onvatbaarheid voor lijden, beweeglijkheid en subtiliteit, overeenkomende met die van de ziel mede door ze in het lichaam te laten overvloeien.

  1. Verrijkt met deze gaven trad de allergezegendste Maria uit het graf met lichaam en ziel, zonder de afsluitsteen op te tillen en zonder de positie van de tunica, die haar heilig lichaam omgaf, te verstoren. Aangezien het onmogelijk is haar schoonheid en uitstralende glorie te beschrijven, zal ik daar niet aan beginnen. Laat het volgende zijn op te merken, dat juist zoals de hemelse moeder haar goddelijke Zoon in haar schoot de mannelijke vorm had geschonken, zuiver, zonder smet en zonde, voor de verlossing van de wereld, zo schonk de Heer in deze verrijzenis en wedergeboorte haar een glorie en schoonheid, gelijk aan zijn eigen verschijning. Bij deze mysterieuze en goddelijke uitwisseling deed ieder wat mogelijk was: de allerheiligste Maria bracht Christus voort, maakte Hem zoveel mogelijk gelijk aan zichzelf en Christus deed haar wederom opstaan, deelde haar iets mede van zijn glorie voorzover zij deze als schepsel dragen kon.
  2. Daarna maakte zich van het graf een zeer plechtige processie los, die zich onder hemelse muziek door de luchtlagen naar de zevende hemel bewoog. Dit geschiedde in het uur, onmiddellijk na middernacht, waarin de Heer was opgestaan uit het graf. Daarom waren niet alle apostelen hier getuige van, slechts zij die bij het graf waakten. De heiligen en engelen betraden de hemel in de volgorde waarin ze die verlaten hadden; op de laatste plaats kwam Christus onze Heiland met aan zijn rechterhand de koningin, gekleed in goudbrokaat (Zoals David zegt in Psalm 45,10) en zo schoon dat zij de bewondering opwekte van het hemelse hof. Allen keerden zich tot haar om haar aan te zien en te zegenen met nieuwe jubel- en lofgezangen. Zo werden die mysterieuze lofliederen gehoord, opgeschreven door Salomo:

-Kom dochters van Sion, om uw koningin te zien, die geprezen wordt door de morgenster en gevierd wordt door de zonen van de Allerhoogste.

-Wie is zij die komt uit de woestijn als een zuil van alle aromatische reukwerken?

-Wie is zij die opkomt als de morgenstond, schoner dan de maan, uitverkoren als de zon, vreeswekkend als vele goed uitgeruste legers?

-Wie is zij die uit de woestijn komt, steunend op haar Geliefde en overvloedige heerlijkheden verspreidend? (Hl 3,6-9;8,5)

-Wie is zij waarin de Godheid zelf zoveel vreugde en welbehagen meer vindt dan in alle andere schepselen en die Hij boven hen allen verheft in de hemelen!

-O fenomeen, waardig aan de oneindige Wijsheid!

-O wonderkind van zijn Almacht, die Hem zo verheerlijkt en verheft!

  1. Temidden van deze glorie kwam de allergezegendste Maria met lichaam en ziel bij de troon van de allergezegendste Drie-eenheid. En de Drie goddelijke Personen ontvingen haar met een in alle eeuwigheid onuitwisbare omhelzing. De eeuwige Vader zei tot haar:

“Stijg hoger op, mijn dochter, mijn duive”.

Het mensgeworden Woord sprak: “Mijn moeder, van wie Ik het menselijke wezen ontvangen heb en volledige voldoening van mijn werk door uw volmaakte navolging, ontvang nu uit mijn hand de beloning die gij verdiend hebt”. De heilige Geest zei: “Mijn allerliefste bruid, treed binnen in de eeuwige vreugde die overeenkomt met de meest getrouwe liefde, want de winter van het lijden is nu voorbij, gij zijt aangekomen in onze eeuwige omhelzingen”  (Hl 2,16)

Daar werd de allergezegendste Maria ondergedompeld in de beschouwing van de Drie goddelijke Personen en als het ware overspoeld door de grenzeloze oceaan van de Godheid, terwijl de heiligen met bewondering en accidentele vreugde vervuld waren. Aangezien er zich bij dit werk van de Almachtige nog andere wonderen voordeden, zal ik daarover voor zover mij dit mogelijk is, in het volgende hoofdstuk spreken.

Instructie welke de koningin van de hemel de allerheiligste Maria, mij gaf.

  1. “Mijn dochter, de onkunde die de mensen tentoonspreiden inzake de eeuwige glorie die God bereid heeft voor degenen die dit verdienen is betreurenswaardig en onvergeeflijk. Het is mijn wens dat gij deze verderfelijke vergeetachtigheid bitter beweent, want er is geen twijfel aan dat Hij, die willens en wetens de eeuwige glorie en het eeuwig geluk vergeet, in groot gevaar verkeert deze te verliezen. Geen is vrij van deze schuld, niet slechts omdat de mensen niet veel werk of inspanning over hebben om te trachten zich dit geluk te herinneren, maar ze werken met al hun krachten aan dingen, die ze het doel, waarvoor ze geschapen zijn, doen vergeten. Zonder twijfel komt deze vergeetachtigheid voort uit hun verstrikking in de levenstrots, de overdreven nieuwsgierigheid en de lusten van het vlees (1 Joh 2,16). Want door alle krachten van hun ziel gedurende hun gehele leven daaraan te misbruiken hebben ze geen tijd, zorg en attentie voor de gedachten aan eeuwig geluk. Laten de mannen erkennen en bekennen dat deze herinnering hun meer werk kost dan het volgen van hun blinde hartstochten, het najagen van eer, bezittingen of voorbijgaande pleziertjes, die allen met dit leven eindigen en die, na veel jachten en zwoegen zelfs door veel mensen nimmer bereikt worden.
  2. Hoe veel gemakkelijker is het voor stervelingen zulke dwalingen te vermijden, in het bijzonder voor de kinderen van de Kerk, omdat ze de eenvoudige middelen van geloof en hoop om de waarheid te vinden bij de hand hebben! Zelfs als het winnen van een eeuwig geluk even moeilijk zou zijn als het verwerven van eer, rijkdom en andere voordelen dan zou het heel dwaas zijn juist zoveel voor de schijnvoordelen als voor de echte voordelen die naar de eeuwige glorie voeren, te zwoegen. Gij moet deze vreselijke dwaasheid betreuren, mijn dochter, indien gij de wereld, waarin gij leeft, beschouwt. Hoe verscheurd is zij door oorlogen en tweedracht; hoeveel ongelukkigen bevat zij die de dood zoeken in ruil voor een korte en ijdele eer, wraak en andere nog lagere voordelen, terwijl ze, juist als de onredelijke wezens niet haken naar het eeuwige leven. Het zou een zegen voor hen zijn als ze juist zoals de dieren hun leven zouden kunnen afsluiten met de tijdelijke dood, maar aangezien de meeste hunner tegen de rechtvaardigheid handelen en anderen, die trachten rechtvaardig te zijn, schromelijk vergeetachtig zijn omtrent hun einde, zullen zowel de één als de ander zich de eeuwige dood op de hals halen.
  3. Dit is een smart die boven alle smart uitgaat en een ongeluk zonder weerga en zonder geneesmiddel. Kwel uzelf, treur en stort troosteloos tranen over de ondergang van zovele zielen, die werden vrijgekocht door het bloed van mijn goddelijke Zoon. Ik verzeker u, mijn liefste, dat, indien de mensen zichzelf niet zo onwaardig maakten voor mijn liefde, deze liefde mij in de hemelse glorie zou dwingen mijn stem te laten klinken over de gehele wereld, luid roepende:

-Sterfelijke, misleide mens, wat doet gij?

-Tot welk doel leeft gij?

-Realiseert gij u wat het betekent God van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen en deel te hebben aan zijn eeuwige glorie en zijn gezelschap te delen?

-Waar denkt gij eigenlijk aan?

-Wie heeft op deze wijze uw oordeelvelling vertroebeld en begoocheld?

-Wat jaagt gij eigenlijk na, indien u eenmaal deze ware weldaad, dit ware geluk verloren hebt, er is geen ander!

-Het zwoegen duurt maar kort, de beloning is de eeuwige glorie en de straf duurt eeuwig!

  1. In verband met de smart die ik in u tracht op te wekken, moet gij volijverig werken om dit gevaar te vermijden. In mijn leven hebt gij een levend voorbeeld; het was een leven van voortdurend lijden, zoals gij weet, maar toen ik mijn beloning ontving, was dat alles als niets en vergat ik het alsof het nimmer gebeurd was. Besluit dan, mijn liefste, mij in mijn zwoegen te volgen en ofschoon uw inspanning u toeschijnt zwaarder te zijn dan die van alle andere stervelingen, beschouw dit toch als allerminst voldoende. Laat niets u moeilijk of hard voorkomen of bitter, zelfs indien gij te vuur en te zwaard zou moeten strijden. Zet uw hand tot grote daden en beschut uw dienaren -uw zintuigen- met dubbele kleding tegen moeilijkheden en lijden. Doe dit met al uw krachten. Tezelfdertijd wil ik u voor een dwaling temeer waarschuwen, waar de mensen zeggen: Laat ons onze redding zeker stellen, groter of minder glorie komt er niet op aan, wij zullen allen tezamen zijn in dat leven. Door dit valse principe wordt het eeuwig leven niet zeker maar juist een risico omdat dit voortkomt uit een grote dwaasheid en gebrek aan goddelijke liefde. Hij, die het op deze wijze met God op een akkoordje wil gooien, beledigt Hem en brengt Hem ertoe zulke  zielen bij voortduring in gevaar van verwerping te doen leven. Menselijke zwakheid is steeds genegen minder goed te doen dan zij eigenlijk wenst en indien die wens klein is dan is het resultaat ook gering en het risico alles te verliezen is des te groter.
  2. Hij die zichzelf tevreden stelt met het middelmatige of het laagste in deugd, laat in zijn wil en zijn neigingen altijd een mogelijkheid open voor het binnensluipen van aardse neigingen en liefde voor voorbijgaande zaken. Zo’n opening is tegenstrijdig met goddelijke liefde en veroorzaakt daarom onafwendbaar het verlies van het laatstgenoemde en de overheersing van het eerstgenoemde. Als het schepsel besluit, God met zijn gehele hart lief te hebben (Dt 6,5) met al zijn krachten zoals Hij beveelt, dan ziet God voorbij aan zijn gebreken en tekortkomingen en is verheugd met zijn besluit de hoogste beloning te willen verdienen!   Maar ze te verachten of moedwillig te onderschatten past kinderliefde niet, is niet juist voor ware vrienden, maar lage vrees van slaven, die blij zijn het leven te houden en verder met rust te worden gelaten. Indien de heiligen terug zouden kunnen keren om een hogere graad aan glorie te verdienen door allerhande kwellingen te doorstaan tot aan de dag van het oordeel, dan zouden ze zonder twijfel terugkeren, omdat ze een juiste en volmaakte kennis van de waarde van de beloning hebben en omdat zij God liefhebben met volmaakte liefde. Het is niet juist dat dit privilege aan de heiligen zou gegeven worden, maar het was mij toegestaan zoals gij hebt weergegeven in deze geschiedenis en mijn voorbeeld bevestigt deze waarheid (boek 7 par.2). Het wijst ook de dwaasheid aan van hen die om lijden en het kruis van Christus te vermijden, uitzien naar een kleinere beloning, één die niet in de bedoeling van Gods goedheid ligt en tegengesteld is aan zijn wens te zien dat de zielen hun verdiensten vermenigvuldigen en rijke beloningen verdienen in de eeuwige gelukzaligheid”.

De allerheiligste Maria wordt tot koningin van de hemel van van alle schepselen gekroond; al haar grote voorrechten ten behoeve van het mensdom worden haar opnieuw toegekend.

77 5. Toen Christus Jezus, de Heiland, afscheid nam van zijn discipelen om zijn lijden te beginnen, zei Hij hen niet bedroefd te zijn in hun harten wegens de dingen die Hij hun verteld had, omdat er in het huis van zijn Vader, waar het eeuwig geluk is, vele woningen zijn (Joh 14,2). Hij verzekerde hen verder, dat er ruimte en beloningen voor allen waren ofschoon de verdiensten en hun goede werken zouden verschillen en dat niemand in zijn gemoedsvrede en vertrouwen geschokt moest zijn, ook al ziet hij anderen die meer gunsten hebben ontvangen of meer gevorderd zijn, want in het huis van God zijn vele graderingen en veel woningen, waarin een ieder tevreden zal zijn met wat hem toekomt, zonder afgunstig te zijn op anderen, want dat is een van de grote weldaden van dat eeuwig geluk. Ik heb gezegd, dat de allergezegendste Maria de hoge positie en status op de troon van de allergezegendste Drie-eenheid werd toegewezen (Par. 765). Vele malen heb ik mij in deze termen uitgedrukt om grote mysteries aan te duiden en dezelfde termen door de heiligen en in de heilige Schrift gebruikt. Ofschoon geen ander argument meer nodig is, wil ik toch nog meedelen voor hen die geen diep inzicht hebben, dat God, aangezien Hij de zuiverste geest en tezelfdertijd oneindig, overgroot en onbegrijpelijk is, geen troon nodig heeft, want Hij vult de gehele schepping en is aanwezig in alle schepselen; Hij wordt door niemand begrepen en kan door niemand beschreven worden, maar Hijzelf begrijpt en omvat alle dingen. De heiligen zien God niet met lichamelijke ogen, maar met die van hun ziel, maar aangezien zij Hem in een bepaalde begrensde ruimte zien (om ons te bedienen van onze aardse en materiële wijze van denken en spreken) zeggen wij dat Hij op de koninklijke troon van de gezegende Drie-eenheid zit, terwijl Hij in werkelijkheid zijn glorie in zichzelf bezit en aan zijn heiligen meedeelt. Maar ik zou niet willen ontkennen, dat de allerheiligste mensheid van Christus onze Heiland en van zijn allergezegendste moeder een hoge plaats boven alle heiligen inneemt en dat onder de zaligen die met ziel en lichaam in de hemel zijn er een soort graad is in hun positie ten opzichte van Christus onze Heer en de koningin, maar het is hier niet de plaats dieper in te gaan op de wijze waarop deze schikking in de hemel gemaakt zal worden. Wij noemen dat de troon van de Godheid waarvan God zichzelf openbaart aan de heiligen als de oneindige, eeuwige God, onafhankelijk van alle dingen, aan Wiens wil alle schepselen onderworpen zijn. Hij is de eerste oorzaak van hun glorie, openbaart zich als de Heer, de Koning, de Rechter en Meester van alles wat bestaat.

  1. Deze waardigheid bezit Christus, de Verlosser in zover Hij God is in Wezen en voorzover Hij mens is door de hypostatische vereniging, waardoor Hij zijn Godheid aan de mensen meedeelt. Zodoende is Hij in de hemel de Koning, de Heer en opperste Rechter en de heiligen zijn gelijk dienaren en ondergeschikten van deze ongenaakbare Majesteit, ofschoon hun glorie alle menselijke berekening te boven gaat. Hierin heeft de allerheiligste Maria deel in een mindere graad maar op een wijze die onuitsprekelijk en in proportie is tot een gewoon schepsel dat zó na verbonden is met de God-Mens en daarom verblijft zij voor altijd aan de rechterhand van haar Zoon als koningin (Ps 45,10), vrouwe en meesteresse van de gehele schepping. Haar rijk strekt zich even ver uit als dat van haar goddelijke Zoon, ofschoon op een andere wijze.
  2. Na de allergezegendste Maria op zijn verheven en weergaloze troon geplaatst te hebben, maakte de Heer aan de hovelingen van de hemel alle voorrechten bekend, die zij zou genieten krachtens deze deelhebbing in zijn majesteit. De Persoon van de eeuwige Vader als eerste begin van alle dingen sprak de engelen en heiligen als volgt toe:

“Onze dochter Maria werd naar ons welhagen uit alle schepselen gekozen, als eerste om ons vreugde te brengen, nooit afwijkend van haar positie en naam als ware dochter die Wij haar in onze goddelijke Geest gegeven hadden; zij heeft recht op ons rijk, dat Wij zullen erkennen door haar als wettige en weergaloos zuivere vrouwe en soevereine te kronen”.

Het mensgeworden Woord zei:

“Aan mijn ware en natuurlijke moeder behoren alle schepselen die geschapen en verlost werden door mij en van alle dingen waarover Ik Koning ben, zal zij ook de wettige en opperste koningin zijn”.

De heilige Geest zei”:

“Aangezien zij mijn geliefde en uitverkoren bruid genoemd wordt, verdient zij als koningin gekroond te worden tot in alle eeuwigheid”.

  1. Na aldus gesproken te hebben plaatsten de Drie goddelijke Personen op het hoofd van de allergezegendste Maria een kroon van dusdanige nieuwe glans en waarde, dat haars gelijke nooit eerder door enig gewoon schepsel gezien werd noch ooit gezien zal worden. Op hetzelfde moment klonk er een stem van de troon, zeggende:

“Mijn geliefde, gekozen onder de schepselen, ons koninkrijk is het uwe; gij zult de vrouwe en de soevereine zijn van de serafijnen, van alle dienende geesten, de engelen en van het gehele heelal  der schepselen. Zorg voor hen, leid hen en bestuur hen tot hun welzijn, want in ons hoge consistorie geven Wij u macht, majesteit en soevereiniteit (Ps 45,5). Vervuld van genade boven alle anderen hebt gij uzelf in eigen achting steeds op de laatste plaats gesteld, uzelf vernederd en verdeemoedigd. Ontvang nu de hoge waardigheid die gij verdiend hebt en als deelhebbende aan onze Godheid, de heerschappij over alle schepselen van onze Almacht. Gij zult regeren vanaf uw koninklijke troon tot het middelpunt van de aarde en door de macht, die Wij u gegeven hebben, zult gij de hel met al zijn duivelen en bewoners aan u onderwerpen. Laten zij allen u vrezen als opperste keizerin en meesteresse van die krochten en holen van onze vijanden. In uw handen en naar uw welbehagen plaatsen Wij de invloeden en krachten van de hemelen, de vochtigheid van de wolken, de groeikracht van de aarde en met al deze krachten kunt gij volgens uw wil handelen; onze wil zal u ter beschikking staan om uw wensen uit te voeren. Gij zult de keizerin en meesteresse van de strijdende Kerk zijn, haar beschermster, advocaat, moeder en lerares. Gij zult de bijzondere patrones zijn van de katholieke landen en wanneer zij, of de gelovigen, of enig kind van Adam u aanroept vanuit zijn hart, u dient of u verplicht, verlicht en help hen dan in hun zwoegen en noden. Gij zult de vriendin, de verdedigster en de aanvoerster zijn van alle rechtvaardigen en vrienden; zij allen zullen door u getroost worden, vervuld met zegeningen overeenkomstig hun devotie tot u! Met het oog op dit alles maken wij u tot het depot van al onze rijkdommen, schatbewaarster van onze goederen; Wij plaatsen in uw handen de bijstand en zegen van onze genade ter uwer distributie. Wij willen niets aan de wereld geven wat niet door uw handen is gegaan en niets willen Wij weigeren wat gij aan de mensen wilt geven. Genade zal u ter verspreiding geschonken worden (Ps 45,3) en daarmee zult gij alles wat gij in de hemel of op aarde gedaan wilt hebben, bereiken; overal zullen mensen en engelen u gehoorzamen, omdat alles wat van Ons is ook van u zal zijn, juist zoals gij steeds van Ons waart. En gij zult met Ons tot in alle eeuwigheid regeren”.

  1. Tot uitvoering van dit decreet en deze privileges die aan de meesteresse van de wereld geschonken werden, beval de Almachtige alle hovelingen uit de hemel, engelen en mensen, haar gehoorzaamheid te bewijzen en haar te erkennen als hun koningin en vrouwe. Er was nog een mysterie in dit wonder verborgen, namelijk, dat dit een beloning was voor de verering die, -zoals duidelijk is uit deze geschiedenis- de allergezegendste Maria niettegenstaande zij de moeder van God, vol van genade en heiligheid was, ver verheven boven engelen en heiligen, steeds gebracht had aan de heiligen gedurende haar ballingschap. Ofschoon het voor haar gedurende de tijd dat zij nog een pelgrim was, een grotere verdienste was dat zij zich voor hen overeenkomstig Gods wil zou vernederen, was het nu, nu zij in het bezit was van het koninkrijk, dat zij zou vereerd en verheven worden door hen als haar ondergeschikten en vazallen. Dit doen ze dan ook in die gezegende staat, waarin alle dingen tot hun juiste proportie worden teruggebracht en alle verhoudingen worden rechtgetrokken. Zowel de hemelse geesten als de zaligen gaven, terwijl ze de Heer met vreze en aanbiddende eerbied benaderden, in verhouding gelijke eerbewijzen aan zijn gezegende moeder en de heiligen die daar met hun lichamen waren, wierpen zich ter neer en gaven ook met hun lichamen de verschuldigde eer. Al deze demonstraties bij de kroning van de keizerin van de hemel droegen bij tot haar glorie tot nieuwe vreugde en jubel van de heiligen en tot plezier van de allergezegendste Drie-eenheid. Deze dag was zeer feestelijk; er was een nieuwe accidentele vreugde in de hemel. Zij die daar in het bijzonder deel aan hadden waren haar gelukkige bruidegom sint Jozef, de heilige Joachim en Anna en andere verwanten van de koningin, tezamen met de duizend engelen van haar lijfwacht.
  2. In het verheerlijkte lichaam van de koningin, juist boven haar hart zagen de heiligen een kleine bol of monstrans van uitzonderlijke schoonheid en schittering, die op bijzondere wijze hun bewondering en vreugde opwekte en opwekt. Dit was een getuigenis en een beloning voor het verschaffen van een aanvaardbare rustplaats en heiligdom voor het sacramentele Woord en voor haar waardige, zuivere en heilige wijze van communie ontvangen, zonder tekortkoming of onvolmaaktheid en met een godsvrucht, liefde en eerbied die door geen van de heiligen geëvenaard werd. Wat betreft de andere beloningen en kronen, overeenkomende met haar weergaloze werken en deugden is er niets wat gezegd kan worden, dat enig idee kon geven van de pracht en daarom verwijs ik naar het zalig schouwen waar eenieder ze al aanschouwen in verhouding van zijn activiteiten en devotie, zoals hij dat verdiend heeft. In het vorige hoofdstuk deelde ik mee dat de overgang van onze (par. 742) koningin plaatshad op de dertiende augustus, terwijl haar opstanding, tenhemelopname en kroning plaatshadden op zondag de vijftiende, de dag waarop dit in de Kerk gevierd wordt. Haar heilig lichaam verbleef zesendertig uur in het graf, juist zoals het lichaam van haar goddelijke Zoon, want haar overgang en opstanding vonden plaats op hetzelfde uur van die dag. Overeenkomstig de berekening die ik boven gaf, stel ik dat dit wonder geschiedde in het jaar onzes Heren vijfenvijftig dat zoveel dagen oud was als er liggen tussen de geboorte van de Heer en de vijftiende augustus.
  3. Wij hebben de grote vrouwe aan de rechterhand van haar goddelijke Zoon achtergelaten, waar zij zal regeren tot in alle eeuwigheid. Wij keren nu terug naar de apostelen en discipelen, die onder tranen het graf van Maria in de vallei van Josafat omringden. De heilige Petrus en Johannes, die het meest getrouw waren geweest in hun wake constateerden dat de hemelse muziek op de derde dag opgehouden had te klinken. Gedeeltelijk ingegeven door de heilige Geest concludeerden zij dat de allerzuiverste moeder was opgestaan en de hemel met ziel en lichaam was binnengetreden, zoals haar Zoon. Zij beraadslaagden hierover en kwamen tot de conclusie dat dit goed was. Petrus, als hoofd van de Kerk besliste dat dit wonderbaarlijke feit moest worden vastgelegd en voor zover mogelijk moest bekendgemaakt worden aan hen, die haar dood en begrafenis hadden bijgewoond. Tot dit doel riep hij op die dag de apostelen, discipelen en de andere getrouwen bijeen bij het graf. Hij deelde hun zijn beweegredenen daartoe mede en het vermoeden, dat nu allen bezielden, de reden om nu de waarheid van dit wonder aan de Kerk te openbaren, opdat het zou vereerd worden in de komende eeuwen en zou bijdragen tot de glorie van de Heer en zijn allergezegendste moeder. Zij allen keurden het besluit van de plaatsvervanger van Christus goed en openden op bevel van hem onmiddellijk het graf waaruit het heilige lichaam van de koningin verdwenen was. Zij zagen de tunica, in dezelfde positie als toen het lichaam daarmee bedekt was, waaruit bleek dat het door de tunica en de steen naar buiten was getreden zonder daar enig deel van gescheurd of verbrijzeld te hebben. Sint Petrus nam de tunica en de mantel en vereerde ze, aangezien ze nu zeker waren van de opstanding en de ten hemelopname van de gezegende moeder. Onder gemengde vreugde weenden zij tranen bij dit wonder en zongen psalmen en lofgezangen tot de Heer en zijn gezegende moeder.
  4. In hun toegewijde verwondering bleven zij naar het graf staren, als vastgenageld aan die plaats tot een engel van de Heer neerdaalde, zich bekendmaakte en sprak:

“Gij mannen van Galilea, waarom zijt gij zo verwonderd, waarheen staart gij en waarom blijft ge hier staan? Uw en onze koningin leeft nu met lichaam en ziel in de hemel en regeert daar voor eeuwig met Christus. Zij zendt mij om u deze dingen te bevestigen en in haar naam zeg ik u, dat zij u opnieuw de Kerk toevertrouwt, de bekering van de zielen afsmeekt en de verbreiding van het evangelie. Zij wenst u allen te zeggen, dat gij nu moet terugkeren naar de bediening, waarmee gij belast zijt en dat zij vanaf haar troon voor u zal zorgen”.

Bij het horen van deze boodschap werden de apostelen getroost; zij ondervonden haar bescherming op hun omzwervingen en nog veel meer tijdens hun martelaarschap, want aan elk hunner verscheen zij in dat uur om hun zielen aan de Heer aan te bieden. Andere bijzonderheden betreffende de overgang en opstanding van de allergezegendste Maria werden mij niet bekendgemaakt om in deze geschiedenis mee te delen. Ik heb trouwens gedurende de gehele loop van deze hemelse geschiedenis geen andere keus voor het neerschrijven gehad dan wat mij bevolen werd neer te schrijven.

Instructie welke de koningin van de hemel de allerheiligste Maria, mij gaf.

  1. “Mijn dochter, indien er iets zou zijn, dat het genot van het hoogste geluk en de glorie die ik bezit, zou kunnen verminderen en indien ik in staat zou zijn tot enig verdriet, dan zou ik zonder twijfel lijden bij het zien van de huidige staat, waarin de heilige Kerk en de rest van de wereld zich bevindt, niettegenstaande de mensen weten, dat ik hun moeder, advocaat en beschermster ben in de hemel, altijd bereid hen te leiden en bij te staan op de weg naar het eeuwig leven! Nu dit zo is en de Almachtige mij zoveel privileges gegeven heeft als zijn moeder en nu er zoveel hulpbronnen in mijn handen zijn gelegd enkel en alleen voor het welzijn van de stervelingen, die mij als moeder van barmhartigheid zijn toevertrouwd, is het een reden tot verdriet temeer, te zien, dat stervelingen mij dwingen niets te ondernemen en dat, omdat ze geen beroep op mij doen er zoveel zielen verloren gaan! Maar indien ik al geen smart kan ondervinden dan kan ik mij toch beklagen over de mensen die zichzelf de eeuwige verdoemenis op de hals halen en mij de glorie weigeren om hun zielen te redden.
  2. Wat mijn tussenkomst en de macht die ik in de hemel heb waard is, is nooit verborgen gebleven in de Kerk, want ik heb mijn geschiktheid allen te redden door evenzoveel wonderen, mirakelen en gunsten steeds getoond ten behoeve van hen die mij toegewijd zijn. Jegens hen die een beroep op mij hebben gedaan in hun nood heb ik mij altijd vrijgevig getoond en de Heer heeft zich om mijnentwil tegenover hen vrijgevig getoond. Maar toch ofschoon er vele zielen zijn, die ik geholpen heb, zijn het er toch maar weinig in vergelijking met degenen die ik  kan helpen en zou willen helpen. De wereld en de eeuwen zijn een flink eind gevorderd, terwijl de stervelingen traag zijn zich tot de kennis van God te keren; de kinderen van de Kerk zijn bezig zich in te wikkelen in de strikken van de duivel; zondaren vermenigvuldigen zich en misdaden nemen toe, omdat de liefde bekoelt zelfs nadat God mens werd en de wereld geleerd heeft door zijn leven en leer, verlost heeft door zijn passie en dood, zijn evangelische wet gevestigd heeft tot leiding van zijn schepselen, hen toegelicht heeft met even zovele wonderen, verlichtingen, weldaden, gunsten in de Kerk en in haar heiligen. Daarenboven heeft God in zijn goedheid zijn barmhartigheden opengesteld door mij en mijn tussenkomst, mij aanstellende als moeder, advocaat, beschermster en helpster van alle mensen en ofschoon ik deze ambten punctueel en vrijgevig vervul, zijn de resultaten niet daarmee in overeenstemming. Maar aangezien de zonden van de mensen de kastijdingen verdienen die hen bedreigen en die zij beginnen te voelen en aangezien onder deze omstandigheden de boosaardigheid van de mensen reeds het hoogst mogelijke punt bereikt heeft, baart het geen verwondering dat de goddelijke gerechtigheid geprikkeld is.
  3. Dit alles, mijn dochter, is waar, maar mijn gevende en barmhartige liefde is groter dan al deze boosaardigheid, zij houdt de gerechtigheid tegen en doet de oneindige Goedheid zich naar de mensen neigen!  De Allerhoogste wil nog steeds op royale wijze zijn oneindige schatten uitdelen en heeft besloten diegenen te begunstigen die weten hoe zij mijn tussenkomst kunnen verkrijgen voor Gods troon. Dit is de veilige en krachtige weg om de Kerk vooruit te helpen om de katholieke regeringen te verbeteren, het geloof te verspreiden, het welzijn van gezinnen en staten te bevorderen, de zielen naar de genade en naar de vriendschap Gods te brengen. In dit werk, mijn dochter, wens ik dat gij u inspant en naar uw krachten meewerkt met de goddelijke genade. Uw werk zal niet slechts bestaan in het schrijven van mijn leven, maar in het navolgen van de raadgevingen en heilzame leringen, die gij zo overvloedig ontvangen hebt, zowel in wat gij hebt geschreven als in andere gunsten en weldaden van de Almachtige. Overweeg goed mijn liefste, uwe strikte verplichting mij te dienen als uw enige moeder, als uw wettelijke en ware lerares en overste, die u deze en vele andere goedgunstigheden bewijst. Gij hebt meerdere malen de geloften van uw roeping in mijn handen hernieuwd en mij daarbij bijzondere gehoorzaamheid beloofd. Herinner u de beloften die gij zo dikwijls gegeven hebt aan de Heer en zijn engelen. Vele malen hebben wij onze wil aan u geopenbaard dat gij als één van hen zou leven en dat gij, in sterfelijk vlees deel hebt in de status en de activiteiten van een engel; dat uw gesprekken en omgang met deze geesten zouden zijn en juist zoals zij met elkaar omgaan, zoals de hogeren de lageren verlichten en inlichten zo ook zullen zij u verlichten en instrueren in de volmaaktheden van uw Geliefde en in de beoefening van alle deugden, in het bijzonder in die van de meesteresse van hen allen; de caritas, waardoor gij moet ontvlamd worden in de liefde tot uw zoete Meester en tot uw medemensen. Tot deze status moet gij opklimmen met al uw krachten opdat de Allerhoogste u geschikt moge vinden voor de vervulling van zijn heilige wil en al zijn wensen. Mogen zijn machtige rechterhand u zijn eeuwige zegen geven, u de vreugde van zijn gelaat tonen en u vrede geven. Zorg ervoor, dat gij u niet onwaardig daartoe maakt”.