I. Willem Duynstee (1886–1968) – Argumenten voor rehabilitatie, verdediging en actualisering

Standaard

Inleiding

Willem Duynstee herlezen onder het teken van het kruis

Pastoor Geudens

De naam Willem Duynstee is in de Nederlandse kerk- en zorggeschiedenis lange tijd verbonden gebleven met controverse. Vaak werd hij genoemd in één adem met de zogeheten affaire Terruwe, alsof zijn werk primair zou staan voor ontsporing of grensoverschrijding. Een dergelijke lezing doet echter geen recht aan de historische werkelijkheid, noch aan de innerlijke samenhang van zijn denken.

Vanuit mijn kruis-criteriologie — waarin het kruis fungeert als criterium van waarheid en onderscheiding — vraagt Duynstee om een herlezing. Niet succes of onmiddellijke erkenning, maar het dragen van spanning, onrecht en misverstaan openbaart waar waarheid werkelijk standhoudt. Precies op dit punt wordt zichtbaar dat Duynstee geen randfiguur was, maar een denker die midden in de pijnlijke overgang stond van een gesloten moraaltheologisch kader naar een meer geïntegreerde benadering van mens, psyche en verantwoordelijkheid.

In samenhang met Anna Terruwe, Conrad Baars en Harrie Schijns blijkt Duynstee deel uit te maken van een consistente katholieke traditie, waarin psychisch lijden niet wordt gemoraliseerd en vrijheid niet wordt losgemaakt van waarheid.
Deze pagina beoogt daarom een historische rehabilitatie, een inhoudelijke verdediging en een actualisering voor vandaag — onder het teken van het kruis.

👉 Lees ook:


Auteurstoelichting: bijdrage, intentie en positionering

Als auteur van deze pagina, en als priester die zich jarenlang heeft bewogen op het snijvlak van waarheid, psychologie en geloof, beschouw ik deze bijdrage als zowel een wensintentie als een pastorale opdracht. Zij beoogt een inhoudelijke en historisch verantwoorde rehabilitatie van Willem Duynstee, en tegelijk een zorgvuldige actualisering van de antropologische en psychotherapeutische visie die via Anna Terruwe, Conrad Baars en Harrie Schijns gestalte heeft gekregen, met het oog op de hedendaagse Nederlandse context.

Deze inzet vloeit voort uit de overtuiging dat vragen rond psychisch lijden, morele verantwoordelijkheid en pastorale zorg vandaag opnieuw urgent zijn geworden. In dat licht acht ik het noodzakelijk om stemmen uit de katholieke traditie opnieuw te beluisteren, niet als afgesloten historische casussen, maar als dragers van een mensbeeld dat ook nu richting kan geven aan zielzorg en geestelijke gezondheidszorg.

Mijn benadering staat onder het teken van wat ik aanduid als een kruis-criteriologie: een hermeneutisch kader waarin waarheid niet primair wordt afgemeten aan institutioneel succes, onmiddellijke consensus of therapeutische efficiëntie, maar aan het vermogen om spanning, kwetsbaarheid en soms ook onrecht te dragen zonder reductie van de menselijke persoon. Vanuit dit perspectief wordt zichtbaar dat Duynstee en de latere bevestigingstraditie niet gelezen hoeven te worden als ontsporing binnen de katholieke traditie, maar als serieuze pogingen om recht te doen aan de complexiteit van de menselijke conditie in het licht van geloof én rede.

Mijn eigen toegang tot het denken van Terruwe is mede mogelijk geworden door de bemiddeling van Pater van Osch, aan wie ik hier met erkentelijkheid wil refereren. Zijn pastorale nabijheid en intellectuele helderheid hebben mij geholpen om deze traditie te leren verstaan, niet louter als theorie, maar als een levende werkelijkheid die de mens serieus neemt in zijn lijden, zijn vrijheid en zijn diepe behoefte aan bevestiging. Zonder die begeleiding zou deze herontdekking voor mij niet mogelijk zijn geweest.

Deze paraaf is daarom niet bedoeld als een persoonlijke apologie, noch als een poging om oude conflicten te heropenen. Zij wil gelezen worden als een bewuste positionering: de overtuiging dat de herwaardering van Duynstee en de verdere doordenking van Terruwe, Baars en Schijns een reële en vruchtbare bijdrage kunnen leveren aan het huidige theologisch-psychologische en pastorale debat in Nederland. Daarbij blijft het onderscheid tussen schuld en kwetsbaarheid, tussen morele roeping en psychische draagkracht, een beslissend criterium — niet alleen theoretisch, maar ook pastoraal en ecclesiaal.

Moge het kruis hier richtinggevend blijven: niet als last die mensen verplettert, maar als criterium dat onderscheidt wat werkelijk geneest, bevrijdt en bevestigt.


Situering: het kruis als criterium van waarheid

Binnen mijn theologisch en pastoraal denken fungeert het kruis niet als moreel drukmiddel, maar als onderscheidingscriterium:
waarheid openbaart zich niet in succes, macht of snelle oplossingen, maar in het dragen van werkelijkheid, schuld, kwetsbaarheid en onmacht zonder de mens te reduceren.

Vanuit dit perspectief verdient ook de persoon van Willem Duynstee een herlezing. Zijn naam is lange tijd verbonden gebleven met controverse, maar juist een kruis-criteriologische lezing laat zien dat zijn denken niet ontspoorde, maar werd gekruisigd in een institutioneel spanningsveld — en postuum vrucht heeft gedragen.


1. Duynstee’s rol in de ontwikkeling van katholieke psychotherapie in Nederland

Historische rehabilitatie

Hoewel de zogeheten affaire Terruwe in het collectieve geheugen vooral verbonden raakte met Anna Terruwe en haar therapeutische methode, laat recent historisch onderzoek zien dat de controverse niet primair draaide om een leerstellige veroordeling. Zij moet veeleer worden verstaan als een institutionele grenskwestie rond gezag, psychiatrie en moraaltheologie in het naoorlogse katholieke Nederland.¹

Binnen dit spanningsveld verschijnt Willem Duynstee niet als randfiguur, maar als een van de theoretische grondleggers van wat later katholieke psychotherapie zou heten. Zijn werk bood een intellectueel kader waarin nieuwe inzichten over affectieve ontwikkeling, innerlijke conflicten en psychisch lijden konden worden geïntegreerd in een katholiek mensbeeld, zonder de moraal te ontkennen of de psyche te absolutiseren.

De historica Marit Monteiro beschrijft hoe Duynstee’s denken mede de context schiep waarin psychotherapie in de jaren vijftig en zestig voorzichtig een plaats kreeg binnen katholieke instellingen en opleidingen.² Daarmee verschijnt Duynstee niet als een verworpen denker, maar als een betrokken actor in een pijnlijk maar reëel proces van kerkelijke en professionele groei.

Kruis-criteriologisch argument voor rehabilitatie
De kritiek op Duynstee weerspiegelt vooral institutionele angst en onzekerheid. Onder het teken van het kruis blijkt niet leerstellige ontsporing, maar het dragen van spanning tussen waarheid, zorg en verantwoordelijkheid.


2. Rehabilitatie binnen de kerkgeschiedenis en erkenning door kerkelijke autoriteiten

Aanvullende biografische en kerkgeschiedkundige bronnen wijzen erop dat Duynstee postuum is gerehabiliteerd binnen de katholieke Kerk. Na jaren van controverse werden de tegen hem geuite bezwaren in samenhang met de Terruwe-zaak expliciet heroverwogen en ingetrokken.³

Deze herbezinning maakte deel uit van een bredere kerkelijke inquiry, gedragen door de Nederlandse bisschoppenconferentie en gesteund door kardinaal Bernard Alfrink. Zij mondde uit in een Romeinse erkenning onder het pontificaat van Paus Paulus VI, waarin ook Terruwe zelf werd gerehabiliteerd.⁴

Kort na Duynstee’s overlijden verscheen bovendien een ingetogen herdenkingsartikel in L’Osservatore Romano, waarin zijn wetenschappelijke en kerkelijke betekenis werd erkend. In Rome bestond expliciet het besef dat hem in zijn leven onrecht was aangedaan — een gegeven dat in de historiografie lange tijd is onderschat.⁵

Kruis-criteriologisch argument voor postume netjesstelling
Niet de onmiddellijke rechtvaardiging, maar de latere erkenning onder het teken van geleden onrecht past bij de logica van het kruis. Waar onschuld niet meteen wordt erkend, maar uiteindelijk wél.


3. Duynstee’s filosofisch-theoretische bijdrage

Thomistische psychologie als verdediging

Duynstee ontwikkelde een eigen, herkenbaar filosofisch-psychologisch model, geworteld in de klassieke traditie van Aristoteles en Thomas van Aquino. In tegenstelling tot de freudiaanse psychoanalyse zocht hij de oorsprong van emotionele problematiek niet primair in driftdynamiek of superego-conflicten, maar in verstoringen van de affectieve ordening en het innerlijk oordeelsvermogen.⁶

Volgens Duynstee is pathologische repressie geen moreel falen, maar het gevolg van onrijpe of foutieve oordelen binnen de interne zintuigen, waardoor emoties hun natuurlijke plaats in het menselijk handelen verliezen. Vanuit deze thomistische antropologie verdedigde hij een genuanceerde moraaltheologische visie: psychopathologie kan de werking van rede en wil beperken, zonder de menselijke waardigheid of roeping op te heffen.⁷

Kruis-criteriologisch argument voor actualisering
Het kruis openbaart dat schuld en lijden niet samenvallen. Duynstee’s denken bewaart precies dit onderscheid en voorkomt dat morele verantwoordelijkheid wordt opgelegd waar draagkracht ontbreekt.


4. Duynstee in relatie tot Terruwe, Baars en hedendaagse katholieke psychologie

In hedendaagse reflecties op katholieke psychologie worden Conrad Baars en Harrie Schijns vaak samen genoemd met Terruwe.⁸

  • Terruwe legde de antropologische basis van de bevestigingsleer.
  • Baars werkte deze internationaal uit, met nadruk op innerlijke vrijheid.
  • Schijns belichaamde en operationaliseerde dit denken in de Nederlandse psychiatrische praktijk.

Hoewel Duynstee hier niet altijd expliciet wordt genoemd, is zijn invloed funderend. Terruwe bouwde expliciet voort op zijn thomistisch-psychologische uitgangspunten. Zo leeft Duynstee’s denken indirect voort in deze traditie.

Kruis-criteriologisch argument voor actualisering
Waar bevestiging wordt misverstaan als permissiviteit, corrigeert het kruis: ware bevestiging draagt de mens door zijn onmacht heen, op weg naar vrijheid.


5. Harrie Schijns als klinische bevestiging van Duynstee

a. Continuïteit in mensbeeld

Schijns staat — net als Duynstee — in een klassiek-christelijke antropologie waarin de mens wordt verstaan als eenheid van lichaam, psyche en spirituele ziel. Psychisch lijden wordt daarin noch gereduceerd tot moraal, noch losgemaakt van zin, geweten en verantwoordelijkheid.⁹

Dit sluit rechtstreeks aan bij Duynstee’s kernintuïtie: psychische stoornis als verstoring van de affectieve ordening, niet als zedelijk falen.

b. Bevestiging zonder permissiviteit

Schijns’ praktijk toont dat bevestiging geen toegeven is, maar voorwaarde voor innerlijke vrijheid en morele groei. Precies hier lag destijds de verdenking tegen Duynstee. De praktijk laat het tegendeel zien:
alleen wie innerlijk bevestigd is, kan werkelijk kiezen; alleen wie affectief vrij is, kan verantwoordelijkheid dragen.¹⁰

Kruis-criteriologisch slotargument
Waar het kruis wordt uitgespeeld tegen de mens, verhardt moraal. Waar het kruis wordt gedragen mét de mens, ontstaat genezing.


Samenvattende argumenten (onder het teken van het kruis)

  • Historische correctie: Duynstee behoort tot een reële ontwikkelingslijn binnen katholieke psychotherapie.
  • Kerkelijke erkenning: Postume rehabilitatie bevestigt geleden onrecht.
  • Filosofische verdediging: Zijn thomistische psychologie bewaart het onderscheid tussen schuld en kwetsbaarheid.
  • Pastorale actualisering: Via Terruwe, Baars en Schijns leeft zijn denken voort in een mensbeeld dat het kruis niet omzeilt, maar draagt.

Nawoord

Duynstee vandaag: waarheid dat standhoudt

Wanneer Willem Duynstee vandaag opnieuw wordt gelezen, blijkt zijn werk opmerkelijk actueel. Niet omdat hij pasklare oplossingen biedt, maar omdat hij het onderscheid bewaart tussen schuld en kwetsbaarheid, tussen morele roeping en psychische draagkracht. Juist dat onderscheid staat onder druk in een tijd waarin psychisch lijden óf volledig wordt gemedicaliseerd, óf opnieuw wordt gemoraliseerd.

Onder het teken van het kruis wordt duidelijk wat hier op het spel staat. Het kruis ontmaskert elke benadering die de mens reduceert — of tot dader, of tot patiënt — en bewaart de waarheid dat genezing alleen mogelijk is waar lijden gedragen wordt in waarheid en barmhartigheid. In die zin is Duynstee geen voorbijgestreefd denker, maar een noodzakelijke correctie.

Dat zijn intuïties vrucht hebben gedragen, blijkt uit de verdere ontwikkeling van de katholieke psychologie en psychiatrie, zichtbaar in het werk van Terruwe, Baars en Schijns, en in het pastoraat waarin psychisch lijden niet wordt weggepoetst, maar serieus genomen. Zo wordt Duynstee postuum niet slechts gerehabiliteerd, maar ingeschreven in een levende traditie.

Wie vandaag zoekt naar een mensbeeld dat zowel recht doet aan de ernst van het lijden als aan de waardigheid en vrijheid van de mens, kan niet om Willem Duynstee heen. Niet ondanks het kruis, maar juist eronder.

👉 Verder lezen:


Voetnoten

  1. M. Monteiro, Katholieke psychotherapie in naoorlogs Nederland, Tijdschrift voor Geschiedenis, 2018.
  2. Idem.
  3. Kerkelijke dossiers rond de Terruwe-affaire.
  4. Documentatie Romeinse herziening onder Paulus VI.
  5. L’Osservatore Romano, necrologie Willem Duynstee, 1968.
  6. W. Duynstee, artikelen over affectiviteit en moraalpsychologie.
  7. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, qq. 22–48.
  8. “Drie katholieke psychiaters over bevestiging”, pastoorgeudens.com.
  9. W.A.C. Schijns, publicaties over psychiatrie en spiritualiteit.
  10. C.W. Baars, Born Only Once, New York 1971.

Video – Duistere geheimen: er is hoop en genezing na abortus

Standaard

Duistere geheimen: er is hoop en genezing na abortus

Indrukwekkende en onvergetelijke getuigenissen

Gesproken tekst vertaald naar het Nederlands (transcript)

Ik dacht aan de samenleving, aan het feit dat ik studente was, en aan het stigma van al een kind hebben. Ik herinner me dat ik me op dat moment zelfs opgelucht voelde: ik hoefde me er geen zorgen meer over te maken. Ik hoopte het kindje nog te zien, maar het was er niet meer. Het zou mijn eerste kind zijn.

We vertrouwen onze artsen. We geloven dat zij het beste met hun patiënten voorhebben. Dus voelde ik opluchting en dacht ik: zij ziet er goed uit, zij heeft een abortus gehad, zelfs twee, dus voor mij zal het ook wel goed komen. Vijf minuten, dacht ik, dat stelt niets voor.

Maar ik had geen idee dat daar mijn hel begon. Geen idee.

Het deed me pijn — mentaal, fysiek, spiritueel en emotioneel. Ik ging daar naar binnen met een baby, en ik kwam leeg weer naar buiten.

Ik beschouw de abortus als een mislukking in mijn leven. En geen enkele man praat graag over falen. Dus telkens wanneer het gesprek ging over wel of geen kinderen krijgen, of over abortus, werd ik opnieuw geconfronteerd met wat ik met Rosemary had gedaan. Dat wilde ik niet onder ogen zien. Het voelde als een schok door mijn ruggengraat, maar het maakte me niet wakker.

We leefden heel seculier. Ik had God nog niet gevonden. Maar midden in dit alles, toen zij de ingreep had gehad, gebeurde er iets. Voor het eerst voelde ik dat er een grotere werkelijkheid bij betrokken was. Ik vertelde het aan een vriend en begon plots te huilen — tranen die zomaar komen, zonder dat je weet waar ze vandaan komen. Daar is geen seculiere verklaring voor.

Zij vertelde dat het kindje op de badkamervloer lag, omringd door bloed en weefsel. Ik was in shock. Het deed verschrikkelijk pijn. Ik kon niet geloven wat zij had gedaan, en ik kon niet geloven dat ik het leven van mijn baby niet had kunnen redden.

Daarna begon ik de rest van de Vicodin-pillen te nemen om mezelf te verdoven. Ik begon ze te misbruiken. Soms had ik bizarre, psychotische gedachten: dat ik naar de keuken zou lopen, een mes zou pakken en mezelf zou neersteken. Ze kwamen zomaar in mijn hoofd op. Ik begon te drinken. Ik begon mijn pijn te verbergen. Lange tijd kon ik er niet mee omgaan. Ik had nachtmerries.

Ik was wanhopig op zoek naar hulp. In die periode was ik diep depressief, met zoveel lagen van problemen. Ik herinner me het geluid van de vacuümmachine. Ik zag wat erin zat. Ik zag een klein ledemaatje — een arm of een voetje. Ik zag mijn baby. En ik wist: ik zou haar nooit meer terugkrijgen.

Ik herinner me dat ik haar mee naar huis nam. Ik zie haar nog steeds voor me. Er was iets van ons afgenomen — vooral van haar: ons kind.

Toen begon ik te beseffen dat het om een dood ging. De dood van haar kind. De dood van haar derde kind. De dood van mijn dochter. De dood van de zus van mijn andere kinderen. Een hele werkelijkheid was verdwenen uit ons gezin.

De genezing die ik ontving was ongelooflijk. Waarschijnlijk het belangrijkste wat ik ooit in mijn leven heb gedaan, omdat het me leidde naar vergeving: vergeving van mezelf, van mijn man en van mijn baby. Je kunt niets doorgeven aan iemand als je zelf nooit vergeving hebt ervaren. Ik liet 33 jaar van een innerlijke, levende hel los.

Ik ging eigenlijk alleen mee om haar te steunen. Ik was er voor haar. En zonder het te beseffen, kreeg ik zelf de kans om te genezen. Ik had nooit gerealiseerd dat wat je wegstopt, wat je bedekt en niet onder ogen ziet, er nog steeds is. Bij mij kwam het naar buiten. Ik denk dat ik net zoveel uit het genezingsproces heb gehaald als mijn vrouw.

Het was een ongelooflijke ervaring — werkelijk ongelooflijk. Ik heb nog nooit zoveel liefde, mededogen en begrip gevoeld. De begeleiders van de retraite hadden zelf abortus meegemaakt. Ze wisten precies waar het over ging. Ik voelde me veilig, getroost. Het was een veilige omgeving om mezelf te uiten, om los te laten. Ik moest huilen.

Jezus zei: “Maak hem los en laat hem gaan.” Wij kwamen uit het graf. En voor het eerst voelde ik dat er leven is voorbij verlies — een leven waarin ik vergeven kan worden en vrijgelaten.

Tijdens die retraite veranderde de Heer mijn hart. Er is nog steeds barmhartigheid. Ik was op een punt in mijn leven waarop ik mijn eigen kracht niet eens meer herkende. Ik dacht dat ik niet sterk genoeg was om alles aan te kunnen. Maar ik ben dankbaar. Elke dag opnieuw.

Wat mij gaande houdt, is dat ik mezelf eraan herinner: elke heilige heeft een verleden, en elke zondaar heeft een toekomst. Ik hoop dat mensen stoppen met lijden en hulp vinden, want die hulp is beschikbaar. Ik wil dat mensen vandaag de liefde van God ervaren.

Vandaag voel ik mij vergeven en genezen.
En ik ben heel, heel gelukkig.

Bron: www.rachelsvineyard.org.uk

Katholieke psychotherapie in naoorlogs Nederland

Standaard

Historische analyse en thomistische theologische duiding


A. Historisch-wetenschappelijke samenvatting

Katholieke psychotherapie in naoorlogs Nederland — Marit Monteiro (2018)

1. Auteur en context van het onderzoek

Marit Monteiro is historicus, verbonden aan de Radboud Universiteit, en gespecialiseerd in de wisselwerking tussen religie, cultuur en de geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg. In 2018 publiceerde zij het artikel Katholieke psychotherapie in naoorlogs Nederland: grenzen, gender en gezag in de affaire Terruwe in het Tijdschrift voor Geschiedenis.1

Monteiro positioneert haar onderzoek expliciet binnen de historiografie van religie en professionalisering. Zij benadert de affaire Terruwe niet primair vanuit een theologisch-dogmatisch perspectief, maar als een historisch knooppunt waarin kerkelijke instituties, wetenschappelijke disciplines en culturele machtsverhoudingen elkaar kruisen. Juist deze methodologische keuze maakt haar studie bijzonder relevant voor latere systematisch-theologische reflectie.


2. Onderzoeksvraag en centraal thema

Het artikel onderzoekt de ontwikkeling van de katholieke psychotherapie in Nederland in de periode na de Tweede Wereldoorlog, met bijzondere aandacht voor de spanningen die ontstonden tussen kerkelijk gezag en de zich professionaliserende psychiatrie. Centraal staat de zogenoemde affaire Terruwe: een controversiële episode waarin de katholieke psychiater en psychotherapeut Anna Terruwe (1911–2004) in 1956 onderwerp werd van een officiële waarschuwing van het Heilig Officie wegens twijfels over de morele toelaatbaarheid van haar psychotherapeutische praktijk.2

Monteiro analyseert hoe Terruwe, als academisch gevormd psychiater én overtuigd katholiek, haar therapeutische methode trachtte te legitimeren binnen kerkelijke kaders. Zij zocht daarbij bewust aansluiting bij invloedrijke geestelijken en poogde haar klinische inzichten te verankeren in een theologisch en moraaltheologisch aanvaardbaar raamwerk.3 Daarmee verschijnt Terruwe niet als buitenstaander, maar als een actor die van binnenuit participeerde in het katholieke discours.


3. Grenzen en autoriteit: psychotherapie en zielzorg

Een kernpunt in Monteiro’s analyse betreft de afbakening van bevoegdheden tussen twee domeinen:

  • psychotherapie, opgevat als medische en wetenschappelijke behandeling van psychische problematiek;
  • zielzorg, verstaan als pastorale begeleiding binnen de kerkelijke traditie.

Terruwe’s praktijk bracht fundamentele vragen aan het licht over gezag over het innerlijk leven van de mens: ligt dit primair bij de medische professional met klinische expertise, of bij de pastor met moreel-theologisch gezag? Deze vragen hadden niet alleen betrekking op professionele competenties, maar raakten ook diepgewortelde hiërarchische en gendergebonden structuren binnen de Kerk. Terruwe opereerde immers als vrouwelijke arts in een overwegend mannelijk en clericaal machtsveld, wat haar positie institutioneel kwetsbaar maakte.4

Monteiro interpreteert de waarschuwing van het Heilig Officie daarom niet primair als een doctrinaire veroordeling, maar als een vorm van institutionele grensbewaking. Psychotherapie diende binnen kerkelijke controle te blijven en ondergeschikt te zijn aan moraaltheologische normen, terwijl psychiaters als Terruwe streefden naar wetenschappelijke autonomie en professionele legitimiteit.5 De spanning betrof aldus niet alleen inhoud, maar vooral gezagsstructuren.


4. Historiografische herwaardering van Anna Terruwe

Een belangrijke bijdrage van Monteiro’s studie ligt in haar correctie van eerdere historiografische interpretaties waarin de affaire Terruwe werd voorgesteld als een eenvoudige overwinning van modernisering en secularisering binnen de katholieke geestelijke gezondheidszorg. Tegenover dit schema laat Monteiro zien dat Terruwe geen vrijzinnige hervormer was die zich tegen de Kerk keerde, maar integendeel haar werk bewust binnen de kerkelijke orde wilde verantwoorden en legitimeren.6

Hierdoor verschijnt de affaire niet als een botsing tussen “vooruitgang” en “achterlijkheid”, maar als een complex proces van interne professionalisering binnen een religieuze context, waarin wetenschap, moraal en kerkelijk gezag nog geen gedeeld antropologisch kader hadden ontwikkeld.


5. Breder historisch kader: psychologie en moraaltheologie

Monteiro situeert haar analyse in de bredere geschiedenis van de katholieke receptie van moderne psychologie in de twintigste eeuw. Deze receptie werd mede vormgegeven door moraaltheologen en denkers zoals Willem Duynstee (1886–1968), die trachtten psychologische concepten — waaronder verdringing, affectieve ontwikkeling en innerlijke conflicten — theologisch te herformuleren en te integreren binnen het bestaande moraaltheologische kader.7

De jaren vijftig en zestig worden gekenmerkt door een voortdurende dialoog én conflict tussen moraaltheologie en psychiatrie. Deze spanning weerspiegelt bredere vragen naar de verhouding tussen natuur en genade, psychologie en moraal, wetenschap en kerkelijk gezag.


6. Historische conclusie

Monteiro’s studie biedt een genuanceerde en gedifferentieerde analyse van:

  • de opkomst en institutionalisering van katholieke psychotherapie in Nederland;
  • de gezags- en grensvraagstukken rond Anna Terruwe;
  • de rol van gender en hiërarchie binnen kerk en wetenschap;
  • de structurele spanning tussen moderniteit en kerkelijke traditie.

De hier geboden analyse blijft bewust binnen de grenzen van de historische discipline. Juist daardoor fungeert zij als een onmisbaar fundament dat vraagt om verdere systematisch-theologische doordenking van de onderliggende antropologische en moraaltheologische aannames — een taak die buiten het bereik van de historische methode valt, maar zich des te dringender aandient voor de theologie.8


B. Overgang: van historisch dossier naar thomistische theologische lezing

Affirmatie, moraal en gezag gelezen vanuit het Kruis

Het historisch onderzoek van Monteiro maakt duidelijk dat de affaire rond Anna Terruwe niet kan worden gereduceerd tot een incidenteel conflict tussen kerkelijk gezag en wetenschappelijke vernieuwing. Wat hier zichtbaar wordt, is een dieperliggend spanningsveld binnen het katholieke mensbeeld zelf: de verhouding tussen affectieve rijping en morele aanspreekbaarheid, tussen innerlijke genezing en normatieve correctie, tussen gezag en vrijheid.

Monteiro toont overtuigend aan dat de waarschuwing van 1956 niet primair voortkwam uit leerstellige afwijking, maar uit onzekerheid omtrent grensafbakening: wie draagt gezag over het innerlijk leven van de mens, en volgens welk antropologisch kader wordt dit gezag uitgeoefend? De botsing voltrok zich precies op het snijvlak van psychotherapie, zielzorg en moraaltheologie — domeinen die institutioneel wel werden onderscheiden, maar theologisch onvoldoende ordelijk verbonden waren.

Hier wordt een lacune zichtbaar die niet louter historisch, maar wezenlijk theologisch van aard is. Morele normativiteit kan slechts vruchtbaar worden aangesproken wanneer de mens affectief beschikbaar is om verantwoordelijkheid te dragen. De historische spanning rond Terruwe wijst daarmee op een onvolledig antropologisch kader, waarin de affectieve orde onvoldoende werd erkend als voorwaarde voor morele vrijheid.

Juist op dit punt biedt een herlezing vanuit Thomas van Aquino een beslissend verdiepend perspectief. In de thomistische traditie is moraal geen extern opgelegde wet, maar een ordening van het menselijk handelen die veronderstelt dat de menselijke vermogens — rede, wil en affectiviteit — in hun onderlinge samenhang kunnen functioneren. Morele toerekenbaarheid (actus humanus) veronderstelt niet alleen kennis en vrijheid, maar ook een innerlijke dispositie (habitus) die het handelen mogelijk maakt secundum rationem en niet fundamenteel verlamd is.9

Vanuit dit kader kan de affirmatie-intuïtie van Terruwe en Baars theologisch worden verstaan als een voor-ethische realiteit: niet als psychologisering van het geloof, maar als deelname aan de scheppingsorde zelf. De mens moet eerst mogen bestaan — bevestigd worden in zijn zijn — alvorens hij werkelijk moreel kan antwoorden. Moraal volgt op relatie, niet omgekeerd. God openbaart zich immers niet eerst als Wetgever, maar als Schepper die bevestigt: “het is goed.”

Deze thomistische herlezing vindt haar beslissende norm niet in abstracte antropologie, maar in het Kruis van Christus. Het Kruis openbaart een vorm van waarheid en gezag die niet breekt om te corrigeren, maar draagt om te redden. Waarheid blijkt daar waar zij zichzelf prijsgeeft ten dienste van het heil van de ander. In dit licht verschijnt affirmatie niet als toegeeflijkheid, maar als een kruisvormige aanwezigheid — een theologisch uitgangspunt dat elders uitvoeriger wordt uitgewerkt binnen de hier gehanteerde kruis-criteriologie (zie de thematische dossierpagina over kruistheologie).

Vanuit deze kruis-criteriologie wordt ook het kerkelijk gezag zelf herijkt. Correctie die voorafgaat aan verstaan, normering zonder onderscheid van affectieve rijping, en moraal zonder aandacht voor innerlijke draagkracht missen de vorm van het Kruis. Zij kunnen formeel juist zijn, maar werken existentieel destructief. De tragiek van de affaire Terruwe ligt dan ook niet in ongehoorzaamheid, maar in een gemiste integratie: psychotherapie, zielzorg en sacramenteel leven werden niet onderscheiden én verbonden volgens een gedeelde antropologische orde.

Hiermee wordt het historisch dossier van Monteiro meer dan een afgesloten episode. Het functioneert als een theologische toetssteen voor de vraag hoe Kerk, moraal en pastoraat omgaan met de kwetsbare innerlijke mens. In een Kerk die vandaag geconfronteerd wordt met de gevolgen van geestelijk en lichamelijk geweld, blijkt deze kwestie profetisch: waar bevestiging ontbreekt, ontstaan pathologieën — ook religieuze.

Dit vormt daarom het noodzakelijke overgangspunt naar een systematisch-theologische uitwerking: een thomistische herlezing van affirmatie, moraal en gezag, gelezen vanuit het Kruis, waarin affectieve rijping, morele verantwoordelijkheid en genade niet tegen elkaar worden uitgespeeld, maar in hun eigen orde worden onderscheiden en in Christus tot eenheid worden gebracht.


Auteursprofiel

Pastoor Jack Geudens is rooms-katholiek priester, gevormd aan het Grootseminarie Rolduc, waar zijn filosofische en theologische opleiding expliciet stoelde op de denktraditie van Thomas van Aquino. In deze thomistische vorming werd bijzondere aandacht besteed aan de samenhang tussen antropologie, moraaltheologie en genadeleer, met een uitgesproken focus op menselijke vermogens, habitusvorming en morele verantwoordelijkheid.

Naast zijn priesteropleiding volgde hij de opleiding Arbeidstherapie, waarin de mens wordt benaderd als een handelend en relationeel wezen binnen zijn concrete leef- en werkomgeving. Deze vorming richt zich op het opbouwen, ondersteunen en optimaliseren van het menselijk functioneren, in het bijzonder waar kwetsbaarheid, psychisch lijden of existentiële breuklijnen het dagelijks leven en werken onder druk zetten. Centraal staat daarbij niet prestatie, maar herstel van draagkracht, participatie en zinvolle betrokkenheid op de werkelijkheid.

Deze dubbele achtergrond — thomistische theologie en arbeidstherapeutische menskunde — bepaalt blijvend zijn theologisch en pastoraal uitgangspunt. Moraal, spiritualiteit en pastoraat kunnen volgens hem slechts vruchtbaar zijn wanneer zij aansluiten bij de reële draagkracht van de persoon en diens affectieve rijping.

Vanuit een expliciet gelovig perspectief verstaat Geudens arbeid, therapie en pastoraat als plaatsen waar de scheppingsgoedheid van God zichtbaar kan worden in bevestiging, nabijheid en herstel. In aansluiting bij de affirmatietraditie van Anna Terruwe en Conrad Baars leest hij menselijke ondersteuning niet als vervanging van genade, maar als een menselijke ontvankelijkheidsruimte waarin genade kan genezen en verheffen (gratia sanans et elevans).

Het theologisch kader van het werk van pastoor Jack Geudens wordt gedragen door een kruis-criteriologie, waarin waarheid en gezag worden onderscheiden naar hun vermogen om de mens te dragen en te bevrijden. Het Kruis van Christus fungeert daarbij als hermeneutische sleutel voor moraal, gezag en genezing: waarheid openbaart zich daar waar zij zichzelf geeft ten dienste van het heil van de ander.

Met kruistheologie wordt in dit werk geen afzonderlijke thematische theologie bedoeld naast andere disciplines, maar een fundamenteel hermeneutisch perspectief van waaruit geloof, mensbeeld, moraal en kerkelijk gezag worden verstaan. Het Kruis fungeert daarbij niet louter als object van devotie of als een geïsoleerd soteriologisch moment, maar als criterium van waarheid en onderscheiding.

Kruistheologie vertrekt vanuit de overtuiging dat het beslissende zelfopenbaringsmoment van God niet samenvalt met macht, succes of zichtbare werkzaamheid, maar met zelfgave, kwetsbaarheid en dragende liefde. In het Kruis openbaart God niet alleen wat Hij doet voor de mens, maar vooral hoe waarheid, gezag en liefde zich tot elkaar verhouden. Waarheid verschijnt hier niet als overweldigende evidentie, maar als een werkelijkheid die zichzelf prijsgeeft om de ander te redden.

Binnen deze benadering wordt het Kruis verstaan als toetssteen voor alle theologische en pastorale claims. Waar waarheid breekt wat zij zegt te dienen, verliest zij haar christelijke gestalte. Waar gezag corrigeert zonder te verstaan, of normativiteit wordt opgelegd zonder rekening te houden met de draagkracht van de persoon, daar ontbreekt de vorm van het Kruis. Kruistheologie verzet zich daarmee zowel tegen moralisme als tegen relativisme: zij zoekt niet de afschaffing van waarheid of norm, maar hun kruisvormige verwerkelijking.

Antropologisch betekent kruistheologie dat de mens niet primair wordt benaderd als autonoom moreel subject, maar als relationeel en kwetsbaar wezen, geschapen naar Gods beeld en tegelijk getekend door onrijpheid, verwonding en breuk. Het Kruis openbaart dat God deze kwetsbaarheid niet omzeilt, maar draagt. Vanuit dit perspectief krijgt bevestiging een centrale plaats: de mens moet eerst mogen bestaan, voordat hij werkelijk aangesproken kan worden op verantwoordelijkheid. Moraal volgt op relatie, niet omgekeerd.

In aansluiting bij een thomistisch mensbeeld wordt binnen de kruistheologie benadrukt dat morele vrijheid en verantwoordelijkheid slechts mogelijk zijn waar de innerlijke vermogens van de mens — rede, wil en affectiviteit — daadwerkelijk kunnen functioneren. Het Kruis maakt zichtbaar dat Gods omgang met de mens niet begint bij eis, maar bij gave; niet bij norm, maar bij nabijheid. Daarom wordt kruistheologie verbonden met een affirmatieve benadering van de mens, zonder deze te reduceren tot psychologie.

Ecclesiologisch impliceert kruistheologie een herijking van gezag. Kerkelijk gezag wordt niet opgevat als controle over het innerlijk leven van de gelovige, maar als dienst aan diens vrijheid in waarheid. Gezag is authentiek voor zover het de ander helpt staan, niet voor zover het hem breekt. Correctie, onderscheiding en normering blijven noodzakelijk, maar verliezen hun legitimiteit wanneer zij losraken van verstaan, barmhartigheid en dragende aanwezigheid.

Samenvattend kan kruistheologie in het werk van pastoor Geudens worden omschreven als een theologische leesregel: het Kruis fungeert als criterium om te onderscheiden of waarheid bevrijdt of overheerst, of moraal vormt of verlamt, of gezag dient of domineert. Het Kruis is daarbij niet één thema onder andere, maar de plaats waar theologie haar eigen maat ontvangt.


Voetnoten

  1. M. Monteiro, “Katholieke psychotherapie in naoorlogs Nederland: grenzen, gender en gezag in de affaire Terruwe”, Tijdschrift voor Geschiedenis 131 (2018) 2, 256–276.
  2. Ibid., 260–266.
  3. Ibid., 263–270.
  4. Ibid., 271–273.
  5. Ibid., 274–276.
  6. Ibid., 267–270.
  7. W. Duynstee, Psychologie en moraaltheologie, Utrecht 1952.
  8. Monteiro, Katholieke psychotherapie, 274–276.
  9. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 1–6; q. 49–54.