Dora Visser – Levensschets Deel 1
Inleiding
Het leven van Dorothea Visser kan worden gelezen als een geleidelijke opbouw van kruisspiritualiteit: een weg waarin het lijden niet centraal staat om zichzelf, maar als plaats van vereniging met Jezus — de Gekruisigde én Verrezene. Haar geschiedenis toont hoe uiterlijke armoede, lichamelijke kwetsbaarheid en verborgenheid innerlijk werden omgevormd tot een liefdesantwoord op Christus.
Van jongs af aan groeide in haar een diepe gerichtheid op God. Wat begon als kinderlijk gebed, gevoed door haar moeder en grootmoeder, werd gaandeweg een bewuste toewijding. In de Eucharistie vond zij het middelpunt van haar bestaan: daar ontmoette zij niet enkel de lijdende Christus, maar de levende Heer die zich blijvend schenkt. Deze eucharistische verbondenheid vormde de grondslag van haar kruisspiritualiteit.
Het ongeval dat haar op twaalfjarige leeftijd blijvend tekende, bracht haar bestaan onder het teken van afhankelijkheid en pijn. Toch werd dit lijden geen bron van verbittering, maar van verdieping. In plaats van zich tegen het kruis te verzetten, leerde zij het te dragen als deelname aan de liefde van Christus. Haar overgave was niet fatalistisch, maar relationeel: zij wilde behoren aan Jezus, Hem beantwoorden in trouw.
De verschijnselen die vanaf 1843 bij haar optraden en als stigmata werden beschouwd, vormden geen beginpunt maar een bevestiging van een reeds innerlijk gegroeide gelijkvormigheid. Wat zij in haar hart leefde — liefde tot Jezus Gekruisigd — werd zichtbaar in haar lichaam. Tegelijk bleef haar spiritualiteit gericht op de Verrezene: het kruis was voor haar nooit het einde, maar de doorgang naar leven.
In stilte, vaak omgeven door wantrouwen en terughoudendheid, volhardde zij drieëndertig jaar in deze weg. Haar leven nodigt uit om kruisspiritualiteit niet te verstaan als zoeken naar lijden, maar als een steeds diepere vereniging met Christus in Zijn liefde — een liefde die door het kruis heen naar verrijzenis voert.
Graf en stille devotie
Dora Visser is begraven op het kerkhof van Olburgen. Haar graf en de kleine devotiekapel vormen tot op heden een plaats van stille aanwezigheid. Bezoekers komen er om te bidden, te gedenken of eenvoudig te zwijgen. De devotie is sober van aard en respecteert haar verlangen naar verborgenheid.
https://openmonumentendagbronckhorst.nl/monument/olburgen-olburgseweg-kapel-en-muur-begraafplaats/
Stichting en zorg voor haar nalatenschap
Ter bewaring van haar levensverhaal en de bijbehorende documentatie bestaat de Stichting Vrienden van Dora Visser. De stichting richt zich op betrouwbare informatie, het onderhoud van de devotieplek en een zorgvuldige omgang met haar nalatenschap.
https://www.doravisser.com
Kerkelijke context
Binnen de rooms-katholieke Kerk is op enig moment een traject verkend met het oog op mogelijke erkenning van haar leven en betekenis. Daarbij waren vertegenwoordigers van het Aartsbisdom Utrecht en canoniek-juridische deskundigen betrokken, en er is Romeinse aandacht geweest. Voor zover publiek bekend ligt dit traject momenteel stil. Over de verdere beoordeling wordt geen uitspraak gedaan; deze blijft voorbehouden aan het kerkelijk gezag.
https://www.aartsbisdom.nl (zoekterm: Dora Visser)
Abstract (samenvatting)
Kruisspiritualiteit: verloten in Jezus’ Gekruisigde Liefde
Dit werk beschrijft de spirituele ontwikkeling van Dorothea Visser als een geleidelijke, steeds dieper wordende inlijving in de gekruisigde liefde van Christus. Haar levensgang openbaart een mystieke dynamiek waarin armoede, vernedering, lichamelijk lijden en bovennatuurlijke tekenen niet op zichzelf staan, maar functioneren als fasen van een innerlijke gelijkvormigheid aan Jezus Gekruisigd.
1. De verborgen wortel: armoede en uitverkiezing
Haar geboorte in armoede te Gendringen vormt geen toevallige achtergrond, maar de nederige bedding waarin een leven van overgave kan groeien. De uiterlijke geringheid correspondeert met een innerlijke ontvankelijkheid: haar bestaan begint reeds onder het teken van de kenosis – de zelfontlediging – die ook Christus kenmerkt.
2. Eucharistische grondslag van de kruisspiritualiteit
Reeds in haar kinderjaren openbaart zich een intense eucharistische gerichtheid. De Eerste Heilige Communie wordt het centrum van haar leven. Hier ligt het fundament van haar kruisspiritualiteit: niet het lijden als doel, maar de liefde tot Jezus in het Sacrament. Haar latere deelname aan het lijden van Christus vloeit voort uit deze eucharistische eenheid. De Gekruisigde die zij liefheeft in de Communie, wordt de Gekruisigde met wie zij zich verenigt in het lijden.
3. Vernedering als innerlijke configuratie
De herhaalde vernederingen in haar jeugd vormen een leerschool van stil aanvaarde verwerping. In plaats van verzet groeit in haar een zwijgende instemming met Gods wil. Hier wordt de kruisspiritualiteit verdiept: niet alleen pijn verdragen, maar zich in liefde laten vormen door vernedering.
4. Lichamelijk lijden als participatie
Het ongeval aan haar been en de daaropvolgende pijnlijke behandelingen markeren een nieuwe fase: het kruis krijgt een lichamelijke gestalte. Toch verlangt zij niet naar genezing, maar naar trouw. Het lijden wordt geen obstakel, maar een plaats van vereniging. Zij interpreteert het als bescherming, als genade, als weg naar heiliging.
5. Ascese en vrijwillige versterving
Haar vastenpraktijken tonen een vrijwillige medewerking aan het kruis. Deze ascese is geen zelfkwelling, maar een liefdesantwoord: zij wil beantwoorden aan de liefde van Christus door zelfgave. De droom van Maria en haar liefde voor de zielen in het vagevuur verbreden deze spiritualiteit tot plaatsvervangend lijden – een offer voor anderen.
6. Zuiverheid en innerlijke trouw
De zware morele beproevingen versterken haar keuze voor exclusieve toebehoren aan Christus. Haar kruisspiritualiteit krijgt hier een bruidelijke dimensie: zij verkiest liever blijvend lijden dan ontrouw. Het kruis wordt teken van verbondenheid, niet van noodlot.
7. Mystieke bevestiging: stigmatisatie
De ontvangst van de stigmata op 1 december 1843 vormt geen beginpunt, maar een bevestiging van een reeds innerlijk voltrokken gelijkvormigheid. Wat zij geestelijk leefde, wordt zichtbaar in haar lichaam. De kruiswonden zijn geen geïsoleerd fenomeen, maar het sacramentele teken van een diepere mystieke realiteit: een deelname aan het lijden van Christus uit liefde.
8. Beproeving door onderzoek en verdenking
Het publieke onderzoek en de verzegeling op Goede Vrijdag 1844 plaatsen haar onder het kruis van verdenking. Ook dit draagt zij zonder verzet. Haar spiritualiteit wordt zo gezuiverd van elke schijn van eigenbelang. Zij zoekt geen erkenning, maar verborgenheid.
9. Dertig jaar volharding
De drieëndertig jaar van terugkerende bloedingen corresponderen symbolisch met de levensjaren van Christus. Haar lijden is geen voorbijgaand verschijnsel, maar een duurzame staat van vereniging. Toch blijft haar houding steeds dezelfde: geen verlangen naar wonder, geen zoeken van buitengewone ervaringen, maar eenvoudige trouw.
10. De innerlijke kern: liefde boven alles
Wat dit leven kenmerkt, is niet het buitengewone verschijnsel, maar de constante liefde. Zij vreest niet het lijden, maar het gemis van Gods nabijheid. Zelfs bij de genezing van haar been bidt zij dat Jezus haar geen lijden zal weigeren – niet uit masochisme, maar uit vrees zonder kruis ook zonder genade te zijn.
11. Conclusie: verloten in Jezus’ Gekruisigde Liefde
Het leven van Dorothea Visser kan worden gelezen als een consequente weg van “verloten” – het zich toevertrouwen, overgeven en verliezen – in Jezus’ Gekruisigde Liefde. Haar kruisspiritualiteit is:
- Eucharistisch geworteld
- Mariologisch verdiept
- Ascetisch geoefend
- Mystiek bezegeld
- Kerkelijk beproefd
- Volhardend tot de dood
De uiterlijke tekenen – vasten, wonden, bloedingen – krijgen hun betekenis slechts vanuit deze innerlijke kern: een hart dat geheel aan Christus toebehoort. Haar leven wordt zo verstaan als een getuigenis van participatie aan het verlossend lijden, niet als doel op zichzelf, maar als uitdrukking van liefde die zich volledig aan de Gekruisigde heeft toevertrouwd.
Inhoudsopgave
Hoofdstuk I – Geboorte en afkomst (1819)
Dorothea Visser, bij haar doop ingeschreven als Johanna Dorothea, werd geboren op 29 september 1819 te Gendringen. Zij was het middelste kind van negen in een arm maar rechtschapen gezin. Haar ouders leefden van veldarbeid en dagloon en konden nauwelijks in het onderhoud voorzien.
Hoofdstuk II – Een vroeg godsdienstig leven
Reeds als kind toonde zij een uitzonderlijke ernst in het geloof. Zij had een diepe afkeer van zonde en wereldsheid en voelde zich sterk aangetrokken tot gebed en versterving. Haar verlangen naar de Eerste Heilige Communie was uitzonderlijk groot.
Hoofdstuk III – De Eerste Heilige Communie en eucharistische liefde
De dag van haar Eerste Communie werd het middelpunt van haar bestaan. De Heilige Communie werd haar levensbron. Zij verlangde er voortdurend naar en verklaarde later dat zij zonder Communie niet zou kunnen leven.
Hoofdstuk IV – Vernederingen en innerlijke eenzaamheid
In haar jeugd werd zij vaak miskend, streng behandeld en achtergesteld. Zij droeg vernederingen zonder klagen en ontwikkelde een diep innerlijk leven, waarin zij troost vond in gebed en Gods nabijheid.
Hoofdstuk V – Dienstbaarheid en het ongeluk aan haar been
Rond haar twaalfde jaar werd zij in dienst geplaatst in het nabijgelegen Netterden. Een ernstig ongeval met een koe beschadigde haar rechterbeen blijvend. Het been vervormde, werd korter, en veroorzaakte blijvende pijn.
Hoofdstuk VI – Het uitbranden van het been en zenuwaanvallen
Om verdere aantasting tegen te gaan, werd haar been herhaaldelijk uitgebrand — een uiterst pijnlijke behandeling. Tijdens één van deze behandelingen kreeg zij zware zenuwaanvallen, die later geregeld terugkeerden.
Hoofdstuk VII – Versterving en vrijwillig vasten
Vanaf haar jeugd leefde zij streng ascetisch. Zij hield reeds op achtjarige leeftijd de volledige vasten. Later vastte zij bijna het gehele jaar, vaak tot grote bezorgdheid van haar biechtvader.
Hoofdstuk VIII – De droom van Maria en liefde voor de zielen
Op 15 augustus (Maria Tenhemelopneming) had zij een droom waarin zij een overleden protestant door Maria ten hemel zag geleid worden. Dit versterkte haar bijzondere liefde tot de Heilige Maagd en tot de zielen in het vagevuur.
Hoofdstuk IX – Buitengewone vastenverschijnselen
Meermaals kon zij gedurende lange tijd geen voedsel innemen doordat haar mond zich sloot. Opmerkelijk was dat zij haar mond wél kon openen voor de Heilige Communie.
Hoofdstuk X – Haar gebedsleven
Haar leven was doordrongen van gebed: rozenkrans (meerdere malen per dag), litanieën, kruisweg, novenen. Zij bad ook volgens de geschriften van Alphonsus de Liguori.
Hoofdstuk XI – Verhoorde gebeden en genezingen
Meerdere zieken herstelden na haar gebed en novenen, waaronder: een overste van een religieuze orde, een geneesheer met bloedspuwingen. Haar reputatie als voorbidster groeide.
Hoofdstuk XII – Beproeving van haar kuisheid
Zij werd in haar jeugd en later zwaar beproefd op het gebied van de zuiverheid. Zij verkoos blijvend lijden boven zonde en offerde zich geheel aan Christus op.
Hoofdstuk XIII – De verlamming van de urinelozing en wonderlijke genezing (1844)
Gedurende vijf à zes jaar moest zij tweemaal daags door een arts geholpen worden. Zij beschouwde dit als een zware morele beproeving. Na het ontvangen van de stigmata voorspelde zij haar genezing op 9 februari 1844 — die volgens getuigen ook daadwerkelijk plaatsvond.
Hoofdstuk XIV – Voorboden van de stigmata
In 1843 traden onverklaarbare verschijnselen op, waaronder hevig zweten. Zij verlangde sterk naar vereniging met het lijden van Christus.
Hoofdstuk XV – Ontvangst van de stigmata (1 december 1843)
Op 1 december 1843 begon zij te bloeden rondom het hoofd. Later verschenen kruisvormige zwellingen en bloedingen op handen, voeten en borst.
Hoofdstuk XVI – Onderzoek en verzegeling (Goede Vrijdag 1844)
Op Goede Vrijdag 1844 werd één hand verzegeld onder toezicht van arts en geestelijken. Onder ongeschonden zegel verscheen een bloedend kruisteken. Hiermee werd publiek onderzoek ingesteld naar mogelijke fraude.
Hoofdstuk XVII – Dertig jaar wekelijkse bloedingen
Gedurende drieëndertig jaar bloedde zij vrijwel iedere vrijdag, alsook op: 3 mei (Kruisvinding), 14 september (Kruisverheffing), Goede Vrijdag. Na 1860 bleef het bloeden beperkt tot deze bijzondere dagen.
Hoofdstuk XVIII – Versmading, verdenking en armoede
Ondanks brede eerbied werd zij ook bespot, verdacht van bedrog en soms vijandig behandeld. Zij zocht geen publiciteit en vermeed giften.
Hoofdstuk XIX – Haar houding tegenover het lijden
Zij verlangde niet naar genezing, maar naar trouw aan Christus. Zij zag haar lijden als bescherming en genade. Zelfs bij genezing van haar been bad zij dat Jezus haar geen lijden zou weigeren.
Hoofdstuk XX – Het blijvende kruisteken en haar overlijden (1876)
Het kruisteken op haar borst bleef tot aan haar dood zichtbaar. Zij droeg de stigmata 33 jaar lang, tot haar overlijden op 12 juli 1876.
Hoofdstuk XXI – Getuigenis en nalatenschap
Haar leven werd gedocumenteerd door haar zielzorgers, onder wie kapelaan Herfkens. Artsen, waaronder dokter te Welscher, bevestigden het verschijnsel als werkelijk bloed. Haar leven werd gezien als een uitzonderlijke vereniging met het lijden van Christus.
Levensschets
Dorothea Visser, bij haar doop ingeschreven als Johanna Dorothea, maar in het dagelijks leven eenvoudig Dorothea genoemd, werd geboren op 29 september 1819 te Gendringen. Haar ouders, Theodorus Visser en Anna Hamerslag, waren eenvoudige maar rechtschapen mensen die met veldarbeid en dagloon nauwelijks konden voorzien in het onderhoud van hun grote gezin. Dorothea was het middelste kind van negen.
Gendringen was in die tijd een niet onaanzienlijk dorp in de provincie Gelderland, gelegen nabij de Pruisische grens en niet ver van Anholt. Dorothea was van middelmatige lengte, lichamelijk zwak en bleek van gelaatskleur, met donker haar. Van jongs af aan leek haar leven getekend door lijden, dat zij droeg uit liefde tot God.
Reeds als kind werd zij bespot en miskend vanwege haar ernstige godsdienstzin en haar afkeer van zonde. Al rond haar achtste levensjaar voelde zij een sterke weerzin tegen wereldsheid en een uitgesproken neiging tot versterving en vrijwillige ontbering. Haar hart was vroeg en geheel op God gericht, die zij innig beminde.
Nog vóór zij haar Eerste Heilige Communie mocht ontvangen, brandde in haar een uitzonderlijk verlangen naar Jezus in het Heilig Sacrament. Jarenlang zag zij met een bijna ongeduldig verlangen uit naar de dag waarop zij Hem werkelijk zou mogen ontvangen. Tijdens de catechismuslessen volgde zij de priester met een intense aandacht, uit eerbied voor degene die dagelijks de Communie ontving. Hier vond haar diepe eerbied voor het priesterschap haar oorsprong.
Toen haar oudere broer zijn Eerste Communie deed, beleefde Dorothea dit met een vreugde alsof zij zelf Jezus had ontvangen. Met kinderlijke zorg bestrooide zij de kamer waar haar broer zou thuiskomen met bloemen en deelde zij intens in zijn geluk. Haar aandacht bij het godsdienstonderricht was uitzonderlijk en volledig gericht op de voorbereiding van die ene dag die voor haar van allesbepalende betekenis was.
Toen deze heilige dag eindelijk aanbrak, werd haar ziel vervuld van diepe vreugde. Haar verlangen naar de Communie bleef sindsdien onverminderd groot. Zij zei later meermaals:
“Wij zijn arm en moeten hard werken om rond te komen. Maar als ik alles had en niet kon communiceren, dan had ik nog niets. Nu verlang ik niets meer dan Jezus, en met Hem is alles genoeg. Als ik niet kon communiceren, dan zou ik niet kunnen leven.”
De Heilige Communie werd het middelpunt van haar bestaan. Zij communiceerde zo vaak als haar geestelijke leidslieden haar toestonden: eerst maandelijks, later wekelijks en soms bijna dagelijks. Wanneer haar de Communie gedurende langere tijd werd onthouden, onderwierp zij zich zonder klacht, maar haar lichamelijke en geestelijke krachten namen merkbaar af. Het gemis van haar Goddelijke Bruidegom kon zij nauwelijks verdragen, temeer daar zij door ziekte vaak niet in staat was de kerk te bezoeken.
Omdat zij zelf niet naar de kerk kon gaan, werd haar de Communie meestal aan huis gebracht. Haar vurige verlangen naar Jezus doortrok haar hele bestaan. In haar innerlijk leven kende zij ook momenten van diepe gebedsvervoering, waarin zij zich geheel door Gods nabijheid gedragen wist.
Naast deze intense vroomheid kende Dorothea een sterk teruggetrokken karakter. Hoewel zij van nature opgewekt was, leefde zij vooral naar binnen gekeerd. Zodra zij enig onderscheidingsvermogen had, voelde zij een duidelijke afkeer van het spelen met andere kinderen. Zij trok zich liever terug en vond meer vreugde in huiselijke taken of in het alleen zijn. Deze houding bleef haar leven lang bestaan.
Haar afzondering bracht haar veel verdriet en vernedering. Zij werd vaak uitgescholden omdat zij niet was zoals andere kinderen en moest soms harde behandelingen verdragen, zowel van haar oudere broer en zus als van haar ouders. Zonder aanleiding van ongehoorzaamheid kreeg zij dikwijls zwaardere straffen dan anderen en werd zij niet zelden gestraft voor fouten die zij niet had begaan. Toch verdroeg zij dit alles zonder verzet en bleef zij bereidwillig alles te doen wat haar werd opgedragen.
Ook bij het eten werd zij vaak achtergesteld. Regelmatig kreeg zij het minste of werd zij geheel overgeslagen. Zij klaagde nooit, zelfs niet wanneer zij honger leed. In stilte trok zij zich terug en weende. In die eenzaamheid vond zij soms een diepere innerlijke troost, die zij later beschreef als momenten waarin zij zich omgeven wist door een helder licht, dat haar innerlijk sterkte en bemoedigde.
Haar schoolopleiding bleef zeer beperkt. Zij leerde enigszins lezen, maar schrijven heeft zij nooit geleerd.
Rond haar twaalfde jaar, na haar Eerste Heilige Communie, werd besloten haar in dienst te plaatsen. Zij kwam terecht bij een dagloner met enkele koeien in het nabijgelegen Netterden. Aanvankelijk was dit voor haar een verlichting, omdat zij zich thuis vaak buitengesloten voelde. Na ongeveer een maand raakte zij echter ernstig gewond toen een koe haar tegen de grond stootte en vervolgens op haar rechterbeen trapte. Zij moest een jaar thuisblijven om te herstellen.
Nog nauwelijks hersteld, werd zij opnieuw in dienst genomen. Met grote moeite verrichtte zij haar werkzaamheden, ondanks toenemende pijn waarover zij nauwelijks durfde te klagen. Uiteindelijk begon haar rechterbeen zichtbaar te vervormen, werd korter en zij ging mank lopen. Werken werd onmogelijk en zij keerde definitief naar huis terug.
Medische behandeling bracht geen genezing. Zij doorstond hevige pijnen, klaagde weinig en leed vooral onder het besef haar arme ouders tot last te zijn. Om verdere aantasting te voorkomen, besloot de arts tot een ingrijpende en uiterst pijnlijke behandeling: het regelmatig uitbranden van een opening in haar been. Deze ingreep moest om de vier à vijf weken worden herhaald en bracht haar groot lijden.
Tijdens een bijzonder wrede behandeling kreeg zij een zware zenuwaanval, waarin zij drie weken bleef voordat zij weer tot bewustzijn kwam. Sindsdien keerden deze aanvallen regelmatig terug, vooral bij pijn, schrik of sterke emoties. In latere jaren namen zij sterk af en verdwenen uiteindelijk vrijwel geheel.
Al moest zij reeds als kind vele vernederingen en vaak harde behandelingen ondergaan, toch voegde zij daar uit eigen beweging nog talrijke verstervingen aan toe.
Bij de wijze waarop zij thuis werd behandeld, zoals hierboven reeds vermeld, kwam bij haar — nog maar een kind — de droevige gedachte op of zij misschien uit een onecht huwelijk geboren zou zijn. Deze gedachte ontstond als volgt. Zij moest in huis herhaaldelijk ervaren dat zij niet gelijk werd gesteld met de andere kinderen, maar behandeld werd alsof zij er eigenlijk niet bij hoorde. Zij had eens horen spreken over onechte kinderen, naar aanleiding van een dergelijke gebeurtenis in de gemeente, en over hoe ongelukkig zulke kinderen waren: zij werden immers nooit behandeld als anderen, maar meestal beschouwd als overbodig. Door de ongelijke en harde behandeling die zij, vergeleken met de andere kinderen, moest verduren, begon zij dikwijls bij zichzelf te denken of ook zij misschien zo’n onecht kind was. Zij ging zichzelf werkelijk als zodanig beschouwen. Dit was dan ook een belangrijke reden waarom zij nooit over enige behandeling klaagde, maar in stille onderwerping en met tevredenheid haar lot droeg.
Door de vele ontberingen die zij moest doorstaan, was zij reeds vroeg gewend geraakt aan vasten en verstervingen. Het viel haar dan ook niet uitzonderlijk zwaar om reeds op haar achtste levensjaar de volledige veertigdagentijd geheel en stipt te onderhouden. Dit heeft zij nadien ook nooit meer nagelaten, zodat zij vanaf haar achtste jaar altijd de gehele vasten van de Heilige Kerk nauwgezet in acht nam.
Later, op haar negentiende jaar, begon zij daaraan nog de periode van Allerheiligen tot Kerstmis toe te voegen, en wel uitdrukkelijk ter ere van Maria, voor wie zij altijd een bijzondere eerbied koesterde. Dit besluit om te vasten van Allerheiligen tot Kerstmis was echter het gevolg van een droom — zoals zij toen altijd meende dat het was — waarin zij de ziel van een overleden protestantse man zag, die door Maria werd begeleid en aan Jezus werd aangeboden, en zo de hemel binnenging.
Deze protestantse man, die zij zeer goed kende, had in zijn leven ruim voldoende middelen gehad om comfortabel te kunnen leven, maar had op latere leeftijd veel verdriet en bittere dagen gekend, toen hij afhankelijk werd van zijn kinderen. In die moeilijke tijd had hij vaak nagedacht over het geluk van de katholieken, die een Maria hadden, die voor velen in hun nood zo’n zachte troost was. In die gedachte had hij meer dan eens zijn bedroefde hart tot deze Troosteres van de bedroefden opgeheven.
In haar droom zag zij de ziel van deze man door Maria getroost worden. Maria bracht zijn ziel voor de rechterstoel van Jezus, bad en smeekte voor hem en wees Jezus op het vele goede dat deze man had gedaan, op het vele lijden dat hij had moeten verduren, en op het feit dat hij in dat lijden aan haar, Maria, had gedacht. Vervolgens zag zij hoe deze ziel, aan de hand van Jezus en Maria, de hemel werd binnengeleid.
Toen zij uit deze droom ontwaakte, stond alles haar levendig voor ogen en bleef het lange tijd in haar gedachten. Tegelijk werd zij daardoor buitengewoon ontvlamd van liefde tot Maria, wier tedere liefde en goedheid jegens ons, en wier medelijden met de arme zielen in het vagevuur, zij nooit genoeg kon overdenken. Deze droom — of liever: deze verschijning — vond plaats op 15 augustus, het feest van Maria Tenhemelopneming.
Haar verlangen naar versterving werd echter steeds groter, zodat zij uiteindelijk het hele jaar leefde alsof het vastentijd was. Zo heeft zij ten minste acht of negen jaar lang nooit vóór de middag enig voedsel tot zich genomen, totdat de arts verklaarde dat zij, gezien haar zwakke gezondheid, zo’n streng vasten niet kon volhouden. Vanaf dat moment gebruikte zij weer enig voedsel vóór de middag, maar slechts zeer weinig. Vaak moest haar biechtvader haar zelfs op gehoorzaamheid verplichten iets te gebruiken, en wanneer zij wilde vasten, moest zij daar eerst toestemming voor vragen. Dat verzoek herhaalde zich echter zeer vaak.
Zij had bovendien een grote genegenheid om de zielen in het vagevuur te helpen, en vond daarin dikwijls een motief tot versterving en vasten. Wat het zich onthouden van vlees betreft, daarover valt weinig te zeggen, aangezien haar arme levensomstandigheden haar daartoe vanzelf al verplichtten. Op vrijdagen heb ik opgemerkt dat zij gewoonlijk de hele dag vastte en zich slechts met wat drinken tevredenstelde.
Op haar drieëntwintigste levensjaar gebeurde het eens dat zij negenentwintig dagen achtereen zonder voedsel moest doorbrengen. Haar mond was zodanig gesloten dat men deze met geen mogelijkheid kon openen om haar enig voedsel toe te dienen, behalve wat drinken. Gedurende die hele periode gebruikte zij niets anders dan een beetje koffie en een halve fles witte wijn. In het begin was de honger, zoals zij verklaarde, ondraaglijk, maar later nam die af.
Later gebeurde het opnieuw dat zij vanuit haar kamer een zeer onzedelijk gesprek moest aanhoren, dat op straat werd gevoerd tussen twee vrouwen, van wie de ene getrouwd en de andere ongehuwd was. Toen zei zij bij zichzelf: “Wat een belediging moet zo’n gesprek toch voor God zijn! Kon ik maar zó vasten, dat ik deze belediging bij God mocht herstellen.” Onmiddellijk daarna sloot haar mond zich, en bleef deze gedurende negen weken telkens op vrijdag en zaterdag gesloten, zodat zij op die dagen in die hele periode geen enkel voedsel kon gebruiken.
Dit vasten — of beter gezegd: het gesloten zijn van de mond, waardoor zij geen voedsel kon nuttigen — gebeurde later nog zeer vaak, soms drie, vier of vijf dagen achtereen. Het merkwaardigste daarbij was dat, wanneer haar mond zodanig gesloten was dat deze op geen enkele wijze geopend kon worden, zij deze toch zonder moeite opende wanneer men haar in die tijd de Heilige Communie bracht. Zodra men haar Onze Heer toereikte, opende zij haar mond, die zich onmiddellijk daarna weer sloot, zonder dat men deze opnieuw kon openen om ander voedsel toe te dienen.
Naast haar liefde tot Jezus, haar vernederingen en lijden in huis, en haar neiging tot lichamelijke versterving, koesterde zij ook een bijzondere liefde voor het gebed. Tot lof van haar moeder moet zij erkennen dat deze zich altijd veel moeite had gegeven om al haar kinderen zonder onderscheid in het godsdienstige te onderrichten en hen te leren bidden. Haar moeder had haar vele mooie gebeden geleerd die bij kinderen passen. Vaak liet zij haar kinderen bij zich komen om hen te leren bidden terwijl zij haar dagelijkse werkzaamheden verrichtte.
Dorothea vond hierin zulk een genoegen dat bidden voor haar een ware vreugde werd, een verkwikking, ja zelfs een behoefte. Reeds als kind was bidden haar zo eigen, dat zij altijd de gelegenheid zocht om te kunnen bidden. Zij zocht de eenzaamheid op om te bidden; tijdens haar werkzaamheden bad zij voortdurend, zolang zij niet werd verhinderd; bij haar achterstelling in huis zocht zij steeds haar troost in het gebed. Zolang zij zich kon herinneren, wist zij niet dat zij ooit een dag had verzuimd te bidden voor de instandhouding van de Heilige Kerk, zoals haar moeder haar dat als kind had geleerd.
Later, toen zij door het ongeval aan haar been veelal aan huis en zelfs aan bed gekluisterd was, vond zij meer tijd voor het gebed. En met die vermeerdering van tijd nam ook haar gebed toe. Haar bidden werd toen meer mediterend van aard. Zij overwoog vooral vaak de liefde van Jezus tot ons: hoe groot die liefde moest zijn, aangezien Hij zoveel voor ons had geleden en zich in de Heilige Communie zelfs nog aan ons geeft.
Dagelijks bad zij de litanie van het Heilig Hart van Jezus, de litanie van het Heilig Sacrament, en ook die van de Heilige Maagd Maria liet zij nooit achterwege. Het rozenkransgebed bad zij meerdere malen per dag. Omdat zij door haar omstandigheden steeds in huis moest blijven, was naaien aanvankelijk haar voornaamste bezigheid. Toen zij dat niet goed meer kon verdragen, ging zij breien, maar de rozenkrans had zij altijd bij zich. Van tijd tot tijd nam zij deze ter hand om te bidden, vooral ’s avonds; dan was de rozenkrans voortdurend in haar handen. Ledig zijn was haar onmogelijk.
Met de rozenkrans ging zij slapen en ermee stond zij op. Een groot deel van de nacht bracht zij biddend door; soms werd bijna de hele nacht aan gebed besteed. Dagelijks hield zij ook haar bezoek bij het Allerheiligst Sacrament; en hoewel zij niet naar de kerk kon gaan, deed zij deze bezoeken thuis, aan de hand van de gebeden van de heilige Alphonsus de Liguori.
Een bijzondere genegenheid had zij ook voor het bidden van de kruisweg, zo vaak zij daartoe de gelegenheid had. Later werd zij in staat gesteld deze thuis te bidden, en vanaf dat moment ging geen dag meer voorbij zonder dat zij de kruisweg had gebeden.
Zelfs slapend scheen zij te bidden. Zij lag dan meestal met de armen gekruist over de borst, de rozenkrans in de hand, en het rechterbeen gekruist over het linker. Ook de gelovige zielen in het vagevuur vergat zij niet. Menige rozenkrans werd door haar voor hen gebeden, menige Heilige Communie tot verlichting van hun lijden opgedragen, en veel werd voor hen gevast en in versterving doorgebracht.
Zij maakte ook veelvuldig gebruik van novenen, vooral tot het Heilig Hart van Jezus en tot de Heilige Maagd Maria, van wie zij een vurige vereerster was. Haar gebeden schenen bijzonder bij Jezus en Maria in de gunst te staan, want zij werden zo vaak zichtbaar met het gewenste gevolg bekroond. Vandaar dat velen in stilte haar hulp in gebed kwamen vragen, of dat haar zielbestuurder haar verzocht om voor bepaalde intenties te bidden of een novene te houden.
Het was soms ontroerend om haar te zien bidden, vooral wanneer zij in extase was, en haar te horen smeken tot Jezus of Maria, die zij gewoonlijk haar lieve Moeder noemde. Zij sprak dan als het ware van mond tot mond met hen, alsof zij Jezus of Maria werkelijk aanschouwde: zij sprak, overlegde, vroeg en antwoordde, bad en smeekte. Wanneer zij leek te verkrijgen wat zij vroeg, of wanneer zij een andere genade ontving die meer tot eer van God of tot heil van degene voor wie zij bad strekte dan hetgeen zij oorspronkelijk had gevraagd, verscheen er een glimlach, een heilige vreugde op haar gelaat.
Meermalen ben ik er getuige van geweest dat zij ook daadwerkelijk verkreeg wat zij vroeg, en dat zieken vanaf dat ogenblik werkelijk herstelden, zelfs wanneer zij door de artsen waren opgegeven. Zo werd haar eens verzocht te bidden voor een overste van een religieuze orde, aan wiens behoud — zoals men meende — bijzonder veel gelegen was, en dat was ook inderdaad zo. Deze overste lag op sterven, en volgens de geneesheren was alle hoop op herstel vervlogen.
In extase hoorde ik haar bidden om het behoud en de genezing van deze zieke. Na enige ogenblikken van vurige omgang met Onze Lieve Moeder zei zij: “Onze Lieve Moeder zegt dat de zieke weer zal herstellen, maar men moet dat middel aanwenden; maak haar dat bekend, en het zal goed zijn dat u daarheen gaat en met die overste spreekt.” Dat middel zou voor een ongelovige het hoofd hebben doen schudden, maar het werd toegepast. Enkele dagen later — de afstand bedroeg minstens vijftig uur — ging ik daarheen. Ik vond haar in een gevaarlijke toestand. Ik werd bij haar toegelaten en vroeg of men het aangegeven middel had aangewend. Aanvankelijk had men geaarzeld, zei men, maar uiteindelijk had men het toch gedaan, precies zoals was aangegeven.
Ik moest haar zeggen en verzekeren dat zij spoedig zou herstellen. En inderdaad, terwijl ik nog bij haar was, stond zij van haar ziekbed op. Hoewel zij nog zeer zwak was, voelde zij dat de ziekte geweken was. En zo was het ook werkelijk, tot grote verwondering van alle kloosterlingen en nog meer van de geneesheren. De ziekte keerde niet terug. Zij bleef als overste haar vele taken vervullen, zoals voorheen.
Nog een dergelijk voorbeeld wil ik hier vermelden. Een geneesheer, die veel vertrouwen had in haar gebed, leed aan hevige bloedspuwingen en als gevolg daarvan aan tering. Verschillende artsen werden geraadpleegd; zijn toestand verslechterde snel, en men verklaarde dat alle hoop verdwenen was en een spoedig einde werd verwacht. Toen liet hij Dora verzoeken voor hem te bidden. Tevens vroeg hij mij of ik het goedvond dat Dora hem zou bezoeken; hij dacht dat zij hem misschien nog zou kunnen genezen. Dit werd toegestaan.
Dora bezocht hem, en zij besloten samen een novene te houden en daarbij de olie van de heilige Walburga te gebruiken, waarvan Dora iets in haar bezit had. Terwijl zij met die novene bezig waren, kwam ik ook langs. Dora bad toen in extase vurig tot Maria, en ik hoorde haar zeggen: “Nietwaar, lieve Moeder, hij sterft nog niet?” Een vreugde straalde over haar gezicht, en zich tot mij wendend zei zij: “Vader, Onze Lieve Moeder zegt dat de zieke nu nog niet zal sterven; zeg hem dat maar.”
Ik ging daarna naar de zieke. Hij kon nauwelijks meer spreken, maar met een zekere opgewektheid zei ik hem: “Dokter, wees gerust, u sterft nu nog niet.” Blij keek hij mij aan en zei: “Dan bidt Dora zeker goed voor mij.” En zie: de novene van negen dagen eindigde, en de dokter was genezen. Nog diezelfde dag reed hij in een rijtuig een half uur ver om een patiënt te bezoeken. Vier jaar lang bleef hij zijn werk doen, totdat hij uiteindelijk door een nieuwe bloedspuwing alsnog aan de tering overleed. Hij schreef later nog dat hij geen dag had nagelaten de heilige Walburga te danken voor zijn genezing, die hij uitdrukkelijk beschouwde als het gevolg van die novene en vooral van Dora’s gebed.
Ja, in menige moeilijkheid en in vele omstandigheden heb ik haar hulp ingeroepen, en menige ondersteuning heb ik mogen ervaren.
Ik sprak haar eens over het bidden en zei dat men door veel te bidden zoveel van Onze Lieve Moeder kon verkrijgen.
“Ja,” antwoordde zij, “ik denk dan nog wel eens aan de knollen.”
“Aan de knollen?” zei ik. “Dat begrijp ik niet. Wat hebben die knollen ermee te maken?”
“Ach,” zei zij, “mijn vader keek daar later wel vreemd van op. Ik werd eens naar het land gestuurd waar wij rogge verbouwden, om dat stuk grond met de hak om te werken, zodat er daarna knollen ingezaaid konden worden. Ik was toen nog niet tot de eerste Heilige Communie toegelaten. Dat werk was eigenlijk al wat te zwaar voor mij, maar daar werd geen rekening mee gehouden. Ik had mijn uiterste best gedaan en was ook goed opgeschoten.
Maar omdat ik zo goed vooruit was gekomen, meende mijn vader dat ik, om maar snel klaar te zijn, slechts om de andere voor had gehakt. Dat was echter niet zo. O hemel, wat heb ik toen klappen gekregen met het kruisel. Ja, ik heb er flink slaag voor gehad, terwijl ik het werk toch goed had gedaan. Een protestantse man, die daar naast mij werkte, hoorde dat ik daarvoor zo gestraft was. Hij bekeek mijn werk en kon het zelf nauwelijks begrijpen, want hij zag dat ik het stuk grond zelfs dieper en beter had omgewerkt dan hij het zijne. Daarop is hij hevig tegen mijn vader uitgevaren en heeft hem verweten dat hij mij zo kon straffen terwijl ik mijn werk zo goed had gedaan.
Ik heb bij dat stukje grond vaak zitten huilen en daar menig Onze Vader en Weesgegroet op mijn knieën gebeden, wanneer ik er alleen aan het werk was. Ik dacht dan: ‘Och Heer, als de knollen hier straks niet zo goed zullen groeien als op het andere deel van het land, dan weet ik geen raad.’ Maar ik geloof dat Maria mijn kinderlijk gebed heeft verhoord, want juist op dat gedeelte waarvoor ik zoveel slaag had gekregen, waren de knollen zo goed als er onder Gendringen geen betere te vinden waren. Het viel juist op dat zij daar veel beter waren dan op de rest van het land. Mijn vader keek daar later wel vreemd van op.
‘Maria zal wel geholpen hebben,’ zei men, want toen die protestantse man weer naar het land ging terwijl ik daar aan het werk was, had hij gezien dat er iemand met mij samenwerkte en mij ijverig hielp. Hij kende die persoon niet en vroeg mij wie mij geholpen had, want toen hij bij mij kwam, zag hij niemand meer. Ikzelf had niemand gezien. ‘Het zal wel net zo gegaan zijn,’ besloot zij haar verhaal, ‘als bij Isidorus tijdens het ploegen.’”
Men kan gemakkelijk begrijpen dat bij zo’n grote liefde voor het gebed en zo’n verlangen om zo nauw mogelijk met God te leven, er in haar hart geen plaats kon zijn voor neiging tot het zinnelijke of tot het oppervlakkige genoegen dat de wereld nastreeft. Die schone, reine deugd was haar in hoge mate lief, en niets wat daar ook maar enigszins mee in strijd was, kon haar behagen.
Reeds als kind van negen à tien jaar had zij door toedoen van een zekere persoon veel te verduren op dit gebied. Toch had zij daar zelf geen enkele neiging toe; zij scheen er zelfs ongevoelig voor te zijn. Aangezien deze persoon gehuwd was en zij het niet durfde te vertellen aan haar ouders, droeg zij dit alles in stilte. Deze herhaalde aantastingen van haar maagdelijke reinheid brachten haar ertoe bij zichzelf te overwegen hoeveel zonden tegen deze schone deugd zelfs binnen het huwelijk werden bedreven, en hoeveel te meer dan daarbuiten. Deze gedachte trof haar reine hart diep en verwekte in haar zo’n afkeer daarvan, dat zij, nog vóór zij haar eerste Heilige Communie had ontvangen, haar dierbare Bruidegom, haar Jezus, vurig smeekte om haar een grote afkeer van deze zonde te schenken.
Jezus scheen dit kinderlijk, onschuldig en edel gebed te hebben verhoord, want nooit kon iets van dien aard haar behagen. Vandaar ook haar blijvende afkeer van wereldse feestelijkheden en vermakelijkheden, waarbij helaas maar al te vaak deze schone deugd schipbreuk lijdt.
Later werd haar zedelijk gevoel echter op een voor haar hart bijzonder bittere wijze op de proef gesteld. Nadat zij al enige tijd aan haar rechterbeen leed, kreeg zij grote moeilijkheden bij de urinelozing, tot zelfs een volledige verlamming daarvan toe. De arts verklaarde deze toestand ongeneeslijk, omdat een volslagen verlamming van de urine volgens hem niet te herstellen was.
Dit had tot gevolg dat zij, onder hevige pijnen, tweemaal daags door de arts geholpen moest worden bij de urinelozing. Deze toestand heeft minstens vijf tot zes jaar voortgeduurd. Welke pijn zij daarbij soms moest doorstaan, vooral wanneer de arts door omstandigheden niet op de gebruikelijke tijd kon komen, is nauwelijks te beschrijven. Toch was haar grootste lijden niet lichamelijk, maar dat haar zedelijk gevoel zo vaak aan deze behandeling werd blootgesteld.
Haar vurige wens was dan ook steeds om hiervan verlost te worden. Voor geen enkel ander lijden, hoe groot ook, zou zij zijn teruggeschrikt als zij dit in de plaats had mogen dragen. Aangezien de arts herhaaldelijk had verklaard dat voor deze kwaal geen genezing bestond, berustte zij in haar eenvoud gelaten in Gods heilige wil. Zij ging ervan uit dat zij deze behandeling haar hele leven zou moeten ondergaan en bad God slechts dat Hij haar in deze zaak voor zonde mocht bewaren.
Ongetwijfeld schonk God haar daarin grote genaden en bijzondere kracht, want dit was een voor de zedelijkheid uiterst gevaarlijke beproeving. Toch verminderde haar eerbied voor deze schone deugd geen ogenblik. Integendeel, een zware beproeving die haar nog wachtte, diende uiteindelijk om haar liefde ervoor te verdiepen.
Op een keer werd haar op vleierige toon voorgesteld om op dit punt te zondigen, met de belofte dat zij daarna zeker geheel van haar kwaal genezen zou worden. Deze belofte liet haar echter koud. Zij overwoog hoe groot deze zonde voor Jezus moest zijn, en dan zondigen om vervolgens de volgende dag te communiceren — dat achtte zij volstrekt onmogelijk. Toen zij de volgende dag ter Communie ging, zei zij tot haar dierbare Jezus dat zij liever alles wilde lijden, ja duizendmaal liever haar hele leven dit lijden wilde dragen, dan deze zonde te bedrijven. Zelfs als zij volledig zou herstellen, wilde zij liever nooit huwen dan ook maar in de minste mate haar trouw aan Hem te schenden. In die Communie offerde zij zich op dit punt geheel en onverdeeld aan Jezus op.
Hoewel deze kwaal door de artsen als ongeneeslijk werd beschouwd, behaagde het God haar na zoveel beproevingen en lijden van deze bittere last te bevrijden. Niet lang nadat zij de stigmata van Onze Heer Jezus Christus had ontvangen (op 1 december 1843), verklaarde zij aan haar biechtvader dat haar te kennen was gegeven dat zij de hulp van de arts in deze zaak niet lang meer nodig zou hebben. De dag waarop dit zou gebeuren, gaf zij acht dagen vooraf nauwkeurig aan: vrijdag 9 februari 1844.
In de aantekeningen van haar biechtvader wordt hierover uitvoerig verslag gedaan. Alles geschiedde zoals zij had voorzegd: eerst een tijdelijke verlichting, daarna nog eenmaal kort de noodzaak van medische hulp, en uiteindelijk — op de woensdag in de Goede Week — een volledig herstel. De arts, die aanvankelijk sterk twijfelde, werd uiteindelijk ooggetuige van de gebeurtenissen en moest erkennen dat de genezing werkelijk had plaatsgevonden, zonder dat daarvoor doelbewust geneesmiddelen waren aangewend.
Hoewel zij later soms opnieuw hulp nodig had bij de urinelozing, was dit niet het gevolg van een terugkeer van de vroegere verlamming, maar van onbedoelde bijwerkingen van medicijnen die een nieuwe arts haar gaf, die haar voorgeschiedenis niet kende. Deze hulp werd steeds zeldzamer en verdween uiteindelijk geheel.
Deze genezing schonk haar zoveel troost, dat zij al het overige lijden in haar leven gering achtte in vergelijking met deze zware beproeving.
Zoals zij dikwijls de liefde van Jezus overwoog, zo overwoog zij ook herhaaldelijk het lijden van haar Verlosser, dat immers een zo groot bewijs is van Zijn oneindige liefde. Nooit heb ik echter bemerkt dat zij over een bijzondere verbeeldingskracht beschikte. Zij was zeer eenvoudig en kalm van aard, redeneerde doorgaans helder en met grote bedaardheid. Zij bezat het vermogen om in korte zinnen en met weinig woorden een omvangrijke zaak uit te drukken en een diepe gedachte kernachtig te verwoorden.
Wanneer men sprak over zaken die betrekking hadden op de liefde van God of van Onze Lieve Moeder, sprak zij meestal weinig, maar luisterde des te aandachtiger en overwoog in stilte. Bij zulke gedachten kon zij haar tranen vaak nauwelijks bedwingen. Wanneer zij zich toch in het gesprek mengde, moest men zich verwonderen over de verhevenheid van haar inzichten en over de wijze waarop zij in enkele woorden stof tot langdurige overweging wist te geven. Haar woorden waren steeds doordrongen van een innige liefde tot God.
Van poëtische verbeelding, overdreven gevoeligheid of zogenaamde sentimentaliteit was niets bij haar te bespeuren. Ook was zij van nature geenszins zenuwachtig. Dat zij gedurende enige tijd last had van hevige zenuwaanvallen, was beslist niet het gevolg van een zenuwachtig gestel, maar – zoals eerder reeds is opgemerkt – van de ondraaglijke pijnen die zij moest doorstaan bij het wrede uitbranden van haar been. Vóór die tijd had zij nooit enige zenuwaandoening gekend.
Een jaar vóór zij de stigmata ontving, merkte men bij haar een buitengewoon hevig zweten op, waarvoor de artsen geen verklaring konden geven. Dit zweten betrof het gehele lichaam, maar was bijzonder sterk aan hoofd, handen en voeten, zozeer zelfs dat er zonder aanwijsbare oorzaak voortdurend druppels van haar handen afliepen. Deze toestand hield drie weken aan, zonder dat de artsen enig middel konden vinden. Vervolgens hield het zweten plotseling op, niet geleidelijk, maar ineens, later in de maand november. Daarna keerde het nog eenmaal terug en duurde veertien dagen.
In deze periode was het ook dat men haar wilde bewegen om andere vrouwen te laten leren haar te helpen bij de lozing van de urine, zodat de hulp van de arts overbodig zou worden. Dit weigerde zij echter, omdat zij in deze delicate aangelegenheid niet door iedereen geholpen wilde worden. Haar toenmalige biechtvader zei daarop, in een onbedacht ogenblik: “Dan wens ik dat gij nog zoveel meer moet lijden.” Waarop zij vastberaden antwoordde: “Welnu, als het God behaagt mij een dubbel lijden te geven, dan wil ik dit gaarne uit Zijn hand aannemen, liever dan mij aan anderen over te laten. Als God mijn lijden wil verdubbelen, verklaar ik mij daartoe bereid.”
Dit krachtige antwoord maakte een diepe indruk; althans werd er verder niet meer over gesproken. God scheen haar antwoord te hebben aangenomen, want na enige tijd volgde een nieuw lijden: de vereniging met, of deelname aan, het liefdevolle lijden van haar goddelijke Verlosser Jezus Christus.
Eind november 1843 kreeg zij buitengewone pijnen rondom haar hoofd, niet zoals gewone hoofdpijn of duizeligheid, maar alsof men haar rondom met naalden stak. Deze pijnen begonnen op 28 november en werden steeds heviger. Door haar zieke been kon zij niet naar de kerk gaan en was zij daar al zes jaar niet geweest. Nu kreeg zij een groot verlangen om toch naar de kerk te gaan en deelde dit aan haar biechtvader mee. Hoewel deze aarzelde vanwege haar hevige pijnen, stemde hij toe, vertrouwend dat Jezus haar zou bijstaan. Haar moeder had grote bezwaren, maar uiteindelijk werd besloten dat haar zuster haar, samen met een protestantse buurman, op een stoel naar de kerk zou dragen op vrijdag 1 december 1843.
In de nacht vooraf kon zij door de hevige pijnen niet slapen. Rond middernacht leek zij even weg te zinken in een soort bewusteloze toestand. Bij het ontwaken voelde zij opnieuw hevige steken rondom haar hoofd en merkte dat haar gezicht en haar nat waren, alsof van hevig zweten. Bij het opstaan bleek alles met bloed doordrenkt. Rond haar hoofd had zich een bloedige krans gevormd, ter breedte van twee vingers, die zelfs door haar witte muts heen was getrokken.
Men waste haar en zij maakte zich gereed om toch naar de kerk te gaan, gedreven door haar verlangen. Hoewel het bloeden leek te verminderen, begon het opnieuw zodra zij buiten kwam. Zowel haar zuster als de protestantse buurman zagen het bloed over haar gezicht lopen. De biechtvader was diep getroffen, maar sprak geen woord.
Het bloeden hield die dag aan en keerde de daaropvolgende vrijdagen terug. Later begonnen ook haar handen, voeten en borst te bloeden, zonder zichtbare wonden. Daarbij verschenen kruisvormige zwellingen op handen, voeten en borst, zacht, geelachtig en scherp omlijnd, waaruit bloed zweette zonder opening. Deze tekenen verschenen vooral op vrijdagen en verdwenen daarna weer.
Negen vrijdagen achtereen had zij deze bloedingen, gevolgd door een korte onderbreking. Daarna volgde opnieuw een reeks, vaak voorafgegaan door extatische toestanden waarin zij zich intens met het lijden van Christus vereenzelvigde. Zij voorspelde meestal nauwkeurig wanneer de bloedingen zouden terugkeren en wanneer niet.
Op Goede Vrijdag 1845 keerde de bloeding in volle hevigheid terug, waarbij zich op haar borst een blijvend kruis aftekende. Ondanks haar hevig lijden was zij op Paaszondag in de kerk aanwezig.
De tekst besluit met de vaststelling dat deze verschijnselen niet voortkwamen uit psychische aanleg of lichamelijke zwakte, maar uit een diep doorleefde, liefdevolle vereniging met het lijden van Christus. Haar verlangen om met Hem te lijden, om uit liefde boete te doen voor zichzelf en voor anderen, was zo innig en oprecht, dat dit een reden kan zijn geweest waarom de goddelijke Zaligmaker haar heeft laten delen in Zijn lijden.
Haar geest was zo met Christus verenigd, dat zij zich telkens opnieuw bereid toonde om, in gehoorzaamheid en liefde, een deel van Zijn kruis te dragen.
Alvorens afscheid te nemen van de aantekeningen van haar vroegere zielbestuurder, de eerwaarde heer Herfkens, willen wij nog enkele zaken aanstippen die – naar mijn oordeel – toch telkens weer wijzen op een werking van hogere hand.
Wij weten reeds voldoende dat onze Dora, door de verrotting – we mogen het gerust zo noemen – van haar rechterbeen in de dij, volstrekt niet kon lopen. En toch is zij herhaaldelijk naar de kerk gegaan, en zelfs meer dan eens lopend naar het dorp Ulft, waar zich destijds de rooms-katholieke bijkerk van Gendringen bevond: een half uur gaans, heen en terug.
Op 21 april – zo verhaalt haar vroegere zielzorger – volgde Dora mij naar G. Otten op de Schriek. (G. Otten was een landbouwer die op de Schriek onder Megchelen woonde; hij was goed bevriend met Dora, die daar dikwijls kwam, althans zijn vrouw en kinderen.) Ondanks het feit dat haar been kort tevoren nog was uitgebrand en zij een half uur vóór vertrek nog, juist omwille van die uitbranding, in bed had gelegen, kwamen wij daar binnen één uur aan. Zij ging erheen vanwege veranderingen die aan hun woonhuis moesten plaatsvinden. Hoewel zij meende daar veertien dagen te moeten blijven, duurde haar verblijf uiteindelijk ten minste zes weken.
Het bloeden op vrijdag had ook daar plaats, zoals in haar eigen woning, hoewel zij er door geheel andere personen was omringd en in geheel andere omstandigheden verkeerde. In die tijd werd zij daar ernstig ziek, zó dat men haar de heilige sacramenten toediende. Spoedig daarna nam de ziekte echter een andere wending en was zij weldra in staat om op dezelfde wijze als zij gekomen was, weer huiswaarts te keren.
Wanneer ik haar daar bezocht, hoorde ik haar – terwijl zij in extase met haar Jezus sprak – smekend bidden om een deel van het lijden van Hem die zij zo lijdend zag. Ik hoorde haar, op de meest innige wijze, telkens weer zeggen: “Ach, Jezus… dierbare Jezus…” op een zeer weemoedige toon; en ook: “Het lijden heeft ook geen einde.” Nadat zij haar handen, die zij kruisgewijs op de borst had gevouwen, had weggenomen, strekte zij haar lichaam uit alsof zij op het kruis genageld werd. En wanneer zij weer tot zichzelf kwam, gaf zij driemaal een afschuwelijke gil, alsof zij de nagels door haar handen heen voelde gaan.
Enkele huisgenoten, die heimelijk achter haar bed stonden zonder door haar gezien te kunnen worden, hadden haar even tevoren horen zeggen: “O Jezus, ik bid U: verschrik dan mijn omstanders niet.” En hoewel zij niet werkelijk schrokken, maakte zich toch een huivering en bewondering van hen meester toen zij deze vreselijke kreet hoorden.
Enkele dagen later werd zij, op verzoek van de pastoor, naar de pastorie gebracht, waar zij drie weken verbleef. Ook daar trad de gewone bloeding op, en zij ging – terwijl zij in extase was – zonder hinder de trappen op en af. Hoe was dat gaan en klimmen voor haar mogelijk, tenzij een onzichtbare hand haar steunde en geleidde?
Ten tweede: ook hier, zoals elders, trad de bloeding steeds op volgens het gewone patroon – een aanwijzing dat dit niet op kunstmatige wijze werd voortgebracht. En ten derde blijkt uit dit alles haar liefde tot het lijden van Jezus, of liever: haar nauwe vereniging met Jezus in zijn lijden.
De laatste twaalf of dertien bladzijden heb ik hoofdzakelijk ontleend aan de aantekeningen van de weleerwaarde heer A. Herfkens, die destijds kapelaan te Gendringen was en met haar zielzorg belast. Deze eerwaarde heer werd in juli 1846 naar een andere plaats gezonden; zijn aantekeningen gaan daarom niet verder.
Ook de eerwaarde heer pastoor was reeds enige tijd tevoren vertrokken naar Ulft, dat toen een zelfstandige parochie was geworden. Andere eerwaarde heren kwamen nadien en namen de zielzorg over; verschillende volgden elkaar op. Hoe dan ook: het bloeden bleef voortgaan op de vrijdagen, én op de feestdagen van Kruisvinding (3 mei) en Kruisverheffing (14 september), op welke dag van de week deze feesten ook vielen. Zo ging het steeds door. Zo was het nog toen ik zelf, in oktober 1853, als kapelaan daar werd geplaatst en met de zielzorg over haar werd belast.
Zoals reeds op bladzijde 38 en 39 is aangegeven, vertoonden zich in de bal van de handen wonden die op vrijdag, wanneer zij bloedden, open waren en waaruit het bloed uitvloeide. Die wonden waren niet rond maar hoekig, en leken in de hoeken enigszins ingescheurd. Tijdens het bloeden kon men dit niet nauwkeurig waarnemen, omdat de wonden dan geheel met bloed gevuld waren. Later, wanneer het bloeden was opgehouden en de handen enigszins gereinigd waren, kon men het beter zien. Want hoewel de wonden op donderdag weer geheel gesloten en als genezen leken, waren zij de volgende dag toch weer voldoende open om ze in hun geheel te kunnen zien; bovendien bleven de tekenen ervan altijd zichtbaar.
Sindsdien heeft het bloeden, op enkele uitzonderingen na, steeds geregeld plaats gehad. Daarbij kwamen er periodes voor waarin op bepaalde vrijdagen niet uit alle genoemde delen tegelijk werd gebloed. Ook is het eenmaal gebeurd dat zij op een dinsdag bloedde: in de maand mei 1844, op het moment dat er een protestantse vrouw bij haar was. Het begon toen aan het hoofd en duurde slechts kort. Die vrouw had overigens altijd veel achting voor Dora, omwille van haar eenvoud en rechtschapenheid, en had haar zo veel mogelijk bijgestaan. Zij was de vrouw van dezelfde protestantse man die Dora, toen zij voor het eerst bloedde, naar de kerk had helpen dragen, zoals eerder is vermeld.
Later is iets dergelijks nog eenmaal gebeurd. Ik zat eens bij haar bed en dacht bij mijzelf dat ik eigenlijk nooit het begin van het bloeden met eigen ogen had gezien, en dat ik dit – voor mijn eigen overtuiging – wel eens zou willen meemaken, omdat ik met haar zielzorg belast was en daarover ook als getuige zou kunnen spreken. Toen gebeurde het, buiten een vrijdag om, dat zij in mijn aanwezigheid aan het hoofd begon te bloeden.
Hoewel niet alle wonden steeds tegelijk bloedden, had het op Goede Vrijdag altijd aan alle plaatsen plaats – zolang zij deze wonden of stigmata droeg: drieëndertig jaar, tot aan haar dood op 12 juli 1876.
Eind 1859 kwam er – zoals later, bij de bespreking van de wonderdadige genezing van haar been, nader zal worden uiteengezet – een beperking in de bloeding, precies zoals zij enige tijd tevoren had aangekondigd. Zij zei dat Onze Lieve Moeder haar had laten weten dat het bloeden op de gewone vrijdagen zou ophouden, maar dat het wél zou blijven op Goede Vrijdag, op Kruisvinding en op Kruisverheffing. En inderdaad: zo is het gebleven tot aan haar dood, zonder één enkele uitzondering. Tot aan 1860 echter had de bloeding geregeld plaats op alle vrijdagen.
De kruisvormige tekenen op haar handen, waarover eerder is gesproken, verschenen niet op alle vrijdagen, maar van tijd tot tijd; later zijn zij geheel verdwenen. Na 1860 zijn ze, voor zover ik weet, nooit meer gezien.
Het kruisteken op haar borst daarentegen is een blijvend teken geworden. Het nam niet langer de vorm aan van een hoog opgezwollen blaar, maar was als het ware licht in de borst ingedrukt, geheel glad en wit van kleur. Dit teken, zo voorspelde zij in 1859, zou – ook wanneer het bloeden beperkt werd – tot aan haar dood zichtbaar blijven als een blijvend getuigenis. En zo is het ook geweest. Toen zij overleden was, stond dit kruisteken nog onveranderd en duidelijk zichtbaar op haar borst; ikzelf en velen met mij hebben dit gezien. En wanneer zij op de borst bloedde, dan was het altijd precies op de plaats waar dit teken van de verlossing was ingedrukt.
Dit ingedrukte kruisteken ontstond nadat zij, zoals gewoonlijk, eerst het kruis hoog opgezwollen had gehad. Toen het gezwollen kruis slonk, bleef die plaats veertien dagen open, zonder te zweren; langzaam genas het. Na de genezing bleef het teken voortaan in die ingedrukte vorm zichtbaar, zonder dat het ooit nog opnieuw hoog opgezwollen werd zoals vroeger.
Tot herinnering en als getuigenis heb ik, zoals velen deden wanneer zij Dora op een vrijdag bezochten, enkele stukjes linnen bewaard die bij de bloeding werden gebruikt of bewust tegen de bloedende wonden werden gedrukt en door het bloed werden doordrenkt. Ook bewaarde ik de muts die zij bij de laatste bloeding op Kruisvinding in 1876 droeg, en die door een bloedkroon was doordrenkt.
Hoewel men bij het begin van dit bloeden met wijsheid en grote voorzichtigheid niet in voorbarigheid zulke zaken wilde verbreiden of ermee te koop lopen – al waren er in de wereld wel meer voorbeelden bekend, zoals de heilige Franciscus van Assisi en anderen – kon het toch niet uitblijven dat het, door de herhaling op vrijdagen, in stilte van de ene tot de andere werd doorverteld, van dorp tot dorp. Al spoedig werd het publiek bekend en trok het, omdat het voor velen “interessant” was, niet alleen mensen uit Gendringen, maar ook van elders, die op een vrijdag deze buitengewone zaak wilden komen bekijken.
Voor onze Dora, die in haar eenvoud en oprechtheid een grote afkeer had van publieke aandacht, was dit zeer onaangenaam. Zij zag de vrijdag met schrik naderen en, eenmaal aangebroken, verlangde zij sterk naar het einde van de dag, om van die haar zo lastige publieke druk bevrijd te zijn. Toch kon men het niet volledig verhinderen.
Van de velen die kwamen, werd de één diep getroffen in zijn godsdienstig gevoel, de ander minder. De één meende dit te hebben opgemerkt, de ander weer iets anders. Zo kwamen er vanzelf verschillende meningen en verhalen in omloop: sommigen zagen er het werk van God in, anderen vonden het twijfelachtig, weer anderen spraken van bedrog – zoals dat bij vreemde en nieuwe zaken vaker gebeurt. En hoewel de algemene opinie haar gunstig gezind was, waren er toch ook mensen die zeer actief probeerden het als bedrog af te schilderen.
Het was daarom de moeite waard een nauwkeurig onderzoek in te stellen: bestond er enig bedrog, hetzij van de kant van de ouders – zoals sommigen vermoedden – hetzij van Dora zelf? Het is ook recht en billijk dat bij zulke zaken, wanneer zij niet vanzelf verdwijnen, een streng onderzoek wordt ingesteld; en dat wordt door oprechte mensen doorgaans ook niet nagelaten.
Omdat Dora veertien dagen tevoren – zoals vaker – had gezegd dat zij op Goede Vrijdag aan alle plaatsen zou bloeden én dat de kruistekens op handen en voeten zouden verschijnen, zag men hierin een geschikte gelegenheid voor een onderzoek. Daarom besloot men twee dagen tevoren ten minste één hand te verzegelen en Dora streng te bewaken. Hoewel zij grote weerzin toonde, stemde zij op aandrang van de geestelijken toe.
Men vroeg de burgemeester van Woelderen, een van de aanzienlijksten van het dorp, om bij de verzegeling aanwezig te zijn; hij weigerde echter, omdat hij er liever niets mee te maken wilde hebben. Men kan hem dat moeilijk kwalijk nemen: hoewel een rechtschapen man, was hij streng protestant, en daarin zal de reden van zijn weigering gelegen hebben.
Die weigering belette echter dokter te Welscher – katholiek en destijds praktiserend arts in Gendringen – niet om de verzegeling uit te voeren. Op 3 april 1844 ’s avonds, in aanwezigheid van de toenmalige pastoor van Gendringen, wikkelde dokter te Welscher de rechterhand van Dora met de grootste nauwkeurigheid in een wit linnen doek, bond het verband vast onder de arm, hechtte het bovendien met naald en draad, en zette ten slotte meerdere zegels op het geheel met twee cachetten.
De volgende ochtend was de verzegeling ongeschonden en werd Dora vanaf dat moment streng bewaakt. Rond tien uur begon op de linkerhand en ook op de borst de opperhuid bij de eindpunten van de kruisen omhoog te komen. De blaren groeiden geleidelijk samen en omstreeks twee uur in de middag verschenen de kruisen in hun volledige vorm. Dora lag stil, in zichzelf gekeerd; alle plaatsen deden haar hevig pijn, en men bemerkte door de bedekking reeds bloed.
Omstreeks een kwartier voor twaalf begon het bloeden, sterker dan tevoren. Met bleek gezicht en half geopende ogen lag Dora als in diepe onmacht op haar bed. Het bloed liep in talrijke druppels van haar hoofd, onder het haar vandaan, over haar gezicht; haar uitgestrekte hand was geheel nat van bloed; ook door de doek die haar borst bedekte, schemerde het rood.
De aanwezigen – en het waren er velen – waren diep getroffen; een groot stilzwijgen drukte hun verwondering en hun overtuiging uit.
Toen de verzegeling ongeschonden bleek, maakte men doek en windsel van de rechterhand los. En zie: onder de verzegeling vond men een even schoon, ja minstens even schoon, hoog opgezwollen bloedig kruisteken als op de linkerhand. Ook de kruistekens op de voeten waren inmiddels gevormd, al begonnen zij pas op vrijdagochtend te bloeden.
Door vele mensen is dit bloeden op die Goede Vrijdag gezien, zodat daarover geen twijfel meer kon bestaan. Het bloeden was die dag zeer sterk. De arts bewaarde de doeken en schatte het bloedverlies op zes à zeven ons. Voor Dora was het veelvuldige bezoek echter zeer lastig en onaangenaam; zij verlangde intens naar het einde van de dag.
Over deze zaak verwijst men naar de brochure van dokter te Welscher: De gewondmerkte Dorothea Visser van Gendringen, nr. 1 (Doesburg, J.W. Sommer, 1844).
Nooit heeft Dorothea Visser, wier rechtschapenheid en brave eenvoud algemeen bekend waren, geprobeerd van haar bloeden of haar omstandigheden een vertoning te maken. Integendeel: als zij zo had kunnen leven dat geen enkele vreemde haar opmerkte en geen nieuwsgierige haar bezocht, ja dat zij voor de wereld geheel onbekend bleef, zou dat haar buitengewoon aangenaam zijn geweest.
Bovendien was dit bloeden geen werkelijkheid waarnaar iemand zou verlangen om er indruk mee te maken. Niet alleen omdat het voor haar, door de hevige pijnen, een voortdurende marteling was, maar ook omdat het haar geen rozen bracht, doch doornen: onophoudelijke moeilijkheden, krenkingen en vernederingen.
Want naast het lichamelijk lijden kwam ook de versmading. Soms zelfs van de kant van huisgenoten, die door roddel en beschuldiging werden getroffen. Versmading door mensen die – opgezweept door vijandige personen – het als bedrog bestempelden. En vooral omdat zij tot de arme en geringe stand behoorde, zocht men bij sommigen “bijbedoelingen”: medelijden wekken, geld krijgen, voordeel halen. Het gebeurde inderdaad dat bezoekers soms een kleine gift gaven aan de ouders, als tegemoetkoming voor de moeite of uit medelijden met de armoede. Dat was in het begin wellicht niet altijd even voorzichtig toegelaten, maar nooit met instemming van Dora en doorgaans buiten haar weten. Later werd, zoals zij altijd verlangd had, in haar huis geen aalmoes meer aangenomen; slechts in uitzonderlijke gevallen werd stilzwijgend iets aan haar zielzorger gegeven voor haar onderhoud.
En ook van sommige geestelijken kwam versmading: niet van hen die haar van nabij kenden, maar van hen die haar nauwelijks kenden, of die uit nieuwsgierigheid kwamen en teleurgesteld vertrokken omdat zij “niet vonden wat zij verwachtten”. Soms hadden zij in de verte geruchten gehoord en velden zij ondoordacht een oordeel dat als versmading op haar neerkwam. En omdat zij arm was, meende men te makkelijk dat men tegen haar alles kon zeggen.
Na vele jaren – toen zij reeds zestien jaar deze wonden droeg – ging die versmading bij sommige geestelijken zelfs over in een zekere vijandigheid, die haar en ook mij, als haar zielzorger, veel bitterheid veroorzaakte. (Daarover later meer, bij de bespreking van de ontegenzeglijk wonderdadige genezing van haar been en de beperking van het bloeden, beide door haar tevoren aangekondigd.)
Het bloeden had toen al zestien jaar vrijwel onafgebroken voortgeduurd, ondanks vele pogingen om het te doen ophouden. Soms waren er twee of drie vrijdagen waarop geen bloeding plaatsvond, maar in de vastentijd heb ik nooit een onderbreking waargenomen. Op Goede Vrijdag, op Kruisvinding en op Kruisverheffing trad het altijd op – tot aan haar dood, drieëndertig jaar lang.
Men moet zich niet voorstellen dat dit alles gebeurde zonder lichamelijk gevoel. Integendeel: zij droeg niet alleen de uiterlijke tekenen, maar ook – en zeker niet gering – een deel van de smarten die met zulke wonden gepaard gaan. Tijdens het bloeden waren de pijnen vaak zeer hevig. Wie haar dan aandachtig bekeek, zou hebben gemeend dat zij in waarheid nagels door de handen voelde gaan of doornen die het hoofd doorboren. Zij beefde letterlijk; haar tanden klapperden van pijn; zij zocht met het hoofd rust, maar vond die niet. Overal was het pijn, overal smart – alsof doornen zich bleven indringen.
En toch hoorde men geen klagen, slechts zuchten die de hevigheid van de pijn verrieden. “Ach, Vader,” zei zij soms wanneer ik bij haar was, “ik heb toch ook zo veel pijn.” Maar nooit met de wens ervan verlost te worden, nooit met een verlangen naar vermindering.
Soms leek het alsof de pijn haar bijna overmeesterde en zij op de rand stond van ongeduld; dan hoorde ik haar plots zeggen: “Och ja, lieve Jezus,” of: “Och ja, lieve Moeder, ik kan het ook nog wel lijden, nietwaar?” Dan scheen het alsof Jezus of Maria zich op een of andere wijze aan haar vertoonde of met haar sprak. Soms werd zij dan met zulke hemelse vertroostingen opgeheven dat er, ondanks het bebloede gezicht, een glimlach van liefde en heilige vreugde op haar lippen lag. Haar ogen, helder en als van liefde fonkelend, leken een onuitsprekelijk genoegen te smaken in wat zij dan mocht aanschouwen. En al kon men nog wel pijn vermoeden, het was alsof zij er geen acht op sloeg.
Wie haar in die ogenblikken gadesloeg, werd aangegrepen door medelijden, maar ook – onwillekeurig – door een zekere deelname aan haar vreugde en liefde.
Zoals de bloeding niet altijd even sterk was en soms even leek op te drogen, zo waren ook de pijnen niet steeds gelijk. Soms leken zij dragelijk; maar juist wanneer het bloed weer zou beginnen te vloeien, werden de pijnen heviger, alsof eerst opnieuw een wonde moest worden “geslagen”. Met andere woorden: het bloed ging gepaard met hevige smarten, die na het bloeden weer enigszins leken te verminderen.
Overigens kan men gerust zeggen dat Dora – door het bloeden, door de wonde aan haar been, door de vroegere verlamming van de urine en door vele andere kwellingen – geen uur zonder pijn was. Haar dagen gingen voorbij in aanhoudende smart. En wat bewonderenswaardig is: zij ging die lijdensweg zonder klagen, zonder zichtbare ontevredenheid, zonder ooit te verlangen bevrijd te worden.
Nooit heeft zij God om een wonder gevraagd om van het lijden verlost te worden. Meermalen zei zij mij zelf: “Ik weet niet dat ik ooit gebeden heb om, of zelfs verlangd heb naar de genezing van mijn been. Dat been is mij wel eens lastig en doet mij soms veel pijn, maar ik kan niet zeggen dat ik er ooit verdriet om gehad heb, of dat ik ooit gewenst heb het niet te hebben. Het hindert mij volstrekt niet.”
Toen zij reeds lang had voorspeld dat haar been genezen zou worden, vroeg ik haar – enkele dagen vóór die genezing volgens haar woorden zou plaatsvinden – wat zij eerder zou verkiezen: het been met al zijn pijnen, of genezing. Zij antwoordde onmiddellijk: “O, als ik met een gerust geweten kiezen kon: dan zou ik duizendmaal liever dat been hebben met al de smarten, dan de genezing.”
Waarom? vroeg ik haar. En zij zei: “Omdat ik van het begin af nooit naar genezing heb verlangd… en nog niet… och… het valt mij hard dat het genezen gaat. Het is waar: ik kan nergens heen, maar daardoor ben ik ook voor vele gevaren bevrijd. Als ik dat been niet had, stond ik meer op mijzelf dan nu. Dan zou ik die ondersteuning voor mijn ziel niet hebben die ik nu heb. Dan was ik… ach… als ik denk dat ik weer meer aan mijzelf zou worden overgelaten… hoe zal het dan met mij gaan?”
En over het uitbranden zei zij: “Ja, het is een vreselijke pijn, maar men kan daarbij zulke goede gedachten maken. En die móét men maken, anders houdt men het niet uit. Och, ik denk altijd maar: als ik er maar mee vrij kan komen van de hel, dan brand maar toe; dat is niets… En wat is dit vergeleken bij wat Jezus voor mij geleden heeft?”
Toen de genezing dan werkelijk plaatsvond – op ontegenzeglijk wonderdadige wijze, op het voorzegde uur en op de voorzegde wijze – hoorde ik haar tot Jezus bidden: “Is het Uw wil, lieve Jezus?… dan is het goed… maar lieve Jezus, weiger mij toch geen lijden; ik weiger het U ook niet…”
En even later zei zij, zichtbaar aangedaan: “Vader, al gaat mijn been genezen, Jezus zal mij toch geen lijden weigeren.” Dat was voor haar een troost, omdat zij die wonde – hoe pijnlijk ook – als een bron van genade beschouwde, als een schild tegen gevaren. Dat smartelijke been was haar dierbaar geworden; zij zag het als een genadeschat, als een ladder naar de hemel. Zij meende: zonder lijden zou zij denken dat God haar verlaten had. Maar nu zij innerlijk verzekerd werd dat haar lijden zou blijven, was zij gerust en gaf zij zich in liefde over aan Gods beschikking.
En inderdaad: Jezus heeft haar geen lijden geweigerd. Haar leven bleef een leven van lijden tot aan de laatste dag. Al had zij na de genezing nooit meer pijn in dat been, het ene lijden volgde het andere op, zodat men kan zeggen dat haar dagen voorbijgingen in blijvende smart.
Deze schets is voldoende om te doen begrijpen dat dit geen toestand was waarnaar men uit trots of ijdelheid redelijkerwijs zou verlangen, tenzij er een hoger doel en een zuivere liefde tot God aan ten grondslag lag.
Men zou nog kunnen vragen: was de vloeistof die op zo merkwaardige wijze uit haar hoofd, borst, handen en voeten vloeide werkelijk bloed, of slechts schijn? Het had geheel het voorkomen van bloed. Of het volkomen identiek was aan zuiver “gewoon” bloed, durf ik niet beslissen. Soms scheen het wat bleker dan op andere momenten, maar ik heb het nooit anders kunnen beschouwen dan als werkelijk bloed.
Dokter te Welscher schrijft hierover dat de vraag of de uitgevloeide vloeistof werkelijk met bloed overeenstemt, naar zijn oordeel volmondig met “ja” moet worden beantwoord. Hij zegt dat hij resten ervan heeft bewaard: linnen lapjes die hij bij verschillende gelegenheden tegen het bloedende hoofd heeft gedrukt en bewaard, opdat men daaruit later zou kunnen oordelen over de aard van de uitgevloeide stof, die zo overvloedig uit haar wonden vloeide.
Einde van Deel 1