De Onbevlekte Ontvangenis van Maria

Standaard

De Onbevlekte Ontvangenis van Maria

Maria, begin van Gods bruidschap met de mens

Inleiding

De Onbevlekte Ontvangenis van Maria (1) is geen losstaand voorrecht, maar het beginpunt van Haar gehele roeping. Zij raakt aan Haar diepste identiteit als Maagd, Bruid en Moeder en maakt zichtbaar hoe Maria vanaf het eerste ogenblik van Haar bestaan volledig heeft geleefd binnen de ruimte van Gods genade. Wat Zij later zou worden in de geschiedenis van het heil, was Zij reeds in oorsprong: geheel door God ontvangen, door Hem uitgekozen en radicaal op Hem gericht.

Dat Maria onbevlekt is ontvangen, betekent niet dat Zij buiten de mensheid staat, maar dat Zij er ten volle binnen staat zoals God de mens oorspronkelijk heeft bedoeld. In Haar wordt zichtbaar wat het menselijk bestaan is wanneer het niet wordt bepaald door breuk, wanorde en vervreemding, maar door ontvangenheid (2), vertrouwen en overgave. Haar oorsprong ligt niet in een neutrale onschuld, maar in een voorafgaande genade: Zij bestaat vanaf het eerste ogenblik in levende relatie tot God.

Deze oorspronkelijke genade kan alleen worden verstaan vanuit Haar unieke verhouding tot de Heilige Drie-eenheid. Maria is niet eerst Maagd, Bruid of Moeder geworden door menselijke keuze of verdienste, maar door goddelijke uitverkiezing. De Vader heeft Haar van meet af aan gezien als Dochter; de Zoon zou uit Haar vlees aannemen; de Heilige Geest zou zich met Haar liefde verenigen. De Onbevlekte Ontvangenis is daarom geen geïsoleerde ingreep, maar de trinitarische voorbereiding van een leven dat geheel beschikbaar moest zijn voor Gods handelen.


1. Maagdelijkheid als innerlijke eenheid

Als onbevlekt ontvangen is Maria allereerst Maagd: niet uitsluitend in lichamelijke zin, maar in de diepere betekenis van innerlijke eenheid. In Haar bestaat geen verdeeldheid tussen verlangen en gehoorzaamheid, tussen vrijheid en toewijding. Haar maagdelijkheid is de zuiverheid van een hart dat onverdeeld openstaat voor God. Juist daarom kan Zij Bruid worden. Alleen wie niet door zichzelf bezet is, kan zich geheel laten toebehoren aan een Ander.


2. Het bruidschap met God

Haar bruidschap met God vindt zijn wortel in deze oorspronkelijke zuiverheid. De Onbevlekte Ontvangenis is de stille voorbereiding op Haar fiat bij de aankondiging. Wat Zij daar bewust en vrij uitspreekt, leeft reeds onbewust en genadevol in Haar bestaan. Zij is van meet af aan de Bruid die God met al Zijn gaven heeft toegerust, opdat Zijn liefde zich zonder belemmering met de hare kon verenigen.

In Haar wordt zichtbaar dat genade de natuur niet vernietigt, maar voltooit; niet overweldigt, maar uitnodigt. Haar vrijheid wordt niet opgeheven, maar juist mogelijk gemaakt door de genade waarin Zij leeft.


3. Moederschap uit ontvangenheid

Uit dit bruidschap vloeit Haar Moederschap voort. Omdat Zij volledig in de genade leeft, kan Zij de Zoon ontvangen zonder Haar maagdelijkheid te verliezen. Omdat Zij geheel aan God toebehoort, kan Zij leven schenken aan Hem die het Leven zelf is. Haar onbevlekte oorsprong maakt Haar Moederschap niet vanzelfsprekend, maar mogelijk. Zij wordt Moeder niet ondanks Haar maagdelijkheid, maar juist door Haar totale ontvankelijkheid.


4. Maria in het werk van de verlossing

Zo vormt de Onbevlekte Ontvangenis de grondslag van Maria’s plaats in het werk van de verlossing. Zij staat niet naast Christus, maar met Hem verbonden, onmiddellijk na Hem. Zoals Hij de nieuwe Adam is, zo is Zij de nieuwe Eva: niet bron van de zonde, maar begin van het nieuwe leven. In Haar verschijnt voor het eerst sinds de val een mens die geheel leeft uit genade. Daarmee wordt de macht van de zonde principieel doorbroken en wordt de verlossing zichtbaar nog vóór zij historisch voltrokken is.


5. Antropologische en ecclesiologische betekenis

Voor de Kerk en voor de mensheid heeft dit een blijvende betekenis. Maria is geen onbereikbaar ideaal, maar een belofte. In Haar ziet de Kerk wat zij geroepen is te worden: Bruid, Moeder en Dienares van het leven. In Haar ziet de mens wat mogelijk is wanneer hij zich niet opsluit in zichzelf, maar zich laat dragen door genade.

De Onbevlekte Ontvangenis is zo niet alleen een mariologisch dogma, maar ook een antropologisch lichtpunt: de bevestiging dat het menselijk bestaan, vanaf zijn oorsprong, bedoeld is om door God bewoond te worden.


6. Het begin van Gods bruidschap met de mens

De Onbevlekte Ontvangenis is het begin van Maria’s roeping en tegelijk het begin van de verlossing in Haar meest verborgen gestalte. Zij is geen losstaand voorrecht en geen geïsoleerde zuiverheid, maar de eerste beslissende daad waarin God Zijn Bruid vormt naar Zijn welbehagen. Waar mensen hun bruiden kiezen en tooien naar hun vermogen, vormt God Zelf — in wijsheid, macht en liefde — de Bruid die Hij van eeuwigheid heeft uitverkoren.

Van alle eeuwigheid had God Maria’s heerlijkheid gedacht. Nog vóór Zij bestond, lag Haar bestemming vast: Zij moest de verhevenste onder de bruiden worden, omdat Zij geroepen was Bruid van God zelf en Moeder van Zijn Zoon te zijn. Daarom begon Haar voorbereiding niet bij de aankondiging, maar bij Haar ontstaan. De Onbevlekte Ontvangenis is deze oorspronkelijke heiligheid waarin Maria tot bestaan kwam.


7. Oorspronkelijke heiligheid en verlossing

Deze heiligheid is geen morele prestatie, maar een genadige toestand. Maria wordt niet eerst mens en daarna geheiligd; Zij wordt geheiligd ontvangen. Vanaf het eerste ogenblik van Haar persoonlijk bestaan leeft Zij in de heiligmakende genade, met het oog op de verdiensten van Christus, de Verlosser.

Zij staat daarmee wel in de mensheid, maar niet onder de heerschappij van de erfzonde. Haar mens-zijn blijft eindig, sterfelijk en lijdend, maar Haar bestaan wordt niet getekend door innerlijke breuk. Haar vrijheid is van meet af aan vrije ruimte voor God.


8. Schrift, belofte en vervulling

Door heel de heilsgeschiedenis heen bereidde God dit begin voor. Reeds in het paradijs werd het zaad gezaaid, toen God vijandschap aankondigde tussen de slang en de Vrouw. Die Vrouw is Maria; Haar Zoon is de uiteindelijke Overwinnaar. In Haar begint reeds de nederlaag van het kwaad.

Eeuwenlang droeg Israël, vaak zonder het ten volle te beseffen, de verwachting van een ongerepte Vrouw. Beelden uit Schrift en geschiedenis tekenden vooruit wat eens werkelijkheid zou worden, totdat uit de wortel van Jesse de onvergelijkbare bloem opschoot: Maria, onbevlekt ontvangen.


Slotbeschouwing

De Onbevlekte Ontvangenis is niet alleen een beginpunt, maar ook een vooruitgrijpen op de voltooiing. In Haar oorsprong wordt reeds aangekondigd wat in Christus tot volle openbaring zal komen. In Haar begint de verlossing nog vóór Zij zichtbaar wordt: niet actueel, maar in kiem en belofte.

Daarom is de Onbevlekte Ontvangenis het passende begin van het heil. Zij is het voorspel waarin het hele thema reeds klinkt. Wanneer Christus Mens wordt, zal de melodie voluit losbarsten. Maar het eerste zuivere akkoord is Maria: onbevlekt ontvangen, Bruid van God, begin van het nieuwe leven.


Voetnoten

I. Heilige Schrift

  1. Genesis 3,15Proto-evangelium:

“Ik zal vijandschap stichten tussen u en de vrouw, tussen uw nageslacht en het hare.”
Deze tekst vormt de bijbelse grondslag voor het verstaan van Maria als de “vrouw” in wie de overwinning op de zonde principieel aanvangt.

  • Lucas 1,28Kecharitōmenē:

“Wees gegroet, gij die vol van genade zijt.”
De voltooide vorm van het werkwoord duidt op een reeds bestaande en blijvende staat van genade, traditioneel verstaan als verwijzing naar haar onbevlekte oorsprong.

  • Lucas 1,38 – Het fiat van Maria:

“Mij geschiede naar uw woord.”
Het bewuste en vrije ja-woord staat in continuïteit met haar voorafgaande genadetoestand.

  • Romeinen 5,12–19 – Adam en Christus:
    Paulus’ typologie van Adam en de nieuwe Adam vormt de basis voor de latere parallel Adam–Eva / Christus–Maria.
  • Efeziërs 1,4 – Uitverkiezing vóór de grondlegging der wereld:

“In Hem heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld.”
Deze tekst ondersteunt het verstaan van Maria’s uitverkiezing als voorafgaand en genadevol.


II. Dogma en leergezag van de Kerk

  • Rooms-Katholieke Kerk – Dogma van de Onbevlekte Ontvangenis (1854)
    Ineffabilis Deus, paus Pius IX:
    Maria is “vanaf het eerste ogenblik van haar ontvangenis, door een bijzondere genade en voorrecht van de almachtige God, met het oog op de verdiensten van Jezus Christus, vrij gebleven van elke smet van de erfzonde.”
  • Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium §56:
    Maria wordt beschreven als “volkomen geheiligd” en nauw verbonden met Christus “van meet af aan”.
  • Catechismus van de Katholieke Kerk, §§490–493:
    De catechismus verbindt expliciet de Onbevlekte Ontvangenis met Maria’s roeping tot moederschap en haar unieke plaats in de heilsgeschiedenis.

III. Kerkvaders en theologische traditie

  • Irenaeus van Lyon, Adversus Haereses III,22,4:
    De parallel Eva–Maria: “Zoals Eva door ongehoorzaamheid oorzaak werd van de dood, zo werd Maria door gehoorzaamheid oorzaak van het heil.”
  • Augustinus van Hippo, De Natura et Gratia 36,42:
    Augustinus sluit Maria expliciet uit van elke persoonlijke zonde “ter ere van de Heer”, wat later theologisch wordt verdiept in het dogma.
  • Johannes Damascenus, Homilia in Nativitatem B.M.V.:
    Maria wordt bezongen als geheel heilig vanaf haar begin, “vooraf gereinigd door de Geest”.
  • Anselmus van Canterbury:
    De passendheid (convenientia) van Maria’s onbevlekte oorsprong in relatie tot de menswording van de Zoon.
  • Johannes Duns Scotus:
    De klassieke formulering: Potuit, decuit, ergo fecit
    God kon Maria onbevlekt ontvangen laten worden, het paste Hem, dus heeft Hij het gedaan.

Eindnoten

  • (1) Vgl. De katholieke Kerk, Godsdienstleer en Apologie. Onder redactie van Prof D. Bont en Dr. C.F. Pauwels O.P., N.V. Zonnewende Kortrijk / Het Spectrum Utrecht, Eerste deel, Boek 1-13, blz. 533-538.
  • (2) Ontvangenheid duidt hier niet op passiviteit, maar op een oorspronkelijke bestaanswijze waarin de mens zichzelf niet als oorsprong begrijpt, maar als gegeven. Zij veronderstelt geen leegte of onbepaaldheid, maar een actieve openheid voor het voorafgaande handelen van God. In deze zin staat ontvangenheid tegenover zelfbeschikking als grondhouding en tegenover een autonomie die zichzelf tot maatstaf maakt. In Maria wordt deze ontvangenheid volkomen zichtbaar: Zij bestaat niet eerst en ontvangt daarna genade, maar Zij bestaat in genade. Haar oorsprong ligt niet in een moreel neutrale onschuld, maar in een voorafgaande relatie tot God, die Haar bestaan vanaf het eerste ogenblik draagt en oriënteert. De traditie heeft dit verstaan als een bestaan ex gratia vóór elke daad. Zo benadrukt Augustinus van Hippo dat genade niet volgt op menselijke verdienste, maar eraan voorafgaat (gratia praeveniens). In Maria wordt deze voorafgaande genade niet herstellend, maar constitutief: Zij leeft niet uit genezing, maar uit gave. Ontvangenheid impliceert daarom ook innerlijke eenheid: geen verdeeldheid tussen verlangen en gehoorzaamheid, tussen vrijheid en toewijding. In patristische zin is zij de toestand waarin de mens “in God” leeft nog vóór hij zichzelf toe-eigent. Zo wordt Maria het antropologisch tegenbeeld van vervreemding: in Haar verschijnt wat de mens is wanneer hij niet vanuit breuk, maar vanuit relatie leeft.

Pastoor Geudens

Smakt, 21 januari 2026

“Kom, volg Mij”

Standaard

Over roeping, loslaten en het begin van de Kerk

Zondag van de derde week door het jaar A

Inleiding

Deze preek wordt gehouden op de derde zondag door het jaar, wanneer de liturgie ons terugbrengt naar het begin van Jezus’ openbaar optreden. Het evangelie van deze zondag toont geen spectaculaire wonderen, geen grote redevoeringen, maar een eenvoudig en beslissend moment: Jezus die mensen ziet in hun dagelijkse arbeid en hen aanspreekt met één woord — “Kom, volg Mij.”

In deze overweging staat niet de uitzonderlijkheid van de geroepenen centraal, maar juist hun gewoonheid. Vissers, bezig met hun netten, worden aangesproken midden in hun werk, hun zekerheid en hun vertrouwde bestaan. Zo wordt zichtbaar dat roeping geen ontsnapping is uit het leven, maar een omvorming ervan. Het evangelie raakt daarmee aan een fundamentele vraag die iedere gelovige aangaat: waar en hoe laat ik mij aanspreken door Christus, en wat vraagt dat vandaag van mij?

Deze preek wil geen theoretisch antwoord geven, maar uitnodigen tot innerlijke ontvankelijkheid: tot luisteren, onderscheiden en het durven loslaten van wat ons vasthoudt, opdat wij vrijer kunnen volgen.

Preek

Het evangelie van vandaag voert ons naar het begin van Jezus’ openbaar optreden.

Tot ongeveer zijn dertigste levensjaar heeft Jezus een verborgen leven geleid in Nazareth. Hij leefde er eenvoudig, werkte als timmerman in de werkplaats van Jozef, opgenomen in het gewone ritme van het dagelijkse bestaan. Geen wonderen, geen zichtbare zending. Alleen trouw, arbeid en stilte.

Dat is geen leegte. Dat is een rijping. Een leven dat eerst geleefd wordt vóór het gesproken wordt.

Dan komt het keerpunt. Jezus laat zich dopen in de Jordaan door Johannes de Doper.

Daarna begint Hij zijn weg door Galilea. Niet naar Jeruzalem. Niet naar de religieuze of politieke centra. Zijn weg begint in een gewone streek, langs vissersdorpen rond het meer.

Daar ziet Hij mensen aan het werk. Simon en Andreas. Jakobus en Johannes.

Geen geleerden. Geen religieuze elite. Geen mensen met aanzien of macht. Gewone mannen, bezig met hun netten, hun boten, hun dagelijkse arbeid. Mensen die leven van wat zij met hun handen doen, mensen die weten wat vermoeidheid is, afhankelijkheid van weer en water, onzekerheid over morgen.

Juist hén roept Jezus. “Kom, volg Mij.”

Het is geen uitnodiging tot overleg. Geen uitleg, geen plan, geen garanties. Jezus doet geen voorstel, Hij spreekt een woord dat raakt en roept.

En dan gebeurt iets dat blijft verbazen: zij laten onmiddellijk hun netten achter en volgen Hem.

Die netten betekenen meer dan touw en vis. Zij staan voor hun werk, hun zekerheid, hun vertrouwde leven. Voor datgene waaraan zij zich vasthouden, dat hun plaats en identiteit geeft. – Dat laten zij los.

Dat doen zij niet uit impuls of lichtzinnigheid. Waarschijnlijk hebben zij Jezus al eerder gehoord, Hem zien optreden, iets ervaren van zijn gezag, zijn nabijheid, zijn waarheid. Maar nu komt het beslissende moment: zij vertrouwen Hem. Zij laten zich aanspreken. Zij láten zich roepen. Roeping begint altijd daar, waar iemand zich laat aanspreken.

En Jezus zegt hen: “Ik zal jullie vissers van mensen maken.”

Hun leven krijgt hier een nieuwe gerichtheid. Niet langer draait het om wat zij zelf vasthouden, maar om wie zij mogen dienen. Niet om bezit of veiligheid, maar om relatie. Zo begint Jezus met het vormen van een gemeenschap — met deze vier mensen. Zo klein. Deze dag. En toch: hier begint de Kerk.

En daarmee komt het evangelie heel dicht bij ons eigen leven. Ook vandaag roept Jezus mensen.

Meestal niet met een hoorbare stem, maar in de stilte. In een verlangen dat niet verdwijnt. In een vraag die blijft terugkeren. In een innerlijke onrust die ons niet met rust laat omdat zij ons uitnodigt tot een dieper en waarachtiger leven.

Dat noemen wij roeping. Roeping is geen dwang van buitenaf. Geen opdracht die ons wordt opgelegd. Het is een innerlijk aangesproken worden. Het besef: dit wordt mij toevertrouwd. Dit vraagt om mijn antwoord.

Die roeping kan verschillende vormen aannemen. In het priesterschap, het diaconaat, het religieuze leven. Maar evenzeer in de trouw van het huwelijk en het gezin. In zorg voor anderen. In dienstbaarheid, rechtvaardigheid, volgehouden nabijheid waar het leven kwetsbaar is.

Iedereen wordt geroepen. Maar niet op dezelfde wijze. Maar niemand leeft in ieder geval zonder roeping.

De vraag is: waartoe word ik vandaag geroepen?

Welke “netten” houd ik vast uit schijnzekerheid of angst?
Wat durf ik niet los te laten omdat het mij houvast geeft, maar mij ook gevangenhoudt? Waar nodigt Jezus mij uit om Hem te volgen — niet morgen, niet ooit, maar vandaag?

Jezus trekt ook nu zijn weg door ons leven. Middels de Kerk. Hij onderricht er. Hij geneest er. Hij verkondigt er de Blijde Boodschap. In Jezus en Zijn Kerk wil God zelf bij de mensen wonen. En steeds opnieuw klinkt datzelfde beslissende woord: “Kom, volg Mij.”

Moge ons hart open genoeg zijn om die roep te kunnen horen. En moge ons vertrouwen groot genoeg zijn om te antwoorden.

Amen.

Slotwoord

Het evangelie van deze zondag laat zien dat de Kerk niet begint met structuren, plannen of zekerheden, maar met mensen die zich laten aanspreken en antwoorden. Vier vissers, een woord van Jezus, en een vertrouwen dat groter blijkt dan angst of verlies. Daar begint de weg die tot op vandaag voortgaat.

Ook nu blijft die roep klinken — vaak niet luid, maar in de stilte van het hart, in vragen die zich blijven aandienen, in een verlangen naar een leven dat meer is dan vasthouden en veiligstellen. Deze preek wil die ruimte openen: niet om snelle keuzes af te dwingen, maar om het hart beschikbaar te maken voor Gods initiatief.

Moge dit woord helpen om eigen “netten” onder ogen te zien, om te onderscheiden wat losgelaten mag worden, en om met vertrouwen te antwoorden waar Christus vandaag voorbijgaat en zegt: “Kom, volg Mij.”

Pastoor Geudens, Smakt, 21 januari 2026

Twee persoonsbegrippen: het klassieke (metafysische) persoonsbegrip en het relationele (personalistische) persoonsbegrip: fundament en voltooiing

Standaard

Over mensbeeld, spiritualiteit en identiteit

Abstract (samenvatting)

Dit artikel onderzoekt twee invloedrijke persoonsbegrippen binnen de christelijke theologische traditie: het klassieke (metafysische) persoonsbegrip en het relationele (personalistische) persoonsbegrip. Beide benaderingen bezitten een eigen waarheidskracht en historische vruchtbaarheid, maar vertonen ook risico’s wanneer zij geïsoleerd worden toegepast. Het betoog ontwikkelt het klassieke persoonsbegrip als noodzakelijk fundament ter bescherming van menselijke waardigheid, verantwoordelijkheid en waarheid, en het relationele persoonsbegrip als spirituele voltooiing waarin persoon-zijn tot rijping komt door ontvankelijkheid, ontmoeting en liefdevolle zelfgave. In het bijzonder wordt de samenhang van beide perspectieven uitgewerkt met het oog op geloofsleven, pastoraat en identiteit. In een tweede deel wordt deze tweevoudige benadering toegepast op spiritualiteiten van heiligen en religieuze tradities, waarbij verschillende persoonsaccenten zichtbaar worden. De studie pleit voor een geïntegreerd persoonsbegrip waarin onaantastbaarheid en relationaliteit elkaar wederzijds dragen.


Inleiding

Waarom het persoonsbegrip beslissend is

Elke theologische visie op geloof, genade en priesterschap rust – vaak impliciet – op een bepaald mensbeeld. Waar het spreken over de persoon verschraalt, verschraalt ook het spreken over ontmoeting, vrijheid en bemiddeling. Het gaat hier niet om een abstract filosofisch vraagstuk, maar om een fundamentele keuze die diep ingrijpt in spiritualiteit, pastoraat en priesterlijke identiteit.

Binnen de westerse filosofische en theologische traditie kunnen twee invloedrijke persoonsbegrippen worden onderscheiden: het klassieke (metafysische) persoonsbegrip en het relationele (mystiek-personalistische) persoonsbegrip. Beide hebben een eigen interne consistentie en historische vruchtbaarheid. Tegelijk draagt elk van beide een reëel risico in zich wanneer het wordt losgemaakt van zijn juiste horizon.

Deze studie wil geen tegenstelling construeren of een schoolstrijd voeren. Zij beoogt een ordening aan te brengen: eerst het klassieke persoonsbegrip als beschermend fundament, vervolgens het relationele persoonsbegrip als spirituele voltooiing, en ten slotte hun noodzakelijke samenhang, met het oog op geloofsleven, pastoraat en priesterschap.


I. Twee persoonsbegrippen: fundament en voltooiing

1. Het klassieke persoonsbegrip

Bescherming van waardigheid en verantwoordelijkheid

In de klassieke lijn van de christelijke metafysica wordt de persoon verstaan als een zelfstandig en onherleidbaar “iemand”, drager van verstand en wil, met een eigen centrum van verantwoordelijkheid. In de scholastieke traditie wordt deze intuïtie uitgewerkt met behulp van de taal van de substantie: de persoon is niet louter een bundel eigenschappen of functies, maar een subsisterend subject – iemand die in zichzelf bestaat en daarom nooit mag worden gereduceerd tot middel, rol of onderdeel van een groter mechanisme.

De blijvende waarde van dit persoonsbegrip ligt in zijn beschermende kracht. Het bewaart de onaantastbaarheid van de persoon: niemand kan de mens volledig bezitten, verklaren of gebruiken. De mens is meer dan wat hij doet, meer dan wat hij presteert, meer dan wat hij betekent voor een systeem.

Vruchtbaarheid van het klassieke begrip

De vruchtbaarheid van dit klassieke persoonsbegrip wordt zichtbaar op drie niveaus:

  1. Moreel: alleen een persoon kan beloven, schuld erkennen, vergeving vragen en trouw blijven. Morele verantwoordelijkheid veronderstelt een stabiel subject dat kan antwoorden op waarheid en goed.
  2. Juridisch en maatschappelijk: menselijke waardigheid veronderstelt een subject dat niet opgaat in nut, efficiëntie of functionaliteit. De mens is nooit louter middel.
  3. Dogmatisch: in de christologie en triniteitsleer heeft de klassieke precisie omtrent “persoon” en “natuur” een onmisbare functie gehad om te spreken over werkelijke personen, niet over maskers, functies of symbolische rollen.

Risico bij verenging

Wanneer dit klassieke persoonsbegrip wordt losgemaakt van zijn spirituele en relationele horizon, kan het verschralen tot een gesloten individualisme. Autonomie wordt dan opgevat als zelfbezit, vrijheid als controle, identiteit als afscherming. De innerlijke ruimte verliest haar karakter van ontvankelijkheid en wordt een bastion van zelfbehoud. Het begrip blijft beschermen, maar opent niet meer naar voltooiing. Persoon-zijn wordt een statisch bezit in plaats van een roeping.

Voetnoot 1
Zie o.a. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, over de menselijke act, de deugden en de ordening van de wil door het goede.


2. Het relationele persoonsbegrip

Persoon-worden door ontmoeting en zelfgave

Naast het klassieke begrip bestaat een tweede traditielijn, minder definitorisch maar theologisch en spiritueel diep verankerd: het relationele persoonsbegrip. Hier verschuift het zwaartepunt van zelfstandigheid naar relationaliteit. Persoon-zijn wordt niet primair gedacht als “op zichzelf staan”, maar als “in relatie komen”: ontvangen, antwoorden en zichzelf schenken.

In deze visie is de persoon niet enkel een gegeven structuur, maar ook een weg. De mens wordt persoon in de mate waarin hij leert leven vanuit ontvankelijkheid en liefde.

Innerlijkheid en kennis

Het relationele persoonsbegrip ontkent de onaantastbaarheid van de persoon niet, maar herinterpreteert haar. Innerlijkheid is geen afgesloten privé-ruimte, maar ontvangstruimte: een plaats waar waarheid niet wordt beheerst maar ontvangen, waar vrijheid ontstaat door overgave.

Ook “kennen” krijgt hier een andere betekenis. Kennen is niet primair objectiveren of beheersen, maar eerbiedig naderen; niet domineren, maar binnentreden zonder het geheim van de ander te schenden. Waarheid wordt niet kleiner, maar dieper: zij wil niet alleen gekend, maar bewoond worden.

Theologische wortel

De dragende horizon van dit persoonsbegrip ligt in het christelijk geloof zelf. God is geen solitaire monade, maar communio. Omdat de mens naar dit beeld geschapen is, vindt hij zijn voltooiing niet in autonoom zelfbezit, maar in liefdevolle openheid.

Voetnoot 2
Zie Augustinus, Confessiones X: interior intimo meo.

Risico bij verenging

Wanneer relationele taal losraakt van waarheid, bekering en innerlijke discipline, kan zij verdampen tot sfeerbegrippen. Relatie wordt dan gezelligheid, communio een proces, ontmoeting emotionele resonantie. Relationele spiritualiteit zonder waarheid en ascese verliest haar diepte.


3. Samenhang en integratie

Onaantastbaarheid en doorzichtigheid

De twee persoonsbegrippen zijn geen tegenpolen, maar twee dimensies van één werkelijkheid.

  • Het klassieke persoonsbegrip bewaart dat de mens iemand is: onherleidbaar en aanspreekbaar.
  • Het relationele persoonsbegrip ontsluit waartoe de mens geroepen is: tot liefdevolle zelfgave.

Zonder klassiek fundament wordt pastoraat paternalistisch. Zonder relationele voltooiing wordt het functioneel. Integratie is daarom essentieel: onaantastbaarheid als voorwaarde voor ontmoeting, relationaliteit als bestemming ervan.


Slotwoord

Het onderscheid tussen klassieke en relationele persoonsbegrippen is alleen vruchtbaar wanneer het tot integratie leidt. Het klassieke bewaart de heiligheid van de persoon; het relationele opent deze heiligheid naar liefdevolle voltooiing. Voor geloof, pastoraat en priesterschap betekent dit: de mens is geen project dat gemaakt wordt. De persoon is onaantastbaar – en juist daarom geroepen om zich vrij te schenken.

Pastoor Geudens

Smakt, 20 januari 2026