Lezing door prof. Herman Vekeman over dr. Anna Terruwe
Terruwe herlezen voor vandaag: menswaardigheid, genezing en weerhoudende liefde
Algemene inleiding (Pastoor Geudens)
Het werk van dr. Anna Terruwe behoort tot die zeldzame erfenissen die hun betekenis niet verliezen, maar juist aan urgentie winnen naarmate de culturele context verandert. In het Nederlandstalige taalgebied is Terruwe’s naam wel bekend, maar haar kerninzichten worden vandaag niet altijd meer werkelijk gelezen, begrepen en doorgegeven. Precies daarom wil deze publicatie bijdragen aan een eenvoudige, toegankelijke en tegelijk inhoudelijk verantwoorde actualisering van haar gedachtegoed: niet als nostalgische terugblik, maar als levend kader voor mensvisie, begeleiding en genezing.
Terruwe’s centrale intuïtie — dat de mens in zijn kern goed is en dat psychische menswording gedragen wordt door bevestiging — raakt aan de breuklijnen van onze tijd. In een samenleving die steeds sneller draait op prestatie, controle en zelfpresentatie, worden vele mensen innerlijk eenzaam: men functioneert, maar voelt zich niet gekend; men “doet het goed”, maar ervaart zichzelf niet als goed. Terruwe’s taal kan dan bevrijdend zijn, omdat zij de aandacht verlegt van techniek naar ontmoeting, van gedrag naar grondwaarde, van prestatie naar ontvangen waardigheid. Haar begrippenveld — bevestiging, affectiviteit, frustratieneurose en weerhoudende liefde — biedt een menselijk realisme dat tegelijk ethisch en spiritueel geladen is.
Voor mij heeft deze actualisering ook een expliciet pastorale inzet. In pro-life pastoraat en in de begeleiding rond verlies, schuld en trauma — met name in de context van Rachel’s Vineyard — blijkt telkens opnieuw hoe diep verwond zelfwaarde en beschadigde relationele ontvankelijkheid kunnen zijn. Waar het publieke debat vaak verengt tot standpunten, slogans of polarisatie, vraagt de concrete mens om een andere benadering: erkenning, herstellende nabijheid en een weg waarin waarheid en barmhartigheid elkaar niet uitsluiten. Terruwe’s benadering helpt om het menselijk drama niet te reduceren tot “probleem” of “dossier”, maar om de persoon in zijn verborgen goedheid opnieuw te leren zien. Juist daar kan genezing beginnen: wanneer iemand niet eerst “beter moet worden” om waardig te zijn, maar bevestigd wordt om überhaupt te kunnen groeien.
In dat licht verdient ook het pionierswerk van Harrie Schijns (psychiater) blijvende aandacht. Hij was in zijn tijd een wegbereider die het belang van bevestiging en de genezende kracht van menselijke nabijheid onder woorden bracht en toepasbaar maakte voor de praktijk van begeleiding en vorming. Zijn intuïtie dat de mens niet primair door argumentatie, maar door relationele veiligheid en bevestigende ontmoeting tot herstel komt, blijkt vandaag verrassend actueel. Het is mijn overtuiging dat de lijnen van Schijns — eenvoudig geformuleerd en concreet beleefd — de brug kunnen slaan tussen Terruwe’s antropologie en de hedendaagse pastorale noden.
Mijn eigen betrokkenheid bij dit thema gaat terug tot mijn eindscriptie aan het Grootseminarie Rolduc te Kerkrade, waarvoor ik de titel Relatie als instrument van genezing formuleerde. In dat traject ontving ik steun en aanmoediging van pater Van Osch. Hij hielp mij de pastorale en antropologische draagwijdte van Terruwe’s inzichten niet slechts theoretisch te doorgronden, maar te verbinden met concrete mensen en levenssituaties. Wat toen als studie begon, heeft zich gaandeweg verdiept tot een blijvende overtuiging: bevestiging is geen “extra” naast pastorale zorg, maar een fundamentele grondhouding die het evangelische mensbeeld in het dagelijks handelen hoorbaar en voelbaar maakt.
Deze publicatie wil daarom geen definitief oordeel geven over alle historische verhoudingen en invloeden, maar vooral een uitnodiging zijn tot herlezing en herontdekking. De lezing van prof. Herman Vekeman, die hierna volgt, biedt een heldere synthese van Terruwe’s kerninzichten en laat zien hoe haar werk tegelijk klinisch, antropologisch en existentieel is. Wie zich door haar laat aanspreken, ontdekt dat “bevestiging” niet slechts een begrip is, maar een opdracht: een weg om mensen opnieuw te laten leven vanuit hun ontvangen waardigheid — en zo, in de volle breedte van het bestaan, de hele mens te dienen.
Kernpunten in het kort
- Aanleiding en context: Herdenking van dr. Anna Terruwe († 28 april 2004) en situering van haar betekenis; studienamiddag (5 oktober 2005) over “Bevestiging in geest, woord en daad”.
- Kernintuïtie: De mens is in zijn diepste kern goed; echte genezing en groei beginnen bij bevestiging.
- Levenswerk en weg: Terruwe wordt psychiater om mensen te genezen; na een moeilijke periode van veroordeling (1949–1965) volgt rehabilitatie en brede invloed via praktijk, lezingen en publicaties.
- Frustratieneurose: Een toestand van eenzaamheid, onveiligheid en gebrekkig gevoelscontact, vaak gecompenseerd door zelfbevestiging (macht, druk, manipulatie).
- Genezing (niet alleen symptoombestrijding): Herstel van zelfwaardegevoel en vermogen tot gelijkwaardig relationeel contact, door de gevoelsontwikkeling opnieuw op gang te brengen.
- Bevestiging als methode én houding: De ander mag “geheel zijn zoals hij is” en mag groeien “op zijn wijze en op zijn uur” — met geduld en respect voor tempo.
- Bevestiging begint vroeg: Preventie start niet pas bij geboorte; prenatale en vroege relationele welkom-ervaringen zijn funderend; de moeder als “eerste bevestiger”.
- Affectiviteit (kernhouding): Niet “emotioneel zijn”, maar voorzichtig, respectvol en belangeloos verwijlen bij de verborgen goedheid van de ander; zichtbaar in stem, blik, gebaar.
- Weerhoudende liefde: Liefde rijpt; bij onbeantwoorde wederkerigheid kan “lijden” worden omgevormd tot trouw wachten en ruimte geven, zodat de ander kan ontvangen.
- Psychische menswording: Ontstaat door een belangeloze ontmoeting waarin iemand zichzelf leert kennen als goed, waardevol en beminnenswaardig; wie zo bevestigd is, wordt ook bekwaam om anderen te bevestigen.
- Slotaccent: De beslissende kracht is belangeloze affectiviteit: een warme levensstroom die anderen helpt hun goedheid te ontdekken en aan te nemen.
Inleiding – Toelichting bij de lezing van Herman Vekeman (Wim Laumans)
De figuur en het werk van dr. Anna Terruwe (1911–2004) blijven tot op heden inspireren, omdat zij op een unieke wijze klinische observatie, psychologische antropologie en een uitgesproken personalistische mensvisie met elkaar wist te verbinden. In de lezing die hier volgt, biedt prof. Herman Vekeman een inhoudelijk rijke en zorgvuldig opgebouwde synthese van Terruwe’s kerninzichten. Daarmee doet hij niet alleen recht aan haar persoon en haar wetenschappelijke en klinische nalatenschap, maar draagt hij tevens bij aan een hernieuwde waardering van haar betekenis binnen de hedendaagse reflectie op menswording, affectiviteit en relationele genezing.
De redactie acht publicatie van deze lezing bijzonder aangewezen, omdat zij Terruwe’s denken situeert binnen een bredere antropologische en therapeutische context, zonder haar benadering te reduceren tot een specifieke methodiek. Terruwe’s concept van bevestiging wordt helder uitgewerkt als een fundamenteel relationeel en antropologisch gegeven, dat voorafgaat aan techniek en interventie. Bevestiging verschijnt bij haar niet als een instrumenteel middel, maar als een voorwaarde voor psychische rijping en affectieve ordening: de ervaring door een ander als persoon te worden erkend, in waardigheid en ontvankelijkheid.
Juist in het publieke discours is zorgvuldige positionering van Terruwe’s werk noodzakelijk gebleken. Haar bevestigingsleer is soms vereenvoudigd of vereenzelvigd met andere stromingen binnen de psychologische en therapeutische praktijk. De lezing van Vekeman laat zien dat Terruwe’s denken een eigen, coherent en theologisch-resonant antropologisch kader bezit, waarin affectiviteit, frustratie, weerhoudende liefde en psychische menswording op organische wijze samenhangen. Haar benadering wortelt in een personalistische mensvisie waarin de mens niet wordt benaderd als probleemdrager of object van behandeling, maar als persoon die geroepen is tot innerlijke vrijheid en relationele volwassenheid.
Tegen deze achtergrond beoogt deze publicatie de lezer een dubbele dienst te bewijzen. Enerzijds biedt zij een nauwkeurige en toegankelijke kennismaking met Terruwe’s centrale begrippen — bevestiging, affectiviteit, frustratieneurose, psychische menswording en weerhoudende liefde. Anderzijds maakt zij duidelijk dat Terruwe’s werk niet kan worden herleid tot een therapeutische techniek, maar gelezen moet worden als een samenhangende mensvisie, waarin “het goede” als kern van de persoon zowel psychologisch, pedagogisch als ethisch-spiritueel betekenis krijgt. De lezing van Vekeman onderstreept zo de blijvende actualiteit van Terruwe’s denken voor hedendaagse vragen rond genezing, opvoeding en menselijke waardigheid.
Abstract
Deze bijdrage biedt een systematische en thematisch geordende samenvatting van de kerninzichten van dr. Anna Terruwe (1911–2004), zoals gepresenteerd in een herdenkingslezing. Uitgangspunt vormt Terruwe’s overtuiging dat de goedheid de blijvende kern van elke mens vormt en dat psychische menswording slechts mogelijk is door bevestiging binnen een belangeloze, relationele ontmoeting. Tegen de achtergrond van haar biografische en wetenschappelijke ontwikkeling wordt haar centrale diagnose van de frustratieneurose uitgewerkt: een toestand van existentiële eenzaamheid, onzeker zelfwaardegevoel en verstoorde gevoelsontwikkeling, vaak gecompenseerd door vormen van zelfbevestiging en machtsuitoefening. De bijdrage laat zien hoe Terruwe genezing niet primair opvat als symptoomreductie, maar als herstel van gevoelsmatige ontvankelijkheid, zelfwaarde en relationeel contact. Daarbij wordt affectiviteit — verstaan als het voorzichtig, respectvol en belangeloos verwijlen bij de verborgen goedheid van de ander — gepositioneerd als kernhouding van haar bevestigingsleer en onderscheiden van louter emotionele beleving. Vervolgens wordt Terruwe’s visie op de voortreffelijkheid van de liefde en de weerhoudende liefde geanalyseerd: liefde als dynamisch proces van schenken en ontvangen, dat in situaties van onbeantwoorde wederkerigheid vraagt om zelfbeheersing en terughouding ter wille van de ander. Ten slotte wordt psychische menswording uitgewerkt als vrucht van een belangeloze ontmoeting waarin de mens zichzelf leert kennen als goed, waardevol en beminnenswaardig. Elf samenhangende aspecten van ‘goedheid’ worden onderscheiden, met implicaties voor opvoeding, therapie, ethiek en spiritualiteit. De bijdrage besluit met een narratieve reflectie die onderstreept dat affectiviteit, in haar belangeloosheid, een beslissende kracht vormt voor menselijke genezing en gemeenschapsvorming.
Bevestiging van de hele mens: een opgave
Dames en heren,
Op 5 mei 2004 hebben wij, na een indrukwekkende eucharistieviering en in een zee van witte bloemen, mevrouw Anna Terruwe begraven op het Jacobshof te Deurne. Zij was op 28 april 2004 overleden, na een bewogen leven, en is — zo geloven wij — op weg gegaan naar de eeuwige gemeenschap met de Heer, de Vader en de heilige Geest. Op haar bid- of doodsprentje stond nog een gebed dat God haar en alle mensen die haar in en buiten de tijd zouden opzoeken, wilde bevestigen.
Een dag vóór haar overlijden, op 27 april 2004, kocht ik nog een ansichtkaart met de waterlelies van Claude Monet. Ik wilde haar daarbij het boek Bevestiging, Erfdeel en Opdracht overhandigen. Dat is niet meer gelukt. Vandaag, 5 oktober 2005, bieden het dr. Anna Terruwe-centrum en de Vormingsdienst Guislain van de Broeders van Liefde een studienamiddag aan over “Bevestiging in geest, woord en daad”. Ik ben u allen die hier aanwezig zijn daar dankbaar voor.
Mij werd gevraagd om, in eenvoudige woorden, te herinneren aan de ontdekkingen van Anna Terruwe. Daarbij wil ik de nadruk leggen op haar onverwoestbare overtuiging dat “het goede” de blijvende kern is van elke mens. Dat probeer ik te doen, al kan ik enkele moeilijke sleutelwoorden niet vermijden: bevestiging, psychische menswording, het gezonde zelfwaardegevoel, tederheid, de vreugde en het lijden van (weerhoudende) liefde, frustratieneurose en zelfbevestiging, en ten slotte het wezen van affectiviteit. Het zijn grote woorden. Wie Terruwe echt wil verstaan, moet haar geschriften herhaald lezen.
Terruwe geloofde vast dat mensen gelukkig willen zijn. Dat verlangen is haar niet vreemd, maar juist zeer menselijk. Veel mensen zoeken geluk in de voortreffelijkheid van de liefde: in de ervaring dat twee mensen op elkaar afgestemd zijn, zonder zichzelf te verliezen. Dat was haar droom als kind, als jong meisje en als volwassen vrouw — de droom die ieder mens kent. Maar zij zag ook hoe die droom in het leven vaak wordt doorkruist. Velen leven eenzaam, raken psychisch ontregeld of worden ziek: het tegendeel van wat zij verlangde.
Daarom ging Anna Terruwe studeren. Zij koos voor psychiatrie en werd zenuwarts. Zij wilde mensen ontmoeten en genezen. Ze vestigde zich in Nijmegen, aan de universiteit en in haar praktijk. Maar al snel liep ze tegen een crisis aan: waarom kon zij, ondanks studie en inzet, de mensen die haar bezochten nauwelijks genezen? Moest ze haar droom dan maar opgeven?
In 1935, toen ze 24 jaar was, vond zij een eerste begin van antwoord. Ze hoorde een moeilijke voordracht van prof. Duynstee en kwam tot het inzicht dat Sigmund Freud de ziektebeelden van psychisch gestoorden niet altijd juist had beschreven. In haar proefschrift breidde ze haar onderzoek uit met wat zij later verder uitwerkte als de angst- en energieneurose, en uiteindelijk benoemde als frustratieneurose.
Toch bleef de weg lang. In 1949, toen Terruwe 38 was, werden haar leer en haar praktijk veroordeeld door het Heilig Officie in Rome. Die periode duurde tot 1965. Daarna werd zij gerehabiliteerd en begon zij aan een indrukwekkende reeks publicaties en lezingen. In haar spreekkamer hielp zij duizenden mensen uit de hele wereld.
In 1973 schreef zij: “Ik moet wel spreken, ik kan niet anders meer; want wat ik gezien heb, heeft feitelijk te maken met het liefdesleven en het geluk van ieder mens.” Wat had zij gezien?
1. Frustratieneurose: eenzaamheid, onzekerheid en de vlucht in zelfbevestiging
Terruwe ontdekte dat achter sommige beelden die men “verdringingsneurose” noemde, een ernstiger toestand schuilging. Mensen in deze toestand dragen een groot gevoel van eenzaamheid. Vaak voelen zij ook onzekerheid over de waarde van hun eigen persoon en ervaren zij een basaal onveiligheidsgevoel. Daarbij komt nog een onvermogen om met andere mensen gelijkwaardig gevoelscontact aan te gaan. Hun tastzin blijft vaak achter; hun gevoelsleven ontwikkelt zich niet normaal, maar lijkt te blijven steken in een vroeg stadium.
Tegelijk kunnen lichaam en verstand zich wél normaal ontwikkelen. Precies dáármee proberen zulke mensen hun gevoelsarmoede te verbergen of te camoufleren. Ze voelen zich vanbinnen opgesloten, maar gebruiken verstand en kracht om zich tegen anderen te keren. Zij zetten druk, kleineren, onderdrukken — en bevestigen zichzelf in kleine en grote dingen. Hun “geneesmiddel” wordt dan: zelfbevestiging. Onze wereld kent velen die zo leven.
Deze ontdekking was al indrukwekkend; nog indrukwekkender was Terruwe’s overtuiging dat genezing mogelijk is. Niet alleen “symptomen verminderen”, maar: bevrijding uit eenzaamheid, herstel van zelfwaardegevoel en herwonnen vermogen tot normaal gevoelscontact.
Zij ging bij duizenden mensen zoeken waar hun gevoelsontwikkeling was vastgelopen. En ze ontdekte: er is een moment waarop iemand lichamelijk en verstandelijk wél mocht groeien, maar gevoelsmatig alleen werd gelaten — zonder bevestiging. Genezing vraagt dan dat men de gevoelsontwikkeling weer losmaakt en laat groeien.
Terruwe formuleerde het scherp: in bevestiging mag de ander “geheel zijn zoals hij is”, opdat hij kan worden wie hij nog niet kan zijn — op zijn wijze en op zijn uur. Dat vraagt geduld, respect en een diep aanvoelen van tempo. Terruwe droeg die houding ook zelf: zij had zestien jaar lang moeten wachten; zij wist wat het betekent om tijd te gunnen.
Zij beschrijft bijvoorbeeld een jonge vrouw (28) die nooit bevestiging had ontvangen van vader of moeder. Ze was intelligent en werkte als apothekersassistente, maar had geen werkelijk gevoelscontact met anderen. Ze deed een ernstige suïcidepoging. In de begeleiding moest haar leven als het ware opnieuw beginnen: gewone dagelijkse handelingen, spelen, eenvoud, en zelfs het herwinnen van geloof. Toen Terruwe op vakantie was, raakte deze vrouw ontregeld en kreeg ruzie met iedereen. Juist door haar niet te forceren maar haar tempo en tijd te respecteren, kon Terruwe haar bevestigen en openen naar zichzelf en anderen. Terruwe herkende het goede in haar en schonk haar dat terug. De vrouw voelde zich bevestigd — en kon op haar beurt bevestigen.
2. Bevestiging begint eerder dan wij denken
Dit voorbeeld laat zien hoe beslissend het is om te begrijpen waar en wanneer iemand alleen is gelaten, geen gezond zelfwaardegevoel kon ontwikkelen en zich is gaan afsluiten van anderen. Het leert ons hoe belangrijk het is om gevoelsontwikkeling opnieuw in beweging te brengen — steeds volgens de wijze en de tijd van de ander. En het kan ons vooral leren hoe we kunnen voorkomen dat een frustratieneurose zich ontwikkelt.
Men denkt al gauw: voorkomen begint bij de geboorte van een kind. Maar strikt genomen is het kind dan al negen maanden oud. Bovendien hebben de ouders al een heel leven achter zich. In die zin begint de bevestiging van een nieuw kind bij de geboorte van zijn ouders — en zelfs eerder.
Daarom is prenatale zorg belangrijk: de omgang met het kind in de moederschoot. Via stem en aanraking laten ouders het groeiende kind ervaren: je bent welkom, en welkom zoals je bent. Het kind wordt als het ware begroet door de handen en harten van moeder en vader, en vaak ook door broertjes en zusjes. Zo kan het wennen aan de “handen en harten” van zijn wereld.
Na de geboorte is het kind in het bijzonder aangewezen op de moeder. Zij heeft primair de taak om het kind in zijn eigenheid te bevestigen: discreet, belangeloos en op haar eigen wijze laat zij steeds weer voelen dat het kind goed is — ook wanneer het lastig of vermoeiend wordt. De moeder is de eerste bevestiger.
Frederik van Eeden schreef hierover een gedicht, over het moment dat het kind voor het eerst teruglacht:
“Hij zond het liefdeteken tot ons weer, Hij lachte zelf en was niet eenzaam meer.”
Terruwe hield van dit gedicht, omdat de dichter begreep dat in die glimlach iets van psychische menswording begint: het kind verlaat zijn eenzaamheid doordat het de moeder als goed ervaart — en bevestigt haar met zijn eerste glimlach. Een kind dat zo opgroeit, zal doorgaans ook anderen bevestigen, tenzij het later hard botst op afwijzing en verzet. Dan wordt de houding van vader en moeder opnieuw beslissend. Meestal loopt het goed: het kind heeft bevestiging ontvangen en teruggeschonken; het ontwikkelt een gezond zelfwaardegevoel. Het weet: ik ben goed — en wil dat ook zijn.
3. Affectiviteit: de kernhouding van bevestiging
Maar wat gebeurt er als we, in ontmoetingen met andere mensen, botsen op werelden van zelfbevestiging — waar status en macht overheersen? Terruwe kwam dat vaak tegen. En zij ontdekte iets wat zij affectiviteit noemde. Zij zei in de geest van haar werk: pas wanneer ik zélf geraakt word, kan ik de ander raken. En affectiviteit betekent: voorzichtig, respectvol en belangeloos verwijlen bij de verborgen goedheid van de ander.
Daarmee raakt zij de kern van haar bevestigingsleer. Deze affectiviteit was de kracht waarmee zij tijdens consultaties en toespraken zoveel mensen heeft geholpen, genezen en bemoedigd.
Het woord “affectiviteit” wordt echter vaak misverstaan. In het gewone taalgebruik betekent het “emotioneel”, verbonden met een gemoedstoestand. Dat bedoelde Terruwe niet. Juist die verwarring heeft ertoe geleid dat haar leer vaak verkeerd is uitgelegd. Daarom moeten we nauwkeurig kijken naar haar bedoeling.
In echte bevestiging “verwijlt” de bevestiger bij de verborgen goedheid van de ander — voorzichtig, respectvol en belangeloos. Dat is iets anders dan de doorsnee ontmoeting tussen specialist en patiënt, waar het soms alleen gaat over “een tumor” en niet over “een mens met een tumor”. Gezegend zijn de artsen en hulpverleners die de mens blijven zien.
Terruwe ontving als zenuwarts vaak mensen met frustratieneurose: mensen die nooit bevestigd waren in hun verborgen goedheid. Zij hadden geen zelfwaardegevoel ontvangen en konden daarom de goedheid van anderen niet zien of erkennen.
Waarom is die goedheid “verborgen”? Terruwe was ervan overtuigd dat elke mens in wezen goed is, maar dat die goedheid niet kan uitstromen als ze niet eerst door een ander wordt gezien en benoemd. Wanneer iemand hoort: jij bent goed, herkent hij zichzelf en ontvangt hij zelfwaarde. Uit talloze ervaringen concludeerde Terruwe dat mensen uitzien naar hun bevestiger, en dat het uitblijven van deze vervulling leidt tot lijden en frustratieneurose.
Affectiviteit is dus een houding waarin men aanwezig blijft bij die verborgen goedheid. “Verwijlen” betekent: verblijven, aanwezig zijn — maar meer nog: geraakt worden door de goedheid van de ander. Dat geraakt worden wordt zichtbaar in stemkleur, blik, woordkeuze en gebaar. Affectiviteit is nooit opdringerig; ze zoekt, herkent en bevestigt de goedheid van de ander. De te bevestigen mens neemt het geraakt-zijn van de bevestiger waar, buiten zichzelf, in diens bewogenheid. Zijn eigen verborgen goedheid wordt voor hem zichtbaar in de ander — in zijn bevestiger.
Daarom is affectiviteit voorzichtig: ze wil de goedheid niet afschrikken door geweld, scherpe woorden of blikken. Ze is respectvol: ze vermijdt alles wat de ander zou doen twijfelen aan zijn goedheid. En vooral is ze belangeloos: de bevestiger zoekt niet zichzelf, maar de goedheid van de ander. Als de ander dat merkt, kan hij zich openen en op zijn beurt bevestigen.
Zo wordt duidelijk dat affectiviteit tot de kern van bevestiging behoort en een houding is waarin de hele mens actief is: niet alleen gevoel, maar ook verstand. Het is een wijze van aanwezig zijn die waarneemt, afweegt, geduld heeft, en tegelijk warm en raak is.
4. De voortreffelijkheid van de liefde en de weerhoudende liefde
Na deze begrippen (bevestiging, zelfbevestiging, frustratieneurose, ontvangen grondwaardegevoel en affectiviteit) blijft de vraag: wat bedoelde Terruwe met de voortreffelijkheid van de liefde, met weerhoudende liefde en met psychische menswording?
Liefde verschijnt in het leven als welbehagen in de ander: men ziet iemand graag, vindt iemand mooi, verlangt naar aanwezigheid, denkt graag aan de ander, zoekt nabijheid, spreekt en deelt. Liefde is een psychisch gebeuren, maar heeft altijd ook een lichamelijke kant: kijken, spreken, aanraken, ruiken en luisteren horen erbij. Waar liefde als innerlijke beweging en lichamelijkheid samenkomen, ontstaat tederheid: het besef dat de ander kwetsbaar is en onaantastbaar. Tederheid is als het ware een zuster van belangeloosheid: zij laat de ander zijn wie hij is, en brengt rust in de ontmoeting. Zij “kleurt” ogen, stem en handen.
Ook in seksualiteit maakt tederheid het verschil: affectiviteit in de liefde zoekt wederkerigheid — het wil slechts wat de ander ook wil. Zo kan gelijkheid en gelijkwaardigheid groeien. De loutere effectiviteit van de passie eist op; daar ontbreekt gelijkwaardigheid, en gemeenschap kan dan afgedwongen en destructief worden.
Na de eerste fase van welbehagen moet liefde rijpen. Niemand kan voortdurend in de roes van welbehagen blijven. De ander verschijnt steeds meer als een concreet “ik”, als een volledig en gelijkwaardig persoon. Dan groeit het verlangen: mag de ander mijn liefde aannemen en beantwoorden? Wanneer dat gebeurt, ervaren geliefden de vreugde van de liefde.
Maar dat verlangen kan ook onbeantwoord blijven: omdat het niet gezien wordt, niet aanvaard wordt, of om allerlei redenen niet beantwoord kan worden. Dat is het lijden van de liefde. Dat lijden kan liefde beschadigen en soms vernietigen. In Europa ziet men hoe relaties die begonnen met welbehagen, na perioden van lijden uiteengaan: niet het verleden, zelfs niet kinderen, houdt dan nog samen. Men dacht dat welbehagen vanzelf naar vreugde zou leiden — en liep vast in lijden.
Terruwe meende dat velen in zulke momenten de weerhoudende liefde niet kennen. Liefde is in haar voortreffelijkheid een proces van schenken en ontvangen. Maar soms kan iemand nog niet ontvangen; soms kan iemand nog niet volledig schenken. Wat dan? Moet men besluiten dat liefde voorbij is? Of is er een andere weg?
In zulke momenten moet het proces van de liefde worden behoed door degene die daartoe het meest in staat is. Niet door de ander te forceren, maar door hem niet te storen. Alles wat de vreugde of rust van de ander zou verstoren, wordt teruggehouden, zolang de ander het niet kan dragen. Eén van beide partners houdt zich terug om de ander tijd en ruimte te gunnen. Liefde wil immers dat de ander zichzelf mag zijn. En precies dat noemt Terruwe weerhoudende liefde: zich schenken in de mate en op de wijze die aangepast is aan de ontvanger.
Zo kan het uur van het lijden van de liefde het uur van de weerhoudende liefde worden. De passie en het verlangen om uit te stromen worden dan geleid door de rede. Men laat het verlangen niet zomaar uitstromen, omdat de ander er niet klaar voor is of het niet kan ontvangen. Men weerhoudt zichzelf.
Wanneer de ander dit later opmerkt, kan hij erkennen: jij hebt op mij gewacht; jij hebt mij niet opgeëist, maar vastgehouden. Dat sterkt het zelfwaardegevoel en verdiept de wederzijdse liefde. Wie weerhoudende liefde niet kent, dreigt te bezwijken onder het lijden van de liefde; wie haar kent, vindt in dat lijden een weg om de ander werkelijk vast te houden.
5. Psychische menswording: vrucht van belangeloze ontmoeting
Terruwe sluit haar visie af met de psychische menswording. Zij verstond die als vrucht van een belangeloze ontmoeting met een ander mens, die mij herkent en erkent en mij — zoals ik ben — als goed en waardevol bevestigt. Daardoor word ik als het ware aan mijzelf onthuld: “zoals jij bent, ben je goed.”
Daarom is het voor kinderen zo beslissend dat zij niet alleen in prestaties worden vastgezet (“de knapste”, “de slimste”), en ook niet worden vastgepind op mislukkingen (“de domste”, “de ondeugendste”). Dan wordt de toekomst van het kind vastgespijkerd aan uiterlijk of prestatie, of wordt het kind naar de rand geduwd. Het goedheidsgevoel wordt niet geschonken en kan niet groeien. Het kind leeft immers in de wereld van zijn ouders; daar moet het de boodschap krijgen: jij bent goed zoals je bent.
Wie thuis bevestigd wordt, zal later — opgroeiend en volwassen — die psychische menswording willen doorgeven. Hij is goed geworden en wil het goede ook in anderen wekken. Met een gezond zelfwaardegevoel kan hij anderen helpen de waarde van “goed zijn” te ontdekken: wij horen bij elkaar, omdat wij elkaar bevestigen als goede mensen.
Waarom is die vrucht “belangeloos”? Omdat ze vrucht is van liefde. Wie de ander wil bezitten voor eigen genot, leeft geen liefde maar passie. Iemand “goed” noemen is geen truc om welwillendheid te verkrijgen; het is een erkenning van wat iemand is. Elke mens is goed — maar “zijn moeder” moet hem dat belangeloos zeggen.
6. Elf aspecten van “goedheid” in Terruwe’s bevestigingsgeschriften
In Terruwe’s spreken over goedheid kunnen we (zoals in de lezing wordt uitgewerkt) elf aspecten onderscheiden:
- Ervaring van eigen goedheid wekt zelfwaardegevoel.
- Alleen vanuit die zelfwaarde kan men de ander die dit schonk als waardevol erkennen.
- Men opent zich voor de wereld en wil liefhebben, omdat men liefde ontving.
- Psychische menswording is het beste wat een mens kan overkomen: worden wat je bent.
- Goedheid ervaar je via een ander, die dit belangeloos schenkt.
- De plaats waar dit geschenk ontvangen wordt, is de gevoelsliefde.
- Vanuit gevoelsliefde wordt wederzijdse bevestiging mogelijk; men kan vrij voor het goede kiezen.
- Vrijheid van de bevestigde mens: de ander laten zijn wie hij is en kan worden.
- Psychische menswording is open en dynamisch: men kan elke dag goed zijn voor anderen.
- Ontdekking van eigen goedheid leidt tot kritische, onderscheidende blik: men herkent zelfbevestiging en manipulatie.
- Ervaring van eigen goedheid drijft naar buiten: men wil bouwen aan een wereld van geluk en liefde voor allen.
7. Filosofie, ethiek en een slotverhaal
De lezing plaatst Terruwe’s “goedheid” vervolgens tegenover klassieke vragen uit filosofie en ethiek: is goedheid eigenschap van de mens zelf, of ontstaat zij in ervaring? Ook religieuze filosofie en moderne kritiek op religie en moraal komen langs.
Als antwoord vertelt de spreker een verhaal over “Sasja”, een jongen die in zijn omgeving wordt weggezet als “dorpsidioot”. Hij is luidruchtig en chaotisch, leeft met pijn en eenzaamheid, en zingt ’s avonds zijn leven uit. Tegelijk blijkt hij zorgzaam: hij helpt oude dames met boodschappentassen, helpt in de tuin, wordt kameraden met de spreker, luistert ontroerd naar muziek, en zegt bij het afscheid: “Sie sind ein guter Mensch.” Later verandert zijn leven door liefde en erkenning: rust, verbondenheid, hand in hand op weg.
Daarmee eindigt de lezing met een kernzin: affectiviteit is een warme levensstroom die men belangeloos kan schenken, zodat anderen hun eigen goedheid ontdekken en aannemen. De kracht van affectiviteit ligt in haar belangeloosheid. Zij wekt en stimuleert een gezond zelfwaardegevoel bij andere mensen.
Laat dit mijn antwoord zijn — en moge het ook het uwe zijn, als pastorale begeleider, bij vragen rond ethiek en spiritualiteit, ja: bij alle vragen.
Ik dank u.
Herman Vekeman
Geraadpleegde literatuur
- Nuttin, J., Psychoanalyse en spiritualistische opvatting van de mens. Antwerpen–Utrecht, 1949³.
- Terruwe, A.A.A., De neurose in het licht van de rationele psychologie. Roermond–Maaseik, 1954³.
- Terruwe, A.A.A., De frustratieneurose. Lochem–Poperinge, 1981⁵.
- Terruwe, A.A.A., Geef mij je hand… Over bevestiging als sleutel tot menselijk geluk. Lochem, 1973⁵.
- Terruwe, A.A.A., Ouders en kinderen op weg naar de toekomst. Lochem, 1976.
- Terruwe, A.A.A., Mens-geworden zijn en bevestiging. Lochem, 1973.
- Terruwe, A.A.A., Affectiviteit–effectiviteit: breekpunt van menselijk leven. Over waarde-overdracht in het onderwijs. Lochem, 1988.
- Terruwe, A.A.A. & Van Cranenburgh, H.P. (Dom), Hooglied van de nieuwe liefde. Antropologie van de weerhoudende liefde. Averbode / Gooi en Sticht, 1996.
- Terruwe, A.A.A., “Wat ik in overweging zou willen geven aan de vrouw in het religieuze leven”, Aggiornamento 7 (1975) nr. 3, 1–12.
- Vekeman, H., “Bevestigende omgang met jeugdigen”, Abri 73 (2003), 27–34.
- Vekeman, H. (red.), Bevestiging – Erfdeel en opdracht. Anna Terruwe: bevinding en perspectief. Budel: Damon, 2004.
Slotwoord
Wie vandaag om zich heen kijkt, ziet hoe gemakkelijk mensen verdwalen in een cultuur van snelheid, meetbaarheid en zelfpresentatie. Relaties worden vluchtiger, kwetsbaarheid wordt sneller geproblematiseerd, en innerlijke pijn wordt vaak “opgelost” met techniek, prikkels of diagnose-taal. Tegelijk groeit een stille honger naar iets anders: naar gezien worden zonder voorwaarden, naar een woord dat niet beoordeelt maar opent, naar nabijheid die niet bezit maar draagt. Juist in die context klinkt dr. Anna Terruwe’s boodschap verrassend actueel en bijna profetisch: de mens leeft niet van perfectie, maar van bevestiging; niet van prestatie, maar van ontvangen waardigheid.
De thema’s die in deze lezing worden uitgewerkt — frustratieneurose, affectiviteit, tederheid en weerhoudende liefde — raken aan wat velen vandaag ervaren, maar nauwelijks kunnen benoemen: de spanning tussen een innerlijk gemis en een buitenkant die “het goed doet”. Terruwe leert ons zien dat genezing begint waar de mens niet langer gereduceerd wordt tot probleem, symptoom of dossier, maar waar zijn verborgen goedheid opnieuw wordt aangesproken. Dat is geen sentiment en geen naïef optimisme. Het is een veeleisende houding: geduldig, respectvol en belangeloos aanwezig blijven, zodat de ander in zijn tijd en op zijn wijze weer kan groeien.
Dit slotperspectief is ook van pastorale betekenis. In situaties van verlies, schuld en trauma — waar schaamte en zelfverwijt het laatste woord dreigen te hebben — blijkt telkens opnieuw dat een mens niet eerst “sterk” of “waardig” moet worden om liefde te ontvangen. Integendeel: waar iemand bevestigd wordt, kan hij of zij pas weer leren ontvangen, vertrouwen en kiezen voor het goede. Zo krijgt bevestiging een concrete ethische en spirituele diepte: zij verbindt waarheid met barmhartigheid, en rechtvaardigheid met genezing.
Moge deze publicatie daarom niet alleen gelezen worden als een waardevol document uit een traditie, maar als een uitnodiging tot praktijk: tot een manier van kijken, spreken en nabij zijn die mensen helpt om opnieuw mens te worden. In een tijd van verharde tegenstellingen en innerlijke eenzaamheid is dat misschien wel een van de meest noodzakelijke vormen van dienstbaarheid: de ander bevestigen in zijn goedheid, opdat hij kan worden wie hij is — ook wanneer hij dat nu nog niet kan.
Bronnen
Bronvermelding: Haptonomisch Contact, 17e jaargang, nr. 1 (maart 2006), p. 8–18.
Online raadpleging: https://www.haptonomischcontact.nl/wp-content/uploads/2015/08/HC-2006-1.pdf
Pastoor Geudens, Smakt, 30 januari 2026