Pro-life onder het Kruis
Een personalistische verdediging vanuit Duynstee – Terruwe – Baars – Schijns – Stockman – Geudens
Samenvatting
Met dit schrijven presenteer ik een personalistische verdediging van de menselijke waardigheid en het recht op leven, geworteld in een antropologische continuïteit die zichtbaar wordt in de lijn van Willem Duynstee, Anna Terruwe, Conrad Baars, Harrie Schijns, René Stockman en mijzelf, Jack Geudens. Met uitzondering van Stockman en mijzelf behoren deze denkers tot een inmiddels afgesloten generatie, wier werk blijvende betekenis heeft voor hedendaagse ethische, psychologische en pastorale vraagstukken.
De centrale these luidt dat menselijke waardigheid geen afgeleide is van autonomie, functioneren of maatschappelijke erkenning, maar een intrinsieke eigenschap van de persoon als ondeelbare eenheid van lichaam, psyche en geestelijke ziel. Vanuit deze personalistische antropologie wordt het kwetsbare leven — met name ongeboren, psychisch gewond of existentieel lijdend leven — niet benaderd als probleem, maar als toetssteen voor waarheid en beschaving.
In deze bijdrage wil ik tonen hoe Duynstee het juridisch-antropologische fundament legde, hoe Terruwe en Baars de psychologische kwetsbaarheid van de persoon blootlegden via het begrip bevestiging, en hoe Schijns waakte over een ordelijke verhouding tussen psychiatrie, spiritualiteit en zielzorg. In de institutionele visie van Stockman krijgt deze antropologie gestalte in zorgstructuren waarin barmhartigheid en waarheid samenkomen. In mijn schrijven wordt deze lijn verder doordacht vanuit een expliciet theologisch perspectief, waarin het kruis fungeert als ultiem criterium voor menswaardigheid.
Onderstaande tekst beoogt geen historisch overzicht, maar een normatieve herneming: een samenhangend personalistisch kader dat richtinggevend kan zijn voor pro-life ethiek, pastorale begeleiding en zorgpraktijken in de hedendaagse context.
Inleiding – Pro-life voorbij het debat
Het pro-life-vraagstuk laat zich niet adequaat benaderen als louter ethisch of politiek conflict. Waar het leven zelf wordt gereduceerd tot keuze, functie of draaglast, wordt de menselijke persoon ontkend vóórdat de morele discussie begint. Een theologisch verantwoorde verdediging van pro-life moet daarom dieper reiken: naar de antropologische, affectieve en spirituele voorwaarden waaronder leven als menswaardig kan verschijnen — ook wanneer het ongewenst, beschadigd of lijdend is.
De hier gepresenteerde lijn — Duynstee, Terruwe, Baars, Schijns, Stockman en mijzelf, pastoor Geudens — vormt voor mij een continuüm van inzicht waarin de menselijke persoon wordt verstaan als relationeel, gewond en toch aanspreekbaar, gedragen binnen de spanning van natuur, vrijheid en genade. Voor mij vindt deze lijn haar ultieme samenhang in het Kruis, niet als metafoor, maar als actuele werkelijkheid: Christus lijdt door de tijd heen, existentieel en werkelijk, in elk gekruisigd leven.
1. De persoon vóór de keuze – Duynstee
Bij Willem Duynstee ligt het onopgeefbare fundament. Tegenover juridisch positivisme en functioneel mensbeeld herneemt hij de persoon als drager van innerlijk gezag. Menselijke waardigheid is geen resultaat van erkenning, maar juist haar voorwaarde. Zij gaat vooraf aan autonomie, bewustzijn en maatschappelijke aanvaarding.
Theologisch is dit beslissend voor een pro-life benadering: het ongeboren, zieke of stervende kind is niet waardig omdat het later iets zou kunnen worden, maar omdat het reeds persoon is. Elke poging om menselijk leven te wegen naar kwaliteit, toekomstperspectief of draagkracht verlaat het morele kader nog vóór het eigenlijke debat begint. Duynstee ontneemt daarmee de legitimiteit aan elke uitsluitingslogica die abortus wil rechtvaardigen.
2. Bevestiging als eerste morele daad – Terruwe
Anna Terruwe vertaalt dit antropologisch inzicht naar het concrete menselijke bestaan. Haar bevestigingsleer laat zien dat de morele orde alleen werkelijk kan worden eigen gemaakt wanneer het zelf in zijn bestaan wordt bevestigd. Waar die bevestiging ontbreekt, groeit geen vrijheid, maar angst.
In pro-life-contexten is dit inzicht van groot belang. Veel vrouwen die hun zwangerschap niet kunnen dragen, blijken zelf te leven vanuit een geschiedenis van affectieve ontkenning. Terruwe maakt duidelijk dat abortus zelden het resultaat is van werkelijke vrijheid, maar veeleer voortkomt uit existentiële ontworteling. Zij verdedigt het leven door te tonen dat het probleem niet ligt in een teveel aan moraal, maar in een tekort aan bevestiging — van zowel moeder als kind. Daarmee corrigeert zij tegelijk moreel rigorisme en permissieve banaliteit.
3. De waarheid van de wonde – Baars
Bij Conrad Baars krijgt deze analyse een radicale verdieping. Zijn beschrijving van emotional deprivation disorder maakt zichtbaar hoe structureel het onbevestigd-zijn het vermogen tot liefhebben aantast. Abortus verschijnt in dit perspectief niet als oplossing, maar als een verergering van een reeds bestaande innerlijke amputatie.
De theologische betekenis van Baars’ werk ligt in zijn correctie van elke vorm van spiritualiserende dwang: genade kan slechts genezend werkzaam zijn waar de menselijke natuur niet structureel wordt ontkend. Post-abortuslijden is daarom geen randverschijnsel, maar een getuigenis van de waarheid dat ontkend leven niet verdwijnt, maar zich blijvend inschrijft in het innerlijk. Pro-life betekent hier de verdediging van de menselijke ziel tegen verdere verarming.
4. Onderscheiding als barmhartigheid – Schijns
Harrie Schijns bewaart de noodzakelijke orde. Hij weigert zowel psychologisering van schuld als spiritualisering van trauma. Psychiatrie, zielzorg en sacrament hebben elk een eigen competentie — en precies daardoor kunnen zij elkaar dienen.
In pro-life-vraagstukken voorkomt deze onderscheiding dat het lijdende kind, de moeder of de priester middel wordt in een ideologisch verhaal. Schijns verdedigt het leven door trouw te blijven aan de werkelijkheid, ook wanneer die niet oplosbaar is. Waar men alles wil verklaren of oplossen, verdwijnt de persoon; waar men onderscheid bewaart, kan zij blijven bestaan.
5. Menswaardigheid in structuren – Stockman
Broeder René Stockman vertaalt deze visie naar institutioneel niveau. In zorg, pedagogiek en beleid bewaart hij het personalistische ethos tegen de druk van efficiëntie en autonomie-fetisjisme. Zijn inzet toont dat pro-life niet kan overleven zonder structuren die kwetsbaarheid dragen.
Hier wordt duidelijk dat verdediging van leven meer vraagt dan overtuiging: zij vraagt duurzame praktijken waarin het zwakke leven niet wordt geselecteerd, maar beschermd. Pro-life wordt zo dagelijkse trouw, niet morele leus.
6. Het Kruis als laatste criterium – Geudens
Bij mij, Jack Geudens, komt deze lijn tot expliciete theologische eenheid.
Het kruis-criterium onthult voor mij dat Christus niet alleen historisch geleden heeft, maar nu lijdt, door de tijd heen, in elk gekruisigd leven. Elk gestorven of lijdend kind is voor mij daarom geen mislukking van de schepping, maar een plaats van actuele tegenwoordigheid.
Hier wordt pro-life voor mij radicaal: zelfs waar genezing onmogelijk is, blijft de persoon beminbaar; zelfs waar het leven sterft, blijft het menswaardig genoeg om niet losgelaten te worden. Het Kruis corrigeert zowel hard moreel oordeel als zachte ontkenning: bevestiging wordt hier geen sentimentaliteit, maar deelname aan Gods blijvende keuze voor het kwetsbare leven.
Conclusie – Pro-life als vorm van trouw
In deze personalistische lijn is pro-life voor mij geen ideologie, maar een vorm van trouw aan de lijdende Christus.
Niet omdat het leven altijd gered kan worden,
maar omdat het nooit opgegeven mag worden.
Vanaf Duynstee zie ik hoe zichtbaar wordt:
de mens kan slechts vrij worden wanneer hij eerst bevestigd is;
en bevestiging wordt voor mij pas volledig waar,
wanneer zij standhoudt onder het Kruis.
Pastoor Geudens, Smakt, 6 februari 2026