Nieuwsbrief XVIII.37, pater Daniel, 15 september 2023

De ark van Noah
Zoals aangehaald willen we deze en de volgende weken dieper ingaan op de mogelijkheid dat Mozes effectief de auteur is van de Pentateuch (eerste vijf boeken van de Bijbel). We gaan dieper in op dit thema omdat het auteurschap belangrijk is; als ik de auteur ken kan ik geloofwaardigheid geven aan een geschrift. Wanneer de auteur een vraagteken blijft is het moeilijker om het werk zonder meer als waar te ontvangen.
De mens zal niet leven van brood alleen, maar van elk woord dat voortkomt uit de mond van God (Mt 4, 4). Het woord van God is een lamp voor onze voeten en een licht op onze weg (Psalm 119, 105). Wij in het westen moeten vaak zien om te geloven. Ons gebed is dat het Woord van God uw dagelijkse voedsel wordt. Wij weten echter dat ons westerse positivische denken obstakels opwerpt zoals de vraag over het auteurschap van de Pentateuch bijvoorbeeld. Daarom willen we die obstakels (in zover het kan) met de hulp van God uit de weg ruimen om u het grootste geschenk aan te bieden: het Woord van God.
In die zin willen we enkele recente wetenschappelijke studies aankaarten die de vraag over het auteurschap van de Tora aanpakken. Zij komen tot interessante indirecte bewijzen die aantonen dat het wetenschappelijk aanvaardbaar is dat Mozes de eerste vijf boeken van de Bijbel heeft geschreven.
Het oerverhaal (Gen. 1-11) en pre-Mosaïsche kosmogonieën.
De vroege geschiedenis (Genesis 1-11) vertoont opvallende formele parallellen met andere kosmogonieën en vroege geschiedenissen van het oude Nabije Oosten, in het bijzonder (maar niet uitsluitend) met die van Mesopotamië, zoals het Enuma Elish, het Epos van Gilgamesj en de Soemerische Koningslijst.
Bijvoorbeeld, veel pre-Mosaïsche kosmogonieën van over de hele wereld vertellen over een wereldwijde zondvloed. Deze diluviaanse mythen hebben allemaal verbazingwekkende parallellen met het verslag van de zondvloed in Gen. 6-9. De Kerkvaders hebben in hun geschriften de zondvloed nooit in twijfel getrokken en Jezus noemt deze in het Evangelie:
“Wat in de dagen van Noach gebeurde, zal ook gebeuren bij de komst van de Mensenzoon. Want in de dagen voor de zondvloed aten en dronken de mensen, huwden en werden uitgehuwelijkt tot op de dag dat Noach in de ark ging, en zij wisten het niet totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam; zo zal het ook zijn bij de komst van Mensenzoon ” (Mt 24:37-39).
Ook Sint Petrus in zijn brief:
[God] spaarde de oude wereld niet, maar (…) redde Noach, (…) deze prediker der gerechtigheid, toen hij de zondvloed bracht over een wereld van goddelozen (2Pe 2, 5).
Ook de oude Joden, zoals Flavius Josephus, een Joodse historicus uit de eerste eeuw na Christus:
“Noach, toen hij zag dat de aarde verlost was van de zondvloed, wachtte nog zeven dagen! Toen bracht hij de dieren uit de ark, kwam er zelf uit met zijn nageslacht, offerde aan God en vierde een feest met zijn volk”[1].
Ook vele pre-mozaïsche verhalen die ontdekt zijn in stenen geschriften over de hele wereld beschrijven een wereldwijde overstroming. Zonder exhaustief te willen zijn, volgen er hier een paar
Voor het Midden-Oosten:
- Eridu tablet (een tablet gevonden in 1893 dateert uit 1600 voor Christus)
- Enuma Elish (mogelijk 14e eeuw voor Christus)
- Atrahase-epos (rond 1800 voor Christus)
- Epos van Gilgamesj (rond 2000 voor Christus)
Voor de rest van de wereld[2] :
- Grote Zondvloed van Gun-Yu – China (circa 2000 voor Christus)
- Nu’u – Geschiedenis van de overstroming van Hawaii
- De zondvloed van Deucalion – De grote Griekse zondvloed
- India: Manu en Matsya: De legende komt voor het eerst voor in Shatapatha Brahmana (700-300 v.Chr.) en is gedetailleerder in Matsya Purana (250-500 v.Chr.).
Al deze verhalen hebben punten gemeen met het Genesis-verslag: God of de goden straffen de mensheid, een man wordt gekozen – met of zonder zijn familie – om de dieren te redden op een soort schip, een vogel wordt vanaf het schip gestuurd om te zien of de grond droog is en een offer wordt aan de goden gebracht zodra het schip droog is geland.
Een plausibele verklaring is als volgt: in hoofdstuk 11 van Genesis lezen we dat na de zondvloed de nieuwe wereldbevolking (de nakomelingen van Noa’s zonen Ham, Sam en Jafeth) op de vlakte in het land Sinear woonde (Gen 11, 2). Daar zeiden de inwoners tegen elkaar: laten we een stad bouwen en een toren waarvan de top tot de hemel reikt, en laten we voor onszelf een naam maken, zodat we niet over de hele aarde verstrooid worden (Gen 11, 4). De Heer was niet gecharmeerd met dit plan en verstrooide hen over de hele aarde. Van generatie op generatie zouden deze mensen, verspreid over de vier hoeken van de wereld, het verhaal van de zondvloed hebben doorverteld, maar net als in een telefoonspelletje veranderen de details en wijken ze af van de oorspronkelijke feiten. Zo vinden we over de hele wereld verslagen van de zondvloed, hoewel zeer verschillend van elkaar, met opmerkelijke parallellen met Genesis 6-9. Als er nooit een wereldwijde overstroming heeft plaatsgevonden, waarom zijn er dan zoveel verhalen over?
Al in het midden van het tweede millennium voor Christus was de oude cultuur van het Nabije Oosten opmerkelijk kosmopolitisch, met een grote uitwisseling van taal en literatuur. De Mesopotamische taal en literatuur stonden in zo’n hoog aanzien dat de farao in de vijftiende eeuw voor Christus een vorm van de taal van Babylon gebruikte om te corresponderen met zijn eigen vazallen in Kanaän. Bekwame kennis van de talen en literaturen van het oude Nabije Oosten kan beschikbaar zijn geweest voor elke geleerde persoon in de hele regio, inclusief iemand die was opgeleid aan het hof van de farao.
Mozes was opgeleid aan het hof van de farao. Hij was gecultiveerd en had waarschijnlijk een bepaalde kennis van deze oude geschriften en als profeet geïnspireerd door God, schreef hij het verhaal over de zondvloed zoals het in Genesis staat. De Bijbel geeft uiteindelijk de meest aanneembare versie van de zondvloed door de beschrijving van de ark die, als we de afmetingen, gegeven in Genesis, bestuderen eruitzag als een moderne olietanker. De overige aangehaalde kosmogonieën beschrijven vaartuigen die erg twijfelachtig zijn om een dergelijke zondvloed te overleven. De Epos van Gilgamesj beschrijft zijn ark bijvoorbeeld als een kubus, niet erg handig om wilde golven te bevaren. Answersingenesis.org geeft een interessante vergelijking over die verschillende vaartuigen[3] en besluit dat enkel de ark van Noa wetenschappelijk aanvaardbaar is.
Volgende week gaan we verder op dit thema in en zullen we ontdekken dat de hoofdstukken die spreken over de aartsvaders Abraham, Isaac en Jakob (Gen 12-50) de cultuur en sfeer van Kanaän weerspiegelen aan het begin van het tweede millennium voor Christus. Opnieuw een indirecte aanduiding dat het goed mogelijk is dat Mozes deze hoofdstukken van de Bijbel heeft geschreven.
P. Daniel
[1] Antiquités judaïques, Flavius Josèphe, Livre 1, chapitre 3, 3
[2] Voor een volledige lijst: http://www.talkorigins.org/faqs/flood-myths.html