Geestelijke nood is geen ziekte

Standaard

Geestelijke nood is geen ziekte

Over de grens tussen existentiële worsteling, pastorale zorg en het reduceren van geestelijke nood tot ziekte

Inleiding

In het pastoraat en het religieuze leven worden priesters en religieuzen regelmatig geconfronteerd met mensen die existentieel worstelen. Het gaat om vragen naar zin en betekenis, om ervaringen van schuld en verantwoordelijkheid, om roeping, lijden, geloofstwijfel en morele spanning. Dergelijke ervaringen kunnen intens zijn en soms ontregelend werken, zowel voor wie ze doormaakt als voor wie nabij wil zijn in begeleiding.

Juist in deze context ontstaat gemakkelijk de neiging om geestelijke worsteling te duiden in termen van gezondheid en ziekte. Wat zwaar, confronterend of existentieel geladen is, wordt dan al snel geïnterpreteerd als problematisch of zelfs pathologisch. In een cultuur waarin psychologische verklaringsmodellen sterk aanwezig zijn, is die reflex begrijpelijk. Toch vraagt zij om fundamentele terughoudendheid.

De vraag of iemand ‘ziek’ is, behoort tot een andere orde dan de vraag hoe iemand zich existentieel tot het leven, tot zichzelf en tot God verhoudt. Wanneer dit onderscheid vervaagt, dreigt geestelijke nood te worden gereduceerd tot een symptoom. De persoon wordt dan niet langer aangesproken in zijn vrijheid en verantwoordelijkheid, maar beoordeeld vanuit een extern, objectiverend kader. Dat is niet alleen pastoraal onzorgvuldig, maar ook theoretisch en moreel problematisch.

Deze spanning tussen zorg en oordeel is diepgaand doordacht door denkers uit verschillende disciplines. De psychiatrie van Viktor Frankl, de bevestigingsleer van Anna Terruwe en de personalistische theologie van Maurice Zundel bieden samen een vruchtbaar kader om de grenzen van pastorale en diagnostische oordeelsvorming te verhelderen. Zij wijzen in verschillende toonaarden op één fundamenteel uitgangspunt: geestelijke nood is geen ziekte en mag ook niet als zodanig worden behandeld.

Deze bijdrage wil ruimte scheppen voor een herbezinning op die grens. Niet om zorg te minimaliseren, maar om haar te zuiveren, zodat zij werkelijk dienstbaar blijft aan menselijke waardigheid, innerlijke vrijheid en groei in waarheid.


Over grenzen van oordeel in het licht van Frankl, Terruwe en Zundel

Wanneer geestelijke worsteling wordt geïnterpreteerd als pathologie, wordt een grens overschreden die voor zorg en pastoraat wezenlijk is. Viktor Frankl heeft dit scherp geformuleerd door het onderscheid tussen het psychische en het geestelijke (noëtische) niveau van de mens. Vragen naar zin, verantwoordelijkheid en levenshouding behoren tot deze geestelijke dimensie en mogen niet worden gereduceerd tot symptomen van ziekte. Wie dat toch doet, verwart existentiële ernst met pathologie en begaat een categorie-fout. Frankl (1) waarschuwt daarom uitdrukkelijk tegen het psychopathologiseren van levensbeschouwing en zinvraag. Zelfs de psychiater is daartoe niet bevoegd; des te minder geldt dit voor wie geen medische verantwoordelijkheid draagt.

Anna Terruwe bevestigt dit onderscheid vanuit haar psychiatrische en antropologische inzichten. Psychische stoornissen ontstaan volgens haar niet uit morele ernst, geestelijke diepgang of existentieel zoeken, maar uit een tekort aan affectieve bevestiging. De mens wordt niet ziek van waarheid, geweten of roeping, maar van het ontbreken van liefdevolle erkenning. Het bestempelen van intens geloofsleven, morele betrokkenheid of existentiële ernst als ‘neurotisch’ miskent deze dynamiek en kan juist psychische schade veroorzaken. Geestelijke strijd vraagt bevestiging, geen diagnose.

Vanuit theologisch perspectief wordt deze lijn verdiept door Maurice Zundel. Voor hem is de mens geen probleem dat opgelost moet worden, maar een mysterie dat ontvangen wil worden. De geestelijke dimensie is de plaats waar vrijheid, verantwoordelijkheid en Godsontmoeting samenkomen. Zodra deze dimensie wordt geobjectiveerd of geclassificeerd, verdwijnt de persoon uit beeld. Waar men iemand definieert in plaats van ontmoet, gaat de waarheid van de persoon verloren.

In dit licht wordt duidelijk wat er gebeurt wanneer geestelijke nood wordt benaderd met medische of quasi-wetenschappelijke middelen: er ontstaat een ‘voorbijpraten aan de mens zelf’. Men spreekt over iemand in plaats van met hem, verklaart overtuigingen vanuit vermeende achtergronden en ontwijkt de inhoudelijke dialoog. Dat gebeurt vaak onder het mom van zorg of wetenschap, maar mondt uit in een vorm van macht die zich onttrekt aan echte ontmoeting.

Frankl, Terruwe en Zundel wijzen hier ieder vanuit hun eigen discipline dezelfde richting uit. Geestelijke vragen moeten op geestelijk niveau worden beantwoord. Levensbeschouwing vraagt om argumentatie en dialoog, niet om pathologisering. En geen enkele vorm van zorg rechtvaardigt het ontkennen van de autonomie van de geest.

Daarom is het principieel niet gerechtvaardigd dat geestelijken iemand ‘ziek’ verklaren op grond van diens geestelijke overtuiging, inzet of existentiële worsteling. Niet omdat geestelijken geen zorg zouden mogen dragen, maar juist omdat ware pastorale zorg haar eigen grens kent. Waar die grens wordt overschreden, verliest zorg haar karakter en wordt zij oordeel.

Wie dit onderkent, zal begrijpen dat weerstand tegen een dergelijk oordeel een verdediging van de menselijke waardigheid is. Het is een pleidooi om de mens serieus te nemen als geestelijk wezen, geroepen tot waarheid en vrijheid, en niet als probleem dat beheerst moet worden.

  • (*) Vgl. Prof. Dr. Viktor E. Frankl, Medische Zielzorg, Inleiding tot logotherapie en existentieanalyse, Erven J. Bijleveld, Utrecht, 1959, blz. 14-16.

Pastoor Geudens (priester en arbeidstherapeut)

Smakt, 12 januari 2026