Maria’s medewerking aan het Heilswerk
Conciliaire verankering (LG 56–62) en patristische onderbouwing
Een theologisch‑apologetische studie in het licht van hedendaagse bezwaren
Pastoor J. Geudens
Inleiding
De mariologische bezinning staat in de hedendaagse theologie onder spanning. Enerzijds bestaat de noodzaak om recht te doen aan de rijke traditie waarin Maria een unieke en onherleidbare plaats inneemt binnen het heilsgebeuren; anderzijds leeft de vrees dat een te sterke mariale accentuering het unieke middelaarschap van Christus zou verduisteren of de theologie zou doen afglijden naar devotionele overdrijving. Deze studie beoogt een evenwichtige, conciliair gefundeerde en patristisch verantwoorde uitwerking van Maria’s medewerking aan het heilswerk, met bijzondere aandacht voor de drie onderscheiden fasen van die medewerking.
Uitgangspunt vormt de leer van het Tweede Vaticaans Concilie, zoals neergelegd in Lumen Gentium §§56–62, gelezen in continuïteit met de patristische traditie (Irenaeus van Lyon, Ephrem de Syriër) en de middeleeuwse theologische synthese (Bernardus van Clairvaux, Bonaventura). Tegelijk wordt expliciet ingegaan op hedendaagse theologische bezwaren, zowel vanuit oecumenisch perspectief als vanuit interne katholieke terughoudendheid.
I. De voorbereidende fase: gehoorzaamheid en representativiteit
1. Conciliaire grondslag
In Lumen Gentium 56 wordt Maria geplaatst binnen de typologie van Eva en Maria. Het Concilie stelt dat Maria door haar gehoorzaamheid oorzaak van heil is geworden voor zichzelf en voor het gehele menselijk geslacht. Deze formulering is theologisch zorgvuldig: zij spreekt niet over parallelle verlossing, maar over een reële, door God gewilde medewerking binnen het ene heilsplan.
2. Patristische fundering
Deze gedachtegang sluit rechtstreeks aan bij de leer van Irenaeus van Lyon, die Maria typeert als de nieuwe Eva. Waar Eva door haar ongehoorzaamheid het heil blokkeerde, opent Maria door haar vrije instemming de weg voor de Menswording. De causaliteit die hier wordt verondersteld, is niet fysiek of juridisch, maar heilshistorisch en relationeel: God wil het heil schenken in samenwerking met menselijke vrijheid.
Ephrem de Syriër verdiept deze visie door Maria te bezingen als de plaats waar hemel en aarde elkaar raken. In zijn hymnen verschijnt zij als de schoot waarin het Woord vrijwillig woning kiest, niet bij toeval, maar in antwoord op haar zuivere gehoorzaamheid.
3. Apologetische duiding
Een vaak gehoord bezwaar luidt dat Maria’s Fiat haar zou verheffen tot een quasi-onmisbare schakel naast Christus. Dit bezwaar miskent echter het conciliaire onderscheid tussen bron en instrument. Maria is geen oorzaak naast Christus, maar de door God verkozen menselijke plaats waarin Zijn initiatief vruchtbaar wordt. Haar gehoorzaamheid bevestigt juist dat de Verlossing volledig genade blijft, omdat zij niets afdwingt, maar alles ontvangt.
II. De fase van gezamenlijke werkzaamheid: vereniging met het Offer van Christus
1. Conciliaire kerntekst
Lumen Gentium 58 vormt het zwaartepunt van de mariologische leer. Het Concilie spreekt hier over Maria’s diepe vereniging met haar Zoon tot aan het kruis, waar zij zich met moederlijk hart bij Zijn offer aansloot. De tekst vermijdt bewust juridisch of kwantitatief taalgebruik, maar benadrukt de innerlijke dimensie van haar deelname.
2. Patristische en middeleeuwse verdieping
Ephrem de Syriër beschrijft Maria als degene in wie het zwaard van Simeon daadwerkelijk binnendringt: het lijden van Christus wordt in haar een innerlijk doorleefd lijden. Bernardus van Clairvaux spreekt in dit verband over de compassio van Maria, een medelijden dat zo diep reikt dat het als een geestelijk martelaarschap kan worden aangeduid.
Bonaventura vat deze traditie samen door te stellen dat zich op Calvarië één offer voltrekt in twee harten. Christus offert zichzelf in gehoorzaamheid aan de Vader; Maria offert haar moederschap terug aan God. Deze offerbeweging is niet symmetrisch, maar wel intrinsiek verbonden.
3. Apologetische beantwoording van bezwaren
Het meest voorkomende hedendaagse bezwaar stelt dat elke vorm van deelname aan het offer van Christus afbreuk zou doen aan de uniciteit van zijn verlossend handelen. Het Concilie ondervangt dit bezwaar expliciet door te stellen dat Maria’s rol niets toevoegt aan de objectieve waarde van het offer, maar er geheel van afhankelijk is. Haar deelname is geen aanvulling in verdienste, maar een vereniging in liefde en gehoorzaamheid.
Hier wordt zichtbaar dat het alternatief niet luidt: óf Christus alleen, óf Christus en Maria, maar: Christus alleen als Verlosser, die vrij kiest om zijn verlossend werk niet zonder menselijke instemming en medelijden te voltrekken.
III. De fase van moederlijke vruchtbaarheid: Maria en de Kerk
1. Conciliaire uitwerking
In Lumen Gentium 60–62 wordt Maria’s blijvende moederlijke taak in de orde van de genade uiteengezet. Het Concilie benadrukt dat deze taak de unieke middelaarsrol van Christus niet verduistert, maar juist openbaart. Maria’s bemiddeling is geheel afgeleid en functioneert binnen het ene middelaarschap van Christus.
2. Traditionele lijn
Reeds bij de Vaders verschijnt Maria als moeder van de levenden, niet enkel in biologische, maar in geestelijke zin. In de Kerk herkent zij het voortgezette lichaam van haar Zoon. Haar moederschap krijgt daardoor een universele en eschatologische dimensie.
3. Hedendaagse bezwaren
Moderne theologie vreest soms dat spreken over blijvende mariale werkzaamheid leidt tot parallelle genadebronnen. Dit bezwaar berust op een te smalle opvatting van bemiddeling. Maria deelt geen genade uit als autonome instantie, maar leeft geheel in dienst van de doorwerking van Christus’ genade in de tijd.
Status quaestionis — Het hedendaagse debat over Maria’s medewerking
1. Situering van het debat
Het hedendaagse debat over Maria’s medewerking aan het heilswerk wordt gekenmerkt door een opvallende spanning tussen dogmatische continuïteit en pastorale terughoudendheid. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie is de mariologie bewust ingebed in de christologie en de ecclesiologie, met als doel elke schijn van autonomie of parallel middelaarschap te vermijden. Deze keuze heeft geleid tot een soberder terminologie, maar niet tot een inhoudelijke reductie van Maria’s rol.
2. Interne katholieke terughoudendheid
Binnen de katholieke theologie leeft sinds Vaticanum II een zekere reserve ten aanzien van sterk soteriologisch geladen mariale formuleringen. Deze terughoudendheid is niet primair dogmatisch, maar hermeneutisch en pastoraal van aard. Men vreest dat een onzorgvuldige taalkeuze de unieke en universele middelaarsrol van Christus zou kunnen verduisteren of verkeerd begrepen worden door gelovigen en theologen.
Het Concilie zelf biedt echter het criterium voor deze terughoudendheid: niet inhoudelijke ontkenning, maar terminologische precisie. Lumen Gentium 60–62 benadrukt uitdrukkelijk dat Maria’s moederlijke taak niets toevoegt aan de objectieve verlossingsdaad van Christus, maar deze juist laat doorschijnen. Het probleem ligt derhalve niet in de leer, maar in de wijze van articulatie.
3. Oecumenische gevoeligheden
Een tweede belangrijke factor in het debat is het oecumenische perspectief. In de dialoog met de Reformatie wordt mariologie vaak ervaren als het meest kwetsbare punt van katholieke theologie. De vrees voor een aantasting van solus Christus heeft ertoe geleid dat mariale medewerking soms vrijwel uitsluitend exemplarisch wordt geduid.
Een dergelijke reductie miskent echter zowel de Schrift als de Vroege Traditie. Juist de patristische bronnen die door oecumenische dialogen worden gedeeld — met name Irenaeus en Ephrem — spreken expliciet over Maria’s reële, zij het afgeleide, plaats in het heilsgebeuren. Een correct verstaan van haar medewerking vormt daarom geen obstakel, maar kan juist een brugfunctie vervullen.
4. Hedendaagse theologische herwaardering
In recente decennia is een voorzichtige herwaardering zichtbaar, waarin mariologie opnieuw wordt gelezen vanuit relationele en trinitarische kaders. Maria verschijnt daarin niet als concurrerende figuur naast Christus, maar als de meest transparante gestalte van wat genade vermag in een mens. Haar medewerking wordt verstaan als paradigmatisch voor de Kerk zelf: ontvangend, meewerkend en vruchtbaar.
5. Conclusieve duiding
De huidige status van de vraag kan aldus worden samengevat: het debat draait niet om de realiteit van Maria’s medewerking, maar om haar verwoording. Vaticanum II heeft geen breuk aangebracht met de traditie, maar een norm gesteld voor theologische soberheid en precisie. Wanneer deze conciliaire regel wordt gerespecteerd, kan Maria’s unieke rol zonder dogmatische overschrijding én zonder reductie worden beleden.
Excursus — Waarom Vaticanum II geen nieuwe titel definieerde, maar de inhoud bewaart
1. Historische en conciliaire context
Tijdens de voorbereidingen van het Tweede Vaticaans Concilie lag een expliciete dogmatische definitie van Maria’s rol in het verlossingswerk daadwerkelijk op tafel. Binnen de conciliaire commissies bestond brede erkenning van de traditionele leer over haar unieke en reële medewerking. Toch werd er uiteindelijk bewust voor gekozen om geen nieuwe titel dogmatisch vast te leggen.
Deze keuze moet niet worden geïnterpreteerd als een inhoudelijke terughoudendheid, maar als een ecclesiologisch en pastoraal gemotiveerde beslissing. Het Concilie bevond zich in een context waarin zowel interne katholieke verduidelijking als externe oecumenische openheid noodzakelijk werden geacht.
2. Theologische motieven
Vaticanum II koos ervoor Maria niet los te behandelen, maar haar strikt te situeren binnen het mysterie van Christus en de Kerk. Een nieuwe titel zou onvermijdelijk een eigen dogmatische focus hebben gekregen, terwijl het Concilie juist de onderlinge ordening van waarheden (hierarchia veritatum) wilde respecteren.
Door de inhoud te bewaren en de terminologie sober te houden, verzekerde het Concilie dat Maria’s medewerking: – volledig afhankelijk bleef van Christus, – niet als parallelle oorzaak van verlossing kon worden geïnterpreteerd, – en enkel verstaan kon worden binnen het ene heilsgebeuren.
3. Continuïteit, geen breuk
De keuze om geen nieuwe titel te definiëren betekent daarom geen breuk met de voorafgaande traditie, maar een bewuste vorm van dogmatische zelfbeperking. Lumen Gentium 56–62 bevat materieel alles wat de traditie over Maria’s unieke rol leert, maar formuleert dit relationeel en christologisch, niet titelmatig.
Deze conciliaire strategie bevestigt dat dogmatische waarheid niet uitsluitend via terminologische definitie wordt bewaard, maar ook — en soms juister — via contextuele en integratieve formulering.
Synthese en conclusie
Maria als ecclesiologisch model
De mariologische leer van Lumen Gentium bereikt haar volle betekenis wanneer zij ecclesiologisch wordt gelezen. Maria is niet enkel individu, maar type en beginvorm van de Kerk. Wat in haar persoonlijk is gerealiseerd, wordt in de Kerk collectief voortgezet.
Zoals Maria vóór de Menswording in geloof en gehoorzaamheid ontving, zo ontvangt de Kerk het Woord in verkondiging en sacrament. Zoals Maria onder het Kruis in liefde verenigd was met het offer van haar Zoon, zo staat de Kerk in iedere Eucharistie in dezelfde houding van ontvangende zelfgave. Zoals Maria na Pinksteren moederlijk zorg droeg voor de groei van het Lichaam van Christus, zo is de Kerk geroepen tot geestelijke vruchtbaarheid in de wereld.
Maria’s medewerking is daarom geen uitzondering naast de Kerk, maar haar zuiverste voorafbeelding. In haar ziet de Kerk wat zij zelf is en moet worden: bruid die ontvangt, moeder die voortbrengt, en dienares die geheel leeft uit genade.
Juist daarom is Maria’s unieke plaats geen bedreiging voor de Kerk, maar haar maatstaf. Zij bewaart de Kerk voor activisme zonder ontvankelijkheid en voor institutionalisme zonder liefde. Haar weg toont dat het heil altijd voorafgaat aan menselijke inzet en dat ware vruchtbaarheid alleen mogelijk is in gehoorzame verbondenheid met Christus.
In dit licht kan Maria’s medewerking zonder reserve worden beleden: niet als concurrentie met Christus, maar als de meest volmaakte realisatie van wat de Kerk zelf in Hem is geroepen te zijn.
De conciliaire en patristische traditie maakt duidelijk dat Maria’s medewerking aan het heilswerk geen latere toevoeging is, maar behoort tot de innerlijke logica van Gods menswording. Zij werkt mee vóór de Menswording door gehoorzaamheid, tijdens het verlossingsdrama door vereniging met het offer, en na Pasen door moederlijke zorg voor de Kerk.
Hedendaagse bezwaren worden overtuigend weerlegd wanneer men vasthoudt aan de fundamentele conciliaire regel: Maria staat nooit naast Christus als gelijke, maar altijd onder Hem en met Hem, in volledige afhankelijkheid. Juist daardoor wordt zij de meest doorzichtige gestalte van wat genade met een mens kan doen.
Voetnoten
Vgl. De katholieke Kerk, Godsdienstleer en Apologie. Onder redactie van Prof D. Bont en Dr. C.F. Pauwels O.P., N.V. Zonnewende Kortrijk / Het Spectrum Utrecht, Eerste deel, Boek 1-13, blz. 575-579.
Bibliografie (selectie)
- Tweede Vaticaans Concilie. Lumen Gentium. AAS 57 (1965).
- Irenaeus van Lyon. Adversus Haereses. SC 211.
- Ephrem de Syriër. Hymni. CSCO.
- Bernardus van Clairvaux. Opera. PL 183.
- Bonaventura. Opera Omnia. Quaracchi.
- Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, §§52–69.
- Irenaeus van Lyon, Adversus Haereses.
- Ephrem de Syriër, Hymnen over de Geboorte.
- Bernardus van Clairvaux, Homiliae super Missus est.
- Bonaventura, Lignum Vitae en Commentarius in Sententias.
Smakt, 25 januari 2026