Dora Visser – Levensschets Deel 2

Standaard

Dora Visser – Levensschets Deel 2

Abstract (Samenvatting)

Deze bijdrage leest het leven van Dorothea (Dora) Visser in het licht van het Kruis en de Verrijzenis van Jezus Christus, waarbij het Kruis fungeert als hermeneutische sleutel voor theologische onderscheiding. Niet het buitengewone karakter van haar ervaringen staat centraal, maar de vraag in hoeverre haar bestaan gestalte krijgt volgens de vorm van Christus’ zelfgave. Het Kruis wordt daarbij norm voor authenticiteit: waar vrijwillige aanvaarding, nederigheid, gehoorzaamheid en ecclesiale trouw zichtbaar blijven, kan gesproken worden van een waarachtige kruiservaring.

Dora’s zogenoemde “lijden voor anderen” wordt verstaan als participatie in het ene offer van Christus (vgl. Kol. 1,24), niet als zelfstandig verlossingswerk. Haar bereidheid om lijden te dragen ten dienste van het priesterschap en de opbouw van de Kerk openbaart een spiritualiteit van ecclesiale solidariteit. Het Kruis verschijnt hier niet als mystieke verheffing, maar als concrete dienstbaarheid binnen het Lichaam van Christus.

Kenmerkend is de evangelische logica van omkering: haar lichamelijke zwakte wordt niet ontkend of overwonnen, maar opgenomen en vruchtbaar gemaakt. In een ascetisch leven van stille overgave, gebed en contemplatie bij het kruis groeit haar ziel in trouw, hoop en liefde. Ook haar extatische ervaringen, visioenen en voorzeggingen worden getoetst aan het kruiscriterium: zij blijven ingebed in gehoorzaamheid aan geestelijke leiding en verwijzen niet naar haarzelf, maar naar Christus en de moederlijke nabijheid van Maria. Zo worden zij niet als apologetisch bewijs opgevoerd, maar als mogelijke tekenen van Gods handelen in een lijdende Kerk.

Het theologisch zwaartepunt ligt in haar vrije keuze om te blijven leven uit liefde, indien dit tot Gods eer en tot heil van zielen mocht dienen. Hier wordt de kern van kruiservaring zichtbaar: trouw blijven — in leven én in sterven — onderworpen aan Gods wil.

Deze lezing biedt geen wetenschappelijke verklaring van fenomenen, maar een theologisch verantwoorde herinterpretatie. Dorothea Visser verschijnt niet als curiosum of mystiek spektakel, maar als een mens wiens kwetsbaarheid werd opgenomen in de dynamiek van de gekruisigde en verrezen Liefde — een verborgen, gedragen bestaan onder het Kruis, waarin trouw zwaarder weegt dan het buitengewone.

Inhoud

Hoofdstuk 1 — Het Kruis als hermeneutische sleutel

Dit hoofdstuk legt het uitgangspunt vast: niet het buitengewone fenomeen staat centraal, maar de vraag of het beschreven leven overeenstemt met de vorm van Christus’ zelfgave. Het Kruis fungeert als criterium voor authenticiteit, onderscheiding en theologische duiding.


Hoofdstuk 2 — Plaatsvervangend lijden als participatie

Het “lijden voor anderen” wordt niet gezien als zelfstandig verlossingswerk, maar als deelname aan het ene offer van Christus (vgl. Kol. 1,24). Het lijden krijgt betekenis als uitdrukking van liefdevolle solidariteit binnen het Lichaam van Christus.


Hoofdstuk 3 — De logica van zwakheid en omkering

Dora’s eenvoudige redenering — “ik heb er meer tijd voor dan anderen” — weerspiegelt de evangelische omkering van het Kruis: wat zwak lijkt, wordt drager van genade. Haar kwetsbaarheid wordt niet opgeheven, maar vruchtbaar gemaakt.


Hoofdstuk 4 — Het Kruis en het priesterschap

Haar bereidheid om lijden te dragen voor de zending van haar zielbestuurder toont een ecclesiologische dimensie: het lijden is gericht op de opbouw van de Kerk. Hier verschijnt het Kruis als dienst aan het apostolaat, niet als individuele mystieke ervaring.


Hoofdstuk 5 — Extase onder gehoorzaamheid

De extatische toestanden worden getoetst aan het kruiscriterium: blijven gehoorzaamheid, nederigheid en kerkelijke ordening intact? De blijvende onderwerping aan haar zielbestuurder wijst op integratie in de ecclesiale structuur en niet op spiritueel individualisme.


Hoofdstuk 6 — Symboliek en de lijdende Kerk

De visioenen over Kerk, paus en tegenstand worden gelezen in het licht van de gekruisigde Kerk. De symboliek (het vuil wasgoed, Petrus onder druk) duidt niet op triomf, maar op deelname aan het lijden van Christus in de geschiedenis.


Hoofdstuk 7 — Genezing en voorzegging onder het Kruis

Voorzeggingen en genezingen worden niet als bewijsmateriaal gepresenteerd, maar als tekenen die verwijzen naar Gods handelen. Beslissend blijft dat zij zichzelf niet centraal stelt; de aandacht wordt steeds teruggeleid naar Jezus en Maria.


Hoofdstuk 8 — Het uitgestelde stervensuur

Het diepste moment ligt niet in de wonderlijke genezing, maar in de keuze om te blijven leven omwille van liefde en vruchtbaarheid. Hier verschijnt het Kruis als vrije zelfgave: leven én sterven worden onderworpen aan Gods wil.


Hoofdstuk 9 — Het gedeelde kruis

De instemming van de priester om een zwaar kruis te dragen opent een mystieke communio. Het lijden wordt niet geïsoleerd beleefd, maar gedeeld binnen de Kerk. Het Kruis krijgt hier een relationele en ecclesiale dimensie.


Hoofdstuk 10 — Onderscheiding en theologische terughoudendheid

De tekst besluit met methodologische bescheidenheid. Er wordt geen wetenschappelijke verklaring geboden, maar een getuigenis onder het criterium van het Kruis. De fenomenen worden niet absoluut gemaakt; de vorm van Christus blijft de maat.


Hoofdstuk 11 — Gedragen bestaan onder het Kruis

Dorothea Visser verschijnt niet als curiosum of mystiek spektakel, maar als een mens die haar kwetsbaarheid liet opnemen in Christus’ zelfgave. Haar betekenis ligt niet in het uitzonderlijke, maar in de mate van overeenstemming met Jezus, gekruisigde Liefde.

Levensschets

Haar lijden voor anderen is op het eerste gezicht een vreemde titel; en toch is hij, in de eigenlijke zin van het woord, waar — hoe merkwaardig dat ook klinkt. Jezus liet haar veel lijden, en zij nam dat in liefde en dankbaarheid aan. Nauwelijks was het ene voorbij, of een nieuw lijden begon; zo volgde het ene op het andere.

Het scheen echter alsof zij met wat God haar te dragen gaf, nog niet tevreden was. Zelf had zij al zo veel te lijden; maar zodra een ander leed, leek zij haar eigen pijn te vergeten en was zij vooral bekommerd om het leed van die ander. Uit medelijden zou zij het graag hebben overgenomen, om de ander te ontlasten.

Maar niet alleen uit medelijden kwam dat verlangen voort om het lijden van anderen te dragen. Er speelde ook iets anders mee: zij kon toch niet uitgaan, moest altijd in huis blijven en had al veel te lijden. In haar eenvoudige manier van kijken meende zij daarom dat zij beter dan anderen dit of dat lijden kon dragen, omdat er van haar gezondheid minder afhing dan van die van veel anderen. Met andere woorden — om het eenvoudig te zeggen — zij dacht dat zij “meer tijd had om ziek te zijn”, en dat er aan haar “toch niet veel verloren ging”. Vandaar dat zij dikwijls een of ander lijden te dragen kreeg dat soms vreemd voorkwam, of waarvoor men geen oorzaak of grond kon vinden.

Ik merkte dit vooral met betrekking tot mijzelf. Mijn werkzaamheden waren soms zwaar, vooral door de bediening van een tweede kerk, zodat mijn krachten wel eens te zwak waren voor het werk dat ik moest verrichten. Vooral mijn borst had geleden door overmatige inspanning bij sommige gelegenheden.

Op een keer, toen ik bij haar was, sprak ik over mijn gezondheid en over het werk dat nog op mij wachtte. Ik vroeg haar ook of zij een beetje voor mij wilde bidden, opdat ik de krachten zou krijgen die nodig waren om, volgens Gods heilige wil, mijn taken te kunnen volbrengen.

“Ach, Vader,” antwoordde zij, “kon ik het maar voor u lijden, zodat gij des te meer en des te beter voor God zoudt kunnen werken! Ik heb daar zoveel beter de tijd voor dan gij.”

Even later hoorde ik haar ook in die geest bidden en vragen. En ik meende te merken dat haar gebed werd verhoord en haar vraag werd toegestaan. Tot mijn verwondering kon ik mijn werkzaamheden doen zonder hinder te hebben van wat ik had genoemd, terwijl zij van haar kant juist datgene te lijden kreeg wat ik had gevoeld. Dat gebeurde niet één keer, maar herhaaldelijk.

Wanneer ik haar dan vroeg waar zij dit of dat lijden vandaan had, antwoordde zij: “Och, Vader, laat het maar zo zijn; ik draag het met liefde, en het zal wel weer beter worden.”

De eerste keer drong ik er toch op aan dat zij het mij zou zeggen, als dat kon — uit gehoorzaamheid. Toen zei zij: “Ach, Vader, onze Jezus is zo goed geweest mij dit te laten lijden voor u, opdat gij voor Hem zoudt kunnen werken.”

Hierbij moet worden opgemerkt dat zij in haar gewone toestand niet wist waar dit lijden vandaan kwam. Soms sprak zij erover met verwondering: hoe kwam zij er toch aan? Zij kon geen oorzaak bedenken. Dergelijke dingen werden, zoals ik het noem, in haar extatische toestanden gevraagd en besproken; want ook dan had ik — als ik het zo zeggen mag — het voorrecht met haar te kunnen spreken en door haar nauwkeurig gehoorzaamd te worden, als haar zielbestuurder.

Dit “lijden voor anderen” kan velen die nooit iets dergelijks hebben ervaren, vreemd en ongelooflijk voorkomen. Maar dit verhaal is gegrond op eigen ervaring: ik vertel slechts wat ik zelf heb ondervonden of heb bijgewoond.

Bij het lezen van aantekeningen van een van mijn voorgangers in het zielbestuur over haar, vond ik ook iets soortgelijks opgetekend. Op een bepaalde tijd kwam deze eerwaarde bij haar en vond haar in bed, met het kruisbeeld in haar handen, diep verzonken in het lijden van de goddelijke Verlosser. In die diepe extase zei zij:

“Ach, daar ligt een zieke in verschrikkelijke koorts; die koorts zal op mij gedrukt worden. Men moet zich op de dood voorbereiden: zij sterft. Ik ken de persoon niet; zij is een vreemde… men is naar de priester gegaan, maar men heeft haar dood gevonden…”

Van dit akelige gezicht was zij geheel ontsteld. Die koorts zou haar treffen de volgende dag (vrijdag), van drie tot zeven uur ’s middags. En zie: werkelijk, de volgende dag om drie uur kreeg zij hevige koorts, die duurde tot zeven uur, zoals was aangekondigd (19 april 1844).

Nog een geval betrof mijzelf. Dora waarschuwde mij eens en raadde mij aan voorzichtig te zijn met lopen. Waarom? Door onvoorzichtig of al te haastig de trap op en af te gaan, had ik een breuk opgelopen. Ik wist dat niet, omdat ik geen breuk kende en er ook niet aan dacht. Ik had wel iets gevoeld, maar er verder geen bijzondere aandacht aan gegeven.

Dora echter verklaarde het mij en zei: “Onze Moeder” — daarmee bedoelde zij altijd de heilige Maagd Maria — “zegt het; en zij zegt ook dat gij voorzichtig moet zijn met lopen. Ook moet gij u met een doek omwinden.”

Ik volgde dat advies. Ik merkte wel wat ongemak, maar spoedig was alles verdwenen. Maar zie: wat mij was ontnomen, werd haar gegeven; zij leed er enige tijd aan, met het grootste geduld, totdat ook bij haar dat ongemak langzaam herstelde.

Soms bracht dit “lijden voor anderen” haar, zo leek het, tot vlak bij de dood: zij onderging zelfs de pijnen van de doodsstrijd ten behoeve van een ander. Op een avond, na enkele dagen afwezig te zijn geweest, kwam ik terug en vroeg zoals gewoonlijk: “Hoe gaat het?” Haar zuster zei: “Dora is vanmiddag zo ziek geworden als nooit tevoren.”

Ditmaal schrok ik wel. Dora lag doodsbleek. Met zwakke stem zei zij dat zij zich voelde alsof zij moest sterven. Zij vroeg mij of het werkelijk sterven was, en of zij dan naar de hemel zou gaan. Ik werd bezorgd: als het werkelijk zover was, mocht zij niet sterven zonder de heilige sacramenten. Ik haalde ze en diende haar de sacramenten toe; zij ontving ze met diepe godsvrucht en groot vertrouwen.

Daarna sprak zij mij ernstig toe: dat ik altijd een trouwe priester moest blijven, nooit het heil van zielen mocht opofferen aan tijdelijke inzichten, en mij in geestelijke zaken niet moest laten sturen door huisgenoten die zich in priesterlijke aangelegenheden willen mengen; dat ik altijd voor God en volgens mijn geweten moest handelen, en overal de eer van Maria moest bevorderen.

Vervolgens werd zij stil; haar ogen braken, haar lichaam werd koud, haar adem leek weg. Het zag eruit als de dood, en dit duurde meerdere minuten. Toen opende zij weer haar ogen en zei tenslotte dat “Onze Moeder” wel had gezegd dat het sterven was, maar niet of het voor haar was of voor een ander. Even later keerde het leven terug. Op mijn uitroep bevestigde zij: “Ja, Vader” — het was “voor een ander”.

Kort daarna hoorde ik dat een dierbare vriendin van haar, een overste en stichteres van een jonge orde, levensgevaarlijk ziek was geweest, maar tegen alle verwachting in herstelde. Of Dora’s doodsstrijd precies voor haar was geweest, bleef formeel onbeslist; maar de schrijver twijfelt er niet aan. Zijn conclusie: Dora heeft zelfs de doodsstrijd geleden voor anderen.

Zeker, er is bijna niets moeilijker dan een juist beeld te geven van deze, voor bijna alle mensen zo vreemde toestanden. Hoe kan men een toestand nauwkeurig beschrijven of er een voor iedereen helder begrip van geven, wanneer men zelf nooit zo’n toestand heeft ervaren? En zelfs als men die zelf heeft ondervonden, dan nog geloof ik dat het nauwelijks mogelijk is dit met juistheid aan anderen uit te leggen of met woorden duidelijk te maken. Zulke ervaringen laten zich niet volledig in woorden weergeven.

Om dit te begrijpen moet men het zelf ondervinden. Het ervaren schijnt zozeer met onze eigen geest vereenzelvigd te zijn, dat een andere ziel, werkzaam in en met het lichaam, dit niet kan vatten. Men zou als het ware van alle stoffelijke belemmeringen ontdaan in die ziel moeten binnengaan, in die toestand verplaatst moeten worden, om te begrijpen wat zo’n toestand is en wat een ziel daarin ondergaat.

Een extatische toestand lijkt mij een toestand waarin de ziel zich als het ware van het lichaam losmaakt, of — hoewel nog in het lichaam besloten — zich ontdoet van alle stoffelijke belemmeringen. Zij neemt dan waar en ziet wat zij in de gewone, aan het lichaam gebonden toestand niet kan waarnemen, omdat zij door het stoffelijke wordt omhuld en beperkt.

Niet dat er een volledige scheiding van ziel en lichaam plaatsvindt — want dan zou de mens ontbonden en dood zijn — maar er is sprake van een zekere verheffing van de geest boven het stoffelijke. Het lichaam verliest in zekere zin zijn invloed op de ziel. De ziel beweegt zich vrij in het geestelijke, ongehinderd door het lichaam. Zij verkeert in het lichaam, maar als zonder lichaam.

In zo’n toestand schijnt de geest vrij te zijn van alle lichamelijke indrukken of gewaarwordingen. Hij neemt alleen datgene waar wat op geestelijke wijze met de ziel in betrekking staat — bijvoorbeeld het woord of de wil van de zielbestuurder aan wie zij onderworpen blijft. Het lichaam blijft door de blijvende tegenwoordigheid van de ziel in leven, maar leeft als het ware meer mechanisch. Het natuurlijke gevoel lijkt te verdwijnen: het lichaam wordt ongevoelig voor alles wat van buitenaf komt.

Zo kan men tijdens zo’n toestand met een speld in het lichaam steken zonder dat er pijn wordt gevoeld. Zelfs een luid kanonschot zou niet worden waargenomen. Keert de ziel echter terug tot haar gewone vereniging met het lichaam, dan wordt de eerder toegebrachte pijn wel degelijk gevoeld. Wonden doen dan hun natuurlijke pijn.

De zintuigen lijken in die toestand onvatbaar voor indrukken van buitenaf, tenzij deze rechtstreeks betrekking hebben op de ziel. Ook wordt er geen voedsel aangenomen.

Toch volgt het lichaam de bewegingen en gewaarwordingen van de ziel als een werktuig. De ogen kunnen zich openen en gericht blijven op wat de ziel waarneemt, ook al ziet het lichaam niets stoffelijks. Men kan voor de ogen bewegen of er iets voorhouden zonder dat dit wordt opgemerkt. De mond kan spreken, de handen bewegen, het gelaat kan glimlachen of tranen storten. Het lichaam ontvangt als het ware van de ziel, maar de ziel ontvangt niets van het lichaam. De ziel handelt alsof zij buiten het lichaam is; het lichaam volgt gehoorzaam.

Omdat de ziel in deze ogenblikken niet door het stoffelijke wordt belemmerd, kan zij geestelijke werkelijkheden waarnemen die zij in gewone toestand niet kan zien of begrijpen. God kan zich duidelijker aan zo’n ziel meedelen. Er kan een dieper inzicht worden gegeven in hogere dingen. God kan zich in verheven gedaante tonen, of engelen en heiligen kunnen — met Gods toelating — verschijnen. Ook kan de toekomst zich ontvouwen.

Deze verschijningen moet men echter niet als stoffelijke wezens beschouwen, maar als zuiver geestelijke werkelijkheden die zich in een stoffelijke vorm voordoen.

Hoe komt een ziel in zo’n extatische toestand? Zeker niet door een eenvoudige wilsdaad. Anders zou iedereen er naar believen in kunnen geraken — wat absurd zou zijn. De ziel wordt als het ware door een bovennatuurlijke werking, door God die zich op bijzondere wijze wil openbaren, boven het lichaam verheven. De ziel is daarbij meer passief dan actief.

Toch is zij niet geheel zonder medewerking. Zij kan ontvankelijk worden door een vurig verlangen naar God, door beschouwing van goddelijke zaken, door liefde tot God. Er ontstaat een wederzijdse aantrekking, hoewel het initiatief vooral van God uitgaat. Soms kan een indringend woord, de nabijheid van het Allerheiligste Sacrament, de heilige Communie, relikwieën, een beschouwing van de gekruisigde Christus of het overdenken van zijn lijden zo’n toestand teweegbrengen. Ook verdriet om zonden die God beledigen kan de ziel tot een innige vereniging met Hem brengen.

De duur van zulke toestanden verschilt. Zij kunnen een kwartier, een uur of langer duren. Dat hangt niet van de ziel zelf af, maar van God. Evenmin als de ziel zichzelf naar believen in deze toestand kan brengen, kan zij er naar eigen wil uit terugkeren. Zij wordt daarin geleid door een hogere macht.

Tijdens de extase blijft de ziel onderworpen aan haar zielbestuurder. De gehoorzaamheid blijft van kracht. Zelfs in deze verheven toestand blijft zij gebonden aan de orde die God heeft ingesteld. Zij kan terugkeren tot het lichaam op bevel of verlangen van de zielbestuurder.

Wanneer de ziel wordt “losgelaten” en terugkeert, gebeurt dat niet plotseling volledig. Het lichaam zinkt eerst krachteloos ineen, als een lichaam waaruit de ziel is geweken. Na één of enkele minuten komt het weer tot zichzelf, als uit een diepe slaap.

Men zou verwachten dat zo’n toestand vermoeiend is voor lichaam en geest. In de eerste ogenblikken lijkt dat zo, maar spoedig hervat de persoon haar werkzaamheden zonder merkbare vermoeidheid.

Blijft er na de terugkeer kennis over van wat tijdens de extase werd waargenomen? Ja. De ziel behoudt doorgaans een duidelijke herinnering aan wat zij heeft gezien of ontvangen — niet als een droom, maar als iets werkelijks. Hoeveel daarvan bijblijft, hangt af van wat God wil dat bewaard blijft.

Soms draagt de persoon kennis in zich zonder te kunnen verklaren hoe zij eraan komt, maar met een vaste innerlijke overtuiging. Soms blijft een duidelijk geestelijk beeld bij, zonder dat men kan zeggen of het in het lichaam of buiten het lichaam werd gezien. Zo helder kan het waargenomene zijn.

Het is mogelijk – ja zelfs zeker – dat men bij deze korte beschrijving van een extase veel zal willen aanmerken. Dat geef ik graag toe. Dit is geenszins een wetenschappelijke verklaring van een extase. Ik maak geen aanspraak op bijzondere kennis op dit gebied. Het was ook niet mijn bedoeling hier een wetenschappelijke uiteenzetting te geven of een volledig overzicht te bieden.

Wat ik zonder bijzondere ordening heb neergeschreven, is slechts wat ik heb waargenomen bij de gestigmatiseerde Dorothea Visser. Het moet beschouwd worden als een ruwe schets van de extatische toestanden waarin zij zo dikwijls verkeerde. Ik wil hiermee niet uitleggen hoe een ware extase in het algemeen zou moeten zijn, maar slechts aangeven hoe ik, met mijn beperkte kennis, de extase bij Dorothea Visser te Gendringen heb waargenomen gedurende de jaren waarin ik haar bijna dagelijks bezocht en haar zielbestuurder was.

Toen ik als kapelaan naar Zieuwent werd overgeplaatst en gedurende bijna drie jaar andere geestelijken haar zielzorg op zich namen, bleven deze extatische toestanden zich onder dezelfde verschijnselen voordoen, zoals ook zij getuigden. Zelf heb ik haar in die tussenperiode eveneens herhaaldelijk bezocht en steeds dezelfde verschijnselen vastgesteld.

Tijdens de extasen trad ook uiterlijk een verandering bij haar op. Hoewel zij gewoonlijk bleek was, kreeg haar gelaat dan een meer veredelde uitdrukking, als een zekere verhevenheid die haar hele voorkomen doordrong. Soms straalde een zalige vreugde van haar gezicht, soms een stille droefheid. Nu eens speelde een zachte glimlach om haar lippen, dan weer rolden droevige tranen over haar wangen, afhankelijk van het onderwerp waarmee haar ziel zich bezighield.

Het ging daarbij niet om een abstracte waarheid waarover zij nadacht, maar om een werkelijk – zij het niet lichamelijk – voorwerp, of om een waarheid die onder een symbolische voorstelling aan haar werd getoond en waarmee haar ziel zich onderhield.

Hoewel zij uit bescheidenheid en nederigheid nooit uit zichzelf over deze zaken sprak, maakte zij voor mij als haar zielbestuurder een uitzondering. Ook buiten de biecht schonk zij mij haar vertrouwen. Soms voelde zij zelf behoefte om in vertrouwen te spreken over wat haar in de extase was bijgebleven, opdat er voor mij niets verborgen zou blijven dat haar ziel betrof. Zij gaf zich geheel over aan de leiding van haar zielzorger, uit gehoorzaamheid en innerlijke overgave.

Omdat ik tijdens haar extasen dikwijls aanwezig was, kon ik uit haar lichaamsbewegingen – die doorgaans de bewegingen van haar ziel volgden – en uit woorden die zij soms verstaanbaar uitsprak, afleiden wat er in haar omging. Soms mocht ik zelfs tijdens de extase met haar spreken zonder dat dit haar hogere beschouwing onderbrak. Zij kon dan mededelingen doen over wat haar ziel aanschouwde, al waren die meer een ontboezeming van het genot of de smart die zij innerlijk proefde dan een rustige beschrijving van wat zij zag.

Het betrof hier geen gewone sympathie tussen personen. De band die bestond, was geen persoonlijke genegenheid, maar wortelde in gehoorzaamheid aan een goddelijke orde. De ziel onderwierp zich niet aan een mens als zodanig, maar aan een door God ingestelde waardigheid van zielbestuur. Het was een voorrecht dat niet uit menselijke sympathie voortkwam, maar vrij werd geschonken.

Wat zij aanschouwde met de ogen van haar ziel was onder meer:

  1. Het beeld van de goddelijke Verlosser, vaak in zijn lijdende toestand, maar ook dikwijls als een liefelijk Kind, alleen of op de armen van zijn Onbevlekte Moeder.
  2. De heilige Maagd Maria, soms vergezeld van het Kind Jezus, soms als bedroefde Moeder, vooral om de toestand van de Kerk.
  3. Vele heiligen, onder wie bijzonder vaak Alphonsus de Liguori, Aloysius Gonzaga, Franciscus van Assisi, Petrus de Apostel, Johannes de Apostel, Stanislaus, en vele anderen. Ook zag zij soms zielen die nog niet officieel heilig waren verklaard, maar die volgens haar reeds in de hemel waren.
  4. Engelen, in het bijzonder haar Engelbewaarder.
  5. Zielen uit het vagevuur, die om gebed en goede werken vroegen.
  6. Soms ook symbolische voorstellingen, waarvan haar de betekenis werd uitgelegd.
  7. De H. Jozef

Zo zag zij eens een zinnebeeldig tafereel waarin een waskuip met vuil wasgoed priesters voorstelde die innerlijk niet rein waren. De figuur van Petrus – waarmee zij de paus aanduidde – stond volgens haar onder zware druk, als tussen muur en waskuip ingedrongen, maar werd beschermd tegen heimelijke aanslagen. De onzichtbare hand die haar in het visioen doorstak maar niet doodde, duidde volgens haar op pogingen om de paus te treffen, die echter door hogere bescherming werden verijdeld.

Wanneer men deze symbolische voorstellingen beziet in samenhang met de gebeurtenissen van die jaren, dan kan men begrijpen hoe zij deze beelden verstond als betrekking hebbend op de toestand van de Kerk en haar herders.

Wanneer zij sprak over de treurige toestand van de Kerk en over de plannen van haar vele vijanden, lag onder het beeld van de waskuip vol vuil wasgoed en de onzichtbare hand een diepe, maar werkelijkheidsgetrouwe betekenis verborgen. Dit beeld tekende volgens haar de ware situatie van de Kerk, van de Heilige Vader en van de tegenstanders van de Kerk – met aan het hoofd van de vijanden van paus Pius IX keizer Napoleon III van Frankrijk.

Zo’n zinrijke en symbolische voorstelling droeg volgens de getuigen duidelijk het kenmerk van een hogere ingeving. Een eenvoudig meisje, dat niets wist van politiek of van de maatschappelijke verhoudingen van die tijd, zou zoiets uit zichzelf niet hebben kunnen bedenken.

Tijdens haar extases maakten de verschijningen verschillende indrukken op haar ziel, afhankelijk van wat haar werd getoond en welke waarheden haar door symbolische voorstellingen werden geopenbaard. Soms ervoer zij grote vreugde, soms bittere smart. Zij leefde als het ware geheel mee met hetgeen zij aanschouwde.

Wanneer zij bijvoorbeeld Jezus in Zijn lijden zag, deelde haar ziel in dat lijden. Tranen stroomden over haar wangen, diepe droefheid lag op haar gezicht. Door medelijden bewogen leek zij Jezus te beklagen, Hem te willen troosten, met Hem te spreken en Hem te vragen naar de reden van Zijn lijden. Vooral in de vastentijd, en in het bijzonder op Goede Vrijdag, verscheen Hij haar in het beeld van Zijn lijden.

Soms zag zij Jezus vol droefheid, klagend over de ondankbaarheid van de mensen, terwijl Hij hun zoveel liefde bewees en hen wilde redden. Zij sprak dan vertrouwelijk met Hem, smeekte Hem om barmhartigheid en om de mensen te sparen.

Zij verklaarde dat haar een zó helder inzicht in het lijden van Christus werd gegeven, dat zij het in al zijn bijzonderheden had kunnen beschrijven, zelfs met de verborgen betekenissen van de afzonderlijke momenten van Zijn lijden.

Maar Jezus verscheen haar ook als een beminnelijk Kind. Wanneer zij Zijn aanwezigheid wilde aanduiden, sprak zij over “de lieve Kleine Jezus”. Dan was haar vreugde groot. Zij leek met Hem te spreken, Hem te zoeken wanneer Hij zich als het ware verborg bij Zijn Moeder. Verdween deze ervaring, dan werd zij stil en soms licht bedroefd.

Na een extase was zij meestal zwijgzaam. Afhankelijk van wat zij had gezien, bleef er een diepe innerlijke droefheid of juist een onuitsprekelijke vreugde in haar achter. Wanneer het visioen een lijdensscène betrof of een klacht over de toestand van de Kerk, dan vloeiden soms nog lange tijd stil haar tranen.

Op vragen antwoordde zij dan:
“Ik weet niet wat er is, maar ik voel zo’n droefheid in mij dat ik wel zou kunnen huilen. Toch weet ik niet wat mij hindert. Ik heb niets verkeerd gedaan – en toch is het alsof ik het nog zie. Het was zo lijdend, zo aangrijpend, en toch zo beminnelijk. Het trok mij aan, zonder dat ik enige angst voelde.”

De verschijningen van de heilige Maagd Maria waren talrijk. Bijna iedere extase ging vergezeld van haar aanwezigheid. Dora had een bijzondere liefde tot Maria en een groot vertrouwen in haar voorspraak.

Maria verscheen haar soms met het Kind Jezus op de arm, soms smekend voor haar Zoon, soms als bedroefde Moeder, klagend over de zonden van de mensen, en soms als Hemelkoningin, omringd door engelen en heiligen.

Dora sprak met Maria op innige en vertrouwelijke wijze, vroeg haar om hulp en ontving volgens haar eigen zeggen vaak uitleg over symbolische voorstellingen. Dikwijls werd Maria vergezeld door de apostel Johannes en door de heilige Alfonsus de Liguori.

Ook andere heiligen verschenen haar. Zij bad hen om voorspraak voor de Kerk, voor paus Pius IX – die zij vaak “Petrus” noemde – en voor de vele intenties die mensen haar toevertrouwden. Velen hadden groot vertrouwen in haar gebed. Men meende: “Als Dora voor ons bidt, komt het goed.”

Soms leek zij kennis te dragen van de innerlijke bedoelingen van mensen. Zij benadrukte echter dat zij dit niet uit zichzelf wist, maar dat Jezus of Maria haar dit lieten zien. Het betrof geen concrete onthullingen van zonden, maar eerder intenties of verlangens, goed of kwaad bedoeld.

Zo verklaarde zij eens, terwijl zij in extase was en zonder te weten wat een aanwezige priester eerder had gezegd, dat de doornenkroon van Christus geen doornenmuts was geweest, maar een gevlochten kroon van doornen – “zo zegt Onze Moeder”.

Na de extase herinnerde zij zich zulke bijzonderheden meestal niet.

Soms meende zij een blik in de toekomst te krijgen. Zij sprak daar uiterst terughoudend over en alleen met haar biechtvader. Zij zei dan:
“Ik weet niet hoe ik het weet, of het een droom was. Maar het is alsof ik het zie gebeuren. Ik kan er niet aan twijfelen en voel mij gedrongen het u te zeggen.”

Volgens de getuigen zijn meerdere van haar aankondigingen uitgekomen.

Zo zou zij haar eigen genezing van een langdurige verlamming van de urine nauwkeurig hebben aangekondigd: binnen vijf weken, waarvan nog veertien dagen medische hulp nodig zou zijn. De behandelende arts – een protestant – achtte genezing onmogelijk. Toch trad herstel op, zonder verdere medische tussenkomst.

Ook kondigde zij herhaaldelijk vooraf aan of de stigmata op vrijdag zouden bloeden. Bij een bekend voorval in april 1844 werd haar rechterhand verzegeld en bewaakt. Toen het zegel werd verbroken, bleek ook daar een kruisvormige wond aanwezig te zijn, zoals zij had aangekondigd.

Eveneens voorspelde zij dat dokter Eschweiler, die volgens de artsen spoedig zou sterven aan longtering, nog niet zou overlijden. Na een noveen herstelde hij onverwacht en werkte nog vier jaar als arts, alvorens later alsnog aan een terugkeer van de ziekte te sterven.

Dit alles werd door haar omgeving beschouwd als bevestiging dat haar ervaringen niet louter natuurlijke oorzaken hadden. Zelf bleef zij echter bescheiden en aarzelend spreken over wat haar werd getoond.

Een andere voorzegging betreft de genezing van de algemene overste van de Arme Zusters Franciscanessen te Aken (Duitsland), Moeder Francisca (Francisca Schervier).

Moeder Francisca was een oprechte en vertrouwde vriendin van Dorothea Visser. Zij kwam Dora vaak bezoeken, riep haar krachtige gebeden in en vroeg in moeilijke zaken geregeld om haar raad of oordeel. Ook schreef zij mij tal van brieven over zaken die haar stichting betroffen, waarin zij Dora’s gebed en advies vroeg. Voor de door haar gestichte congregatie van de Arme Zusters — die vanuit Aken zich over Duitsland verspreidde en zelfs tot in Noord-Amerika — was het behoud van haar persoon van groot belang. Door haar positie én door haar vrome, ja bijna heilige levenswandel, stond zij bij allen in hoog aanzien.

Op een dag werd deze Moeder Overste echter dodelijk ziek. Allen verwachtten met angst haar overlijden. In deze nood nam men, ondanks de grote afstand tot Gendringen, zijn toevlucht tot Dora’s gebeden. De artsen hadden haar al opgegeven; men rekende op een spoedige dood.

Men schreef mij hierover en verzocht mij Moeder Francisca in Dora’s gebeden aan te bevelen en te laten weten wat men nog kon doen om dit dierbare leven te behouden. Dora nam dit verzoek met liefde aan, want ook zij was innig aan Francisca gehecht.

In een extase hoorde ik Dora vurig bidden voor het herstel van de zieke. Zij sprak met Onze Lieve Vrouw Maria en zei na enige ogenblikken:
“Vader, Onze Moeder zegt dat de zieke zal herstellen, maar men moet het volgende middel gebruiken: zoek wit boommoss, naai het in een zakje en leg dat op de borst van de zieke. Laat hun dit weten. En het zou goed zijn dat u erheen gaat en met de overste spreekt.”

Ik schreef meteen naar Aken om dit middel toe te passen. Daar vond men dit echter zo vreemd, dat men het niet durfde te zeggen aan de zieke en men aarzelde het uit te voeren. Enkele dagen later ging ik zelf naar Aken om de zieke te bezoeken. Ik werd direct bij haar toegelaten en vroeg de zusters of zij het middel hadden geprobeerd. Zij zeiden dat zij eerst hadden geaarzeld, maar uiteindelijk toch hadden gedaan wat ik geschreven had.

Toen ik met de zieke sprak, moest ik haar zeggen dat zij zou herstellen. En inderdaad: ik sprak die avond langdurig met haar, zonder dat het haar hinderde of vermoeide. Nog diezelfde avond stond zij op en voelde zij dat de ziekte geweken was — tot grote verwondering en vreugde van de zusters, maar nog meer tot verbazing van de artsen.

De artsen vreesden wel dat zij opnieuw zou instorten en adviseerden dat zij voor enige tijd naar Kaiserswerth zou gaan om aan te sterken. Men schreef mij opnieuw en vroeg of dit werkelijk nodig was. Ik legde dit aan Dora voor. Zij antwoordde:
“Voor de ziekte is dat absoluut niet nodig, zegt Onze Moeder. Het is vooral een wens van de artsen, die ook hun aandeel in deze genezing willen zien. Maar Francisca mag het wel doen, al is het niet noodzakelijk.”

Moeder Francisca herstelde spoedig volledig, kon haar vele en zware werkzaamheden weer opnemen en leefde langer dan Dora zelf: zij stierf een halfjaar na Dorothea Visser.

Wat men ook van deze genezing moge vinden, dit staat vast: Dora heeft deze opmerkelijke genezing vooraf aangekondigd — en dat is het enige wat wij hier willen vaststellen.


Vervolgens wil ik een gebeurtenis vertellen die mij buitengewoon heeft getroffen, en die ik niet zou hebben opgeschreven als het niet om de waarheid ging. Het betreft een dodelijke ziekte die Dora onverwacht overviel. Daarbij werd haar het uur van haar sterven bekendgemaakt; dat sterfuur werd vervolgens uitgesteld, en op het door haar genoemde uur en op de wijze die zij had voorspeld, volgde een plotselinge genezing.

Het gebeurde in 1859 dat Dora ernstig ziek werd. Wat voor ziekte het precies was, is moeilijk te zeggen, maar zij bracht haar aan de rand van het graf. De toestand verslechterde zo snel dat ik mij verplicht zag haar de laatste sacramenten toe te dienen. Haar sterven leek nabij.

Dora zelf was verheugd in de hoop spoedig haar Jezus in de hemel te mogen aanschouwen. Ik daarentegen — hoezeer ik haar de hemel ook gunde — was bedroefd. Zij was mij een grote steun in mijn priesterlijk werk en een goede raadgever in moeilijke situaties. Ik verborg mijn bezorgdheid niet.

Toen zei Dora, terwijl Maria zich volgens haar aan haar vertoonde:
“Vader, hoewel Onze Moeder zegt dat ik morgen met haar naar Jezus in de hemel mag gaan, en hoezeer ik ook naar Jezus verlang, wil ik toch nog liever een tijdlang de hemel missen en uit liefde voor Jezus op aarde verder lijden. Als mijn leven en lijden nog tot Gods eer kunnen zijn, en als ik door te leven en te lijden nog vrucht kan dragen en u kan ondersteunen in uw arbeid voor God en voor het heil der zielen — dan zal God mij later de hemel niet weigeren. Ik wil leven en ik wil sterven voor Jezus.”

Wie herkent in deze woorden niet een edele ziel, geheel op God gericht, die niets anders wil dan wat God wil — leven of sterven, lijden of vreugde?

Na enige ogenblikken van innerlijk gesprek met Maria — die, zo zei zij, vergezeld was van Jezus — richtte Dora haar blik strak omhoog en luisterde aandachtig. Daarna zei zij:

“Vader, mijn stervensuur was vastgesteld op morgenavond om zeven uur, zegt Onze Moeder. Maar Jezus heeft mijn offer aangenomen. Als u bereid bent om vanwege mijn verlengde leven een zwaar kruis te dragen, dan mag ik nog leven en bij u blijven. Maar, Vader, dan zult u om mij nog veel moeten lijden.”

Eenvoudige woorden — maar met een diepe betekenis. Waren zij niet zo eenvoudig uitgesproken en zo zichtbaar voortgekomen uit een oprecht liefhebbend hart, men zou ze vermetel kunnen noemen. Maar wie haar kende, wist dat elke gedachte aan aanmatiging haar vreemd was.

De vraag werd mij dus rechtstreeks gesteld: was ik bereid om vanwege haar verlengde leven een zwaar kruis te dragen? En zo ja, dan zou mij nog veel lijden wachten.

Hoe het kwam dat ik mij zonder aarzeling bereid verklaarde, kan ik niet volledig verklaren. Maar ik voelde mij innerlijk overtuigd dat dit van God kwam. Daarom antwoordde ik zonder terughoudendheid:

“Ja, Dora, ik ben bereid elk kruis te dragen dat God mij om uw leven wil opleggen. Graag zelfs, als ik daardoor God kan verheerlijken. Ja, ik wil lijden wat God van mij vraagt.”

Misschien heb ik op dat moment niet ten volle beseft wat het woord “lijden” werkelijk inhield. Later heb ik dat beter begrepen. Want niet lang daarna brak er onverwacht een storm tegen mij los: een vorm van tegenwerking en vervolging die verband hield met Dora. Het had iets vreemds, zelfs iets geheimzinnigs, en leek voort te komen uit afgunst of jaloezie. Vele moeilijkheden en onaangenaamheden volgden. Toch werden zij steeds weer gevolgd door troost en geestelijke bemoediging.

Had ik mij toen maar vaker herinnerd wat hier was gezegd — dan had ik die beproevingen wellicht met meer vrede gedragen.


Toen ik mij dus onvoorwaardelijk bereid had verklaard, volgde een ogenblik van stilte. Dora keek aandachtig naar wat zij zag en zei toen:

“Vader, het offer is aangenomen. Ik blijf nog leven… ik blijf nog bij u. Hoewel mijn ziekte dodelijk is en mijn stervensuur was vastgesteld, zal deze ziekte slechts zolang duren als u wilt. Jezus laat het aan u over. Op uw woord zal de ziekte onmiddellijk wijken.”

Dat verbaasde mij. Toch antwoordde ik:
“Wanneer gij spreekt, zal de ziekte ophouden.”
“Dat is aan u, Vader,” zei zij.

Dora was zichtbaar zwaar ziek. Ik had in mijn priesterschap vaak stervenden bijgestaan en kon de tekenen van een naderend einde herkennen. Alles wees erop dat haar einde nabij was.

Hoewel ik enige huiver voelde om een woord van genezing uit te spreken, had ik innerlijk een vast vertrouwen. Toch sprak ik dat woord niet onmiddellijk uit. Ik wachtte vijf dagen, tot het feest van Maria Presentatie (21 november), uit liefde tot Maria, aan wie Dora deze genade toeschreef.

In die vijf dagen bleef haar toestand onveranderd ernstig.

Op de vijfde dag bracht ik haar ’s morgens de heilige Communie. Zodra het Allerheiligste werd binnengebracht, raakte zij in extase. Na enige tijd gebood ik haar bij te komen, wat zij deed. Ik gaf haar de Communie; opnieuw volgde extase.

Na een kwartier sprak ik de woorden:
“Als God wil dat deze ziekte op mijn woord van u wijkt en gij gezond zijt, dan — in Gods naam — zij uw ziekte van u geweken. Sta op en wees gezond.”

Onmiddellijk liet zij haar hoofd opzij vallen, slaakte een diepe zucht, opende haar ogen — en de ziekte was verdwenen.

Verwonderd keek zij mij aan en zei:
“Wat ben ik anders dan zojuist… wat voel ik mij licht van binnen…”

Zij begreep wat er gebeurd was. Met gevouwen handen dankte zij God. Met hulp van haar zuster stond zij op, kleedde zich aan — en was hersteld.

Wat men ook van deze gebeurtenis mag denken, dit staat vast: zij had tevoren gezegd dat de genezing op mijn woord zou plaatsvinden — en zo geschiedde het.


Niet lang daarna volgde voor mij een periode van moeilijkheden. Mijn werkzaamheden en de geestelijke vruchten ervan hadden blijkbaar afgunst gewekt. Sommigen schreven deze vruchten vooral toe aan Dora’s medewerking. Dat leek jaloezie te hebben opgewekt.

Er werd bij de kerkelijke overheid aangedrongen op verandering. Tijdens een bespreking met de overheid werd mij meegedeeld dat men mij zou overplaatsen. Ik maakte bezwaar, in de overtuiging dat als dit werkelijk Gods wil was, zelfs Dora’s wonden zouden kunnen verdwijnen om dat te bevestigen.

Toch bleef men bij het besluit. Dora kreeg, naar zij zei, een verschijning van de heilige Alphonsus Maria de Liguori en van Onze Lieve Vrouw, die haar mededeelden wat er was besproken. Vervolgens zei zij:

“Vader, dit is nog niet de wil van Jezus.”

Ik verwachtte dagelijks een brief van overplaatsing — maar die kwam niet. Een jaar later werd het besluit herhaald; opnieuw zei Dora: “Dit is nog niet de wil van Jezus.” En opnieuw gebeurde er niets.

Pas twee jaar en twee maanden later volgde een overplaatsing — naar een nabijgelegen parochie, zodat ik haar nog geregeld kon bezoeken.

Zo kwam ook dit woord uit: het eerdere besluit werd niet uitgevoerd.

Of en hoe God hier heeft gehandeld, laat ik aan Zijn oordeel over. Ik heb slechts verteld wat ik zelf heb meegemaakt en gehoord.


Einde Deel 2 (wordt vervolgd)