Over mensbeeld, spiritualiteit en identiteit
Abstract (samenvatting)
Dit artikel onderzoekt twee invloedrijke persoonsbegrippen binnen de christelijke theologische traditie: het klassieke (metafysische) persoonsbegrip en het relationele (personalistische) persoonsbegrip. Beide benaderingen bezitten een eigen waarheidskracht en historische vruchtbaarheid, maar vertonen ook risico’s wanneer zij geïsoleerd worden toegepast. Het betoog ontwikkelt het klassieke persoonsbegrip als noodzakelijk fundament ter bescherming van menselijke waardigheid, verantwoordelijkheid en waarheid, en het relationele persoonsbegrip als spirituele voltooiing waarin persoon-zijn tot rijping komt door ontvankelijkheid, ontmoeting en liefdevolle zelfgave. In het bijzonder wordt de samenhang van beide perspectieven uitgewerkt met het oog op geloofsleven, pastoraat en identiteit. In een tweede deel wordt deze tweevoudige benadering toegepast op spiritualiteiten van heiligen en religieuze tradities, waarbij verschillende persoonsaccenten zichtbaar worden. De studie pleit voor een geïntegreerd persoonsbegrip waarin onaantastbaarheid en relationaliteit elkaar wederzijds dragen.
Inleiding
Waarom het persoonsbegrip beslissend is
Elke theologische visie op geloof, genade en priesterschap rust – vaak impliciet – op een bepaald mensbeeld. Waar het spreken over de persoon verschraalt, verschraalt ook het spreken over ontmoeting, vrijheid en bemiddeling. Het gaat hier niet om een abstract filosofisch vraagstuk, maar om een fundamentele keuze die diep ingrijpt in spiritualiteit, pastoraat en priesterlijke identiteit.
Binnen de westerse filosofische en theologische traditie kunnen twee invloedrijke persoonsbegrippen worden onderscheiden: het klassieke (metafysische) persoonsbegrip en het relationele (mystiek-personalistische) persoonsbegrip. Beide hebben een eigen interne consistentie en historische vruchtbaarheid. Tegelijk draagt elk van beide een reëel risico in zich wanneer het wordt losgemaakt van zijn juiste horizon.
Deze studie wil geen tegenstelling construeren of een schoolstrijd voeren. Zij beoogt een ordening aan te brengen: eerst het klassieke persoonsbegrip als beschermend fundament, vervolgens het relationele persoonsbegrip als spirituele voltooiing, en ten slotte hun noodzakelijke samenhang, met het oog op geloofsleven, pastoraat en priesterschap.
I. Twee persoonsbegrippen: fundament en voltooiing
1. Het klassieke persoonsbegrip
Bescherming van waardigheid en verantwoordelijkheid
In de klassieke lijn van de christelijke metafysica wordt de persoon verstaan als een zelfstandig en onherleidbaar “iemand”, drager van verstand en wil, met een eigen centrum van verantwoordelijkheid. In de scholastieke traditie wordt deze intuïtie uitgewerkt met behulp van de taal van de substantie: de persoon is niet louter een bundel eigenschappen of functies, maar een subsisterend subject – iemand die in zichzelf bestaat en daarom nooit mag worden gereduceerd tot middel, rol of onderdeel van een groter mechanisme.
De blijvende waarde van dit persoonsbegrip ligt in zijn beschermende kracht. Het bewaart de onaantastbaarheid van de persoon: niemand kan de mens volledig bezitten, verklaren of gebruiken. De mens is meer dan wat hij doet, meer dan wat hij presteert, meer dan wat hij betekent voor een systeem.
Vruchtbaarheid van het klassieke begrip
De vruchtbaarheid van dit klassieke persoonsbegrip wordt zichtbaar op drie niveaus:
- Moreel: alleen een persoon kan beloven, schuld erkennen, vergeving vragen en trouw blijven. Morele verantwoordelijkheid veronderstelt een stabiel subject dat kan antwoorden op waarheid en goed.
- Juridisch en maatschappelijk: menselijke waardigheid veronderstelt een subject dat niet opgaat in nut, efficiëntie of functionaliteit. De mens is nooit louter middel.
- Dogmatisch: in de christologie en triniteitsleer heeft de klassieke precisie omtrent “persoon” en “natuur” een onmisbare functie gehad om te spreken over werkelijke personen, niet over maskers, functies of symbolische rollen.
Risico bij verenging
Wanneer dit klassieke persoonsbegrip wordt losgemaakt van zijn spirituele en relationele horizon, kan het verschralen tot een gesloten individualisme. Autonomie wordt dan opgevat als zelfbezit, vrijheid als controle, identiteit als afscherming. De innerlijke ruimte verliest haar karakter van ontvankelijkheid en wordt een bastion van zelfbehoud. Het begrip blijft beschermen, maar opent niet meer naar voltooiing. Persoon-zijn wordt een statisch bezit in plaats van een roeping.
Voetnoot 1
Zie o.a. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, over de menselijke act, de deugden en de ordening van de wil door het goede.
2. Het relationele persoonsbegrip
Persoon-worden door ontmoeting en zelfgave
Naast het klassieke begrip bestaat een tweede traditielijn, minder definitorisch maar theologisch en spiritueel diep verankerd: het relationele persoonsbegrip. Hier verschuift het zwaartepunt van zelfstandigheid naar relationaliteit. Persoon-zijn wordt niet primair gedacht als “op zichzelf staan”, maar als “in relatie komen”: ontvangen, antwoorden en zichzelf schenken.
In deze visie is de persoon niet enkel een gegeven structuur, maar ook een weg. De mens wordt persoon in de mate waarin hij leert leven vanuit ontvankelijkheid en liefde.
Innerlijkheid en kennis
Het relationele persoonsbegrip ontkent de onaantastbaarheid van de persoon niet, maar herinterpreteert haar. Innerlijkheid is geen afgesloten privé-ruimte, maar ontvangstruimte: een plaats waar waarheid niet wordt beheerst maar ontvangen, waar vrijheid ontstaat door overgave.
Ook “kennen” krijgt hier een andere betekenis. Kennen is niet primair objectiveren of beheersen, maar eerbiedig naderen; niet domineren, maar binnentreden zonder het geheim van de ander te schenden. Waarheid wordt niet kleiner, maar dieper: zij wil niet alleen gekend, maar bewoond worden.
Theologische wortel
De dragende horizon van dit persoonsbegrip ligt in het christelijk geloof zelf. God is geen solitaire monade, maar communio. Omdat de mens naar dit beeld geschapen is, vindt hij zijn voltooiing niet in autonoom zelfbezit, maar in liefdevolle openheid.
Voetnoot 2
Zie Augustinus, Confessiones X: interior intimo meo.
Risico bij verenging
Wanneer relationele taal losraakt van waarheid, bekering en innerlijke discipline, kan zij verdampen tot sfeerbegrippen. Relatie wordt dan gezelligheid, communio een proces, ontmoeting emotionele resonantie. Relationele spiritualiteit zonder waarheid en ascese verliest haar diepte.
3. Samenhang en integratie
Onaantastbaarheid en doorzichtigheid
De twee persoonsbegrippen zijn geen tegenpolen, maar twee dimensies van één werkelijkheid.
- Het klassieke persoonsbegrip bewaart dat de mens iemand is: onherleidbaar en aanspreekbaar.
- Het relationele persoonsbegrip ontsluit waartoe de mens geroepen is: tot liefdevolle zelfgave.
Zonder klassiek fundament wordt pastoraat paternalistisch. Zonder relationele voltooiing wordt het functioneel. Integratie is daarom essentieel: onaantastbaarheid als voorwaarde voor ontmoeting, relationaliteit als bestemming ervan.
Slotwoord
Het onderscheid tussen klassieke en relationele persoonsbegrippen is alleen vruchtbaar wanneer het tot integratie leidt. Het klassieke bewaart de heiligheid van de persoon; het relationele opent deze heiligheid naar liefdevolle voltooiing. Voor geloof, pastoraat en priesterschap betekent dit: de mens is geen project dat gemaakt wordt. De persoon is onaantastbaar – en juist daarom geroepen om zich vrij te schenken.
Pastoor Geudens
Smakt, 20 januari 2026