2de Zondag van de Vastentijd A 2026

Standaard

2de Zondag van de Vastentijd

Inleiding

We zijn in de vastentijd — de tijd waarin de Kerk met Christus optrekt naar Jeruzalem. Het evangelie plaatst ons midden op die weg.

Hij weet wat Hem te wachten staat. Meerdere keren heeft Hij aangekondigd dat Hij zal lijden en sterven. Zonder omwegen spreekt Hij erover. Zijn weg is geen noodlot, maar een vrije keuze om de wil van de Vader te volbrengen.

Ook wij worden uitgenodigd om met Hem mee te gaan — in vertrouwen, in eerlijkheid, en met de moed het mysterie van het kruis onder ogen te zien.

Preek

Wanneer Jezus zegt dat Hij naar Jeruzalem gaat om te lijden en te sterven, schrikt Petrus. Hij zegt:

“Heer, dat mag U niet overkomen.”

Dat begrijpen we wel. Niemand wil dat iemand die hij liefheeft moet lijden. Wijzelf lopen ook liever weg van pijn en verdriet.

Maar Jezus reageert streng. Hij zegt dat Petrus denkt zoals mensen meestal denken, niet zoals God denkt. Wat bedoelt Hij daarmee?

Petrus wil het lijden vermijden. Jezus weet dat Hij deze weg moet gaan. Niet omdat Hij van lijden houdt, maar omdat Hij vertrouwt op zijn Vader. Hij gelooft dat God Hem niet zal loslaten, zelfs niet in de dood.

Jezus laat zien dat liefde soms betekent dat je niet wegloopt. Dat je trouw blijft, ook als het moeilijk wordt.

Even later neemt Hij drie leerlingen mee de berg op. Daar verandert Hij voor hun ogen: Hij straalt van licht. Ze zien even wie Hij werkelijk is. Ze horen de stem van de Vader:

“Dit is mijn Zoon. Luister naar Hem.”

Het is een prachtig moment. De leerlingen willen daar blijven. Maar dat kan niet. Ze moeten weer naar beneden, terug naar het gewone leven.

Zo is het ook bij ons. In het gebed en in de Eucharistie mogen wij iets van Gods nabijheid ervaren. Dat zijn momenten van licht. Die hebben we nodig.

Want ook in ons leven zijn er donkere tijden. Momenten van zorgen, verdriet of onzekerheid. Dan kunnen we niet alleen vertrouwen op onze eigen kracht. Dan hebben we geloof nodig. Vertrouwen dat God bij ons is.

We mogen dus steeds weer “de berg op”: tijd maken voor gebed, voor stilte, voor de Eucharistie. Maar we blijven daar niet. We gaan weer terug naar ons dagelijks leven — naar ons werk, onze familie, de mensen om ons heen.

En daar mogen we weten: zelfs als de weg moeilijk is, God gaat met ons mee.

Zoals Psalm 23 zegt:

“Al ga ik door een donker dal, ik hoef niet bang te zijn, want U bent bij mij.”

Amen.