
Ter liefde Gods
Zingeving wanneer alles mislukt
Inleiding
Wat geeft het menselijk leven zin wanneer alle zichtbare gronden daarvoor wegvallen? Wanneer succes uitblijft, wanneer erkenning ontbreekt, wanneer lijden en mislukking het bestaan lijken te bepalen? Deze vraag is geen theoretische exercitie, maar dringt zich met bijzondere scherpte op in situaties waarin het leven zelf op het spel staat en elke vorm van ‘resultaat’ betekenisloos lijkt te worden.
De eerste tekst vertrekt vanuit een existentieel geladen ervaring en voert de lezer binnen in een werkelijkheid waarin de gebruikelijke maatstaven van waarde en betekenis tekortschieten. In die grenssituatie wordt een fundamentele vraag gesteld: of de zin van het leven werkelijk afhankelijk is van wat een mens tot stand brengt, of dat er een diepere grond is die standhoudt wanneer alles mislukt. Het antwoord dat zich aandient, is niet psychologisch of moreel, maar theologisch: zin blijkt verbonden met het leven voor het aanschijn van God, met het besef gezien te zijn door een onzichtbare Getuige.
De tweede tekst maakt expliciet wat in de eerste impliciet wordt geleefd. Zij ontvouwt de theologie van zingeving die in het verhaal werkzaam is en plaatst deze in een breder kader. Hier wordt zichtbaar hoe betekenis niet voortkomt uit prestatie of nut, maar uit relatie, verantwoordelijkheid en trouw. Lijden krijgt geen verklaring, maar wel een plaats; menswaardigheid wordt niet gemeten aan functioneren, maar gegrond in het aangesproken-zijn door God.
Samen vormen deze teksten een tweeluik: ervaring en doordenking, getuigenis en theologische reflectie. Zij willen laten zien dat het leven ook — en juist — in zijn meest troosteloze en uitzichtloze gestalten zinvol kan blijven. Niet omdat het begrijpelijk wordt, maar omdat het gedragen wordt. Ter liefde Gods blijkt de sleutel te zijn die toegang geeft tot een zin die sterker is dan mislukking, lijden en verlies.
Ter liefde Gods kunnen wij het meest uitzichtloze lot dragen
Uit; Prof. Dr. Viktor E. Frankl, Medische Zielzorg, Inleiding tot logotherapie en existentieanalyse, Erven J. Bijleveld, Utrecht, 1959, blz. 65-66:
“Met het risico persoonlijk te worden, wil ik hier een eigen ervaring vermelden. In het concentratiekamp, toen het erop begon te lijken dat mijn leven spoedig ten einde zou komen, werd ik overvallen door wanhoop. Niet alleen vanwege de dreiging van de dood, maar vooral omdat het manuscript van mijn boek Medische zielzorg, dat in Auschwitz verloren was gegaan, nooit meer gepubliceerd zou worden. Er zou geen gelegenheid meer zijn om het opnieuw te schrijven.
Het enige wat mij toen restte, was mijzelf een vraag te stellen: wat is een leven waard, als de zin ervan afhangt van de kans die iemand krijgt om een boek te publiceren? Deze gedachte liet mij niet los. Toch bleef, hoe somber mijn stemming ook was, één inzicht overeind: zelfs wanneer alles mislukt, wanneer alle oogst uitblijft, behoudt het leven zijn zin — ja, zelfs de mislukking zelf is niet zinloos.
De Nederlands-Amerikaanse psychiater A.M. Meerlo heeft erop gewezen dat bij de hersenspoeling van Amerikaanse soldaten die tijdens de Koreaanse Oorlog in krijgsgevangenschap waren geraakt, steeds opnieuw werd ingeprent dat zij zouden sterven zonder dat iemand ooit van hen of hun heldhaftigheid zou weten. Meerlo spreekt in dit verband van menticide. Wanneer wij onze ethiek uitsluitend baseren op zichtbaar resultaat, zou heldhaftigheid in zulke omstandigheden inderdaad elke betekenis verliezen.
Juist wanneer de omstandigheden uitzichtloos zijn, krijgt volharding echter pas zin wanneer men vermoedt dat er een onzichtbare Getuige is, een onzichtbare toeschouwer. Dat deze getuige onzichtbaar is, doet niets af aan zijn werkelijkheid. Een acteur op het toneel ziet zijn publiek immers evenmin: de zaal is donker, hij staat in het volle licht. Toch weet hij dat er mensen kijken — dat hij voor iemand optreedt.
Zo staat ook de mens op het toneel van het leven. Hij wordt vaak verblind door de alledaagse werkelijkheid, maar in zijn binnenste leeft het vermoeden dat er een grote, zij het onzichtbare, Toeschouwer is. Van Hem zegt psalm 18: “Hij hulde zich in duisternis.”
Voor het aanschijn van God krijgt het menselijk bestaan een nieuwe dimensie. Pas wanneer wij ons ervan bewust worden dat wij tegenover Hem verantwoordelijk zijn voor de concrete, persoonlijke zin van ons leven — waartoe ook de zin van ons lijden behoort — wordt het leven onvoorwaardelijk de moeite waard om geleefd te worden, onder alle omstandigheden en in elke situatie. Ook wanneer wij ziek zijn, ongeneeslijk ziek, of zelfs ernstig geestesziek, blijft het leven waardevol, zelfs wanneer men geneigd is het als ‘mensonwaardig’ te bestempelen.
Wie deze gedachte als te abstract terzijde zou willen schuiven, kan ik met een concreet voorbeeld tegenspreken.
In onze instelling werd een zestigjarige man opgenomen die leed aan een ernstige psychotische aandoening. Hij hoorde stemmen, leefde sterk in zichzelf gekeerd en bracht zijn dagen door met het verscheuren van papier. Op het eerste gezicht leidde hij een volkomen zinloos bestaan. Volgen wij de indeling van levensopgaven zoals die door Alfred Adler werd beschreven, dan vervulde deze patiënt geen enkele taak: hij verrichtte geen arbeid, nam niet deel aan het gemeenschapsleven en kende geen liefdes- of gezinsrelatie.
En toch ging er van hem iets bijzonders uit. In de kern van zijn mens-zijn, die door de psychose onaangetast was gebleven, lag een opmerkelijke waardigheid. Er ging een zekere charme van hem uit, iets edels. Tijdens gesprekken kreeg hij soms plotselinge woede-uitbarstingen, maar telkens wist hij zich op het laatste moment te beheersen. Toen ik hem eens vroeg waarom hij dat deed, antwoordde hij eenvoudig: “Dat doe ik ter liefde Gods.”
Deze woorden roepen onwillekeurig de gedachte van Kierkegaard op: “Zelfs wanneer ik door waanzin gekweld word, is mijn ziel niet verloren, zolang de liefde tot God in mij overwint.”
Deze man heeft ons iets wezenlijks laten zien: ter liefde Gods kan een mens zelfs het meest troosteloze en uitzichtloze lot dragen. Alleen vanuit die liefde kunnen wij het leven aanvaarden, met al zijn wisselvalligheden en verdriet — onder alle omstandigheden.”
De theologie van zingeving die hier spreekt
De tekst verwoordt een theologie waarin de zin van het menselijk bestaan niet voortkomt uit succes, nut of zichtbare prestaties, maar uit de relatie van de mens tot God. Zin is geen resultaat van wat een mens voortbrengt, maar een werkelijkheid die gegeven wordt in de ontmoeting met de Ene die ziet, ook wanneer niemand anders kijkt.
Centraal staat het besef dat de mens leeft coram Deo – voor het aanschijn van God. Dat perspectief doorbreekt een zuiver immanente, op resultaten gerichte ethiek. Wanneer betekenis uitsluitend wordt gemeten aan effectiviteit of erkenning, verliest het bestaan zijn waarde zodra die uitblijven. De hier verwoorde theologie stelt daartegenover dat zin voorafgaat aan alle zichtbare uitkomst. Zij is niet afhankelijk van succes, maar van trouw.
Lijden krijgt in dit denken geen verklaring, maar wel een plaats. Het wordt niet gerelativeerd of verheerlijkt, maar opgenomen in een bredere horizon waarin ook het falen, het onvermogen en zelfs de ontwrichting van de persoon niet zinloos zijn. De zin van het lijden ligt niet in wat het oplevert, maar in het feit dat het geleefd wordt in verantwoordelijkheid tegenover God.
Daarmee verschuift het zwaartepunt van de menswaardigheid. Waarde berust niet op autonomie, rationaliteit of sociale bijdrage, maar op het onuitwisbare gegeven dat de mens gezien en aangesproken blijft door God. Zelfs waar de menselijke vermogens zijn aangetast, blijft de kern van de persoon onaangeroerd, omdat zij niet door psychische of maatschappelijke criteria wordt bepaald.
Deze theologie veronderstelt bovendien een persoonlijk appel: ieder mens heeft een eigen, concrete zin te vervullen, die niet kan worden vervangen of overgenomen. Zin is niet algemeen of abstract, maar existentieel en relationeel. Zij wordt niet ‘gemaakt’, maar ontvangen in gehoorzaamheid, volharding en liefde.
Beslissend is ten slotte de liefde tot God als dragende kracht. Niet inzicht, niet zelfbeheersing en zelfs niet gezondheid vormen de laatste grond van betekenis, maar de liefde die zich richt op God en daarin standhoudt. Die liefde maakt het mogelijk het leven te aanvaarden zoals het zich aandient, ook wanneer het elke menselijke maat van waardigheid lijkt te ontberen.
Zo spreekt hier een theologie van zingeving die radicaal theocentrisch is: het leven heeft zin omdat het gezien, gedragen en beantwoord wordt door God — en precies daarom blijft het leven altijd de moeite waard om geleefd te worden.
Pastoor Geudens