Katholieke psychotherapie in naoorlogs Nederland

Standaard

Historische analyse en thomistische theologische duiding


A. Historisch-wetenschappelijke samenvatting

Katholieke psychotherapie in naoorlogs Nederland — Marit Monteiro (2018)

1. Auteur en context van het onderzoek

Marit Monteiro is historicus, verbonden aan de Radboud Universiteit, en gespecialiseerd in de wisselwerking tussen religie, cultuur en de geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg. In 2018 publiceerde zij het artikel Katholieke psychotherapie in naoorlogs Nederland: grenzen, gender en gezag in de affaire Terruwe in het Tijdschrift voor Geschiedenis.1

Monteiro positioneert haar onderzoek expliciet binnen de historiografie van religie en professionalisering. Zij benadert de affaire Terruwe niet primair vanuit een theologisch-dogmatisch perspectief, maar als een historisch knooppunt waarin kerkelijke instituties, wetenschappelijke disciplines en culturele machtsverhoudingen elkaar kruisen. Juist deze methodologische keuze maakt haar studie bijzonder relevant voor latere systematisch-theologische reflectie.


2. Onderzoeksvraag en centraal thema

Het artikel onderzoekt de ontwikkeling van de katholieke psychotherapie in Nederland in de periode na de Tweede Wereldoorlog, met bijzondere aandacht voor de spanningen die ontstonden tussen kerkelijk gezag en de zich professionaliserende psychiatrie. Centraal staat de zogenoemde affaire Terruwe: een controversiële episode waarin de katholieke psychiater en psychotherapeut Anna Terruwe (1911–2004) in 1956 onderwerp werd van een officiële waarschuwing van het Heilig Officie wegens twijfels over de morele toelaatbaarheid van haar psychotherapeutische praktijk.2

Monteiro analyseert hoe Terruwe, als academisch gevormd psychiater én overtuigd katholiek, haar therapeutische methode trachtte te legitimeren binnen kerkelijke kaders. Zij zocht daarbij bewust aansluiting bij invloedrijke geestelijken en poogde haar klinische inzichten te verankeren in een theologisch en moraaltheologisch aanvaardbaar raamwerk.3 Daarmee verschijnt Terruwe niet als buitenstaander, maar als een actor die van binnenuit participeerde in het katholieke discours.


3. Grenzen en autoriteit: psychotherapie en zielzorg

Een kernpunt in Monteiro’s analyse betreft de afbakening van bevoegdheden tussen twee domeinen:

  • psychotherapie, opgevat als medische en wetenschappelijke behandeling van psychische problematiek;
  • zielzorg, verstaan als pastorale begeleiding binnen de kerkelijke traditie.

Terruwe’s praktijk bracht fundamentele vragen aan het licht over gezag over het innerlijk leven van de mens: ligt dit primair bij de medische professional met klinische expertise, of bij de pastor met moreel-theologisch gezag? Deze vragen hadden niet alleen betrekking op professionele competenties, maar raakten ook diepgewortelde hiërarchische en gendergebonden structuren binnen de Kerk. Terruwe opereerde immers als vrouwelijke arts in een overwegend mannelijk en clericaal machtsveld, wat haar positie institutioneel kwetsbaar maakte.4

Monteiro interpreteert de waarschuwing van het Heilig Officie daarom niet primair als een doctrinaire veroordeling, maar als een vorm van institutionele grensbewaking. Psychotherapie diende binnen kerkelijke controle te blijven en ondergeschikt te zijn aan moraaltheologische normen, terwijl psychiaters als Terruwe streefden naar wetenschappelijke autonomie en professionele legitimiteit.5 De spanning betrof aldus niet alleen inhoud, maar vooral gezagsstructuren.


4. Historiografische herwaardering van Anna Terruwe

Een belangrijke bijdrage van Monteiro’s studie ligt in haar correctie van eerdere historiografische interpretaties waarin de affaire Terruwe werd voorgesteld als een eenvoudige overwinning van modernisering en secularisering binnen de katholieke geestelijke gezondheidszorg. Tegenover dit schema laat Monteiro zien dat Terruwe geen vrijzinnige hervormer was die zich tegen de Kerk keerde, maar integendeel haar werk bewust binnen de kerkelijke orde wilde verantwoorden en legitimeren.6

Hierdoor verschijnt de affaire niet als een botsing tussen “vooruitgang” en “achterlijkheid”, maar als een complex proces van interne professionalisering binnen een religieuze context, waarin wetenschap, moraal en kerkelijk gezag nog geen gedeeld antropologisch kader hadden ontwikkeld.


5. Breder historisch kader: psychologie en moraaltheologie

Monteiro situeert haar analyse in de bredere geschiedenis van de katholieke receptie van moderne psychologie in de twintigste eeuw. Deze receptie werd mede vormgegeven door moraaltheologen en denkers zoals Willem Duynstee (1886–1968), die trachtten psychologische concepten — waaronder verdringing, affectieve ontwikkeling en innerlijke conflicten — theologisch te herformuleren en te integreren binnen het bestaande moraaltheologische kader.7

De jaren vijftig en zestig worden gekenmerkt door een voortdurende dialoog én conflict tussen moraaltheologie en psychiatrie. Deze spanning weerspiegelt bredere vragen naar de verhouding tussen natuur en genade, psychologie en moraal, wetenschap en kerkelijk gezag.


6. Historische conclusie

Monteiro’s studie biedt een genuanceerde en gedifferentieerde analyse van:

  • de opkomst en institutionalisering van katholieke psychotherapie in Nederland;
  • de gezags- en grensvraagstukken rond Anna Terruwe;
  • de rol van gender en hiërarchie binnen kerk en wetenschap;
  • de structurele spanning tussen moderniteit en kerkelijke traditie.

De hier geboden analyse blijft bewust binnen de grenzen van de historische discipline. Juist daardoor fungeert zij als een onmisbaar fundament dat vraagt om verdere systematisch-theologische doordenking van de onderliggende antropologische en moraaltheologische aannames — een taak die buiten het bereik van de historische methode valt, maar zich des te dringender aandient voor de theologie.8


B. Overgang: van historisch dossier naar thomistische theologische lezing

Affirmatie, moraal en gezag gelezen vanuit het Kruis

Het historisch onderzoek van Monteiro maakt duidelijk dat de affaire rond Anna Terruwe niet kan worden gereduceerd tot een incidenteel conflict tussen kerkelijk gezag en wetenschappelijke vernieuwing. Wat hier zichtbaar wordt, is een dieperliggend spanningsveld binnen het katholieke mensbeeld zelf: de verhouding tussen affectieve rijping en morele aanspreekbaarheid, tussen innerlijke genezing en normatieve correctie, tussen gezag en vrijheid.

Monteiro toont overtuigend aan dat de waarschuwing van 1956 niet primair voortkwam uit leerstellige afwijking, maar uit onzekerheid omtrent grensafbakening: wie draagt gezag over het innerlijk leven van de mens, en volgens welk antropologisch kader wordt dit gezag uitgeoefend? De botsing voltrok zich precies op het snijvlak van psychotherapie, zielzorg en moraaltheologie — domeinen die institutioneel wel werden onderscheiden, maar theologisch onvoldoende ordelijk verbonden waren.

Hier wordt een lacune zichtbaar die niet louter historisch, maar wezenlijk theologisch van aard is. Morele normativiteit kan slechts vruchtbaar worden aangesproken wanneer de mens affectief beschikbaar is om verantwoordelijkheid te dragen. De historische spanning rond Terruwe wijst daarmee op een onvolledig antropologisch kader, waarin de affectieve orde onvoldoende werd erkend als voorwaarde voor morele vrijheid.

Juist op dit punt biedt een herlezing vanuit Thomas van Aquino een beslissend verdiepend perspectief. In de thomistische traditie is moraal geen extern opgelegde wet, maar een ordening van het menselijk handelen die veronderstelt dat de menselijke vermogens — rede, wil en affectiviteit — in hun onderlinge samenhang kunnen functioneren. Morele toerekenbaarheid (actus humanus) veronderstelt niet alleen kennis en vrijheid, maar ook een innerlijke dispositie (habitus) die het handelen mogelijk maakt secundum rationem en niet fundamenteel verlamd is.9

Vanuit dit kader kan de affirmatie-intuïtie van Terruwe en Baars theologisch worden verstaan als een voor-ethische realiteit: niet als psychologisering van het geloof, maar als deelname aan de scheppingsorde zelf. De mens moet eerst mogen bestaan — bevestigd worden in zijn zijn — alvorens hij werkelijk moreel kan antwoorden. Moraal volgt op relatie, niet omgekeerd. God openbaart zich immers niet eerst als Wetgever, maar als Schepper die bevestigt: “het is goed.”

Deze thomistische herlezing vindt haar beslissende norm niet in abstracte antropologie, maar in het Kruis van Christus. Het Kruis openbaart een vorm van waarheid en gezag die niet breekt om te corrigeren, maar draagt om te redden. Waarheid blijkt daar waar zij zichzelf prijsgeeft ten dienste van het heil van de ander. In dit licht verschijnt affirmatie niet als toegeeflijkheid, maar als een kruisvormige aanwezigheid — een theologisch uitgangspunt dat elders uitvoeriger wordt uitgewerkt binnen de hier gehanteerde kruis-criteriologie (zie de thematische dossierpagina over kruistheologie).

Vanuit deze kruis-criteriologie wordt ook het kerkelijk gezag zelf herijkt. Correctie die voorafgaat aan verstaan, normering zonder onderscheid van affectieve rijping, en moraal zonder aandacht voor innerlijke draagkracht missen de vorm van het Kruis. Zij kunnen formeel juist zijn, maar werken existentieel destructief. De tragiek van de affaire Terruwe ligt dan ook niet in ongehoorzaamheid, maar in een gemiste integratie: psychotherapie, zielzorg en sacramenteel leven werden niet onderscheiden én verbonden volgens een gedeelde antropologische orde.

Hiermee wordt het historisch dossier van Monteiro meer dan een afgesloten episode. Het functioneert als een theologische toetssteen voor de vraag hoe Kerk, moraal en pastoraat omgaan met de kwetsbare innerlijke mens. In een Kerk die vandaag geconfronteerd wordt met de gevolgen van geestelijk en lichamelijk geweld, blijkt deze kwestie profetisch: waar bevestiging ontbreekt, ontstaan pathologieën — ook religieuze.

Dit vormt daarom het noodzakelijke overgangspunt naar een systematisch-theologische uitwerking: een thomistische herlezing van affirmatie, moraal en gezag, gelezen vanuit het Kruis, waarin affectieve rijping, morele verantwoordelijkheid en genade niet tegen elkaar worden uitgespeeld, maar in hun eigen orde worden onderscheiden en in Christus tot eenheid worden gebracht.


Auteursprofiel

Pastoor Jack Geudens is rooms-katholiek priester, gevormd aan het Grootseminarie Rolduc, waar zijn filosofische en theologische opleiding expliciet stoelde op de denktraditie van Thomas van Aquino. In deze thomistische vorming werd bijzondere aandacht besteed aan de samenhang tussen antropologie, moraaltheologie en genadeleer, met een uitgesproken focus op menselijke vermogens, habitusvorming en morele verantwoordelijkheid.

Naast zijn priesteropleiding volgde hij de opleiding Arbeidstherapie, waarin de mens wordt benaderd als een handelend en relationeel wezen binnen zijn concrete leef- en werkomgeving. Deze vorming richt zich op het opbouwen, ondersteunen en optimaliseren van het menselijk functioneren, in het bijzonder waar kwetsbaarheid, psychisch lijden of existentiële breuklijnen het dagelijks leven en werken onder druk zetten. Centraal staat daarbij niet prestatie, maar herstel van draagkracht, participatie en zinvolle betrokkenheid op de werkelijkheid.

Deze dubbele achtergrond — thomistische theologie en arbeidstherapeutische menskunde — bepaalt blijvend zijn theologisch en pastoraal uitgangspunt. Moraal, spiritualiteit en pastoraat kunnen volgens hem slechts vruchtbaar zijn wanneer zij aansluiten bij de reële draagkracht van de persoon en diens affectieve rijping.

Vanuit een expliciet gelovig perspectief verstaat Geudens arbeid, therapie en pastoraat als plaatsen waar de scheppingsgoedheid van God zichtbaar kan worden in bevestiging, nabijheid en herstel. In aansluiting bij de affirmatietraditie van Anna Terruwe en Conrad Baars leest hij menselijke ondersteuning niet als vervanging van genade, maar als een menselijke ontvankelijkheidsruimte waarin genade kan genezen en verheffen (gratia sanans et elevans).

Het theologisch kader van het werk van pastoor Jack Geudens wordt gedragen door een kruis-criteriologie, waarin waarheid en gezag worden onderscheiden naar hun vermogen om de mens te dragen en te bevrijden. Het Kruis van Christus fungeert daarbij als hermeneutische sleutel voor moraal, gezag en genezing: waarheid openbaart zich daar waar zij zichzelf geeft ten dienste van het heil van de ander.

Met kruistheologie wordt in dit werk geen afzonderlijke thematische theologie bedoeld naast andere disciplines, maar een fundamenteel hermeneutisch perspectief van waaruit geloof, mensbeeld, moraal en kerkelijk gezag worden verstaan. Het Kruis fungeert daarbij niet louter als object van devotie of als een geïsoleerd soteriologisch moment, maar als criterium van waarheid en onderscheiding.

Kruistheologie vertrekt vanuit de overtuiging dat het beslissende zelfopenbaringsmoment van God niet samenvalt met macht, succes of zichtbare werkzaamheid, maar met zelfgave, kwetsbaarheid en dragende liefde. In het Kruis openbaart God niet alleen wat Hij doet voor de mens, maar vooral hoe waarheid, gezag en liefde zich tot elkaar verhouden. Waarheid verschijnt hier niet als overweldigende evidentie, maar als een werkelijkheid die zichzelf prijsgeeft om de ander te redden.

Binnen deze benadering wordt het Kruis verstaan als toetssteen voor alle theologische en pastorale claims. Waar waarheid breekt wat zij zegt te dienen, verliest zij haar christelijke gestalte. Waar gezag corrigeert zonder te verstaan, of normativiteit wordt opgelegd zonder rekening te houden met de draagkracht van de persoon, daar ontbreekt de vorm van het Kruis. Kruistheologie verzet zich daarmee zowel tegen moralisme als tegen relativisme: zij zoekt niet de afschaffing van waarheid of norm, maar hun kruisvormige verwerkelijking.

Antropologisch betekent kruistheologie dat de mens niet primair wordt benaderd als autonoom moreel subject, maar als relationeel en kwetsbaar wezen, geschapen naar Gods beeld en tegelijk getekend door onrijpheid, verwonding en breuk. Het Kruis openbaart dat God deze kwetsbaarheid niet omzeilt, maar draagt. Vanuit dit perspectief krijgt bevestiging een centrale plaats: de mens moet eerst mogen bestaan, voordat hij werkelijk aangesproken kan worden op verantwoordelijkheid. Moraal volgt op relatie, niet omgekeerd.

In aansluiting bij een thomistisch mensbeeld wordt binnen de kruistheologie benadrukt dat morele vrijheid en verantwoordelijkheid slechts mogelijk zijn waar de innerlijke vermogens van de mens — rede, wil en affectiviteit — daadwerkelijk kunnen functioneren. Het Kruis maakt zichtbaar dat Gods omgang met de mens niet begint bij eis, maar bij gave; niet bij norm, maar bij nabijheid. Daarom wordt kruistheologie verbonden met een affirmatieve benadering van de mens, zonder deze te reduceren tot psychologie.

Ecclesiologisch impliceert kruistheologie een herijking van gezag. Kerkelijk gezag wordt niet opgevat als controle over het innerlijk leven van de gelovige, maar als dienst aan diens vrijheid in waarheid. Gezag is authentiek voor zover het de ander helpt staan, niet voor zover het hem breekt. Correctie, onderscheiding en normering blijven noodzakelijk, maar verliezen hun legitimiteit wanneer zij losraken van verstaan, barmhartigheid en dragende aanwezigheid.

Samenvattend kan kruistheologie in het werk van pastoor Geudens worden omschreven als een theologische leesregel: het Kruis fungeert als criterium om te onderscheiden of waarheid bevrijdt of overheerst, of moraal vormt of verlamt, of gezag dient of domineert. Het Kruis is daarbij niet één thema onder andere, maar de plaats waar theologie haar eigen maat ontvangt.


Voetnoten

  1. M. Monteiro, “Katholieke psychotherapie in naoorlogs Nederland: grenzen, gender en gezag in de affaire Terruwe”, Tijdschrift voor Geschiedenis 131 (2018) 2, 256–276.
  2. Ibid., 260–266.
  3. Ibid., 263–270.
  4. Ibid., 271–273.
  5. Ibid., 274–276.
  6. Ibid., 267–270.
  7. W. Duynstee, Psychologie en moraaltheologie, Utrecht 1952.
  8. Monteiro, Katholieke psychotherapie, 274–276.
  9. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 1–6; q. 49–54.