
Decentratie bij Maurice Zundel
Het ontstaan van de persoon
Abstract (English)
This article explores decentration as a key existential and theological concept in the thought of Maurice Zundel. Although Zundel does not develop decentration as a formal technical term, the article argues that it functions as a structural principle underlying his understanding of personhood, freedom, and faith. Decentration refers to an inner displacement of the center of human existence: away from self-preservation, control, and ego-centered autonomy, and toward openness, receptivity, and relational self-gift.
By distinguishing between the individual and the person, Zundel presents personhood not as a given property but as an existential event that emerges where the ego relinquishes its claim to centrality. Freedom is thus redefined not as self-determination, but as availability to truth, love, and transcendence.
The article situates Zundel’s perspective in dialogue with psychological and existential insights from Anna Terruwe and Viktor Frankl. Terruwe’s theory of affective affirmation highlights the psychological conditions necessary for decentration, while Frankl’s concept of self-transcendence underscores its existential orientation toward meaning and vocation.
The study concludes that decentration is neither a moral demand nor a spiritual technique, but a process of inner liberation in which the human person comes into being through receptivity and relational openness.
Samenvatting (Nederlands)
Dit artikel onderzoekt decentratie als existentieel en theologisch kernbegrip in het denken van Maurice Zundel. Hoewel Zundel decentratie niet als technische term systematisch uitwerkt, blijkt zij een dragend principe te zijn in zijn visie op persoon-wording, vrijheid en geloof. Decentratie wordt verstaan als een innerlijke verschuiving van het centrum van het bestaan: weg van zelfhandhaving, controle en egocentrische autonomie, en gericht op openheid, ontvankelijkheid en relationele zelfgave.
Door het onderscheid tussen individu en persoon te maken, beschrijft Zundel persoon-zijn niet als een vast gegeven, maar als een existentieel gebeuren dat ontstaat waar het ego zijn aanspraak op centraliteit loslaat. Vrijheid wordt daarbij niet opgevat als zelfbeschikking, maar als beschikbaarheid voor waarheid, liefde en transcendentie.
Het artikel plaatst Zundels visie in dialoog met de bevestigingsleer van Anna Terruwe en het begrip zelftranscendentie bij Viktor Frankl. Zo wordt zichtbaar dat decentratie psychologisch gedragen moet zijn en existentieel gericht is op zin en roeping. De bijdrage concludeert dat decentratie geen morele eis en geen spirituele techniek is, maar een proces van innerlijke bevrijding waarin de mens werkelijk persoon wordt door ontvankelijkheid en relationele openheid.
Auteursinleiding
De auteur is priester en arbeidstherapeut. In zijn werk verbindt hij theologisch personalisme met inzichten uit psychiatrie, psychologie en existentiële analyse. In het bijzonder laat hij zich inspireren door het denken van Maurice Zundel, de bevestigingsleer van Anna Terruwe en de existentieel-therapeutische benadering van Viktor Frankl. Zijn interesse gaat uit naar menswording, innerlijke vrijheid en pastorale begeleiding in situaties van kwetsbaarheid. Deze bijdrage onderzoekt decentratie als sleutelbegrip voor persoon-wording en existentieel geloof.
Inleiding
Een van de meest karakteristieke trekken van het denken van Maurice Zundel is zijn kritiek op een mensbeeld dat het ik tot centrum van het bestaan maakt. Zonder polemiek of moralistische scherpte beschrijft hij een fundamentele menselijke toestand: de neiging om het leven te organiseren rond zelfbehoud, beheersing en zelfbevestiging. Tegenover deze gecentreerde bestaanswijze ontwikkelt Zundel een antropologie waarin menswording slechts mogelijk is door een verplaatsing van het centrum. Deze beweging kan het best worden aangeduid als decentratie.
Hoewel Zundel deze term niet systematisch hanteert, vormt zij de stille as waaromheen zijn visie op vrijheid, persoon-zijn en geloof draait. Decentratie verwijst naar een innerlijke omkering waarbij de mens ophoudt zichzelf als laatste referentiepunt te beschouwen en zich opent voor relatie, gave en transcendentie. In deze beweging wordt het bestaan niet langer gedragen door het ego, maar door wat het ego overstijgt.
Deze tekst leest decentratie als een existentieel en theologisch kernbegrip bij Zundel en plaatst dit in dialoog met psychologische en existentiële inzichten van Anna Terruwe en Viktor Frankl. Zo wordt zichtbaar dat decentratie geen spiritueel ideaal is voor enkelen, maar een menselijk proces dat rijping, bevestiging en oriëntatie op zin veronderstelt.
1. Het individu als voorlopig bestaanscentrum
Zundel vertrekt vanuit een nuchtere antropologische vaststelling: de mens leeft aanvankelijk als individu. Dit individu is geen abstract begrip, maar de concrete mens zoals hij zich ontwikkelt binnen biologische drijfveren, psychologische behoeften en sociale verwachtingen. Het individu ervaart zichzelf spontaan als centrum van waarneming en handelen. Het leven wordt ingericht rond veiligheid, erkenning en controle.
Deze bestaanswijze is volgens Zundel niet moreel verwerpelijk. Zij is eerder voorlopig. Het individu is een noodzakelijke fase, maar geen voltooiing. Zolang de mens in deze modus blijft, blijft hij opgesloten in immanentie. Zijn vrijheid is functioneel, maar niet existentieel; zijn relaties zijn instrumenteel, niet constitutief.¹
2. Persoon-wording als existentieel gebeuren
Tegenover het individu plaatst Zundel het begrip persoon. Persoon-zijn is geen eigenschap die men bezit, maar een werkelijkheid die zich voltrekt. De persoon ontstaat waar het individu zijn vanzelfsprekende centraliteit verliest. Dit verlies is geen vernietiging van het ik, maar een verschuiving van zwaartepunt.
Decentratie markeert dit overgangsmoment. De mens wordt persoon waar hij zich niet langer definieert vanuit wat hij heeft, doet of beheerst, maar vanuit zijn vermogen tot ontvangen en antwoorden. Persoon-zijn is relationeel: het voltrekt zich in openheid voor waarheid, voor de ander en uiteindelijk voor God.²
Zundel spreekt hier over donation de soi: zelfgave. Deze zelfgave is geen morele prestatie, maar een existentieel antwoord. Zij veronderstelt vrijheid, maar herdefinieert haar tegelijk. Vrijheid is niet de macht om te beschikken, maar de ruimte om zich te laten aanspreken.³
3. Het ego: niet te vernietigen, maar te relativeren
In deze visie krijgt het ego een genuanceerde plaats. Het ego is bij Zundel geen vijand en geen zondige kern. Het wordt problematisch wanneer het zichzelf absolutiseert. Zodra het ik zichzelf tot centrum en maatstaf maakt, raakt de mens gevangen in vergelijking, angst en zelfrechtvaardiging.
Decentratie betekent dat deze absolutisering wordt doorbroken. Het ego verliest zijn onaantastbaarheid. Daardoor ontstaat bevrijding. De mens hoeft zichzelf niet langer te dragen of te legitimeren. Hij mag bestaan vanuit ontvankelijkheid. Paradoxaal genoeg wordt de mens hierdoor niet minder subject, maar juist meer. Ware subjectiviteit ontstaat waar het ik niet langer alles naar zich toe trekt.⁴
Deze visie sluit elke vorm van zelfverachting uit. Decentratie is geen negatieve ascese, maar een positieve opening. Zij schept ruimte voor liefde en waarheid, precies omdat het ego niet langer alles bezet.
4. Bevestiging als psychologische voorwaarde
De vraag rijst hoe deze beweging psychologisch mogelijk wordt. Hier blijkt de bijdrage van Anna Terruwe onmisbaar. Terruwe toont aan dat de mens slechts tot zelfoverstijging in staat is wanneer hij zich existentieel bevestigd weet. Zonder bevestiging blijft het ik aangewezen op zelfbescherming en compensatie.⁵
Wanneer de mens zich fundamenteel onveilig voelt, wordt elke oproep tot loslaten bedreigend. In dat geval leidt decentratie niet tot vrijheid, maar tot ontregeling. Terruwe laat zien dat affectieve bevestiging — de erkenning van het zijn-van-de-persoon — de noodzakelijke bedding vormt voor innerlijke openheid.⁶
In dit licht verschijnt decentratie niet als morele opdracht, maar als vrucht van genezing. Pas wie zich gedragen weet, kan het centrum loslaten zonder zichzelf te verliezen.
5. Zelftranscendentie en zin
Een verwante analyse vinden we bij Viktor Frankl. Zijn begrip zelftranscendentie beschrijft de fundamentele gerichtheid van de mens op zin buiten zichzelf. Frankl stelt dat de mens zichzelf verliest wanneer hij zichzelf tot object van voortdurende reflectie maakt. Neurotische leegte ontstaat waar het ik zichzelf tot eindpunt maakt.⁷
Volgens Frankl vindt de mens zichzelf juist door gerichtheid op een taak, een waarde of een geliefde die hem overstijgt. Deze beweging van het ik naar de zin vertoont een duidelijke structurele overeenkomst met Zundels decentratie.⁸
In beide visies verschuift de centrale levensvraag. Niet identiteit, maar roeping komt op de voorgrond. De mens wordt niet zichzelf door zelfanalyse, maar door antwoord.
6. Betekenis voor pastoraat en begeleiding
In pastorale en therapeutische contexten krijgt decentratie een concrete betekenis. Zij wordt zichtbaar wanneer mensen leren hun waarde niet langer te funderen op functioneren, succes of morele foutloosheid. Vooral in situaties van burn-out, rouw en existentiële crisis blijkt decentratie een beslissend kantelpunt.
De beweging bestaat niet uit harder werken aan zichzelf, maar uit het ontlasten van het ik. De mens hoeft zichzelf niet langer te dragen, maar mag zich toevertrouwen aan een betekenis die hem voorafgaat. In die zin is decentratie geen methode, maar een existentieel bevrijdingsproces dat zowel psychisch als spiritueel werkzaam is.⁹
Conclusie
Decentratie kan bij Maurice Zundel worden gelezen als een sleutel tot het verstaan van menswording, vrijheid en geloof. Zij benoemt de beweging waarin de mens ophoudt zichzelf tot middelpunt te maken en zich opent voor relatie, gave en roeping. In dialoog met Anna Terruwe en Viktor Frankl wordt duidelijk dat deze beweging psychologisch gedragen en existentieel georiënteerd moet zijn.
Decentratie is geen morele eis en geen spirituele techniek. Zij is een proces van innerlijke bevrijding waarin de mens pas werkelijk persoon wordt — niet door macht over zichzelf, maar door openheid voor wat hem overstijgt.
Excursus: Ontvankelijkheid (ontvangendheid)
Ontvankelijkheid is een kernhouding in een relationeel en personalistisch mensbeeld. Zij duidt niet op passiviteit of afhankelijkheid, maar op de innerlijke bereidheid om het bestaan niet volledig vanuit zichzelf te willen beheersen. Ontvankelijkheid is de ruimte waarin de mens toelaat dat werkelijkheid, waarheid en liefde hem eerst toekomen, vóór hij handelt, beoordeelt of bezit.
In het denken van Maurice Zundel is ontvankelijkheid nauw verbonden met vrijheid. De mens is volgens hem niet vrij wanneer hij alles onder controle heeft, maar wanneer hij beschikbaar wordt voor wat hem overstijgt. Ontvankelijkheid betekent dat het ego ophoudt zichzelf als bron en maatstaf van alles te beschouwen. Het ik wordt niet uitgeschakeld, maar ontlast. Daardoor ontstaat een open binnenruimte waarin de persoon kan verschijnen.
Ontvankelijkheid veronderstelt innerlijke leegte, niet in de zin van gemis of nihilisme, maar als vrijgemaakte ruimte. Zundel spreekt in dit verband over armoede: een existentiële armoede waarin de mens zichzelf niet meer vult met eigen zekerheden, prestaties of verdiensten. Deze armoede is geen tekort, maar een voorwaarde voor ontmoeting. Alleen wie niet vol is van zichzelf, kan werkelijk ontvangen.
Psychologisch gezien is ontvankelijkheid slechts mogelijk waar een mens zich fundamenteel veilig weet. Wie zich bedreigd voelt, sluit zich af; wie zich bevestigd weet, kan zich openen. Ontvankelijkheid vraagt dus geen inspanning, maar vertrouwen. Zij is geen morele plicht, maar een toestand die groeit waar angst afneemt en bestaanszekerheid toeneemt.
Existentiëel betekent ontvankelijkheid dat de mens zijn leven niet beschouwt als een zelfgemaakt project, maar als een antwoord. De fundamentele vraag verschuift van “wat moet ik realiseren?” naar “wat wordt mij toevertrouwd?”. Ontvankelijkheid maakt de mens gevoelig voor roeping: hij leert luisteren naar wat het leven, de ander en God van hem vragen, in plaats van alles vooraf vast te leggen.
Theologisch krijgt ontvankelijkheid haar diepste betekenis in de relatie tot God. God wordt niet benaderd als object van kennis of bezit, maar als Tegenwoordigheid die zich alleen laat ontvangen. Ontvankelijkheid is hier de grondhouding van het geloof zelf: geloven is niet eerst iets doen of presteren, maar zich laten aanspreken en dragen. In die zin is ontvankelijkheid geen zwakte, maar een volwassen vorm van vrijheid.
Voetnoten
- M. Zundel, L’homme libre (Paris: Desclée de Brouwer, 1946), 23–31.
- M. Zundel, Le silence parlant (Paris: Desclée de Brouwer, 1959), 41–48.
- M. Zundel, La pauvreté créatrice (Paris: Desclée de Brouwer, 1965), 67–75.
- M. Zundel, Dieu n’est pas absent (Paris: Desclée de Brouwer, 1971), 92–98.
- A. Terruwe & C. Baars, Psychische stoornissen en geestelijke begeleiding (Utrecht: Spectrum, 1972), 55–63.
- A. Terruwe, Bevestiging in het menselijk bestaan (Baarn: Ambo, 1984), 19–34.
- V. E. Frankl, Ärztliche Seelsorge (Wien: Deuticke, 1946), 57–64.
- V. E. Frankl, Der Wille zum Sinn (Bern: Huber, 1972), 83–90.
- Vgl. P. Tournier, Médecine de la personne (Neuchâtel: Delachaux & Niestlé, 1940), 101–112.
Auteur
Pastoor Geudens (priester en arbeidstherapeut)
Smakt, 16 januari 2026