Dora Visser – Levensschets Deel 3

Standaard

Dora Visser – Levensschets Deel 3

door pastoor Geudens, webmaster doravisser.org

Samenvatting

Deze studie biedt een integrale theologisch-antropologische lezing van de levenshoofdstukken van Dorothea (Dora) Visser in het licht van haar kruistheologie en kruisspiritualiteit. Niet de buitengewone fenomenen vormen het interpretatieve centrum, maar de Gekruisigde Christus als hermeneutische norm voor waarheid, menswaardigheid en ecclesiale verbondenheid (vgl. 1 Kor. 1,18–25).

Het leven van Dora wordt gelezen als een consequente existentiële concentratie op het primaat van de Gekruisigde. Het kruis verschijnt bij haar niet als emotioneel symbool, noch als mystiek spektakel, maar als openbaringsplaats van Gods zelfgevende Liefde. Daar wordt zichtbaar dat waardigheid niet voortvloeit uit autonomie of nut, maar uit goddelijke gewildheid; dat liefde ontlediging is; en dat de Kerk leeft uit de geopende zijde van Christus.

De biografische hoofdstukken (1859 e.v.) tonen hoe deze kruistheologie concreet gestalte krijgt in historische gebeurtenissen. Het conflict rond een voorgenomen overplaatsing van haar geestelijk begeleider openbaart de spanning tussen menselijk gezag en goddelijke voorzienigheid. Dora’s herhaalde uitspraak — “nog niet de wil van Jezus” — functioneert niet als verzet tegen kerkelijk gezag, maar als onderscheiding binnen gehoorzaamheid. Het eerste besluit wordt uitgesteld; een latere overplaatsing blijkt zending. Zo wordt zichtbaar dat het kruis ook een ecclesiale toetssteen is: menselijke impuls en goddelijke leiding moeten onderscheiden worden zonder het gezag te ontkennen.

De waarschuwing tijdens de reis en de bescherming tegen een fataal ongeluk illustreren een tweede dimensie van haar spiritualiteit: voorzienigheid werkt via kleine gehoorzaamheid. Het kruis openbaart zich niet in spektakel, maar in stille bewaring. Bescherming wordt geen triomf, maar een verborgen bevestiging van zending.

Het hoofdstuk over de ontheiligde Hostie vormt het sacramentele zwaartepunt. Hier verschijnt de strijd rond het Allerheiligste als geestelijke kern van de gebeurtenissen. Bekering, eerherstel en verwondering rond de blijvende intactheid van de Hostie worden niet apologetisch uitgebuit, maar in eerbiedige terughoudendheid beschreven. Theologisch wordt dit gelezen binnen de eucharistische diepte van haar kruisspiritualiteit: het Paasmysterie blijft tegenwoordig in de Kerk. Het kruis is geen verleden feit, maar sacramentele tegenwoordigheid.

Dora’s lichamelijk lijden, inclusief de overgeleverde stigmata, wordt in deze studie niet geïsoleerd als fenomeen, maar verstaan als participatie aan Christus’ zelfgave. Het lichaam wordt geen object van sensatie, maar plaats van betekenis. Lijden wordt niet geromantiseerd en niet gezocht; het wordt gedragen. Deze nuance beschermt tegen spiritualisering van pijn. Het christelijk geloof verheerlijkt het lijden niet, maar verkondigt dat liefde sterker is dan lijden.

De aangekondigde genezing van haar ongeneeslijk geachte wond — met concrete termijn (Driekoningen) — wordt in samenhang gelezen met het conflict rond het kerkelijk besluit. Indien haar dood was ingetreden, zou haar reputatie onaangetast zijn gebleven; de genezing opent daarentegen een periode van beproeving en wantrouwen. Zo wordt zichtbaar dat het kruis ook de vorm van reputatieverlies en misverstand kan aannemen. Waarheid openbaart zich niet in publieke bevestiging, maar in volgehouden trouw.

Een bijzonder cruciaal hoofdstuk betreft de beperking van haar frequente Communie. Voor Dora, wier leven eucharistisch gecentreerd was, betekende dit een diep innerlijk lijden. Toch verwoordt zij een theologisch rijpe houding: liever zelden mét Gods wil dan vaak tégen Gods wil. Hier bereikt haar kruisspiritualiteit haar zuiverste vorm: gehoorzaamheid boven eigen troost. Het kruis wordt innerlijke vrijheid.

In haar gebed voor paus Pius IX en de Kerk verschijnt een uitgesproken ecclesiale gerichtheid. Politieke gebeurtenissen worden geestelijk geduid als strijd rond Petrus. Haar lijden wordt niet individualistisch verstaan, maar als participatie binnen het Lichaam van Christus (vgl. Kol. 1,24), zonder ooit het unieke verlossingswerk van Christus te relativeren. Participatie blijft afgeleid; het kruis blijft uniek.

De mariale dimensie verdiept deze ecclesiologische situering. Maria onder het kruis — blijvend, ontvangend, vertrouwend — vormt het type van Dora’s innerlijke gestalte. Maria wordt geen ornament, maar beeld van de Kerk die onder het kruis staat. Zo wordt Dora’s verborgen leven ecclesiale realiteit.

Het Paasmysterie vormt de horizon van het geheel. Het kruis wordt nooit losgemaakt van de verrijzenis. Zonder verrijzenis zou haar bestaan tragisch zijn; binnen de verrijzenis wordt het doorgang. Zwakheid wordt plaats van goddelijke kracht; verlies wordt vruchtbaarheid (vgl. Joh. 12,24). Haar sterven wordt voltooiing van een reeds geschonken leven.

Antropologisch mondt deze lezing uit in een cultuur van leven:
geen lichaam is waardeloos,
geen kwetsbaarheid ontneemt waardigheid,
geen verborgen bestaan is zonder betekenis.

In een cultuur die waarde koppelt aan autonomie en maakbaarheid, verschijnt Dora’s leven als profetische correctie. Menselijke waardigheid gaat vooraf aan prestatie. Het kruis openbaart dat God zich juist verbindt met het meest breekbare bestaan.

Samenvattend toont deze studie dat de kruistheologie en kruisspiritualiteit van Dora Visser bestaan uit een verborgen, eucharistisch en mariaal leven waarin de Gekruisigde Christus bron en norm is van menselijke waardigheid, gehoorzaamheid, ecclesiale trouw en hoop. Haar leven vormt geen mystiek spektakel, maar een stille profetie: het kruis als dagelijkse werkelijkheid, gedragen in vertrouwen, voltooid in de Verrijzenis.

Inhoudsopgave

Hoofdstuk I

Het aangekondigde besluit en de hemelse tegenspraak (1859)

In dit hoofdstuk staat het conflict centraal tussen een kerkelijk besluit tot overplaatsing en de herhaalde mededeling dat dit besluit “nog niet de wil van Jezus” was. Dora ontvangt in visioenen en extases boodschappen waarin zij te horen krijgt dat de aartsbisschop uit ongeduld en toorn heeft gehandeld. De verschijningen — later door haar herkend als de heilige Alphonsus de Liguori en Onze Lieve Vrouw — bevestigen dat het besluit voorlopig geen uitvoering zal krijgen.

De kern van dit hoofdstuk is niet louter een voorspelling die uitkomt, maar de spanning tussen menselijk gezag en goddelijke voorzienigheid. Het kerkelijk gezag blijft geldig en eerbiedwaardig, maar menselijke zwakheid — ongeduld, verkeerde informatie — kan een besluit vertroebelen. Volgens het relaas wordt het eerste besluit daarom door God verijdeld.

Wanneer uiteindelijk wél een overplaatsing volgt, blijkt deze anders van aard: zij maakt blijvende pastorale nabijheid mogelijk. Daarmee wordt de eerdere uitspraak bevestigd: het eerste besluit was “nog niet” Gods wil.

Het hoofdstuk benadrukt:

  • de onderscheiding tussen menselijke impuls en goddelijke leiding;
  • Dora’s innerlijke zekerheid te midden van uiterlijke onzekerheid;
  • de geleidelijke openbaring van Gods bedoeling in de tijd.

Hoofdstuk II

De waarschuwing onderweg: bescherming tegen het ongeluk

Kort voor het definitieve vertrek ontvangt Dora in extase een ogenschijnlijk eenvoudige aanwijzing: de priester moet onderweg zoveel mogelijk achterover zitten. Pas tijdens de reis wordt duidelijk waarom.

Een gewelddadige botsing met een dolle turfwagen had gemakkelijk fataal kunnen aflopen. Doordat hij Dora’s raad opvolgde, werd de priester niet uit de wagen geslingerd. Het paard bleef op onverklaarbare wijze kalm; ernstige verwondingen bleven uit.

Later blijkt dat de bestuurder bekendstond om zijn gewelddadige aard en zelfs opschepte over het moedwillig omverrijden van een wagen. Een jaar later komt hij zelf onder zijn wagen om.

Dora duidt het gebeuren geestelijk: het was een poging van het kwaad om de komst van de priester naar een moreel ontwrichte parochie te verhinderen. Maria zou bescherming hebben verleend.

De samenvattende kern van dit hoofdstuk:

  • Voorzienigheid werkt soms via kleine gehoorzaamheid (een simpele houding in de wagen).
  • Bescherming is geen spektakel, maar stille bewaring.
  • De overplaatsing blijkt niet straf, maar zending.

Hoofdstuk III

De ontheiligde Hostie en haar terugkeer

Dit omvangrijke hoofdstuk beschrijft een heiligschennis en het herstel ervan.

Een jonge vrouw, beïnvloed door spot en ongeloof, ontvreemdt bewust een geconsacreerde Hostie om deze te tonen aan protestantse kennissen. De Hostie wordt bewaard in een zakdoek, bespot, gedeeltelijk aangeraakt en geproefd. Maandenlang blijft zij onaangetast.

Na innerlijke onrust bekent de vrouw haar daad. De Hostie wordt eerbiedig in water en azijn gelegd om volgens kerkelijk advies te worden ontbonden. Tegen de verwachting in lost zij maandenlang niet op. Vervolgens verdwijnt plotseling alle vloeistof uit het glas, terwijl de Hostie droog achterblijft. Vier jaar blijft zij onveranderd bewaard, tot uiteindelijk natuurlijke ontbinding optreedt.

De theologische kernpunten:

  • Ernst van heiligschennis.
  • Bekering als weg van herstel.
  • Mysterie van de werkelijke tegenwoordigheid.
  • Voorzichtigheid in interpretatie: er worden geen stellige conclusies getrokken, slechts verwondering en eerbied uitgesproken.

Dit hoofdstuk vormt het spirituele hart van het verhaal: de strijd om het Allerheiligste en de herstelling van eerbied.


Hoofdstuk IV

Dora’s gebed voor Kerk en paus

Dora, ongeletterd en zonder politieke kennis, spreekt herhaaldelijk over paus Pius IX, over Napoleon III en over de toestand van de Kerk. Zij duidt politieke verwikkelingen als geestelijke strijd.

Zij benadrukt:

  • het lijden van Pius IX;
  • bedreigingen tegen de paus;
  • noodzaak van gebed voor priesters;
  • gevaar van lauwheid en moedeloosheid.

Haar woorden vallen vóór en rond de vrede van Villafranca (1859) en de latere vervolgingen in Italië. Zij beschouwt Pius IX als een “Petrus in geloof en Johannes in liefde.”

De langere samenvatting toont:

  • Dora’s betrokkenheid bij de universele Kerk;
  • de nadruk op gebed als bescherming van Petrus;
  • een mariale dimensie: Maria beschermt haar “Petrus”.

Het accent ligt niet op politieke analyse, maar op geestelijke interpretatie.


Hoofdstuk V

De ongeneeslijke wond en de aangekondigde genezing

Dora leed sinds haar jeugd aan een ernstig aangetaste wond aan het been. Artsen verklaarden genezing onmogelijk. De pezen waren aangetast; natuurlijke herstelling uitgesloten.

Toch wordt weken tevoren aangekondigd:

  • volledige genezing van het been;
  • geleidelijk ophouden van het bloeden uit de wondtekenen;
  • een uiterste termijn: het feest van Driekoningen.

De genezing wordt verbonden met de eerdere voorspelling dat de overplaatsing nog niet Gods wil was. Was Dora destijds gestorven, dan zou haar reputatie onaangetast zijn gebleven. Door haar herstel begon echter een periode van beproeving.

De samenvatting onderstreept:

  • langdurige medische ongeneeslijkheid als achtergrond;
  • de aankondiging van exacte timing;
  • genezing als mogelijk teken ter bevestiging.

Hoofdstuk VI

De strijd rond de heilige Communie

De frequente Communie van Dora wordt door sommigen als verdacht voorgesteld. Jaloezie en verkeerde voorstelling leiden ertoe dat de aartsbisschop het bezoek van haar biechtvader beperkt en de Communie reduceert tot eens per veertien dagen.

Voor Dora is dit een zwaar kruis. Zij kan door haar been nauwelijks naar de kerk gaan; de Communie is haar grootste vreugde. Toch zegt zij:

“Liever eenmaal per maand mét zijn heilige wil dan elke dag tégen zijn heilige wil.”

Deze houding toont haar geestelijke rijpheid: gehoorzaamheid boven eigen troost.

De kern van dit hoofdstuk:

  • Misverstand binnen kerkelijke structuren;
  • Gehoorzaamheid als innerlijke vrijheid;
  • Communie als centrum van haar leven en gebed voor de Kerk.

Hoofdstuk VII

Het beslissende onderhoud met de aartsbisschop

Het gesprek tussen de priester en de aartsbisschop verloopt aanvankelijk vriendelijk, maar wordt door ongeduld en tijdsdruk verstoord. Het besluit tot overplaatsing wordt uitgesproken.

Dora weet dit reeds vóórdat het haar wordt verteld. Zij ontvangt de mededeling in visioen: de aartsbisschop handelde in drift; het is “nog niet de wil van Jezus”.

Hier komt een centraal motief samen:

  • Menselijke emotie in gezag.
  • Hemelse tussenkomst die niet dwingt, maar het besluit tijdelijk opschort.
  • Belofte van genezing als teken.

Het uitblijven van de onmiddellijke uitvoering sterkt het vertrouwen in Dora’s woorden.


Hoofdstuk VIII

De vastgestelde termijn: naar Driekoningen

Ongeveer twee weken na 7 oktober 1859 wordt de uiterste datum van genezing meegedeeld: Driekoningen. Tevens wordt aangekondigd dat het bloeden nog enkele keren zal terugkeren en daarna zal ophouden.

Hier eindigt deze fase van het relaas met:

  • een concreet tijdskader;
  • een bevestiging van vertrouwen;
  • een spanning tussen verwachting en vervulling.

De gebeurtenissen vormen samen één groot geheel: overplaatsing, bescherming, herstel van eerbied voor het Sacrament, gebed voor de paus, genezing en bevestiging.


Overkoepelende langere samenvatting van het geheel

Het volledige verhaal beschrijft een periode (1859 e.v.) waarin:

  • kerkelijk gezag en mystieke ervaring elkaar raken;
  • menselijke zwakheid en goddelijke voorzienigheid samen optreden;
  • strijd rond het Allerheiligste centraal staat;
  • gebed voor paus en priesters een sleutelrol speelt;
  • lijden, gehoorzaamheid en genezing elkaar doorkruisen.

De kernboodschap is niet sensatie, maar voorzienigheid:
God leidt — soms door uitstel, soms door bescherming, soms door beproeving, soms door troost.

En steeds klinkt dezelfde zin als toetssteen:

“Dit is nog niet de wil van Jezus.”

Levensschets

Hij sprak mij aan en herhaalde de woorden die de Geestelijke Overheid eerder tot mij had gericht. Hij vertelde dat de Geestelijke Overheid ongeduldig was geworden, in drift was geraakt en daarop had besloten mij te verplaatsen.

Hoewel Dora dit niet geheel vertrouwde en dacht dat het wellicht een poging was geweest om haar angst aan te jagen, voelde zij toch diepe droefheid. Toen ik bij haar kwam, was zij in tranen. Meteen vertelde zij mij wat er was gebeurd en wat die man had gezegd. Ik moest erkennen dat het inderdaad dezelfde woorden waren die de Geestelijke Overheid tot mij had gesproken.

Kort daarop waren beide verschijningen even geheimzinnig verdwenen als zij gekomen waren. Later, toen Dora in extase verkeerde, verklaarde zij mij dat het de heilige Alphonsus de Liguori en Onze Lieve Vrouw waren geweest. Zij herhaalde toen even nadrukkelijk als de Geestelijke Overheid had gedaan, dat ik weldra verplaatst zou worden. Maar zij voegde eraan toe:

“Vader, dit is nog niet de wil van Jezus,” zegt Onze Moeder.

Natuurlijk verwachtte ik dagelijks een brief waarin mijn overplaatsing werd meegedeeld. Wat de oorzaak ook geweest moge zijn, er kwam geen brief. Een jaar later werd het besluit opnieuw uitdrukkelijk herhaald. Maar even uitdrukkelijk verzekerde Dora mij wederom dat dit nog niet de wil van Jezus was — en opnieuw bleef de overplaatsing uit.

Twee jaar en twee maanden gingen voorbij. Toen ontving ik uiteindelijk een brief van overplaatsing, maar naar een naburige parochie, zodat ik haar van daaruit geregeld kon blijven bezoeken. Opnieuw bleek waar te zijn wat Dora had gezegd: “Vader, dit is nog niet de wil van Jezus.” Hoe nadrukkelijk de Geestelijke Overheid het eerdere besluit ook had uitgesproken, het werd niet uitgevoerd.

Men zou kunnen tegenwerpen dat Gods wil toch samenvalt met eerbied voor het gezag, ook wanneer dit niet geheel met Gods plannen overeenstemt. Toch moet worden opgemerkt dat het eerste besluit was genomen in een ogenblik van ongeduld of toorn, zonder voldoende bezinning of grondige motivering. Bovendien berustte het op onjuiste inlichtingen. Het is aannemelijk dat God dit daarom heeft verijdeld. De latere overplaatsing stond los van deze omstandigheden en had een geheel andere achtergrond.

Het was uiteindelijk dan toch besloten dat ik zou vertrekken. De zendbrief was ontvangen en alles was gereed voor mijn vertrek.

Hoewel het volgende niet strikt in chronologische volgorde past, wil ik hier toch een gebeurtenis vermelden die wellicht licht werpt op deze overplaatsing.

Kort voor mijn vertrek bevond ik mij bij Dora. Zij was enkele ogenblikken in extase geweest en zei toen:

“Vader, wanneer u onderweg bent, moet u zoveel mogelijk achterover gaan zitten.”

“Achterover zitten? Wat bedoel je daarmee, Dora? Waarom zou ik dat moeten doen?”

“Ik weet het niet, Vader. Onze Moeder zegt het. Zij is hier en zegt dat ik u dit moet doorgeven.”

Een goede vriend bracht mij met zijn lichte wagen, getrokken door een jong en krachtig paard, naar mijn nieuwe bestemming. Het was een heldere decemberavond met lichte vorst en maanlicht. Tegen zes uur ’s avonds hoorden wij plotseling een luid gerammel naderen. Wij dachten eerst aan een diligence, maar daar reed geen diligence langs die weg.

Het bleek een turfwagen te zijn die in dolle vaart slingerend naderde, met kettingen die hevig rammelden. Ons paard spitste de oren, maar bleef kalm. De voerman stuurde zo ver mogelijk naar de kant en hield stil.

Plotseling slingerde de turfwagen tegen ons wiel met zulk een geweld dat paard en wagen dwars over de weg werden geslingerd. De bestuurder van de turfwagen viel van zijn wagen en kwam op de weg terecht. Onze wagen kantelde voorover; het tuig brak gedeeltelijk. Mijn voerman werd bijna naar voren geslingerd.

Ik had onderweg Dora’s raad opgevolgd en zat zoveel mogelijk achterover. Juist daardoor werd ik niet uit de wagen geworpen. Zonder dat voorzorgsgebaar zouden wij beiden onder het paard terecht zijn gekomen, met mogelijk zeer ernstige gevolgen.

Opmerkelijk was dat ons jonge paard, ondanks de hevige schok, geen stap verzette en bleef staan alsof het vastgehouden werd. De man van de turfwagen stond op, vloekte hevig en dreigde, maar toen hij zag dat wij niet bevreesd waren, vertrok hij. Zijn paard en wagen waren inmiddels verder gereden; een kind dat op de wagen had gezeten, bleef ongedeerd.

Wij herstelden het tuig zo goed mogelijk en vervolgden onze weg.

Een jaar later hoorde ik dat diezelfde man onder zijn eigen wagen om het leven was gekomen. Een inwoner van die plaats vertelde — zonder te weten wat ons was overkomen — dat hij zich er ooit op had beroemd opzettelijk een wagen met heren te hebben omvergereden. Hij stond bekend om zijn gewelddadige aard.

Toen ik dit aan Dora vertelde, en zij opnieuw in extase was, zei zij:

“Vader, Onze Moeder wist dit. Het was de duivel die niet kon verdragen dat u naar die plaats ging, waar hij in de laatste tijd veel invloed had gekregen. Hij wilde u een ongeluk bezorgen om uw komst te verhinderen. Maar Onze Moeder liet dat niet toe. Daarom heeft zij u laten waarschuwen.”

Het is moeilijk dit anders te zien dan als een bijzondere bescherming. Dat wij zonder ernstig letsel bleven, dat het paard zo kalm bleef staan en dat de dreigende man zich terugtrok — het alles wijst op een hogere voorzienigheid.

Later bleek inderdaad dat in die parochie ernstige misstanden hadden plaatsgevonden, waaronder openlijk verzet tegen kerkelijk gezag en zelfs een heiligschennis, waarbij een geconsacreerde Hostie was ontvreemd om haar te bespotten. Door Gods genade mocht ik eraan meewerken dat deze Hostie werd teruggevonden.

Alles tezamen bevestigde mij in de overtuiging dat mijn overplaatsing niet louter menselijke oorzaak had, maar deel uitmaakte van Gods leiding.Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Verhaal van het terugkrijgen van een heiligschennend ontvreemde Hostie

Een jonge vrouw van ruim twintig jaar verkeerde in dienst op een plaats waar zij helaas intensief omging met meisjes van protestantse overtuiging. In hun bijeenkomsten werd regelmatig gespot met de katholieke godsdienst en met de heilige Sacramenten. Vooral het heilig Misoffer en de heilige Communie werden belachelijk gemaakt.

Geleidelijk verloor zij daardoor haar eerbied voor haar geloof. Ook de predikant van die plaats bemoeide zich met haar, met de bedoeling haar tot het protestantisme over te halen. Zij was al zo ver afgedwaald dat zij het voornemen had zich daadwerkelijk aan te sluiten, mede omdat zij meende zich dan gemakkelijker aan een losbandiger levenswijze te kunnen overgeven.

Toch bleef zij uiterlijk haar godsdienstige praktijken voortzetten: zij ging nog biechten en communiceerde, al was het voornamelijk om de schijn op te houden.

Later veranderde zij van dienst en kwam zij in de parochie waarheen ik was overgeplaatst. Hoewel zij van plaats was veranderd, bleef zij contact onderhouden met haar vroegere vriendinnen. Op een dag, tijdens een bezoek aan hen, werd opnieuw spottend gesproken over het Allerheiligste Sacrament. Zij gaven te kennen dat zij wel eens zo’n “zogenaamde heilige Hostie” wilden zien.

Zij toonde zich bereid hun dat te bezorgen.

Op een weekdag begaf zij zich naar het dorp waar zij vroeger had gediend en woonde daar de heilige Mis bij. Terwijl enkele oudere parochianen ter Communie gingen, trad ook zij naar voren. Zij ontving de heilige Communie, hoewel zij niet nuchter was. De Hostie nuttigde zij echter niet. Zij hield deze op haar tong, ging terug naar haar plaats achter in de kerk, nam een witte zakdoek en verwijderde daarmee de Hostie uit haar mond. Zij rolde de zakdoek op en stak die in haar zak.

Een deel van de Hostie was aan haar tong blijven kleven. Omdat zij niet nuchter was, durfde zij dit restant niet te nuttigen. In haar verwarring spuugde zij het uit op de kerkvloer en wreef het met haar klomp uit, totdat het niet meer zichtbaar was. Later verklaarde zij dat zij tijdens deze daad volledig van streek was geweest en innerlijk grote onrust had gevoeld.

Na de Mis ging zij naar huis en bewaarde de zakdoek met de Hostie erin. Op de daaropvolgende zondag nam zij deze mee naar haar protestantse kennissen. Daar werd ermee gespot; men betastte de Hostie en volgens haar eigen getuigenis namen sommigen er stukjes van en proefden die. Ongeveer driekwart bleef in de zakdoek achter.

Zij nam de zakdoek weer mee naar huis. Bijna een half jaar lang bleef de Hostie daarin bewaard, zonder merkbare verandering.

Thuis had zij de zakdoek in haar kist gelegd. Hoewel zij dagelijks aan de inhoud dacht en innerlijke onrust voelde, durfde zij zich er niet van te ontdoen. Uiteindelijk bekende zij rond het kerstfeest wat er was gebeurd.

Ik was diep geschokt bij het horen van dit verhaal. Met geduld en zachtmoedigheid vroeg ik haar de volledige toedracht buiten de biecht om uiteen te zetten. Na enige aarzeling overhandigde zij mij uiteindelijk de zakdoek, onaangeroerd, zoals zij die had bewaard.

Met grote eerbied ontvouwde ik de doek. De Hostie bevond zich daarin nog in haar wezenlijke vorm, zonder zichtbare aantasting.

Ik raadpleegde de deken over wat te doen. Hij adviseerde de Hostie in water en azijn te laten oplossen, zodat na ontbinding de resten eerbiedig in het sacrarium konden worden bewaard. Dat advies besloot ik op te volgen.

Ik nam de Hostie voorzichtig uit de doek en legde haar in een glas met water en azijn. Ook de losse partikels voegde ik daaraan toe. In een tweede glas bewaarde ik het water waarmee ik de zakdoek had uitgespoeld. Beide glazen plaatste ik afgesloten in mijn kamer, afgedekt met een witte doek. Dagelijks bad ik om Gods leiding.

Volgens de natuur der dingen had de Hostie spoedig moeten oplossen. Maar zij bleef maandenlang zichtbaar aanwezig, tot in de kleinste partikels, zonder merkbare verandering — slechts met een lichte verkleuring die ik aan de azijn toeschreef.

Na ongeveer drieënhalve maand ontdekte ik tot mijn verbazing dat het glas met de Hostie volledig leeg was: geen spoor van vocht was nog aanwezig. Het andere glas, dat ernaast stond, was nog steeds halfvol. Er waren geen sporen van lekkage, omvallen of verdamping te zien. De Hostie en de partikels lagen droog in het lege glas, onveranderd en in dezelfde positie als tevoren.

Dit verschijnsel was voor mij onverklaarbaar. Niemand had toegang tot de afgesloten plaats gehad. Er was geen zichtbare oorzaak aan te wijzen.

Ik besloot het andere glas nog een maand te laten staan, maar daar deed zich geen verandering voor. De Hostie bleef ik eerbiedig bewaren, vertrouwend dat God zijn wil verder zou openbaren.

Bij een eerstvolgende gelegenheid vertelde ik dit aan Dora en vroeg haar gebed. Zij zei dat zij moeite had gehad met het idee dat de Hostie in water en azijn moest worden opgelost. Indien de Heer had gewild dat zij zou vergaan, zo zei zij, dan zou Hij niet zo lang in de zakdoek bewaard zijn gebleven zonder te bederven.

Later, in een toestand van extase, verklaarde zij dat het glas niet was omgevallen en dat de Heer niet langer in dat mengsel had willen verblijven. Zij sprak in beeldende taal over een hemelse tussenkomst en bevestigde haar overtuiging dat de werkelijke tegenwoordigheid van Christus onder de gedaante van de Hostie was blijven voortbestaan.

Voor mij bleef deze gebeurtenis een diepe en aangrijpende ervaring, die mij sterkte in de eerbied voor het Allerheiligste en in het besef dat Gods leiding soms op verborgen wijze werkzaam is.

Vier jaar lang heb ik dit glas met eerbied bewaard. Toen ik van die parochie vertrok om elders pastoor te worden, nam ik deze heilige schat met mij mee, in het vertrouwen dat Jezus mij ook in mijn nieuwe werkkring zou bijstaan en ondersteunen.

Gedurende die vier jaar bleef de heilige Hostie in het glas zonder enige zichtbare verandering. Of ik in die tijd anders had moeten handelen dan ik gedaan heb, weet ik niet. Waarom Jezus op zo wonderlijke wijze onder deze omstandigheden tegenwoordig wilde blijven, zal ongetwijfeld een bedoeling hebben gehad.

Was het enkel tot mijn troost? Tot bemoediging in mijn arbeid en in de beproevingen die mij wachtten? Of om mij de zekerheid te schenken dat hier geen sprake was van bedrog of inbeelding, maar dat ik werkelijk een heilige Hostie uit kwaadwillige handen had mogen redden? Ik weet het niet. Misschien had God in zijn ondoorgrondelijke wijsheid nog een ander doel, dat mij ontging of dat ik, door niets verder te ondernemen, niet heb verwezenlijkt. Dat blijft voor mij verborgen.

Na vier jaar merkte ik plotseling een begin van ontbinding. Korte tijd later waren de Hostie en alle partikels zichtbaar gecorrumpeerd. Na dit nog enkele dagen te hebben laten rusten, heb ik alles eerbiedig in het sacrarium geborgen.

Hoewel wij hieruit geen stellige conclusies mogen trekken, lijkt het niet onredelijk te veronderstellen dat, indien God het goed vond door mijn — hoe onwaardige ook — bemiddeling misstanden te herstellen die daar hadden plaatsgevonden, de tegenstand waarmee ik werd geconfronteerd niet zonder betekenis was. In de twee jaar en negen maanden dat ik daar werkte, keerde de rust terug. Wat bij mijn komst oproerig en verward was, was bij mijn vertrek ordelijk en vredig geworden.

Het is dan ook niet vermetel te denken dat mijn overplaatsing niet voortkwam uit vroegere incidenten, maar eerder uit Gods leiding. Evenmin hoeven wij te twijfelen dat Dorothea Visser door haar gebed hieraan heeft bijgedragen.

Toen de tijd naderde dat ik tot pastoor zou worden benoemd — al wist ik daarvan nog niets anders dan dat enkele van mijn medestudenten reeds waren aangesteld — bezocht ik opnieuw Dora. In extase zei zij:

“Vader, wanneer u tot pastoor wordt benoemd, moet u tevreden zijn, waar dat ook is en hoe ver het ook verwijderd ligt.”

Ik vroeg haar of zij dacht dat dit spoedig zou gebeuren en wellicht op een verre plaats. Zij antwoordde:
“Ik weet het niet, Vader, maar Onze Moeder zegt het.”

En inderdaad, enkele dagen later ontving ik onverwacht mijn benoeming tot pastoor in Kloosterburen, in het uiterste noorden van de provincie Groningen, op aanzienlijke afstand van mijn vorige standplaats.


Over de toestand van Kerk en wereld

In dit verband wil ik enkele korte opmerkingen maken over de toestand van de Kerk vanaf het jaar 1859, in het bijzonder met betrekking tot paus Pius IX. Mogelijk zal ik dit later uitvoeriger beschrijven, indien mij daartoe tijd en gelegenheid worden gegeven.

Vooraf zij opgemerkt dat Dorothea Visser een uiterst eenvoudige vrouw was, zonder enige kennis van politiek of wereldgeschiedenis. Zij las geen kranten en volgde geen nieuws. Wat zij wist, had betrekking op geestelijke zaken, vooral op de Kerk en haar heilig Opperhoofd, paus Pius IX.

Toch sprak zij dikwijls over gebeurtenissen die de Kerk aangingen, alsof zij daarvan beter op de hoogte was dan velen die dagelijks het nieuws volgden. Wat zij zei, betrof voornamelijk de noden van de Kerk en het lijden van de paus.


Over Napoleon III en de Kerk

Zij sprak onder meer over Napoleon III, keizer van Frankrijk. Volgens haar was hij mede door steun van vrijdenkers op de troon gekomen en had hij zich verbonden hun plannen ten aanzien van de Kerk te bevorderen. Hoewel hij innerlijk niet met al hun bedoelingen instemde, had hij zich uit ambitie en trots aan hen verbonden.

Daaruit vloeide een zekere tweeslachtigheid voort: soms zette hij stappen die gunstig waren voor de Kerk, maar onder druk van zijn bondgenoten deed hij daarna weer het tegenovergestelde. Deze innerlijke verdeeldheid bracht verwarring en leed teweeg, vooral voor paus Pius IX.

Toen Napoleon in Italië ten strijde trok tegen Oostenrijk, werd hij volgens Dora nog sterker in politieke en ideologische netwerken verstrikt. Zij had vóór het uitbreken van de oorlog al gezegd dat deze moeilijk te voorkomen zou zijn. De oorlog kwam inderdaad, en eindigde voorlopig met de vrede van Villafranca.

Over deze vrede zei zij dat het bloedvergieten weliswaar tijdelijk was gestopt, maar dat de verwarring groot zou blijven. De Kerk, en vooral de paus en de priesters, zouden veel te lijden hebben.

Zij sprak ook over bedreigingen tegen paus Pius IX. Volgens haar was er grote vijandschap tegen hem, mede vanwege de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Toch verzekerde zij dat Maria haar “Petrus” zou beschermen, mits hij standvastig bleef en Rome niet verliet.

Dat paus Pius IX een groot vereerder was van armoede, liefde en boetvaardigheid, en een bijzondere devotie had tot de heilige Franciscus van Assisi, beschouwde zij als tekenen van zijn geestelijke grootheid. Zij typeerde hem als een Petrus in geloof en een Johannes in liefde en zuiverheid.

Zij sprak ook over gevaren die Napoleon zelf bedreigden. Zijn innerlijke verdeeldheid en zijn politieke keuzes zouden uiteindelijk gevolgen hebben voor zijn eigen lot. De slag die hij de paus had willen toebrengen, zou hem uiteindelijk zelf treffen.


Wat van deze uitspraken historisch of politiek moet worden beoordeeld, laat ik in het midden. Voor mij stond vast dat Dora geen politieke kennis bezat en dat haar woorden voortkwamen uit een geestelijke betrokkenheid bij het lot van de Kerk en haar paus.

Zo heb ik deze dingen beleefd en zo geef ik ze weer, zonder er meer uit te willen afleiden dan wat met voorzichtigheid kan worden aanvaard.

Pius IX daarentegen moest nog veel, ja zeer veel voor de Kerk doen. (Wat heeft hij na 1859 niet tot heil van de Kerk verricht, terwijl de wereld daarvan toen nog nauwelijks iets wist!) Als Pius IX nog zoveel moest volbrengen, dan moesten zijn levensjaren ook hoog worden.

Meermalen heeft men een moordaanslag op Pius IX beraamd en zelfs beproefd. Daarbij wilde men tegelijk ook een kardinaal treffen, van wie men meende dat hij na de dood van Pius IX zeker tot opvolger gekozen zou worden. Omdat deze kardinaal — naar hun oordeel — door dezelfde geest bezield was als Pius IX, wilden de goddelozen ook dit verhinderen door middel van sluipmoord.

Die kardinaal was volgens het verhaal de laatst benoemde kardinaal: pater Panebianco, uit de Orde van de heilige Franciscus van Assisi, waartoe Pius IX in zekere zin ook verwant was. Dit zou hebben gespeeld in 1862, toen een grote menigte bisschoppen en andere hoge geestelijken te Rome bijeen was ter gelegenheid van het plechtige feest van de heiligverklaring van de zesentwintig Japanse martelaren: drieëntwintig uit de franciscaanse orde en drie uit de orde van de heilige Ignatius.

De pas benoemde kardinaal was inderdaad een nog jonge religieus uit de franciscaanse orde, Panebianco geheten. Hij was zeer aan Pius IX gehecht en werd door hem bijzonder bemind.

Men zou geneigd zijn te denken dat deze jonge kardinaal Panebianco — de naam betekent letterlijk “wit brood” — eenmaal de opvolger van de geliefde Pius IX zou kunnen worden.

Volgens deze mededelingen zou sluipmoord in Italië een grote rol spelen, vooral tegen priesters, met name tegen goede priesters. Onder de velen die zouden vallen, zouden echter ook vrijzinnige priesters veel te lijden krijgen en omkomen. Daardoor zouden sommigen onterecht als martelaren worden beschouwd, terwijl zij in strikte zin geen martelaren waren.

Het vurige verlangen en het hoofddoel van deze waarschuwingen was vooral dit: dat men zou bidden — veel bidden — en vooral dat priesters zouden bidden voor het behoud van Petrus, dat wil zeggen: voor het Opperhoofd van de heilige Kerk. Dat hij behouden mocht blijven, dat hij moed mocht houden. Priesters moesten Onze Goede Moeder bijzonder helpen door hun gebed. Er werd, zo werd gezegd, in het algemeen te weinig gebeden; en Onze Moeder kon nauwelijks nog de straffende hand van haar goddelijke Zoon tegenhouden. Daarom moest men de gelovigen aansporen om met de priesters mee te bidden, ook voor de priesters zelf, die aan grote gevaren blootstonden, opdat zij naar het voorbeeld van Pius IX de moed niet zouden verliezen. Juist lauwheid, gebrek aan moed en onverschilligheid bij priesters bezorgden Pius IX veel zorg: hij verlangde dat allen vol moed, vertrouwen en liefde zouden zijn.

Tot gebed werd telkens opnieuw aangespoord: bidden om Onze Moeder te helpen in het beschermen en verdedigen van de Kerk in die kwade dagen — daarom werd er voortdurend om gevraagd, bijna smekend.

Bij al deze mededelingen over de Heilige Vader en de Kerk, over Napoleon en andere omstandigheden, moet men bovendien opmerken dat zij grotendeels gedaan werden vóór of kort na de vrede van Villafranca, dus nog vóórdat de vervolging tegen de Kerk in Italië daadwerkelijk op gang kwam — met uitzondering van enkele uitspraken die duidelijk betrekking hebben op het moment zelf en gemakkelijk te onderscheiden zijn.

Zoals reeds is vermeld — de voorspelling van de wonderlijke en volledige genezing van de ongeneeslijk verklaarde wond aan haar been en van de vermindering van het bloeden uit haar wondtekenen — had Dora een wond aan haar rechterbeen van zodanige aard, dat zij dit been geheel niet kon gebruiken. Wanneer zij zich moest verplaatsen, moest zij altijd geholpen of ondersteund worden, meestal door haar thuiswonende zuster Johanna.

Het been was hoog in het dijgebied, in de buiging, zo ernstig ontstoken en aangetast dat de pezen als het ware waren weggevreten. Het been hing in zekere zin verlamd en was bovendien korter geworden dan het andere. De wond werd opengehouden — zoals eerder verteld — door uitbranding met lapis infernalis (helsteen). De daardoor ontstane wond was omvangrijk en was lange tijd door een arts behandeld. Maar geen middel kon genezing brengen. De arts verklaarde ronduit dat de wond ongeneeslijk was: de pezen waren aangetast en afgeteerd, en natuurlijke herstelling was uitgesloten. Ook andere geraadpleegde doktoren verklaarden dat herstel op natuurlijke wijze niet meer mogelijk was. Zij had al lang vóór de stigmata de pijnen van deze wond gedragen; zij was nog geen zeventien jaar oud, ja zelfs rond haar dertiende jaar was deze kwaal begonnen.

Wat echter op natuurlijke wijze niet te genezen is, kan — zo redeneert men — op bovennatuurlijke wijze wel geschieden. En hoe langer en duidelijker het bewijs van ongeneeslijkheid, des te zichtbaarder zou dan de onmiddellijke werking van God zijn. Bijna vijfentwintig jaar lang had deze wond haar ongeneeslijk karakter bewezen, zonder dat enig middel ook maar de geringste verbetering bracht. En toch werd weken van tevoren aangekondigd dat zij plotseling, zonder menselijke hulp, radicaal zou genezen en blijvend hersteld zou blijven — en inderdaad gebeurde het, op dag, uur en wijze zoals vooraf gezegd werd.

Laten wij nu overgaan tot de voorspelling van deze genezing en tot het feit van de genezing zelf.

Om dit beter te begrijpen is het goed terug te denken aan wat eerder (op de genoemde plaatsen) is verteld over de voorspelling van haar sterfuur en over haar plotselinge genezing uit die levensbedreigende ziekte. Men herinnere zich ook de woorden: “dat u om mij nog veel zult moeten lijden”, en vervolgens de voorspelling dat een vast besluit van de Geestelijke Overheid nog niet zou worden uitgevoerd, omdat het “de wil van Jezus nog niet” was.

Als Dora toen werkelijk gestorven was — toen haar was gezegd dat zij de volgende dag naar Jezus in de hemel zou gaan — dan zou onder het volk en onder allen die haar kenden waarschijnlijk één gedachte hebben overheerst: dat “de heilige” gestorven was en naar de hemel was gegaan. Voor Dora zelf zou dat een grote vreugde zijn geweest en zou zij van vele moeilijkheden bespaard zijn gebleven. En toch twijfelen wij er niet aan dat ook waar zou zijn geworden wat zij toen zei: “O ja, dan zal Jezus mij later de hemel toch niet weigeren.”

Maar nu brak voor haar en voor mij een tijd aan van veel moeilijkheden en onaangenaamheden. Enerzijds waren die geschikt om de goede naam die men van haar had te keren, omdat de diepere oorzaak van deze moeilijkheden niet bekend was en men slechts de uiterlijke feiten zag. Anderzijds gaven juist dezelfde gebeurtenissen, voor wie van nabij keek, een krachtige aanwijzing dat God door zijn dienares werkte en bevestigden zij de overtuiging die tot dan toe over haar bestond.

Niet lang na haar wonderlijke herstel uit de levensbedreigende ziekte namen wij beiden openlijk de Derde Orde van de heilige Franciscus van Assisi aan. Dit kan de aanleiding zijn geweest — of althans een belangrijke oorzaak — van de storm die ons tegemoetkwam. Ook mijn groeiende invloed onder de mensen, zelfs buiten de parochie, en andere factoren wekten bij sommige eerwaarde heren jaloezie of afgunst. Later bleek dat men mij daar wilde weghalen.

Men had daartoe heimelijk bij de Geestelijke Overheid aangedrongen en als reden opgegeven: mijn veelvuldig bezoek aan Dorothea Visser en de frequente Communie die zij onder mijn zielzorg ontving.

Ach, die frequens communio voor een ziel voor wie de heilige Communie het leven was — wat had zij misdaan? Waarom misgunde men haar de heilige Communie, die zij met zo’n zuivere en vurige liefde ontving? Zeker wanneer men bedenkt dat zij door haar verlamde been vrijwel nooit in staat was de kerk te bezoeken en het heilig Misoffer bij te wonen, of Jezus in zijn heiligdom te aanbidden. Elke Communiedag was voor haar een dag van onuitsprekelijk geluk.

Wat een gebeden stortte zij bij dat heilige moment uit: voor de bekering van zondaars, voor de arme zielen in het vagevuur, maar vooral — in die tijd — voor Onze Moeder, de heilige Kerk, en haar geestelijk Opperhoofd, de zwaar beproefde paus Pius IX; voor de priesters die aan grote gevaren blootstonden; en voor de zwakke priesters die Pius IX zoveel zorgen baarden.

Zelden zullen er in die dagen zielen zijn geweest die zo intens voor de Kerk en haar Opperhoofd hebben gebeden, zoveel lijden hebben opgedragen, zoveel boete en versterving aan God hebben aangeboden als zij. En zij geloofde dat Jezus deze Communies, die zij aanbood voor dat grote doel, welgevallig waren. Vele malen, zo wordt verteld, zouden Jezus en Maria haar dit hebben laten voelen door gunsten en door mededelingen over de droeve toestand van de Kerk en over de paus.

En juist deze heilige Communie — waarvan de waarde niet te meten is — deze Communie die Jezus en Maria welgevallig was en haar zoveel innerlijke vreugde bracht, zou haar nu herhaaldelijk moeten worden onthouden. Wat een bitter kruis voor zo’n ziel!

Wat een droef verlangen voor Jezus en Maria, en wat een verlies voor de Kerk, die in die dagen zozeer de gebeden en de Communie van de gelovigen nodig had — en dat alles zonder duidelijke grond, of liever: met een voorwendsel dat bedoeld was om een ander doel te bereiken.

Tot dan toe had de aartsbisschop altijd groot vertrouwen gehad in de zaak rond Dora’s stigmatisatie. Daarvan getuigde ook een brief van een vooraanstaand geestelijke uit het aartsbisdom. Op aanraden van de aartsbisschop, zo schreef hij, verzocht hij mij beleefd — omdat ik met haar zielzorg belast was en omdat hij wist dat ik haar vertrouwen genoot — om Dora’s gebed voor hem te vragen in een persoonlijke aangelegenheid. Hij vertrouwde erop dat hij door haar gebed zou verkrijgen wat heilzaam voor hem was, en hij was bereid te doen wat haar als voorschrift zou worden gegeven.

Het antwoord dat ik hem — overeenkomstig wat aan Dora werd meegedeeld — terugschreef, luidde dat hetgeen hij vroeg niet zou worden weggenomen, maar dat hij in opgewektheid moest voortgaan alsof die zaak niet bestond. En inderdaad: genezing kwam er nooit.

Hieruit blijkt althans dat de aartsbisschop tot dan toe vertrouwen had in Dora; anders had hij een geestelijke die hij voor een bepaalde taak wilde inzetten, niet kunnen aanraden zich tot Dora’s gebed te wenden.

Toen men echter later, buiten mijn weten om, met de aartsbisschop over deze kwestie kwam spreken, stelde men de zaak voor op een wijze die niet geheel rechtzinnig genoemd kan worden. Dat kon ook bijna niet anders: het betrof een voorgewende reden om iets anders te bereiken. Men had bovendien niets op ons gedrag kunnen aanwijzen; was dat wel zo geweest, dan had men de zaak eenvoudiger kunnen spelen en had men mijn bezoeken en Dora’s frequente Communie niet als argument hoeven gebruiken.

Dit was het resultaat: enkele eerwaarde heren meenden dat, als het bloeden uit haar wonden verdacht werd vanwege de biechtvader of zijn bezoeken, de zielzorger dan maar verwijderd moest worden. Maar daarin kon de aartsbisschop niet meegaan. Hij zei: nee, de biechtvader moet blijven en de zorg over haar behouden. Wel besloot hij dat de Communie nog slechts eens per maand gegeven mocht worden, en dat ook de biechtvader slechts eenmaal per maand daarheen zou gaan.

Een opmerkelijk besluit. Zelfs degenen die met hun doel bij de aartsbisschop waren gekomen, schrokken ervan. Men zei: “Monseigneur, nee, dat kan niet; dat is voor die anders zo brave ziel te hard, vooral omdat zij niet kan lopen en dus nooit naar de kerk kan gaan.”

“Goed,” zei de aartsbisschop toen, “laat het dan om de veertien dagen zijn, en deel dit besluit aan de kapelaan, haar biechtvader, mee.”

Ik ontving hierover een brief, waarin stond:
“Omdat het zielenheil van Dorothea Visser enige bezorgdheid heeft gewekt, verlangt Monseigneur de aartsbisschop dat het bezoek aldaar wordt beperkt; ik kom er u eerwaarde mondeling over spreken.”

Bij het lezen meende ik dat men het bezoek van vreemden bedoelde — vroeger zeer talrijk, in de loop der jaren bij duizenden te tellen, al was het inmiddels verminderd. Maar ik vergiste mij: men bedoelde mijn eigen bezoek.

Ik vond dit besluit vreemd en was er niet tevreden mee, wat ik ook in vrij scherpe woorden liet blijken. Toen pas werd duidelijk waar het vandaan kwam en welke middelen men had gebruikt. Ik vroeg of er dan iets op mijn gedrag of dat van Dora aan te merken viel. “Nee, niets,” was het antwoord. “Ik houd haar voor een heilig persoon, ik ben overtuigd van haar braafheid, maar Monseigneur wil het zo.”

“Goed,” zei ik, “dan zal ik Monseigneur zelf schrijven of spreken.” Ik schreef hem, en daarop ontbood hij mij.

Intussen ging ik naar Dora en vertelde haar wat er was gebeurd. Zij zei, met pijn in de stem:
“Ach, Onze Moeder Maria heeft dit wel geweten… En ik communiceer zo graag; ik verlang zozeer naar het ogenblik van de Communie! En nu slechts om de veertien dagen — misschien zelfs maar eenmaal per maand… Hoe lang zal de tussentijd mij dan vallen! Maar in Gods naam: God kan mij het gemis van de heilige Communie wel op een andere wijze vergoeden. Liever communiceer ik eenmaal per maand mét zijn heilige wil dan elke dag tégen zijn heilige wil. Ach, wat valt het mij zwaar! Men weet dat ik nooit naar de kerk kan gaan, zoals anderen, om de Mis bij te wonen of Jezus in het Sacrament van zijn liefde te bezoeken. Mijn hele geluk bestaat in de heilige Communie.”

Mijn Jezus, mijn lieve Jezus, U te mogen ontvangen en bezitten — en nu wil men mij zelfs de heilige Communie onthouden!

“Ja, Dora,” herhaalde ik, “maar ik zal de aartsbisschop schrijven; en ik hoop dat dit anders zal worden.”

“Ach ja, Vader,” — zo noemde zij mij — “doet u dat maar. Laten wij bidden dat Onze Goede Moeder Maria ons hierin te hulp komt.”

Toen ik bericht ontving dat de aartsbisschop mij op een bepaalde dag wenste te spreken, ging ik opnieuw naar Dora. Ik trof haar in extase. Zij zei:

“Vader, Onze Moeder is hier. Zij zegt dat, als het nodig is, Jezus bereid is het bloeden te doen ophouden, de uiterlijke tekenen weg te nemen en zelfs het been — dat zo vaak ongeneeslijk is verklaard — opnieuw volkomen te genezen, als bewijs van de waarheid.”

“Mag ik dit, als het nodig is, aan de aartsbisschop meedelen?” vroeg ik.

“Ja, Vader,” antwoordde zij. “Onze Moeder zegt dat u dit gerust mag zeggen, als het tot bewijs moet dienen.”

Op de afgesproken dag ging ik naar de aartsbisschop. Hij ontving mij aanvankelijk vriendelijk en zei: “Kom, laten we wat in de tuin wandelen.”

“Welnu,” zei Monseigneur — wellicht in de veronderstelling dat ik wat terughoudend zou zijn — “vertel mij nu maar eens openhartig wat er aan de hand is met Dorothea Visser en met dat bloeden. Denk niet dat u met ‘de aartsbisschop’ spreekt; zeg gewoon hoe het is. Wat is dat toch?”

Ik begon vrijmoedig te spreken, misschien zelfs te vrijmoedig, vooral over de manier waarop men met zijn doorluchtige hoogwaardigheid over deze zaak had gesproken en wat naar mijn oordeel de achtergrond ervan was. Ik wist niet precies wat Monseigneur van mij wilde weten.

Aanvankelijk luisterde hij aandachtig. Maar het weer was niet gunstig om buiten te blijven; daarom gingen wij een zijkamer binnen en zetten het gesprek daar voort. Het duurde echter niet lang of de knecht kwam melden dat de maaltijd gereed stond en dat Monseigneur werd verwacht.

We hadden nog maar weinig kunnen zeggen over Dora’s toestand — juist waar het eigenlijk om ging. Monseigneur leek haast te krijgen, terwijl ik dit niet zo snel helder kon uiteenzetten. De knecht kwam opnieuw. Monseigneur werd ongeduldig — zelfs knorrig — en zei dat we er dan maar een einde aan moesten maken. Ik merkte op dat hij mij zelf juist had uitgenodigd om vrijuit te spreken.

Toen de knecht voor de derde keer verscheen, werd Monseigneur zichtbaar geërgerd. Hij sprak mij streng toe, verweet mij onder meer dat ik de deken brutaal had geantwoord en besloot uiteindelijk dat hij mij van die plaats zou wegnemen.

Toen bracht ik naar voren — met zoveel eerbied als ik kon — dat ik durfde geloven dat, als Monseigneur dit als bewijs zou verlangen, Jezus bereid was het bloeden te doen ophouden en zelfs het been, dat ongeneeslijk was verklaard, op wonderlijke wijze te genezen. Ik zei dat ik genoeg vertrouwen had in de bijstand van Onze Goede Moeder Maria om, als het echt nodig was, dit in gebed van Haar te vragen.

Maar Monseigneur was niet meer te bewegen. Het besluit stond vast: hij zou mij spoedig een andere plaats aanwijzen.

Er viel een ogenblik stilte. Toen zei Monseigneur: “U blijft vanmiddag hier eten.”

“Ach, Monseigneur,” antwoordde ik, “mij is de eetlust vergaan.” Toch scheen hij erop aan te dringen. Ik gaf toe en bleef.

Tijdens de maaltijd werd er niet meer over gesproken; alles leek weer ordelijk. Na tafel haastte ik mij naar huis. Mijn hart was vol, maar ik was niet zonder vertrouwen. (Toen Monseigneur zo uitdrukkelijk zei: “U gaat daar weg, ik zal u wegnemen,” had ik nog gezegd: “Ik geloof niet, Monseigneur, dat uw doorluchtige hoogwaardigheid dat doen zal — ik kan het niet geloven.”)

Bij thuiskomst duurde het niet lang of ik ging naar Dora om haar te vertellen wat er was gebeurd en welk besluit de aartsbisschop had genomen. Maar in zekere zin was dat overbodig: Onze Goede en bezorgde Moeder Maria was mij al vóór geweest.

Dora kende het besluit namelijk al, door een mededeling — zo vertelde zij — van de heilige Alphonsus Maria de Liguori, in gezelschap van Onze Moeder Maria. (Zie hierover het eerdere verhaal van de voorspelling dat een vast besluit van de Geestelijke Overheid niet zou worden uitgevoerd, omdat het “de wil van Jezus nog niet” was.)

Ik kwam bij Dora en hield mij zo opgewekt mogelijk, maar zij leek terneergeslagen en vroeg meteen:

“Is het waar… moet u van hier weg?”

“Hoe komt u daarbij?” vroeg ik.

“Ja,” zei Dora, “ik geloof het toch… Zeg het maar: is het waar?”

Ik vroeg opnieuw hoe zij dat wist.

“Ach,” zei zij, “ik heb de hele dag gebeden. Vanmiddag kwamen hier ineens een vreemde man en een vrouw. Ik kende hen niet en weet niet hoe zij binnenkwamen, maar opeens stonden zij in de kamer, daar tegenover mij aan de andere kant van de tafel. Die man was gekleed als een bisschop; de vrouw droeg een blauwe mantel en had een verheven gestalte.

Eerst schrok ik, toen ik hen zo onverwacht zag, maar bang was ik niet. De man begon te spreken en zei: ‘Uw Vader wordt weggenomen en moet vertrekken. De aartsbisschop werd ongeduldig, werd toornig en was niet meer te bewegen; in zijn drift heeft hij dit besluit genomen. Uw been zal genezen; u zult weer kunnen lopen; ook het bloeden uit de wonden zal ophouden.’

Toen hij dit gezegd had, waren zij beiden verdwenen.”

“Maar Dora,” vroeg ik, “herkende u hen dan niet? Of hebt u niet gevraagd wie zij waren?”

“Nee,” zei ze, “ik weet het niet en ik heb het ook niet gevraagd. Ik dacht eerst nog: misschien is het de duivel om mij bang te maken. Maar ik was niet bang. Zeg het me: is het zo?”

Ik moest bekennen dat het zo was.

Enkele ogenblikken later, toen Dora opnieuw in extase kwam, vertelde zij mij:

“Vader, dat was geen bedrog. Die man was de heilige Alphonsus de Liguori, bisschop, samen met Onze Moeder Maria. Hij is ook bij het gesprek tussen u en de aartsbisschop tegenwoordig geweest, maar hij kon de aartsbisschop niet bewegen, omdat deze door omstandigheden ongeduldig was geworden en in drift was geraakt. Maar Onze Moeder zegt: dit is de wil van Jezus nog niet.”

“En wanneer zal die genezing dan plaatsvinden?” vroeg ik.

“Dat zegt Onze Moeder niet,” antwoordde Dora, “maar wel dat het geen verre tijd zal zijn. En u zult het vroeg genoeg weten.”

Hoewel ik erop vertrouwde dat de overplaatsing niet spoedig zou volgen — omdat Onze Moeder zo nadrukkelijk had gezegd dat dit nog niet de wil van Jezus was — bracht ik mijn pastoor toch op de hoogte en leefde ik intussen tussen hoop en vrees.

Er kwam echter geen bericht. Toen er enkele dagen verstreken zonder aanschrijving, sterkte mij dat in mijn hoop. Het gaf mij ook een vaster vertrouwen in deze hele zaak, en een zekere innerlijke rust, vooral ten aanzien van de stigmatisatie. Want als deze twee buitengewone zaken — het uitblijven van de uitvoering van het besluit én de wonderlijke genezing van de ongeneeslijke wond aan het been (en, zo mag ik toevoegen, het ophouden van het bloeden) — zonder andere verklaring dan deze voorspelling, het woord van Onze Moeder, de Onbevlekte Maagd en Moeder Gods, werkelijk in vervulling zouden gaan, dan zou dat een sterke bevestiging zijn.

Dit alles speelde op 7 oktober 1859.

Er verstreken ongeveer veertien dagen voordat Onze Moeder Maria iets nader liet weten over de genezing. Ik was bij Dora en had haar de heilige Communie gebracht. Dora was in extase, en Onze Moeder verscheen haar. Dora zei:

“Vader — zo noemde ik u toen meestal — Onze Moeder is hier en zegt: ‘De uiterste termijn voor de genezing van het been is het feest van Driekoningen. En nog enkele keren na de genezing van het been zullen de wonden bloeden; daarna zal ook het bloeden ophouden.’”


Einde Deel 3   (wordt vervolgd)