Retraite naar aanleiding van de Pelgrimage van de Hoop: ‘De Verrezen Christus, Enige Bron van onze niet teleurstellende Hoop’ – 2e meditatie

Standaard

Tweede meditatie: De crisis-situatie van de Kerk in een ongodsdienstige cultuur

Lezing: Jezus Sirach 17, 1–10

“De Heer heeft de mens uit de aarde gevormd, en laat hem daar ook naar terugkeren. Hij kende hem een vast aantal dagen en een bestemde tijd toe, en gaf hem heerschappij over alles wat op aarde is. Hij bekleedde hem met een kracht gelijk aan de zijne en schiep hem naar zijn eigen beeld. Hij legde vrees voor de mens in alle levende wezens en stelde hem aan als heer over dieren en vogels. Hij vormde hun tong, hun ogen en hun oren, en gaf hun een hart om na te denken. Hij vulde hen met inzicht, toonde hun het onderscheid tussen goed en kwaad. Hij plantte zijn oog in hun hart, opdat zij de grootheid van zijn werken zouden zien, spreken over zijn wonderen en zijn heilige Naam zouden prijzen.”

Deze krachtige woorden uit het boek Jezus Sirach maken duidelijk hoe God de mens ziet. Wanneer wij deze goddelijke visie als maatstaf nemen voor ons mens-zijn, dan worden wij des te meer getroffen door de crisis waarin de Kerk zich bevindt – en door de ongodsdienstige cultuur die daar als diepere achtergrond aan ten grondslag ligt.


De crisis van de Kerk

Voor velen geldt de Kerk tegenwoordig als iets uit het verleden: de Rooms-Katholieke Kerk heeft haar tijd gehad. Niet alleen in Nederland, maar ook in het merendeel van de Europese landen, baart de situatie van de Kerk grote zorgen.

Bij de voorbereidingen van het 150-jarig jubileum van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland, werden dan ook kritische vragen gesteld: “Is er anno 2003 eigenlijk wel reden tot feest? Is er behoefte aan een grootschalig katholiek evenement, ter gelegenheid van iets abstracts als ‘het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie’? En zou het – in het licht van het naderende einde van de Acht Mei-beweging – niet rampzalig zijn als deze viering zou mislukken?”

Toch gebeurde het onverwachte: op 7 juni 2003 vierden ruim 9.000 Nederlandse katholieken gezamenlijk het jubileum in Utrecht. De commentaren waren veelzeggend. Een van de bisschoppen merkte op: “Wij zijn verrast door het succes van deze dag. Kennelijk zijn wij te kleingelovig geweest.” Deze uitspraak, door Ruud Lubbers geciteerd in zijn toespraak, weerspiegelde de verwondering van de organisatoren van het evenement “Katholiek met hart en ziel.”

De pers kopte triomfantelijk: “Rooms-katholieken zijn de schaamte voorbij.” In de Jaarbeurs klonk het dat het herwonnen zelfbewustzijn van Nederlandse katholieken een feit was – of op z’n minst hoog tijd werd. Toch zou het onrealistisch zijn dit succes zonder nuance te interpreteren: vijftig jaar eerder, bij het honderdjarig jubileum, trokken de festiviteiten nog 40.000 deelnemers.

Toch durven sommigen te stellen dat op 7 juni 2003 een keerpunt werd bereikt, dat de Katholieke Kerk in Nederland daadwerkelijk een nieuwe weg is ingeslagen. Misschien is dat mede de reden waarom de Acht Mei-beweging sindsdien is opgehouden te bestaan.

Hoe het ook zij, als de Kerk werkelijk een nieuwe fase is binnengetreden, dan is het nú het moment voor een ernstig en diepgaand gewetensonderzoek. Wij moeten reflecteren op onze eigen visie op de Kerk, en ons afvragen hoe wij als door God gezonden mensen in die Kerk willen staan en actief willen zijn. De verantwoordelijkheid om actief Kerk te zijn rust, als volwassen katholieken, op ons tegenover God, de Kerk en de wereld. Maar een volwassen houding vereist ook dat we dieper ingaan op de werkelijke oorzaken van de crisis – en de heropleving. Want wij leven te midden van een ongodsdienstige cultuur.


De crisis van een ongodsdienstige cultuur

Als gelovigen die de hoop van de Kerk willen uitdragen in de wereld van vandaag, mogen wij niet vergeten dat wij gevormd zijn door een geseculariseerde en antropocentrische cultuur. Niet langer God, maar de mens en zijn wereld staan daarin centraal.

Godsdienst vervult voor velen niet langer een essentiële rol in het persoonlijke leven of in de samenleving. Voor de opkomst van de moderne cultuur was religie vanzelfsprekend verweven met zowel het persoonlijke bestaan als het maatschappelijke leven. De culturen waren in de kern religieus. Het christendom is en blijft een van de dragende wortels van onze beschaving – maar we moeten onder ogen zien dat onze cultuur inmiddels in hoge mate geseculariseerd is. Godsdienst is niet langer vanzelfsprekend betrokken bij de ontwikkeling van mens en maatschappij.

In plaats daarvan overheerst de ervaring van autonomie en zelfbeschikking. De werkelijkheid wordt beleefd los van elke verwijzing naar een transcendente, goddelijke oorsprong. Geloof in God ligt niet meer voor de hand; velen weten eenvoudigweg niet wat God of religie nog te maken heeft met hun bestaan.

Er heerst geen openlijke vijandigheid, maar wel een fundamentele onwennigheid, een vervreemding van het geloof. Deze onmacht leidt tot een fundamentele grondhouding van onze cultuur: een uitgesproken humanisme waarin de mens zichzelf tot bron van hoop maakt. Wetenschap en techniek zijn de voornaamste bewijzen van onze vermogens; vrijheid en emancipatie vormen de centrale waarden.

Met behulp van menswetenschappen en technologie krijgen we steeds meer grip op de wereld – en op onszelf. De natuur is niet langer een gegeven, maar iets dat wij naar onze hand zetten. De gedachte overheerst dat de mens zijn eigen toekomst moet en kan waarmaken, dat hij zelf de zin van zijn bestaan bepaalt. God lijkt overbodig geworden in dit project van menselijke vooruitgang.

Maar juist deze ontwikkeling herinnert aan de woorden van Johannes in zijn Proloog:

“Het ware Licht, dat ieder mens verlicht, kwam in de wereld. Hij was in de wereld, en hoewel de wereld door Hem ontstaan was, erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen namen Hem niet op.” (Joh. 1, 9–11)


Een ongegronde vrees voor God

Een tragisch gevolg van deze cultuur is de angst voor God – of beter gezegd: de angst voor een goddelijke grens aan menselijke autonomie. Het Tweede Vaticaans Concilie signaleerde dit reeds meer dan veertig jaar geleden: “Velen van onze tijdgenoten vrezen dat nauwe verbondenheid tussen religie en wereldlijke activiteiten de menselijke vrijheid en de autonomie van wetenschap en samenleving zou belemmeren.”

Het antwoord van de Kerk is helder: de menselijke zelfbeschikking is door God gewild – mits we erkennen dat deze slechts relatief en niet absoluut is. Want godvergetenheid leidt uiteindelijk tot duisternis. Het misverstand dat God een bedreiging zou zijn voor onze vrijheid, is niet alleen ongegrond, maar ook kortzichtig. Het voedt een cultuurcrisis die ons allen treft.