Probleemopstelling – inleidende situering
- In de westerse filosofische en theologische traditie bestaan verschillende manieren om over de mens als persoon te spreken. Het klassieke, metafysische persoonsbegrip heeft onmiskenbaar bijgedragen aan het beschermen van menselijke waardigheid, verantwoordelijkheid en vrijheid. Tegelijk groeit het besef dat dit begrip, wanneer het los raakt van zijn spirituele en relationele horizon, kan uitmonden in een geïsoleerd en individualistisch mensbeeld. In zo’n benadering dreigt de persoon vooral als autonoom ‘ik’ te worden verstaan, eerder dan als wezen dat tot relatie en zelfgave is geroepen.
- Daartegenover staat een tweede, minder systematisch maar theologisch diep geworteld persoonsbegrip, dat zijn oorsprong vindt in de christelijke mystiek en de personalistische traditie. Hier verschuift het accent van zelfstandigheid naar relationaliteit: persoon-zijn wordt niet gedacht als afgesloten bestaan, maar als tot stand komend in ontmoeting, gemeenschap en liefde.
- De centrale vraag die zich dan aandient, is deze: hoe verhouden deze twee persoonsbegrippen zich tot elkaar, en in hoeverre zijn zij samen in staat recht te doen aan het christelijk verstaan van mens, God en genade? Meer concreet: kan het klassieke persoonsbegrip worden verdiept zonder zijn beschermende kracht te verliezen, en kan het relationele persoonsbegrip worden gefundeerd zonder te vervallen in vaagheid of sentimentaliteit?
- Het denken van Maurice Zundel situeert zich precies in dit spanningsveld. Hij aanvaardt het klassieke begrip als noodzakelijk fundament, maar acht het ontoereikend om de dynamiek van geloof, bekering en Godsontmoeting werkelijk te begrijpen. Vanuit zijn mystiek-personalistische visie herinterpreteert hij persoon-zijn als een geestelijke weg: een proces van ont-eigening, relationele openheid en groei in liefde. De volgende tekst onderzoekt dit spanningsveld en belicht het persoonsbegrip in het licht van Zundels visie, met bijzondere aandacht voor de theologische en pastorale implicaties.
Filosofisch gezien zijn er in het Westen met name twee persoonsbegrippen van belang. Het eerste kwam van Aristoteles tot bij Thomas van Aquino terecht. Persoon is hier ‘een individuele substantie begaaft met een redelijke natuur’. De nadruk ligt hier op de onafhankelijkheid en de individualiteit. Het tweede begrip komt uit de christelijk mystiek. De nadruk ligt hier op de relatie en gemeenschap. – H. Arts, Met heel uw ziel, Over de christelijke godservaring, Amsterdam, 1978.
Twee persoonsbegrippen in de westerse filosofische en theologische traditie
Filosofisch gezien kunnen in de westerse traditie twee fundamenteel verschillende persoonsbegrippen worden onderscheiden, die elk een eigen geschiedenis, accent en betekenis hebben voor de theologie en de spiritualiteit.
1. Het klassieke metafysische persoonsbegrip
(Aristoteles – Thomas van Aquino)
Het eerste persoonsbegrip vindt zijn oorsprong bij Aristoteles en wordt systematisch uitgewerkt binnen de christelijke scholastiek, met name door Thomas van Aquino. In deze traditie wordt de persoon gedefinieerd als:
“een individuele substantie, begiftigd met een redelijke natuur”
(individua substantia rationalis naturae).
Dit persoonsbegrip legt het accent op:
- individualiteit: de persoon is een op zichzelf staand zijnde;
- zelfstandigheid: de persoon bestaat in zichzelf en niet als deel van een ander;
- redelijkheid: het vermogen tot kennen en willen vormt het onderscheidende kenmerk.
Deze definitie is bijzonder vruchtbaar gebleken voor:
- de metafysica,
- de morele verantwoordelijkheid,
- het rechtsdenken,
- en de dogmatiek (bijvoorbeeld in de christologie en triniteitsleer).
Zij beschermt de waardigheid en onaantastbaarheid van de persoon: de mens is geen middel, geen functie, geen onderdeel van een groter geheel, maar een zelfstandig moreel subject. Tegelijk schuilt hier ook een gevaar: wanneer dit persoonsbegrip geïsoleerd wordt, kan het leiden tot een sterk individualistisch mensbeeld, waarin autonomie, zelfbeschikking en zelfbehoud centraal komen te staan, los van relationele verbondenheid.
2. Het relationele persoonsbegrip
(christelijke mystiek en personalistische traditie)
Het tweede persoonsbegrip ontwikkelt zich binnen de christelijke mystiek en wordt later explicieter verwoord in personalistische en dialogische stromingen. Hier verschuift het zwaartepunt van zelfstandigheid naar relationaliteit. Persoon-zijn wordt niet primair gedacht als “op zichzelf staan”, maar als in relatie staan.
In deze visie is de persoon:
- wezenlijk gericht op de ander;
- constitutief bepaald door relatie, gemeenschap en wederkerigheid;
- niet voltooid in zichzelf, maar in liefdevolle betrokkenheid.
Zoals Herman Arts het samenvat in Met heel uw ziel:
de persoon ontstaat en groeit in de ontmoeting,
in de relatie waarin liefde wordt geschonken en ontvangen.
Hier geldt: relatie maakt persoon. Niet het afgesloten ‘ik’, maar het open ‘wij’ vormt de kern van het mens-zijn. De persoon wordt persoon door zichzelf te geven, door zich te laten raken en door binnen te treden in gemeenschap.
Theologische betekenis
Dit relationele persoonsbegrip is diep verankerd in het christelijk geloof:
- God zelf is Drie-eenheid: geen solitaire monade, maar eeuwige relatie;
- de mens is geschapen naar dit beeld en vindt zijn vervulling niet in autonomie, maar in liefde;
- Jezus openbaart persoon-zijn als zelfgave, dienstbaarheid en relationele openheid.
In deze zin is de persoon niet eerst individu en dan relatie, maar persoon dóór relatie. Liefde is geen bijkomende eigenschap, maar constitutief voor wie de mens is.
Samenvattend
| Klassiek metafysisch persoonsbegrip | Relationeel mystiek persoonsbegrip |
| Individualiteit | Relationaliteit |
| Zelfstandige substantie | Communio |
| Redelijke natuur | Liefdevolle gerichtheid |
| Autonomie | Zelfgave |
| Bescherming van waardigheid | Verwerkelijking van persoon-zijn |
Beide benaderingen zijn niet elkaars tegenpolen, maar vullen elkaar aan. Waar het klassieke begrip de grondslag legt voor waardigheid en verantwoordelijkheid, opent het mystieke persoonsbegrip de weg naar voltooiing in liefde. Juist in de theologie en in het priesterschap is het van belang beide perspectieven samen te houden: de mens als onaantastbare persoon én als geroepen tot relationele zelfgave.
Het persoonsbegrip in het licht van de visie van Zundel
Wanneer we de twee westerse persoonsbegrippen betrekken op het denken van Maurice Zundel, wordt duidelijk dat hij zich bewust positioneert binnen een spanningsveld: hij verwerpt het klassieke metafysische persoonsbegrip niet, maar acht het onvoldoende om het mysterie van God, mens en genade werkelijk recht te doen.
Het klassieke persoonsbegrip: noodzakelijk maar ontoereikend
Het eerste persoonsbegrip, dat via Aristoteles bij Thomas van Aquino terechtkomt, definieert de persoon als “een individuele substantie, begiftigd met een redelijke natuur”. Dit begrip beschermt terecht de zelfstandigheid, waardigheid en morele verantwoordelijkheid van de mens. Ook Zundel erkent deze waarde: zonder dit fundament zou de mens gemakkelijk opgaan in het collectief of gereduceerd worden tot functie of rol.
Maar juist hier ziet Zundel een gevaar. Wanneer dit persoonsbegrip wordt losgemaakt van zijn theologische horizon, dreigt het ‘ik’ zich te verharden tot een bezitterig, gesloten zelf, dat zichzelf centraal stelt en zichzelf wil veiligstellen. Dit ‘gemaakte ik’ – waar Zundel herhaaldelijk over spreekt – is volgens hem niet de ware persoon, maar een construct dat voortkomt uit angst, zelfbehoud en behoefte aan controle.
Het klassieke persoonsbegrip benoemt wat de mens is, maar zegt te weinig over waartoe hij geroepen is.
Het relationele persoonsbegrip: kern van Zundels visie
Zundel sluit daarom nadrukkelijk aan bij het tweede persoonsbegrip, dat wortelt in de christelijke mystiek. Hier ligt de nadruk niet op individualiteit, maar op relatie, ontvankelijkheid en zelfgave. Persoon-zijn is niet primair “op zichzelf bestaan”, maar zich laten bestaan door de ander.
Voor Zundel is de persoon wezenlijk:
- niet bezit, maar gave;
- niet gesloten, maar open;
- niet autonoom in zichzelf, maar relationeel tot God en tot de ander.
Dit persoonsbegrip is rechtstreeks afgeleid van de Openbaring van de Heilige Drie-eenheid. God is geen geïsoleerd ‘Ik’, maar zuivere relatie: Vader, Zoon en Geest bestaan volledig in wederkerige zelfgave. Omdat de mens geschapen is naar dit beeld, kan hij slechts persoon worden door deel te nemen aan deze dynamiek van liefde.
Daarom zegt Zundel: de persoon ontstaat pas werkelijk waar het ik ophoudt zichzelf toe te eigenen. De ware persoon wordt geboren waar het bezitterige ik sterft en plaatsmaakt voor een schenkend ik.
Persoon-zijn als spirituele weg
In Zundels visie is persoon-zijn geen statisch gegeven, maar een geestelijk proces. De mens wordt niet automatisch persoon door geboorte, maar door bekering, door innerlijke onthechting en door ontmoeting met de Aanwezigheid van God in zijn diepste innerlijk.
Hier krijgt ook het kennen een nieuwe betekenis: kennen is niet beheersen of objectiveren, maar vergroeien met, binnentreden in de innerlijkheid van de ander. Dat geldt bij uitstek voor de kennis van God. God is, aldus Zundel, “inniger aan ons dan wij onszelf zijn”, en tegelijk de enige weg naar ons ware zelf.
Implicaties voor priesterschap en bemiddeling
Voor Zundel heeft dit relationele persoonsbegrip directe gevolgen voor de priesterlijke identiteit. De priester is geen functionaris van het heilige, maar een doorzichtige persoon, iemand die zichzelf heeft leren loslaten om ruimte te maken voor Gods Aanwezigheid. Bemiddeling is slechts vruchtbaar wanneer zij niet vertrekt vanuit macht, bezit of rol, maar vanuit innerlijke eenheid met God.
De priester kan alleen anderen tot persoon helpen worden, wanneer hij zelf deze weg van ont-eigening en relationele liefde gaat. In die zin is Zundels personalisme niet alleen een filosofische visie, maar een existentiële en spirituele opdracht.
Conclusie
Zundel integreert het klassieke persoonsbegrip in een dieper, mystiek verstaan van de persoon. Waar het aristotelisch-thomistische denken de structuur van de persoon beschermt, openbaart Zundel zijn roeping: persoon worden door liefde, door relatie, door zelfgave. Zo wordt de mens pas werkelijk zichzelf in de ontmoeting met God en met de ander.
Pastoor Geudens