Maurice Zundel

Een ingang tot kruisspiritualiteit
Herschreven en verdiept vanuit Erik Galle
De Zwitserse theoloog Maurice Zundel (1897–1975) is in het Nederlandse taalgebied nauwelijks bekend. Met de vertaling van Een andere kijk op de mens komt daar hopelijk verandering in. Zijn denken vormt namelijk een verrassend actuele en diepgaande ingang tot wat wij kruisspiritualiteit kunnen noemen.
Zundels teksten zijn geen getuigenisliteratuur in strikte zin, maar ze ademen wel een intens doorleefde Godsrelatie. Hij is geen systeemdenker die over God spreekt vanop afstand. Hij spreekt vanuit een ontmoeting. Zelf schrijft hij eenvoudig: “Ik had Iemand ontmoet.” Die ervaring werd voor hem beslissend.
Toen hij later theologie studeerde in Freiburg, beleefde hij dat als een crisis. Het Woord van God werd er herleid tot studiemateriaal, tot analyse en bewijsvoering. Voor iemand die God had leren kennen via het evangelie en vooral via de Bergrede, was dat pijnlijk. God werd besproken, maar niet beleefd. Formules vervingen vuur. Begrippen verdrongen relatie. Daar ontstond zijn kritische houding tegenover een theologie zonder innerlijke warmte.
En precies daar ligt een eerste ingang tot kruisspiritualiteit: het geloof kan niet leven van abstracte waarheden alleen. Het vraagt een innerlijk geraakt-zijn door de Liefde zelf.
1. De crisis van het godsbeeld
Volgens Zundel wortelt de kerkelijke crisis in een verkeerd godsbeeld. Wanneer God wordt voorgesteld als een macht buiten ons, als een autoriteit die van bovenaf regels oplegt, dan wordt Hij vanzelf ervaren als bedreiging van menselijke vrijheid.
Mensen verwerpen niet God als liefde — zij verwerpen een karikatuur.
Wie God “buiten” plaatst, ontdekt Hem nooit “binnen”. En zolang God niet wordt herkend als een innerlijke aanwezigheid die de vrijheid draagt, blijft het geloof een opgelegd systeem.
Hier opent zich de tweede ingang tot kruisspiritualiteit: het kruis openbaart geen tirannieke God, maar een God die zichzelf prijsgeeft. Niet een macht die overheerst, maar een liefde die zich kwetsbaar maakt.
2. De armoede van God
Een van Zundels meest originele inzichten is zijn spreken over de “armoede van God”.
God is niet arm omdat Hij tekortkomt. Hij is arm omdat Hij alles geeft. Hij houdt niets voor zichzelf. Zijn wezen is pure zelfgave.
De Drie-eenheid is volgens Zundel de hoogste uitdrukking van die dynamiek: de Vader bestaat door zich te geven aan de Zoon, de Zoon door zich te geven aan de Vader, en beiden in de Geest. God is geen gesloten monade, maar een eeuwige beweging van liefdevolle zelfovergave.
Dat maakt ook duidelijk waarom het kruis geen toeval is in Gods handelen. Het kruis is de historische openbaring van wat God eeuwig is: gave.
Hier wordt kruisspiritualiteit geen cultus van pijn, maar contemplatie van goddelijke zelfgave.
3. Gods kwetsbaarheid en menselijke vrijheid
Omdat God liefde is, maakt Hij zich kwetsbaar. Liefde kan niet dwingen. Ze kan slechts wachten op instemming.
Zundel formuleert het radicaal: zelfs Gods liefde kan mislukken wanneer zij niet wordt beaamd. Niet omdat zij tekortschiet, maar omdat zij de vrijheid respecteert die zij zelf geschonken heeft.
Dat is een onthutsende gedachte. God vertrouwt zich toe aan onze vrijheid.
Kruisspiritualiteit betekent dan: leren antwoorden. Niet uit angst, maar uit wederliefde. Ons “ja” schept ruimte waarin God zichtbaar kan worden.
4. Lijden en het moederlijke gelaat van God
Zundel wijst elke voorstelling af alsof het kruis een offer zou zijn aan een wrede God. Het kruis is geen betaling aan een hemelse Moloch. Het is de openbaring van Gods onschuldige liefde.
God veroorzaakt het lijden niet. Hij is er het eerste slachtoffer van.
Zoals een moeder lijdt onder het lijden van haar kind, zo lijdt God mee — en oneindig meer. In Jezus’ kruisdood wordt zichtbaar dat God geen toeschouwer is, maar deelnemer. Geen rechter op afstand, maar een liefde die zich laat verwonden.
Hier raakt Zundel aan de kern van kruisspiritualiteit: het kruis onthult Gods solidariteit, niet zijn wraak.
5. God redden?
Misschien het meest provocerende inzicht bij Zundel is dit: niet wij moeten in de eerste plaats worden gered, maar God — van onze karikaturen, onze projecties, ons lawaai.
Wij moeten de muziek redden van ons rumoer, de waarheid van onze illusies, de liefde van ons bezit.
Dat klinkt paradoxaal, maar het betekent: God wil in ons bestaan als liefde. Wanneer wij gesloten blijven, blijft Hij verborgen.
Kruisspiritualiteit wordt dan een innerlijke omkeer:
- van macht naar gave
- van bezit naar overgave
- van zelfhandhaving naar zelfgave
6. De mens als theofoor
Zundel ziet de mens als theofoor — Godsdrager. De mens wordt pas werkelijk mens wanneer hij deelneemt aan Gods beweging van zelfgave.
Autonomie is volgens hem geen onafhankelijkheid, maar ontvangen vrijheid. Wie zichzelf verabsoluteert, blijft opgesloten in een illusie. Wie zichzelf schenkt, wordt vrij.
In de wederkerigheid van de liefde vindt de mens zijn bestemming.
Slot: wennen aan een kwetsbare God
Zundels denken is bevrijdend, maar vraagt een diepe omschakeling. Wij zijn gewend aan een almachtige, verre God. Hij nodigt uit tot geloof in een kwetsbare God die zichzelf schenkt en zich aan onze vrijheid toevertrouwt.
Daar ligt de ware ingang tot kruisspiritualiteit:
Niet het zoeken van lijden.
Niet het verheerlijken van pijn.
Maar het binnengaan in het mysterie van een God die liefde is — tot het uiterste.
En wie dat mysterie binnentreedt, ontdekt wat Zundel terecht benadrukt: in die zelfgave ligt de ware vrijheid van de mens.
Vgl. Bron: www.terruwe.com