
Innerlijke vrijheid onder extreme ontmenselijking
Psychologie van het concentratiekamp in dialoog met het theologisch personalisme van Maurice Zundel
Inleiding
Hoe kan men spreken over de mens in een wereld die erop gericht is de mens te ontmenselijken? De concentratiekampen van de twintigste eeuw vormen een uiterste grenssituatie voor het menselijk bestaan. Nergens wordt zo scherp zichtbaar hoe radicaal de mens kan worden gereduceerd tot object: ontdaan van vrijheid, identiteit, toekomst en waardigheid. Tegelijk roepen deze omstandigheden fundamentele vragen op die zowel de psychologie als de theologie raken. Wat blijft er van de mens over wanneer vrijwel alles wordt afgenomen? Is hij volledig bepaald door zijn milieu, of behoudt hij — zelfs dan — een kern van vrijheid en verantwoordelijkheid?
Het eerste deel van dit artikel, Bijdrage tot de psychologie van het concentratiekamp (*), onderzoekt deze vragen vanuit empirische en klinische waarnemingen. Het beschrijft nauwgezet hoe het kampleven het psychisch functioneren aantast: van opnameschok en apathie tot regressie, ontwaarding en verlies van toekomstperspectief. Tegelijk wordt zichtbaar dat deze verschijnselen niet louter mechanische reacties zijn op honger, uitputting en geweld. Achter de symptomen tekent zich een diepere laag af: de wijze waarop de mens zich existentieel tot zijn lot verhoudt. Juist daar komt een onverwachte ruimte van innerlijke vrijheid aan het licht, die niet door het kamp zelf wordt vernietigd, maar slechts kan worden prijsgegeven.
Het tweede deel plaatst deze bevindingen in het licht van het theologisch-personalistische denken van Maurice Zundel. Vanuit zijn visie wordt de mens verstaan als persoon: geen functie van omstandigheden, maar een relationeel wezen, geworteld in God en geroepen tot innerlijke ontvouwing. Wat in het eerste deel psychologisch wordt beschreven — het verlies van toekomst, de verenging tot een leeg heden, maar ook de doorbraak van solidariteit en zelfgave — krijgt hier een diepere duiding. Niet het lijden als zodanig, maar de innerlijke positiebepaling van de mens blijkt beslissend voor zin, waardigheid en vrijheid.
Samen laten deze twee teksten zien dat het concentratiekamp niet alleen een plaats van extreme ontmenselijking was, maar ook — paradoxaal — een plaats waar de vraag naar de essentie van mens-zijn onontkoombaar werd. In de confrontatie tussen psychische ontwrichting en geestelijke vrijheid wordt duidelijk dat de mens zijn diepste waardigheid niet ontleent aan uiterlijke autonomie, maar aan zijn vermogen om zich innerlijk te openen voor zin, roeping en uiteindelijk voor God. Juist in deze spanning tussen vernietiging en innerlijke geboorte ligt de blijvende betekenis van deze reflecties.
De psychologie van het concentratiekamp
In de concentratiekampen raakte het menselijk bestaan diepgaand vervormd. Deze vervorming nam zulke extreme vormen aan dat men zich moest afvragen of iemand die zich ín het kamp bevond nog tot een objectief oordeel in staat was. Zowel psychologisch als moreel werd immers ook het beoordelingsvermogen van de waarnemer zelf aangetast. De buitenstaander stond daarentegen te ver af: hij kon zich de werkelijkheid nauwelijks voorstellen. Wie het kamp van binnenuit meemaakte, had juist te weinig afstand. Het kernprobleem was dan ook dat de maatstaf waarmee deze gedeformeerde levenswerkelijkheid werd beoordeeld, zelf eveneens vervormd was.
Ondanks deze kennistheoretische bezwaren verzamelden deskundigen op het gebied van psychopathologie en psychotherapie talrijke waarnemingen, zowel uit eigen ervaring als uit die van anderen. Op basis daarvan werden theorieën ontwikkeld die men niet louter vanwege hun subjectiviteit mag afwijzen, temeer daar zij in hun kern opmerkelijk goed met elkaar overeenkomen.
Men kan in de psychische reacties van kampgevangenen drie stadia onderscheiden:
- het stadium van opname in het kamp,
- het stadium van het eigenlijke kampleven,
- het stadium na vrijlating of bevrijding.
De eerste fase wordt gekenmerkt door de zogenoemde opnameschok. Deze reactie op een vreemde en bedreigende omgeving is psychologisch gezien niet onbekend. De nieuw aangekomen gevangene trekt een scherpe grens onder zijn vroegere leven. Al zijn bezittingen zijn hem afgenomen; er blijft nauwelijks iets over dat nog een uiterlijke band vormt met zijn verleden. De overweldigende indrukken die op hem afkomen, grijpen hem diep aan of wekken woede en wanhoop. Voortdurend bedreigd door de dood besluiten sommigen een einde aan hun leven te maken, bijvoorbeeld door in de elektrisch geladen prikkeldraadomheining te lopen.
Na enkele dagen of weken maakt deze fase plaats voor een tweede stadium: dat van volledige apathie. Deze apathie fungeert als een beschermingsmechanisme van de psyche. Wat eerder onverdraaglijk was en leidde tot vertwijfeling of machteloze woede, wordt nu afgestoten door een innerlijk pantser. Het gaat hier om een vorm van psychische aanpassing: gebeurtenissen uit de buitenwereld dringen slechts nog afgezwakt door tot het bewustzijn. Het gevoelsleven wordt afgevlakt en teruggebracht tot een minimaal niveau. Psychoanalytisch georiënteerde waarnemers hebben deze fase wel beschreven als een regressie naar een primitieve bestaansvorm.
De belangstelling van de gevangene beperkt zich tot de meest elementaire levensvoorwaarden. Alles is gericht op één doel: de dag overleven en de avond halen. Wanneer de gevangenen ’s avonds, uitgeput, half bevroren en uitgehongerd, over besneeuwde velden terug naar het kamp strompelen, klinkt slechts één verzuchting: “Weer een dag voorbij.”
Alles wat uitstijgt boven het onmiddellijke vitale zelfbehoud wordt als luxe ervaren. Alles verliest zijn waarde. Deze alomtegenwoordige ontwaardingshouding wordt treffend verwoord in de vaak gehoorde uitspraak: “Het kan me allemaal niets meer schelen.” Hogere belangen verdwijnen naar de achtergrond — met uitzondering van politieke overtuigingen en, opvallend genoeg, soms ook religieuze interesses. Voor het overige verkeert de gevangene in een soort culturele winterslaap.
Het primitieve karakter van het innerlijk leven komt duidelijk tot uiting in de dromen van de gevangenen. Zij dromen veelvuldig over brood, gebak, sigaretten of een warm bad. Er wordt voortdurend over eten gesproken. Wanneer de bewakers niet in de buurt zijn, wisselen gevangenen recepten uit en beschrijven zij elkaar de maaltijden die zij elkaar zullen voorzetten zodra zij weer vrij zijn. De meesten verlangen niet zozeer naar lekker eten, maar naar het einde van de mensonwaardige toestand waarin zij aan niets anders meer kunnen denken dan voedsel.
Doordat het kampleven — op enkele uitzonderingen na — tot een verregaande primitiviteit leidt en ondervoeding overheerst, wordt de voedingsdrift de dominante bron van gedachten en verlangens. Waarschijnlijk hangt hiermee ook de opvallende afwezigheid van seksuele interesse samen. In de concentratiekampen werd nauwelijks grof gesproken, en seksuele impulsen speelden geen merkbare rol in de dromen van de gevangenen.
De psychische reacties op het kampleven zijn niet alleen geïnterpreteerd als regressie naar een primitieve driftstructuur. Sommige onderzoekers meenden karakterveranderingen waar te nemen, die zij duidden als een verschuiving van een cyclothym naar een schizothym temperament. Zij wezen daarbij op het samengaan van apathie en prikkelbaarheid. Los van de twijfelachtige aannemelijkheid van zo’n karakterologische verschuiving kan deze schijnbare verandering eenvoudiger worden verklaard.
De meeste gevangenen leden namelijk zowel aan ernstige ondervoeding als aan chronisch slaapgebrek, veroorzaakt door ongedierte en de overbevolkte leefomstandigheden. Ondervoeding leidde tot apathie, terwijl slaaptekort prikkelbaarheid veroorzaakte. Daar kwam bij dat twee middelen die in het gewone leven vaak dempend werken op deze affecten — cafeïne en nicotine — in het kamp verboden waren.
Naast deze lichamelijke factoren speelde ook een belangrijke psychische component mee. Veel gevangenen leden aan diepgewortelde complexen. De meerderheid kampte met gevoelens van minderwaardigheid: zij waren ooit ‘iemand’ geweest en werden nu als waardeloos behandeld. Een kleine minderheid daarentegen — vooral bestaande uit kampopzichters — ontwikkelde een vorm van machtswaan. Deze groep, vaak samengesteld uit karakterologisch zwakke personen, beschikte over een macht die in geen verhouding stond tot hun verantwoordelijkheidsgevoel.
Wanneer de grote groep vernederde gevangenen in botsing kwam met deze kleine machtselite — en daar bood het kampleven volop aanleiding toe — leidde dit tot spanningsontladingen, die door de reeds versterkte prikkelbaarheid van de gevangenen snel escaleerden.
Spreekt dit alles niet vóór de theorie dat het karakter van de mens wordt gevormd door het sociale milieu? Bewijst het niet dat niemand kan ontsnappen aan het lot dat zijn omgeving hem oplegt? Ons antwoord luidt: nee. Want waar blijft dan de innerlijke vrijheid van de mens? Is hij nog verantwoordelijk voor wat er psychisch met hem gebeurt, voor wat het concentratiekamp van hem maakt? Ook daarop antwoorden wij bevestigend: ja.
Zelfs in deze sociaal tot het uiterste verarmde wereld, ondanks de drastische beperking van zijn uiterlijke vrijheid, behoudt de mens één vrijheid: de vrijheid om ook daar zijn bestaan innerlijk vorm te geven. Talrijke, vaak heroïsche voorbeelden tonen aan dat de mens onder zulke omstandigheden ook anders kan handelen, dat hij niet noodzakelijk bezwijkt onder de schijnbaar almachtige wetten van psychische ontwrichting. Waar iemand zijn gedrag volledig laat bepalen door het milieu, heeft hij die macht reeds vooraf uit handen gegeven. Niet het kamp ontneemt hem zijn innerlijke vrijheid; hij heeft er zelf afstand van gedaan.
Wat men de mens ook afneemt, één vrijheid kan hem niet ontnomen worden: de vrijheid om zich tot zijn lot te verhouden. Er blijft altijd een keuze mogelijk. In elk concentratiekamp zijn mensen geweest die hun apathie wisten te doorbreken en hun prikkelbaarheid konden beheersen. Er waren gevangenen die niets meer voor zichzelf verlangden, maar zich opofferden voor anderen, die met een opbeurend woord door de barakken gingen en hun laatste brood deelden. Daarmee blijkt dat de psychische verschijnselen van het kampleven, hoe dwingend ze ook lijken en hoezeer ze ook verklaarbaar zijn vanuit lichamelijke en psychische oorzaken, uiteindelijk door de geest gevormd kunnen worden.
Het symptoom is niet alleen het gevolg van lichamelijke processen of de uitdrukking van psychische spanningen, maar ook een wijze van bestaan. En juist deze bestaanshouding is beslissend. De karakterveranderingen die in het concentratiekamp optreden, zijn niet uitsluitend het resultaat van honger, slaapgebrek of minderwaardigheidsgevoelens, maar in wezen een geestelijke positiebepaling. De mens behoudt altijd de mogelijkheid zich vóór of tegen de invloed van zijn omgeving te verhouden, ook al maakt hij daarvan slechts zelden gebruik.
Het verlies aan innerlijke weerstand trad vooral daar op waar mensen hun geestelijk houvast verloren. Uritz heeft deze bestaanswijze treffend aangeduid als een “provisorische existentie”. Dit is echter een provisorium zonder termijn. De gevangene wist niet hoe lang zijn toestand zou duren; onzekerheid over het einde maakte zijn bestaan toekomstloos. Daardoor vervreemdde hij geleidelijk van de wereld buiten het prikkeldraad, die hem onwerkelijk en onbereikbaar begon te lijken.
Zonder perspectief op de toekomst verliest het leven zijn structuur. De innerlijke tijd valt uiteen. De mens leeft slechts nog in een leeg heden, zoals Thomas Mann beschrijft in Der Zauberberg. Waar geen einde in zicht is, ontbreekt ook een doel. Het Latijnse finis betekent immers zowel einde als doel. Wie geen doel meer kan zien, verliest de zin van het leven.
Omgekeerd kan juist het vooruitzicht op een toekomst — hoe bescheiden ook — de mens innerlijk overeind houden. Dat perspectief beschermt tegen overgave aan apathie en innerlijke afbraak. Zo wist een gevangene zich door de zwaarste momenten heen te slaan door zich voor te stellen dat hij later publiekelijk zou getuigen over wat hij had meegemaakt. Door zijn lijden in een ruimer perspectief te plaatsen, kon hij het verdragen.
Geestelijke stuurloosheid daarentegen leidde vaak snel tot totale apathie en soms tot de dood. Gevangenen die elke hoop verloren, weigerden op te staan, aten niet meer en gaven zich volledig prijs. Zoals klinische waarnemingen laten zien, ondermijnt moedeloosheid ook de lichamelijke weerstand. Een bekende casus toont hoe een gevangene, die geloofde dat zijn lijden op een bepaalde datum zou eindigen, juist op het moment van die teleurstelling instortte en kort daarop stierf. Ook op grotere schaal werd waargenomen dat massale hoop en daaropvolgende ontgoocheling direct samenhingen met verhoogde sterfte.
Daarom kon psychische hulp in het kamp alleen slagen wanneer zij gericht was op het herstellen van toekomstgerichtheid: leven sub specie futuri. Vaak bleek het voldoende iemand te helpen ontdekken dat zijn leven nog op hem wachtte — in een taak of in een relatie. In gesprekken met suïcidale gevangenen werd duidelijk dat hun wanhoop voortkwam uit het gevoel dat zij overbodig waren geworden. Zodra zichtbaar werd dat iemand op hen wachtte of dat hun werk onvoltooid was, keerde de levenswil terug. Hun uniciteit en onvervangbaarheid verleenden hun bestaan opnieuw zin.
Zelfs een beperkte vorm van collectieve psychotherapie bleek mogelijk. In sommige kampen hield een medegevangene met psychotherapeutische scholing korte toespraken die velen hielpen hun levensmoed te hervinden.
Ook na de bevrijding bleef psychische zorg noodzakelijk. De plotselinge vrijheid bracht nieuwe gevaren met zich mee. Velen ervoeren hun vrijheid aanvankelijk als onwerkelijk en leden aan vervreemding en ontpersoonlijking. Pas geleidelijk leerden zij weer vreugde toe te laten. Achteraf beseften velen dat zij, na alles wat zij hadden doorstaan, niets meer te vrezen hadden — behalve misschien God. Voor niet weinigen werd het concentratiekamp paradoxaal genoeg een plaats waar het geloof opnieuw ontwaakte.
Theologisch-personalistisch perspectief
De beschreven analyse van het concentratiekampleven toont hoe het menselijk bestaan onder extreme ontmenselijking psychisch, moreel en existentieel wordt vervormd. De kamprealiteit ontneemt de mens vrijwel alle uiterlijke vrijheid en reduceert het leven tot louter biologisch overleven. Apathie, regressie en ontwaarding zijn geen morele tekorten, maar begrijpelijke reacties op een situatie waarin de mens structureel tot object wordt gemaakt.
Tegelijk wordt zichtbaar dat deze vervorming niet het laatste woord heeft. Ondanks honger, uitputting en vernedering blijft er één onvervreemdbare kern intact: de innerlijke vrijheid om zich tot het eigen lot te verhouden. Deze vrijheid is geen psychologische autonomie, maar een geestelijke mogelijkheid om het eigen bestaan innerlijk vorm te geven. Juist hier raakt de tekst aan de kern van Zundels personalistische theologie.
Voor Zundel is de mens geen product van omstandigheden, maar een persoon: een wezen dat zijn waardigheid niet ontleent aan functioneren, succes of sociale erkenning, maar aan zijn relationele oorsprong in God. De mens is geroepen om zich innerlijk te ontvouwen tot subject, zelfs — en soms juist — wanneer alles hem tot object wil reduceren. In het kamp wordt zichtbaar hoe radicaal deze personaliteit wordt bedreigd, maar ook hoe zij niet volledig kan worden vernietigd.
De waargenomen kampfenomenen — apathie, morele afvlakking, verlies van toekomstperspectief — zijn in Zundels termen geen ontkenning van vrijheid, maar tekenen van een bedolven subjectiviteit. Waar de mens zijn toekomst verliest, verliest hij zijn innerlijke tijd en daarmee zijn persoon-zijn. Het bestaan verschrompelt tot een leeg heden. Zin verdwijnt niet omdat het leven waardeloos wordt, maar omdat de toegang tot de innerlijke ruimte van betekenis wordt afgesloten.
Tegelijk tonen de talloze voorbeelden van solidariteit, opoffering en innerlijke weerstand dat de persoon niet samenvalt met zijn symptomen. Waar gevangenen hun laatste brood delen, een ander bemoedigen of hun lijden plaatsen binnen een groter perspectief, treedt de geest naar voren als dragende kracht. In Zundels visie is dit het moment waarop de mens niet langer leeft vanuit bezit of zelfhandhaving, maar vanuit gave en relatie. Hier wordt de mens opnieuw subject — niet door macht, maar door liefde.
Beslissend is het herstel van toekomstgerichtheid. Leven sub specie futuri betekent, in Zundeliaanse zin, leven vanuit roeping: weten dat het bestaan nog “op mij wacht” in een taak, een relatie, een getuigenis. Deze ontdekking bevestigt de uniciteit en onvervangbaarheid van de persoon. Zin ontstaat niet uit omstandigheden, maar uit het innerlijk antwoord op een aangesproken-zijn.
Ten slotte krijgt ook de hernieuwde geloofservaring haar plaats. Voor velen werd het kamp paradoxaal een ruimte waarin God niet langer als abstract idee, maar als laatste dragende werkelijkheid werd ervaren. Dit sluit nauw aan bij Zundels overtuiging dat God niet buiten het lijden staat, maar zich juist openbaart waar alle uiterlijke zekerheden wegvallen en de mens wordt teruggeworpen op zijn naakte bestaan. Daar, in die ontlediging, kan de persoon opnieuw geboren worden.
Deze tekst laat zien dat zelfs onder totale ontmenselijking de menselijke persoon niet vernietigd wordt. In lijn met Maurice Zundels theologisch personalisme wordt duidelijk dat zin, vrijheid en waardigheid niet verdwijnen met het verlies van uiterlijke autonomie, maar wortelen in de innerlijke relatie tot waarheid, liefde en uiteindelijk tot God. Het concentratiekamp onthult zo — huiveringwekkend maar waar — dat de mens pas werkelijk onvrij wordt wanneer hij zijn innerlijke roeping tot persoon-zijn opgeeft.
Slotbeschouwing
De confrontatie met het concentratiekamp stelt de vraag naar het mens-zijn in haar meest radicale vorm. In een context waarin de mens systematisch wordt gereduceerd tot object — ontdaan van naam, geschiedenis en toekomst — lijkt elke aanspraak op vrijheid en waardigheid bij voorbaat illusoir. Toch heeft de analyse van het kampbestaan laten zien dat deze reductie nooit totaal is. Juist waar alle uiterlijke autonomie wordt afgenomen, blijft een innerlijke ruimte bestaan waarin de mens zich tot zijn lot kan verhouden. Deze ruimte is kwetsbaar, vaak bedolven onder apathie en ontwrichting, maar zij kan niet door geweld worden vernietigd.
De psychologische beschrijving van het kampleven maakt duidelijk hoe diepgaand het menselijk functioneren onder extreme omstandigheden vervormd raakt. Apathie, regressie en toekomstverlies zijn geen tekenen van moreel falen, maar begrijpelijke reacties op structurele ontmenselijking. Tegelijk tonen dezelfde waarnemingen dat deze verschijnselen niet het laatste woord hebben. Waar mensen hun innerlijke vrijheid prijsgeven, gebeurt dit niet uitsluitend onder dwang, maar ook door het verlies van geestelijk houvast en toekomstgerichtheid. Omgekeerd blijkt dat waar zin, roeping of relationele verbondenheid — hoe minimaal ook — intact blijven, de mens innerlijk overeind kan blijven.
Het theologisch-personalistische perspectief van Maurice Zundel verdiept deze bevindingen door zichtbaar te maken dat vrijheid en waardigheid niet primair psychologische eigenschappen zijn, maar wortelen in het persoon-zijn zelf. De mens is geen functie van zijn omstandigheden, maar een relationeel wezen, geroepen tot innerlijke ontvouwing in relatie tot God. In het kamp wordt deze roeping niet opgeheven, maar tot het uiterste beproefd. Waar de mens zijn bestaan niet langer kan funderen op bezit, prestatie of erkenning, wordt hij teruggeworpen op zijn naakte zijn — en juist daar kan de persoon, paradoxaal genoeg, opnieuw geboren worden.
Deze inzichten reiken verder dan de historische context van het concentratiekamp. Zij confronteren ook de hedendaagse mens met een ongemakkelijke waarheid: ontmenselijking voltrekt zich niet alleen door openlijk geweld, maar ook door systemen die de mens reduceren tot nut, efficiëntie of psychologisch functioneren. De vraag naar innerlijke vrijheid, zin en persoonlijke roeping blijft daarom onverminderd actueel.
Het concentratiekamp onthult in zijn gruwelijkheid een antropologische waarheid die blijvend geldig is: de mens verliest zijn waardigheid niet doordat hem alles wordt afgenomen, maar alleen wanneer hij zijn innerlijke roeping tot persoon-zijn opgeeft. Juist in die spanning tussen uiterlijke vernietiging en innerlijke vrijheid wordt zichtbaar wat het betekent mens te zijn — niet als bezit, maar als gave, niet als object, maar als persoon, uiteindelijk levend voor het aanschijn van God.
Bronnen
- (*) Vgl. Prof. Dr. Viktor E. Frankl,Medische Zielzorg, Inleiding tot logotherapie en existentieanalyse, Erven J. Bijleveld, Utrecht, 1959, blz. 76-84.
- www.pastoorgeudens.com/2026/01/08/ter-liefde-gods-zingeving-wanneer-alles-mislukt
- www.pastoorgeudens.com/2026/01/03/het-persoonsbegrip-in-het-licht-van-de-visie-van-maurice-zundel/
- www.pastoorgeudens.com/2026/01/03/maurice-zundel-kennis-van-persoon-tot-persoon/
Auteur
Smakt, 10 januari 2026, pastoor Jack Geudens, priester en arbeidstherapeut
Pingback: De mens is geen project | Heer, Jezus Christus
Pingback: De mens is geen project | Dr. C.W. Baars en Dr. A. Terruwe