Uit Liefde geschapen, door Liefde verlosten

Standaard

Uit Liefde geschapen, door Liefde verlosten

Het geheim van de Drie-ene God, de zondeval en de verlossing in Jezus Christus


Samenvatting

Deze studie ontvouwt het innerlijk verband tussen het mysterie van de Heilige Drie-Eenheid, de zondeval en de verlossing. Uitgangspunt is het goddelijk inwendig leven zelf: God is kennen en beminnen.1 De Vader kent Zichzelf volkomen in het Woord, de Zoon,2 en de Vader en de Zoon beminnen elkaar in de Heilige Geest.3 Schepping is daarom geen noodzaak, maar vrije uitstroming van goddelijke liefde.4

De mens wordt geschapen in vriendschap met God,5 geroepen tot gehoorzaamheid als vrije erkenning van zijn afhankelijkheid.6 In de zondeval wordt deze bovennatuurlijke orde verbroken;7 door moedwillige ongehoorzaamheid verliest de mens de heiligmakende genade.8 De erfzonde wordt verstaan als een toestand van gemis — het ontbreken van deelname aan Gods leven — met gevolgen die de menselijke natuur verwonden, maar niet vernietigen.9

Het mysterie van de solidariteit in Adam opent echter het perspectief van een diepere solidariteit in Christus.10 Wat in één mens verloren ging, wordt in één mens hersteld.11 De menswording van het Woord openbaart een goddelijk raadsbesluit waarin rechtvaardigheid en barmhartigheid elkaar niet opheffen, maar elkaar verhelderen.12 Christus’ gehoorzaamheid tot in de kruisdood herstelt de weigering van Adam;13 zijn offer is innerlijke overgave.14 In Hem wordt de zonde overwonnen door liefde.15

De verlossing is daarom niet slechts juridisch herstel, maar nieuwe schepping.16 In geloof en sacrament wordt de mens opnieuw ingevoegd in het leven van de Drie-ene God.17 Het einddoel is deelname aan het goddelijk leven.18 Zo blijkt de hele heilsgeschiedenis één beweging van liefde.


Het geheim van de Heilige Drie-Eenheid, de zondeval en de verlossing

Het geheim van de Heilige Drie-eenheid is het geheim van Gods inwendig leven: goddelijke kennis en goddelijke liefde. In God is kennen en beminnen niet iets bijkomstigs, maar Zijn eigen goddelijke werkelijkheid: de Vader kent Zichzelf volkomen in het Woord, de Zoon; en de Vader en de Zoon beminnen elkaar in de Heilige Geest. God is niet alleen liefde in Zijn daden, maar liefde in Zijn wezen.

Deze liefde bleef echter niet opgesloten binnen Gods goddelijk Wezen. Zij drong als het ware naar buiten, niet uit nood, maar uit overvloed. God wilde scheppen: engelen, mensen en de wereld waarin de mens kon leven. Schepping is daarom niet een toevallige daad, maar een vrije uitdrukking van goddelijke goedheid: God deelt zijn bestaan mee, omdat Hij goed is.

De mens werd geschapen in vriendschap met God, in een staat van genade: als schepsel, maar tegelijk als kind dat mag delen in Gods leven. Toch stond deze vriendschap niet los van een roeping: de mens moest God gehoorzamen. Niet als slaaf, maar als vrije persoon die zijn plaats erkent tegenover de Schepper. Gehoorzaamheid was geen vernedering, maar de juiste bovennatuurlijke houding van de mens: leven in vertrouwen, ook wanneer niet alles begrepen wordt.

Maar de mens heeft tegen deze gehoorzaamheid gezondigd. Hij verloor daardoor Gods vriendschap, en met hem verloor het menselijk geslacht het bovennatuurlijke leven. Zo werden zijn nakomelingen geboren buiten de oorspronkelijke vriendschap met God. Dat is wat de Kerk erfzonde noemt.


§ 1. Zondeval en erfzonde

Het feit van de val van de mens wordt in Genesis 3 kort, sober en tegelijk psychologisch verteld. Er is een verleiding van buitenaf: de duivel zet aan tot zonde, want door hem — aldus de Schrift — kwamen geestelijke en natuurlijke dood in de wereld. Hij houdt de verboden vrucht voor aan de vrouw; zij plukt en eet, en geeft ook aan haar man, die bij haar stond. Ook hij eet.

Dan “gaan hun de ogen open”. Zij ervaren het bittere en smadelijke van hun daad: teleurstelling, schaamte, en vooral een innerlijke ontregeling. De oorspronkelijke harmonie is verstoord. Zij merken dat zij naakt zijn: niet alleen lichamelijk kwetsbaar, maar innerlijk ontmaskerd en ontredderd.

De eerste mens zondigde moedwillig en vrijwillig. Hij werd niet gedreven door een onbedwingbare zwakheid of louter hartstocht, maar hij weigerde God de fundamentele onderwerping die bij het geschapen-zijn hoort. Hij wist wat hij deed: hij weigerde precies datgene wat God vroeg, namelijk vertrouwen en gehoorzaamheid. Daarom is deze zonde in haar kern een zonde van hoogmoed: een principiële weigering van de bovennatuurlijke houding van de mens. Adam had in geloof moeten blijven aanvaarden wat hij niet inzag.

Onmiddellijk roept God de mens, die zich tussen de bomen verbergt. Hij vraagt rekenschap. In het gesprek blijkt reeds de kleinheid van de mens die uit zijn eerste adel gevallen is: hij schuift de schuld af. De mens en zijn vrouw verliezen door deze opstand de heiligmakende genade, dat wil zeggen: de vriendschap met God. Dit drukken wij uit door te zeggen dat zij het bovennatuurlijke leven verliezen: de deelname aan Gods inwendig leven.

Ook verschijnen de gevolgen en straffen: de vrouw draagt het lijden van het baren en de kwetsbaarheid in de verhouding tussen man en vrouw; de man draagt de moeizame arbeid “in het zweet van zijn aanschijn” tot hij terugkeert tot de aarde. De lichamelijke onsterfelijkheid verdwijnt. God verjaagt beiden uit de tuin: de oorspronkelijke gaafheid en het aardse geluk zijn weg. Gods liefde kan de mens, in deze toestand van opstand, niet bevestigen in de vriendschap zoals tevoren.

En toch laat God de mens niet aan zijn lot over. In raadselachtige woorden kondigt Hij een blijvende vijandschap aan tussen de slang en de vrouw, tussen de slang en haar nageslacht, en dat één uit dit nageslacht uiteindelijk de kop van de slang zal verpletteren. Ook daarin spreekt providentiële zorg: God maakt zelfs kleding van huiden voor de mens en zijn vrouw. Een klein detail, maar betekenisvol: het wijst op een plan dat niet vernietiging is, maar redding.


De erfzonde als toestand

Deze eerste zonde beslist over het lot van het menselijk geslacht. Wat Adam verloor, missen wij. Hij bracht niet alleen schade toe aan zichzelf, maar ook aan ons. Hij berooft zichzelf en ons van Gods vriendschap. Daarom zegt de Schrift in de taal van het geloof dat wij “in ongerechtigheid geboren” zijn en “in zonde ontvangen”.

Dat roept bij het menselijk rechtvaardigheidsgevoel verzet op: waarom zouden wij moeten dragen wat de eerste mens misdeed? Hoe kan God dit toelaten? Hier raken wij aan een mysterie dat het verstand niet kan bewijzen. De openbaring legt het vast, en het geloof aanvaardt het. Paulus verwoordt dit kernachtig in Romeinen 5: door één mens kwam de zonde in de wereld en door de zonde de dood, en zo ging de dood over alle mensen.

Paulus redeneert: de dood is algemeen; niet allen hebben persoonlijk een bewuste zonde begaan, maar allen sterven. Die gemeenschappelijke dood vraagt een gemeenschappelijke oorzaak: een gemeenschappelijke zonde, overgeërfd van Adam. Het belangrijkste is zijn klare vaststelling: door de ongehoorzaamheid van één zijn velen zondaars geworden.

Wat is erfzonde dan precies? Het is geen persoonlijke, door mij gewilde afwijking van Gods wet. Het is een toestand: het gemis aan de heiligmakende genade waarmee Adam geschapen was. Het is als het ware een “dood van de ziel”: geen vernietiging van de natuur, maar een breuk met God. Vanuit dat gemis vloeien de gevolgen voort: innerlijke wanorde, strijd, lijden en dood.

Daarom moeten we de gevolgen niet overdrijven. Ja: ons verstand is verduisterd, onze wil verzwakt, de hartstochten zijn onrustig, het lichaam is op weg naar de dood en wordt geteisterd door ziekte, arbeid en pijn. Ook menselijke gemeenschappen worden ondermijnd door egoïsme. Maar: de natuur is gewond, niet gestorven. Neiging tot zonde is niet totale bedorvenheid. Er blijft neiging tot het goede, er blijft vrijheid en verantwoordelijkheid, en er blijft een rusteloos zoeken naar God.

Waarom God de mensheid zo verbond met haar stamvader blijft een geheim. Maar dit geheim staat in verband met een ander feit: de gemeenschap van verlossing. Zoals wij “in Adam” in een reële solidariteit vallen, zo staan wij “in Christus” op. Gemeenschap van verlossing veronderstelt gemeenschap van schuld. Dat neemt het mysterie niet weg, maar het maakt duidelijk dat God de mensheid niet enkel als losse individuen ziet, maar ook als een samenhangend geheel.

Dit geheim tast Gods rechtvaardigheid en liefde niet aan. Hier is geen beroving van een recht: de deelname aan Gods leven was genade, geschenk, niet iets wat de mens kon opeisen. Wat de mens als mens kan eisen — zijn natuur, zijn menselijke waardigheid, zijn vrijheid — bleef. En juist in het oordeel over de zonde blijkt ook Gods liefde: Hij laat de mens voelen wat verloren is, opdat in hem het verlangen naar redding wakker wordt.

Voor de gelovige blijft Gods raadsbesluit uiteindelijk een geheim van liefde. Daarom durft de Kerk in de Paasnacht zingen: felix culpa, gelukkige schuld, omdat zij aanleiding werd tot zo’n grote Verlosser.


§ 2. Menswording en verlossing

1. Noodzakelijkheid van verlossing

Na de val zwierf de mens rond op aarde: met een verduisterd verstand, een verzwakte wil, een ontwrichte natuur en de onafwendbaarheid van de dood. Verlossing was bitter nodig. Maar alleen God kon verlossen. De mens kon zichzelf niet oprichten, want de zonde is in wezen een belediging van Gods Majesteit: en de zwaarte van een belediging wordt afgemeten aan de waardigheid van degene die beledigd wordt. Gods waardigheid is oneindig; daarom draagt de zonde, hoe eindig ook in haar menselijke daad, een ernst die de mens niet uit eigen kracht kan “goedmaken” door een voldoening die in verhouding staat tot God.

God had eenvoudig kunnen vergeven door een besluit van zijn wil. Maar Hij wilde het op een wijze die tegelijk barmhartigheid én rechtvaardigheid openbaart. In zijn raadsbesluit verlangde God een verzoening die in verhouding staat tot de belediging: een oneindige, goddelijke verdienste. Tegelijk moest die verzoening werkelijk “van de mens” komen, omdat de mens gezondigd had. Wat Gods rechtvaardigheid vraagt, geeft Gods liefde: God besluit dat zijn Zoon mens wordt. Als mens kan Hij namens de mens gehoorzamen en verzoenen; als God heeft zijn daad oneindige waarde.

Zo kan de mensheid, die in haar geheel in één mens gezondigd heeft, ook in haar geheel in één mens verlost worden.

2. Menswording

Het centrum van de christelijke belijdenis is het geheim van de menswording: “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Het Woord — de Zoon van God — wordt één Persoon met een menselijke natuur. Het christendom staat of valt hiermee: Jezus Christus is werkelijk God én volkomen mens. Zijn mensheid is geen schijn; zij is de weg waardoor God tot ons nadert en ons redt.

De Schrift toont beide: Christus eigent zich goddelijke voorrechten toe (zoals het vergeven van zonden), kent de Vader op unieke wijze, is één met Hem; tegelijk leeft Hij als echte mens: Hij werkt, wordt moe, heeft medelijden, bidt, lijdt, sterft en wordt begraven. De Kerk drukt dit uit in haar geloof: één goddelijke Persoon bezit twee naturen, de goddelijke en de menselijke, onvermengd in één Persoon.

De menswording geschiedt door de Heilige Geest, zoals Lucas verhaalt in de Annunciatie. Maria antwoordt: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.” En Paulus vat de weg van de Zoon samen in Filippiërs 2: Hij ontledigt zich, neemt de gestalte van een slaaf aan, wordt gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood aan het kruis; en daarom wordt Hij door God verheven.

3. De reden van de menswording

Waarom wordt God mens? In de eerste plaats om zijn goddelijke liefde te openbaren. De God-mens is het onweerstaanbare teken van de onzichtbare liefde. En omdat liefde rekening houdt met de concrete toestand van degene aan wie zij zich geeft, is in die liefde het onmiddellijke doel opgenomen: verlossing.

God had de mensheid anders kunnen redden. Maar Hij wilde méér: de Zoon verkondigt de waarheid, sticht een Rijk, openbaart Gods heiligheid en barmhartigheid zichtbaar, en wordt een voorbeeld voor alle tijden. In Christus wordt verlossing een “nieuwe schepping”, een herstel dat rijker is dan de eerste toestand: waar de zonde overvloedig werd, werd de genade nog overvloediger.


De Verlosser en zijn verlossing

De zonde is in haar kern een weigering om God te dienen: een afkeer van Gods wil. Christus herstelt dit door een leven van volkomen gerichtheid op de Vader: “Mijn spijs is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft.” Elke daad van Christus draagt verlossende waarde, want zij is de gehoorzaamheid van een mens die tegelijk God is.

Toch is het verlossingswerk niet voltooid zonder kruis en dood. Christus zelf zegt in het uur van de dood: “Het is volbracht.” De Schrift leert dat juist in zijn offerdood de verlossing voltrokken wordt. Johannes de Doper noemt Hem “het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt”. Paulus wil niets anders weten dan “Jezus Christus en Dien gekruisigd”. Petrus spreekt over het kostbaar bloed waardoor wij zijn vrijgekocht.

Het kruis is geen toevallig einde van een mooi leven. Het behoort tot de kern van de verlossing. Maar dit mag niet misverstaan worden alsof God “bloed moest zien” voordat Hij kon vergeven. Christus is niet tegen zijn wil in het lijden ingeduwd. Hij aanvaardt het vrijwillig. Hij ondergaat niet alleen, Hij offert: liefdevolle gehoorzaamheid maakt het kruis tot verlossende daad. Zoals de graankorrel moet sterven om vrucht te dragen, zo wordt zijn dood bron van leven.

Christus’ kruisoffer is een waarachtig offer, omdat het wezen van elk offer bestaat in innerlijke overgave aan God. Het uitwendige sterven drukt uit wat innerlijk gebeurt: Christus stelt zichzelf, zijn leven, zijn lichaam en bloed beschikbaar aan de Vader. Hij is tegelijk priester en offergave, offeraar en offerande. Zo plaatst Hij tegenover Adams ongehoorzaamheid een volstrekte gehoorzaamheid; tegenover weigering van liefde een totale zelfgave; en daardoor eert Hij God op de hoogste wijze en openbaart Hij tegelijk Gods liefde voor ons.

Daarom is verlossing uiteindelijk méér een geheim van liefde dan een wiskundig schema van recht.


De vrucht van de verlossing

Wat werkt Christus’ verlossing uit in de mens? Zij bevrijdt van schuld en opent de weg tot herstel van de genadestaat. In geloof en doopsel, door liefde bezield, wordt zijn dood vruchtbaar in ons: reiniging, verzoening, hernieuwde vereniging met de Vader. De boze machten kunnen ons slechts aanranden voor zover wij instemmen; en al blijft de spanning tussen geest en vlees bestaan, zijn voorbeeld en de genade die Hij verdiende staan ons terzijde.

Door zijn verrijzenis heeft Hij bovendien de dood overwonnen: wij zullen eenmaal met Hem verrijzen. Dan wordt de verlossing voltooid: lichaam en ziel bestemd voor onvergankelijk leven. “Waar de zonde overvloedig werd, werd de genade nog overvloediger.”

Niemand is uitgesloten. Hij is gestorven “als losgeld voor allen”. Voor de doden vóór zijn komst opent Hij de bevrijding; aan hen na zijn komst deelt Hij zijn verlossingskracht mee door geloof en sacramenten. Hij is de oorzaak van eeuwige zaligheid: de Zaligmaker van alle mensen.


Christus: Priester, Leraar en Koning

De Verlosser is Jezus Christus: “Jezus” betekent Heiland; “Christus” betekent Gezalfde. In Hem ontmoeten wij de Middelaar: Hij verkondigt Gods waarheid, deelt Gods leven mee, maakt ons kinderen van de Vader en schenkt de Heilige Geest.

Als God-mens is Hij Priester: door zijn unieke offer eenmaal en voorgoed. In de hemel blijft Hij het Lam voor Gods troon en onze Voorspreker: in zijn Naam mogen wij vragen en ontvangen, omdat zijn bloed de weg tot het heiligdom geopend heeft.

Als God-mens is Hij Leraar: het Licht der wereld. Hij spreekt met gezag, openbaart de Bergrede als levensprogram, en geeft het hoogste voorbeeld: zachtmoedigheid en nederigheid van hart. Hij onderwijst niet alleen met woorden, maar met zijn leven.

Als God-mens is Hij Koning: niet naar wereldse maat, maar als Heer van het innerlijk rijk der zielen. Zijn Rijk is niet van deze wereld, en toch is alles aan Hem onderworpen. Hij regeert uit liefde: als herder die zijn leven geeft voor de kudde. Op het einde der tijden zal Hij rechter zijn; wie de liefde afwees, zal de waarheid moeten erkennen, maar wie in het licht geleefd heeft, ontvangt de kroon: de aanschouwing van God, waarin de verlossing voltooid is.

Dan pas zijn wij in volle zin: verlost.


Slotbeschouwing

Wanneer wij het geheel overzien, wordt duidelijk dat het christelijk geloof geen verzameling losse leerstukken is, maar één organisch mysterie van liefde.

Het begint niet bij de zonde, maar bij God. Niet bij schuld, maar bij overvloed. De Drie-ene God is volkomen gelukzaligheid in Zichzelf. Schepping is gave. De mens wordt niet geschapen om een tekort in God te vullen, maar om te delen in zijn overvloed.

De zondeval is daarom des te tragischer: zij is geen kleine misstap, maar een weigering van vertrouwen. Toch blijft zelfs in het oordeel de liefde werkzaam. De geschiedenis wordt niet afgesloten in Genesis 3. Zij opent zich naar Christus.

In Jezus Christus verschijnt niet alleen een hersteller van orde, maar de openbaring van Gods hart. Het kruis is het diepste antwoord op de hoogmoed van Adam: waar de mens zei “niet Uw wil”, zegt Christus “Uw wil geschiede”. Hier wordt duidelijk dat verlossing méér is dan rechtzetting; zij is zelfgave. De gehoorzaamheid van de Zoon herstelt de mens niet alleen juridisch, maar existentieel.

Zo loopt de lijn van de Drie-eenheid naar de schepping, van schepping naar val, van val naar kruis, en van kruis naar verrijzenis en verheerlijking. Wat begon als uitstroming van liefde, eindigt in terugkeer tot liefde. De mens wordt niet slechts teruggebracht naar het begin, maar opgeheven tot een hogere deelname: kindschap in de Zoon.

Daarom durft de Kerk zingen: felix culpa. Niet omdat de zonde goed was, maar omdat Gods liefde groter bleek dan de breuk.

Het laatste woord is niet dood, maar leven.
Niet schuld, maar genade.
Niet breuk, maar gemeenschap.

En zo eindigt alles waar het begon: in het eeuwige leven van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest — waarin de verloste mens mag delen.


Voetnoten

  1. 1 Joh. 4,8 – “God is liefde.”
  2. Joh. 1,1 – “In het begin was het Woord.”
  3. Joh. 15,26; Rom. 5,5.
  4. Ps. 33,6-9; Gen. 1.
  5. Gen. 1,26-27.
  6. Deut. 30,19-20.
  7. Gen. 3,1-7.
  8. Rom. 5,12.
  9. Pred. 7,29; Rom. 7,18-23.
  10. Rom. 5,12-19.
  11. 1 Kor. 15,21-22.
  12. Rom. 3,25-26.
  13. Fil. 2,8.
  14. Hebr. 9,14.
  15. Joh. 3,16.
  16. 2 Kor. 5,17.
  17. Rom. 6,3-5.
  18. 2 Petr. 1,4.
  19. Wijsh. 2,24.

Pastoor Geudens, Smakt, 16 februari 2026