Drie katholieke psychiaters over bevestiging; Anna Terruwe – Conrad Baars – Harrie Schijns

Standaard

Drie katholieke psychiaters over bevestiging

Anna Terruwe – Conrad Baars – Harrie Schijns

Visie en praktijk van een katholieke psychologie


Samenvatting

Dit artikel onderzoekt de betekenis van bevestiging (affirmation) binnen de katholieke psychologie aan de hand van drie psychiaters: Anna Terruwe, Conrad Baars en Harrie Schijns. Het betoogt dat bevestiging geen therapeutische techniek is, maar een voor-ethische, antropologische voorwaarde voor menselijke vrijheid, moreel handelen en geestelijke rijping. Terruwe fundeert deze visie klinisch en antropologisch; Baars verdiept en internationaliseert haar in het perspectief van vrijheid; Schijns incarneert haar in de Nederlandse psychiatrische en pastorale praktijk. Door hun werk in samenhang te lezen, wordt zichtbaar hoe een katholieke psychologie mogelijk is die zowel klinisch verantwoord als theologisch coherent is, en waarin psychiatrie, zielzorg en sacramenteel leven ordelijk verbonden blijven.


Inleiding

In de Nederlandse geschiedenis van psychiatrie en zielzorg neemt Harrie Schijns een bijzondere plaats in. Hij was geen theoreticus op afstand, maar een praktiserend psychiater (zenuwarts) én zielzorger die in zijn dagelijkse werk zichtbaar maakte hoe klinische psychiatrie, christelijke antropologie en pastorale zorg elkaar wederzijds kunnen dragen. Daarmee werd hij een scharnierfiguur in de doorwerking van het gedachtegoed van Anna Terruwe en Conrad Baars in Nederland, én een concrete gesprekspartner voor hagiotherapeutische initiatieven en hedendaags pastoraat.

Om Schijns theologisch en wetenschappelijk recht te doen, moet hij niet geïsoleerd worden beschouwd, maar geplaatst worden binnen het driespan Terruwe–Baars–Schijns. Deze drie katholieke psychiaters delen eenzelfde kernintuïtie: bevestiging is geen methode, maar een antropologische voorwaarde voor genezing. Hun onderlinge samenhang maakt zichtbaar dat hier geen marginale pastorale psychologie wordt ontwikkeld, maar een serieuze bijdrage aan de fundamentele antropologie waarop zowel psychiatrie als theologie aangewezen zijn.


1. Anna Terruwe: bevestiging als voor-ethische grondslag

Anna Terruwe geldt terecht als grondlegger van een personalistische psychologie waarin bevestiging centraal staat. Haar fundamentele stelling luidt dat de mens pas moreel kan handelen, liefhebben en verantwoordelijkheid kan dragen wanneer hij zich existentieel bevestigd weet in zijn zijn.¹

Daarmee verschuift zij het zwaartepunt van de psychopathologie: veel neurotische stoornissen zijn niet primair het gevolg van moreel falen of verkeerde keuzes, maar van een tekort aan affectieve bevestiging in de ontwikkelingsgeschiedenis.² Bevestiging betekent hier geen goedkeuring van gedrag, maar een relationele erkenning van het bestaan van de persoon.

In samenwerking met Conrad Baars werkte Terruwe dit inzicht uit tot een psychiatrie waarin vrijheid, affectieve rijping en relationele ontvankelijkheid constitutieve voorwaarden zijn voor gezondheid. Cruciaal is haar onderscheid tussen psychologie en geloof: zij vermengt beide niet, maar houdt ze ordelijk onderscheiden. Geloof kan slechts gezond functioneren wanneer de affectieve structuur van de persoon niet beschadigd is.³ Daarmee anticipeert zij op een klassieke theologische intuïtie: gratia supponit naturam.


2. Conrad Baars: bevestiging en vrijheid

Conrad Baars heeft Terruwe’s inzichten internationaal uitgewerkt, vooral in de Verenigde Staten. Waar Terruwe sterk klinisch-diagnostisch fundeert, legt Baars een uitgesproken nadruk op vrijheid. Vrijheid ontstaat volgens hem niet door wilskracht, ascese of morele druk, maar doordat iemand zich existentieel veilig en bevestigd weet.⁴

Baars analyseert scherp hoe religie, wanneer zij niet gedragen wordt door bevestiging, kan ontaarden in angst, dwang en scrupulositeit.⁵ Daarmee levert hij een beslissende bijdrage aan een katholieke psychologie die zowel theologisch trouw als klinisch realistisch is. Geloof is geen alternatief voor psychische genezing, maar vraagt er in zekere zin om.

Samen vormen Terruwe en Baars het theoretisch en klinisch fundament van wat voorzichtig een katholieke psychologie genoemd kan worden: geen ideologie, maar een antropologisch verantwoorde visie op menswording waarin vrijheid, affectiviteit en waarheid elkaar niet uitsluiten.


3. Harrie Schijns: bevestiging in de Nederlandse praktijk

Binnen dit gedachtegoed fungeerde Harrie Schijns als een van de belangrijkste klinisch-pastorale vertegenwoordigers in Nederland. Werkzaam als psychiater en zielzorger in Breda, met wortels in het Ignatiusziekenhuis en later vanuit een eigen praktijk, belichaamde hij concreet wat Terruwe en Baars theoretisch en klinisch hadden uitgewerkt.

Zijn dubbele titel — psychiater én zielzorger — is programmatisch. Zij wijst op een praktijk waarin:

  • psychiatrie de geestelijke dimensie niet reduceert tot bijzaak;
  • zielzorg psychologisch realistisch blijft en vrij van angst, dwang en scrupulositeit.

Waar Terruwe fundeerde en Baars internationaliseerde, incarneerde Schijns deze visie in de Nederlandse context. Hij liet zien dat bevestiging geen abstract concept is, maar een houding die het hele diagnostische en therapeutische proces doortrekt.


4. Wetenschappelijk werk: bevestiging als brug

Schijns’ publicaties zijn opvallend consistent brugteksten. In De bevestigingsleer als brug tussen psychiatrie en christelijke spiritualiteit positioneert hij bevestiging expliciet als verbindend principe tussen kliniek en geloof.⁶

In latere bijdragen aan het Tijdschrift voor Psychiatrie werkt hij met een biopsychosociaal-spiritueel model, waarin de spirituele dimensie niet optioneel is, maar structureel deel uitmaakt van diagnostiek en behandeling.⁷ Geloof verschijnt hier niet als privé-mening, maar als klinisch relevante betekenislaag.

Daarmee opereert Schijns binnen de reguliere psychiatrie, maar verruimt hij haar antropologische horizon — een positie die hem tot een sleutelgetuige maakt van katholieke psychologie in Nederland.


5. Praktijkvisie: onderscheiden om te verbinden

In zijn klinische praktijk werkte Schijns consequent met meerdere niveaus: biologisch, psychologisch, sociaal én spiritueel. Thema’s als schuld, schaamte en existentiële angst werden niet gereduceerd tot symptoomruis, maar hermeneutisch serieus genomen. Kenmerkend is zijn onderscheid tussen intrinsiek en extrinsiek geloof:

  • intrinsiek geloof werkt bevrijdend en bevestigend;
  • extrinsiek geloof werkt verkrampend, angstgedreven en dwangmatig.⁸

Hier wordt de diepe verwantschap zichtbaar met Terruwe en Baars, én met klassieke theologie: geloof geneest niet automatisch. Het kan pas heilzaam functioneren wanneer de persoon innerlijk vrij mag zijn.


6. Verwantschap met hagiotherapie

Schijns gaf cursussen en gebedsbijeenkomsten in het kader van hagiotherapie en werkte samen met hagiotherapeutische initiatieven. Hoewel de Nederlandse traditie niet identiek was aan de systematische methodiek van Tomislav Ivančić, deelt zij dezelfde grondintuïtie: de mens is een eenheid van lichaam, psyche en spirituele ziel, en genezing vraagt soms expliciete aandacht voor die spirituele kern. Hier krijgt het begrip zielzorger zijn volle betekenis. Schijns’ psychiatrische blik bleef open voor existentiële en religieuze dynamiek, zonder deze te spiritualiseren of te psychologiseren.


7. Brugfunctie binnen de katholieke psychologie

Schijns was geen systeemdenker, maar een brugfiguur. Hij liet zien dat katholieke psychologie geen label is, maar een wijze van kijken:

  • de persoon is relationeel geconstitueerd;
  • genezing begint bij bevestiging;
  • geloof is pas gezond wanneer het bevrijdt.

Juist voor het Nederlandse publiek is dit van groot belang. Schijns maakt zichtbaar dat Terruwe’s gedachtegoed hier niet slechts een historisch hoofdstuk is, maar daadwerkelijk heeft geleefd — in kliniek, pastoraat en persoonlijke begeleiding.


8. Betekenis en nalatenschap

Met het overlijden van Harrie Schijns is in Nederland een zichtbaar hoofdstuk afgesloten. Institutionele voortzetting van de Terruwe-Baars-psychologie is schaars gebleven, terwijl zij in de Verenigde Staten voortleeft in instituten en opleidingen.

De betekenis van Schijns ligt echter niet in instituties, maar in belichaamde trouw: hij hield een personalistische, katholieke psychologie levend door haar te doen. Daarmee verdient hij een duidelijke plaats naast Terruwe en Baars — niet als theoretische grootheid, maar als belichaming van een geleefde visie.


Conclusie

Anna Terruwe legde het fundament.
Conrad Baars verbreedde en verdiepte het.
Harrie Schijns bracht het thuis.

Samen tonen zij dat bevestiging geen marginale factor is, maar een constitutief criterium voor genezing. In een context waarin psychologie en spiritualiteit veelal gescheiden worden benaderd, wijst hun gezamenlijke nalatenschap erop dat genezing begint bij erkenning — op het snijvlak waar psychiatrie, theologie en zielzorg elkaar noodzakelijk ontmoeten.

Voetnoten

  1. A.A. Terruwe, Psychotherapie en levensbeschouwing, Nijmegen 1958.
  2. A.A. Terruwe & C. Baars, Psychic Wholeness and Healing, New York 1979.
  3. A.A. Terruwe, Geloven zonder angst en vrees, Utrecht 1981.
  4. C. Baars, Feeling and Healing Your Emotions, New Rochelle 1979.
  5. C. Baars, Born Only Once, New Rochelle 1990.
  6. W. Schijns, “De bevestigingsleer als brug tussen psychiatrie en christelijke spiritualiteit”, in: W.J. Eijk (red.), Psychiatrie, ethiek en christelijke spiritualiteit, Oegstgeest 1998.
  7. W.A.C. Schijns, “Casuïstiekbespreking: de spirituele dimensie in diagnostiek en behandeling”, Tijdschrift voor Psychiatrie 1 (2026) B-156.
  8. M.R. De Vries-Schot & W.A.C. Schijns, “Geïntegreerd geloof bevordert de gezondheid”, Tijdschrift voor Psychiatrie 1 (2026) B-156.

Pastoor Geudens, Smakt, 5 februari 2026