Over de participatie van de mens in God

Standaard

Over de participatie van de mens in God (de theosis), geïnspireerd door de beeldtaal van Catharina van Siena en de sacramentele visie van de Kerk.

Van eenvoudig niveau naar een meer academisch niveau

“Jij wordt God, zegt Catharina, en dat is bijna heiligschennis, zo groot zijn deze woorden. Alleen als we ze begrijpen vanuit de volledige afhankelijkheid van God, die de ziel altijd heeft, is dit geen hoogmoed. De weg ernaartoe gaat via Jezus, die de brug naar God is, en deze heeft aangelegd met zijn bloed dat Hij uit liefde voor onze redding heeft vergoten aan het kruis. / Haar manier van symbolisch taalgebruik, beelden die in feite inzichten zijn. / Aan het einde van De Dialoog beschrijft ze God in het beeld van de “Oceaan van Vrede”, waarin wij als een vis mogen rondzwemmen. \ Zodat ook wij, wanneer wij snappen wie wij zijn, steeds vanuit onze innerlijke band met God, in het besef dat wij vanuit onszelf niets zijn, grote daden van liefde voor onze medemensen, de Kerk en onze samenleving mogen verrichten.”

Zr Catharina Al, artikel uit de KN, https://www.kn.nl/verdieping/essay/kunnen-we-verbindend-denken-de-heilige-catharina-van-siena-kon-het-wel/

  1. OP EENVOUDIG NIVEAU

De mens als deelnemer aan het goddelijk leven – een symbolische en sacramentele benadering

In het hart van de christelijke antropologie ligt het mysterie van de participatio divinae naturae – de deelname van de mens aan het goddelijk leven. Dit is geen metaforische of poëtische wending, maar een theologisch reëel gebeuren dat zijn oorsprong vindt in de sacramentele genade van het Doopsel. Daar wordt de mens, zoals de apostel Paulus zegt, “ingelijfd in Christus” (Rom. 6,3–5): hij sterft met Hem en verrijst met Hem tot een nieuw bestaan.

Het Doopsel is de eerste instroming van de verlossende genade in de ziel: een goddelijke infusie waardoor de mens niet slechts moreel beter wordt, maar werkelijk wordt opgenomen in de dynamiek van Gods eigen leven. Daardoor wordt de mens niet opgeslorpt of opgelost in de godheid – niet “verdampt in zijn niets-zijn” –, maar verheven, opgenomen, getransformeerd. De mens blijft schepsel, maar wordt een schepsel dat meebeweegt in de stroom van de goddelijke liefde.

De symbolische taal van Catharina van Siena

Wanneer Catharina van Siena zegt: “Jij wordt God”, lijkt zij de grens van orthodoxie te benaderen – tenzij men begrijpt dat zij spreekt vanuit het besef van volledige afhankelijkheid. De ziel blijft volledig schepsel, maar leeft geheel uit Gods leven. In de mystieke vereniging met God verliest zij niet haar identiteit, maar vindt zij deze juist in zuivere transparantie. Catharina’s beeldtaal is nooit een versiering van het geloof, maar een vorm van inzicht: symbolen zijn bij haar dragers van werkelijkheid.

Zo spreekt zij aan het einde van De Dialoog over God als een “Oceaan van Vrede”, waarin de ziel als een vis zwemt. Deze metafoor is niet slechts poëtisch, maar epistemologisch: de vis leeft enkel in het water, maar is geen deel van het water; zij ademt door het water, maar blijft zichzelf. Zo ook de ziel: zij leeft in God, zij ademt in de Heilige Geest, en toch blijft zij persoonlijk en vrij.

De kerk als ruimte van deelname

De Kerk is de sacramentele vorm van deze oceaan. Zij is de gemeenschap waarin het goddelijk leven zich zichtbaar en tastbaar uitdrukt in Woord, sacrament en liefde. De Kerk is geen menselijke organisatie die naar God wijst, maar een mystiek lichaam dat leeft uit God. Daarom kan men zeggen dat de Kerk de plaats is waar de mens “God leert ademen” – waar hij leert bestaan vanuit genade.

In de Kerk wordt de mens steeds dieper opgenomen in de flow van de Heilige Geest, de eeuwige liefdesbeweging tussen Vader en Zoon. Deze goddelijke dynamiek tilt de mens op, zuivert zijn verlangens, en maakt hem tot drager van dezelfde liefde waarmee God de wereld bemint.

De eschatologische horizon

Wat sacramenteel begint in het Doopsel, voltooit zich eschatologisch in de vereniging met Christus in de eeuwigheid. Daar zal de mens niet vergaan in het niets, maar juist zijn ware identiteit ontvangen: een schepsel dat eeuwig leeft uit Gods licht en liefde. “De heerlijkheid van God is de levende mens,” schreef Ireneüs van Lyon, “en het leven van de mens is het aanschouwen van God.”

In dat aanschouwen wordt de mens geen “andere God”, maar wordt hij goddelijk door deelname. Het vuur van Gods liefde verbrandt hem niet, maar zuivert en verlicht hem. De mens blijft vis in de oceaan van Gods vrede — levend, ademend, bewegend in de oneindige diepte van de goddelijke liefde.

Conclusie

De weg naar die deelname loopt via Christus, de enige brug tussen God en mens. Zijn bloed, vergoten uit liefde, heeft de kloof overbrugd die de zonde had geslagen. In Hem wordt de menselijke natuur niet vernietigd, maar geheeld; niet verdampt, maar vergoddelijkt.
Daarom is de Kerk geen verzameling van religieuze activiteiten, maar het sacramenteel lichaam waarin deze goddelijke uitwisseling reeds begint. De gelovige die dit mysterie doorleeft, wordt zelf tot teken van Gods liefde in de wereld.

Wie werkelijk begrijpt dat hij niets is zonder God, wordt juist daardoor tot instrument van de grootste daden: daden van liefde voor medemensen, voor de Kerk, en voor de wereld die dorst naar diezelfde Oceaan van Vrede.

  • OP ACADEMISCH NIVEAU

De deelname van de mens aan het goddelijk leven: een symbolisch-sacramentele benadering

Over de mystieke theologie van de vergoddelijking volgens Catharina van Siena, Thomas van Aquino en de oosterse traditie

Inleiding

De christelijke openbaring getuigt van een onuitsprekelijk mysterie: dat de mens, een eindig schepsel, geroepen is deel te hebben aan het leven van God zelf. Deze gedachte – in het Grieks theosis genoemd – vormt zowel in de oosterse als in de westerse traditie het hoogtepunt van de soteriologie. De apostel Petrus zegt immers: “Door deze beloften moogt gij deel krijgen aan de goddelijke natuur” (divinae consortes naturae, 2 Petr. 1,4).

De Kerk heeft dit mysterie niet enkel dogmatisch, maar ook existentieel verstaan: het doopsel is de poort tot de deelname aan het goddelijk leven, en de Kerk is de ruimte waarin dit leven gestalte krijgt. De mystieke ervaring, in het bijzonder bij heiligen als Catharina van Siena, verwoordt deze realiteit niet in abstracte termen, maar in een symbolische taal die de grenzen van rationeel denken overstijgt.

1. Sacramentele inlijving en ontologische transformatie

Volgens Thomas van Aquino is de genade van het doopsel een habitus infusus, een ingeplante levensvorm die de ziel innerlijk transformeert (Summa Theologiae I-II, q.110). Deze genade is niet louter juridisch of moreel, maar ontologisch: de mens wordt werkelijk “in Christus ingeplant” (Rom. 6,5). Hierdoor krijgt hij deel aan het leven dat Christus van de Vader ontvangt, en wordt hij, zoals Augustinus zegt, “tot lid van dat Lichaam waarin Christus het Hoofd is” (Tractatus in Ioannem 26,13).

Deze inlijving verhindert dat de mens ooit “verdampt” in zijn niets-zijn. Zonder genade is de mens vergankelijk stof, maar door de deelname aan Christus’ verlossend bloed wordt hij verheven tot een nieuw bestaansniveau: levend in de stroom van de Heilige Geest, die in hem de liefde Gods uitgiet (Rom. 5,5).

2. De brug van het Kruis: Christus als Middelaar van deelname

De theosis is geen autonome opgang van de mens naar God, maar een neergaande genadebeweging van God zelf, die door Christus’ menswording en kruisoffer de brug heeft geslagen tussen Schepper en schepsel.
Catharina van Siena noemt Christus in De Dialoog “de Brug die reikt van aarde naar hemel” (Dialogo, cap. 26). Zijn bloed is de levende stroom die deze brug bewoonbaar maakt; het is de “rode rivier” waarin de ziel wordt gewassen, geheeld en herboren.

In dat perspectief wordt het kruis geen teken van pijn, maar van doorgang: de plaats waar de mens leert wat liefde is. De vergoddelijking voltrekt zich via deelname aan dit kruis, want alleen wie sterft met Christus, leeft met Hem.

3. Symbolisch denken als kenweg tot God

Bij Catharina van Siena is de beeldtaal geen decoratie, maar een vorm van kennis. Haar mystiek is een epistemologie van het symbool. Wanneer zij spreekt over God als “Oceaan van Vrede” (Dialogo, cap. 167), gebruikt zij het beeld niet om het onzegbare te verbergen, maar om het juist toegankelijk te maken.

De ziel is als een vis in die oceaan: zij leeft in God, beweegt zich in Hem, en ademt door Hem. De grens tussen water en vis blijft echter bestaan – de schepselmatigheid wordt niet opgeheven, maar doordrongen van het goddelijk leven. Dit sluit aan bij het inzicht van Gregorius Palamas, die in de 14e eeuw onderscheid maakte tussen Gods wezen (dat onbereikbaar blijft) en zijn energieën (waarin de mens door genade deelheeft aan het goddelijk leven). De mens wordt dus niet God naar wezen, maar goddelijk door deelname.

Deze gedachte, die bij Thomas van Aquino een rationele formulering krijgt en bij Palamas een metafysische diepte, vindt in Catharina’s beeldspraak haar ervaringsmatige gestalte.

4. De Kerk als sacramentele ruimte van de vergoddelijking

De Kerk is de concrete plaats waar deze deelname gestalte krijgt. Zij is geen vereniging van gelovigen die naar God wijzen, maar het Lichaam waarin God woont en zijn genade laat circuleren. De liturgie is daarbij de voortdurende verwerkelijking van de theosis: in de eucharistische communie verenigt Christus zich met de mens en de mens met Christus, zodat Augustinus kan zeggen: “Wij worden wat wij ontvangen” (Sermo 272).

De Kerk is dus de oceaan van de Geest waarin de gelovigen leren “ademen” met Gods adem. Het is de sacramentele dimensie van de mystiek: de genade die de ziel verheft, wordt steeds bemiddeld door het Lichaam van Christus, dat de Kerk is.

5. Ethiek en deelname: handelen vanuit ontvangen zijn

Wie begrijpt dat hij niets is zonder God, ontdekt juist daarin de bron van zijn vrijheid. De mens die leeft uit genade, handelt niet meer vanuit bezit, maar vanuit doorstroming. Hij wordt transparant voor Gods liefde en brengt die tot uitdrukking in daden van barmhartigheid, gerechtigheid en vrede.

Catharina schrijft: “De ziel die Mij aanschouwt, kan niet anders dan liefhebben, en de liefde kan niet anders dan vrucht dragen.” (Dialogo, cap. 53). De deelname aan het goddelijk leven wordt zo de bron van sociale en kerkelijke vernieuwing. De mystiek is geen vlucht uit de wereld, maar een omvorming van de wereld vanuit de diepte van Gods liefde.

Conclusie

De mens is geroepen tot vergoddelijking – niet als roof op Gods majesteit, maar als gave van zijn barmhartigheid. Het Doopsel is het begin van dit mysterie: daar ontvangt de mens de eerste adem van de Geest, die hem in staat stelt te leven in de Oceaan van Vrede.

De symbolische taal van Catharina van Siena, het metafysische onderscheid van Gregorius Palamas, en de sacramentele theologie van Thomas van Aquino convergeren in één waarheid: de mens wordt niet vernietigd, maar vervuld in God. Hij wordt, zoals de traditie zegt, “niet tot een andere God, maar tot een mens die goddelijk leeft.”

De Kerk is de plaats waar deze werkelijkheid gestalte krijgt – de gemeenschap van hen die leren ademen in de liefde van Christus, de brug over de afgrond van ons niets-zijn, naar de oneindige diepte van Gods genadige aanwezigheid.

Bewerkingen door pastoor Geudens

Retraite naar aanleiding van de Pelgrimage van de Hoop: ‘De Verrezen Christus, Enige Bron van onze niet teleurstellende Hoop’ – 2e meditatie

Standaard

Tweede meditatie: De crisis-situatie van de Kerk in een ongodsdienstige cultuur

Lezing: Jezus Sirach 17, 1–10

“De Heer heeft de mens uit de aarde gevormd, en laat hem daar ook naar terugkeren. Hij kende hem een vast aantal dagen en een bestemde tijd toe, en gaf hem heerschappij over alles wat op aarde is. Hij bekleedde hem met een kracht gelijk aan de zijne en schiep hem naar zijn eigen beeld. Hij legde vrees voor de mens in alle levende wezens en stelde hem aan als heer over dieren en vogels. Hij vormde hun tong, hun ogen en hun oren, en gaf hun een hart om na te denken. Hij vulde hen met inzicht, toonde hun het onderscheid tussen goed en kwaad. Hij plantte zijn oog in hun hart, opdat zij de grootheid van zijn werken zouden zien, spreken over zijn wonderen en zijn heilige Naam zouden prijzen.”

Deze krachtige woorden uit het boek Jezus Sirach maken duidelijk hoe God de mens ziet. Wanneer wij deze goddelijke visie als maatstaf nemen voor ons mens-zijn, dan worden wij des te meer getroffen door de crisis waarin de Kerk zich bevindt – en door de ongodsdienstige cultuur die daar als diepere achtergrond aan ten grondslag ligt.


De crisis van de Kerk

Voor velen geldt de Kerk tegenwoordig als iets uit het verleden: de Rooms-Katholieke Kerk heeft haar tijd gehad. Niet alleen in Nederland, maar ook in het merendeel van de Europese landen, baart de situatie van de Kerk grote zorgen.

Bij de voorbereidingen van het 150-jarig jubileum van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland, werden dan ook kritische vragen gesteld: “Is er anno 2003 eigenlijk wel reden tot feest? Is er behoefte aan een grootschalig katholiek evenement, ter gelegenheid van iets abstracts als ‘het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie’? En zou het – in het licht van het naderende einde van de Acht Mei-beweging – niet rampzalig zijn als deze viering zou mislukken?”

Toch gebeurde het onverwachte: op 7 juni 2003 vierden ruim 9.000 Nederlandse katholieken gezamenlijk het jubileum in Utrecht. De commentaren waren veelzeggend. Een van de bisschoppen merkte op: “Wij zijn verrast door het succes van deze dag. Kennelijk zijn wij te kleingelovig geweest.” Deze uitspraak, door Ruud Lubbers geciteerd in zijn toespraak, weerspiegelde de verwondering van de organisatoren van het evenement “Katholiek met hart en ziel.”

De pers kopte triomfantelijk: “Rooms-katholieken zijn de schaamte voorbij.” In de Jaarbeurs klonk het dat het herwonnen zelfbewustzijn van Nederlandse katholieken een feit was – of op z’n minst hoog tijd werd. Toch zou het onrealistisch zijn dit succes zonder nuance te interpreteren: vijftig jaar eerder, bij het honderdjarig jubileum, trokken de festiviteiten nog 40.000 deelnemers.

Toch durven sommigen te stellen dat op 7 juni 2003 een keerpunt werd bereikt, dat de Katholieke Kerk in Nederland daadwerkelijk een nieuwe weg is ingeslagen. Misschien is dat mede de reden waarom de Acht Mei-beweging sindsdien is opgehouden te bestaan.

Hoe het ook zij, als de Kerk werkelijk een nieuwe fase is binnengetreden, dan is het nú het moment voor een ernstig en diepgaand gewetensonderzoek. Wij moeten reflecteren op onze eigen visie op de Kerk, en ons afvragen hoe wij als door God gezonden mensen in die Kerk willen staan en actief willen zijn. De verantwoordelijkheid om actief Kerk te zijn rust, als volwassen katholieken, op ons tegenover God, de Kerk en de wereld. Maar een volwassen houding vereist ook dat we dieper ingaan op de werkelijke oorzaken van de crisis – en de heropleving. Want wij leven te midden van een ongodsdienstige cultuur.


De crisis van een ongodsdienstige cultuur

Als gelovigen die de hoop van de Kerk willen uitdragen in de wereld van vandaag, mogen wij niet vergeten dat wij gevormd zijn door een geseculariseerde en antropocentrische cultuur. Niet langer God, maar de mens en zijn wereld staan daarin centraal.

Godsdienst vervult voor velen niet langer een essentiële rol in het persoonlijke leven of in de samenleving. Voor de opkomst van de moderne cultuur was religie vanzelfsprekend verweven met zowel het persoonlijke bestaan als het maatschappelijke leven. De culturen waren in de kern religieus. Het christendom is en blijft een van de dragende wortels van onze beschaving – maar we moeten onder ogen zien dat onze cultuur inmiddels in hoge mate geseculariseerd is. Godsdienst is niet langer vanzelfsprekend betrokken bij de ontwikkeling van mens en maatschappij.

In plaats daarvan overheerst de ervaring van autonomie en zelfbeschikking. De werkelijkheid wordt beleefd los van elke verwijzing naar een transcendente, goddelijke oorsprong. Geloof in God ligt niet meer voor de hand; velen weten eenvoudigweg niet wat God of religie nog te maken heeft met hun bestaan.

Er heerst geen openlijke vijandigheid, maar wel een fundamentele onwennigheid, een vervreemding van het geloof. Deze onmacht leidt tot een fundamentele grondhouding van onze cultuur: een uitgesproken humanisme waarin de mens zichzelf tot bron van hoop maakt. Wetenschap en techniek zijn de voornaamste bewijzen van onze vermogens; vrijheid en emancipatie vormen de centrale waarden.

Met behulp van menswetenschappen en technologie krijgen we steeds meer grip op de wereld – en op onszelf. De natuur is niet langer een gegeven, maar iets dat wij naar onze hand zetten. De gedachte overheerst dat de mens zijn eigen toekomst moet en kan waarmaken, dat hij zelf de zin van zijn bestaan bepaalt. God lijkt overbodig geworden in dit project van menselijke vooruitgang.

Maar juist deze ontwikkeling herinnert aan de woorden van Johannes in zijn Proloog:

“Het ware Licht, dat ieder mens verlicht, kwam in de wereld. Hij was in de wereld, en hoewel de wereld door Hem ontstaan was, erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen namen Hem niet op.” (Joh. 1, 9–11)


Een ongegronde vrees voor God

Een tragisch gevolg van deze cultuur is de angst voor God – of beter gezegd: de angst voor een goddelijke grens aan menselijke autonomie. Het Tweede Vaticaans Concilie signaleerde dit reeds meer dan veertig jaar geleden: “Velen van onze tijdgenoten vrezen dat nauwe verbondenheid tussen religie en wereldlijke activiteiten de menselijke vrijheid en de autonomie van wetenschap en samenleving zou belemmeren.”

Het antwoord van de Kerk is helder: de menselijke zelfbeschikking is door God gewild – mits we erkennen dat deze slechts relatief en niet absoluut is. Want godvergetenheid leidt uiteindelijk tot duisternis. Het misverstand dat God een bedreiging zou zijn voor onze vrijheid, is niet alleen ongegrond, maar ook kortzichtig. Het voedt een cultuurcrisis die ons allen treft.

Retraite nav Pelgrimage van Hoop: De Verrezen Christus, enige Bron van onze niet teleurstellende hoop. Inleiding en 1e meditatie

Standaard

Verslag van een retraite in het bezinningshuis ‘Regina Carmeli’ te Sittard, gegeven door de Zeereerwaarde Pater Prof. Dr. Bonifatius Honings OCD

De Verrezen Christus, enige Bron van onze niet teleurstellende hoop

-In verkorte vorm-


Inleiding – De motieven voor het thema van onze retraite

Wanneer wij stilstaan bij de historische situatie aan het begin van het jaar 2000, valt het op hoezeer onze wereld gekenmerkt wordt door vooruitgang en vernieuwing. Deze kenmerken wekten de verwachting van een betere toekomst – kortom: hoop.

De jaren zestig waren doordrongen van ongekende hoop: er gloorde een toekomst die nog nooit zo rooskleurig leek. Er zou groeiende welvaart komen voor iedereen. De magere handjes van kinderen, hun dunne beentjes en opgezwollen hongerbuikjes – symbolen van schrijnende armoede – zouden binnenkort overvloedig gevoed worden.

Iedereen zou leren lezen en schrijven; het einde van het mensonwaardige analfabetisme leek nabij. Paus Paulus VI en de 2000 bisschoppen van het Tweede Vaticaans Concilie verklaarden in 1965 dat de mensheid zich er steeds meer van bewust werd dat zij niet alleen haar macht over de materiële schepping moest versterken, maar dat het tevens haar opdracht was een politiek, sociaal en economisch bestel op te bouwen dat de mens betere diensten zou bewijzen. Zowel het individu als de gemeenschap zou daardoor in staat worden gesteld zijn menselijke waardigheid te beveiligen en te vergroten.

“Door zijn eigen inspanning en natuurlijke talenten heeft de mens altijd geprobeerd zijn leven verder te ontwikkelen. En tegenwoordig, vooral door wetenschap en techniek, heeft hij zijn macht bijna over de hele natuur uitgebreid – en zet hij die ontwikkeling voort.” – Vgl. GS nr. 9.

Deze groeiende invloed op de schepping, als uitvoering van de goddelijke opdracht, maakte een rechtvaardigere verdeling van rijkdom mogelijk en zou bijdragen aan een menswaardiger samenleving.

Zo kwam in de negentiende eeuw de opbouw van wat wij nu kennen als de moderne westerse wereld op gang – een tijd van nieuwe beloften, utopieën en droombeelden die werkelijkheid leken te worden.

Verschillende revoluties

Onze moderne wereld wordt vaak beschreven aan de hand van diverse revoluties. Volgens de Standaard Encyclopedie (onder het trefwoord Marx) worden revoluties in bredere zin opgevat als historische bewegingen die via diepgaande, soms geleidelijke veranderingen een radicale hervorming van de sociaal-politieke orde teweegbrengen.

Deze revoluties verlopen vaak zonder geweld en worden gedragen door een groep toegewijden. Denk bijvoorbeeld aan de democratische revoluties in Amerika en Frankrijk, die vrijheid, gelijkheid en broederschap beoogden.

De industriële revolutie in Engeland beloofde niet alleen een algemene economische welvaart, maar ook het hoogste geluk voor het grootste aantal mensen. De verwachting was dat iedereen op aarde meer dan ooit tevoren zou bezitten en dat armoede tot het verleden zou behoren.

De socialistische revolutie van Karl Marx ging nog een stap verder: zij wilde een samenleving zonder klassenverschil realiseren. Volgens Marx is de menselijke natuur niet onveranderlijk, maar vormt en ontwikkelt de mens zich door zijn relaties met anderen en met de natuur.

De mens wordt, aldus Marx, geboren uit de geschiedenis; hij is een product van zijn eigen arbeid. Door arbeid en productie hervormt hij voortdurend zijn sociale relaties. Daarom moet een klassenloze samenleving gestoeld zijn op een communistische economie – een systeem zonder privébezit. Alle mensen zouden als broeders en zusters deelnemen aan dit gemeenschappelijk bezit.

Het probleem van de mens is, vanuit dit perspectief, geen individueel moreel vraagstuk, maar een structurele kwestie binnen de samenleving, vooral op economisch en sociaal vlak. De belangrijkste menswetenschap wordt dan de sociologie: de studie van de sociale ordening en haar historische ontwikkeling.

Marxistische sociologen concludeerden dat het kapitalisme de grondoorzaak is van de bestaande materiële armoede, aangezien het leidt tot klassenverdeling.

De sociale revolutie en de vooruitgang

Dit leidt ons naar een fundamenteel aspect van ons retraite-thema. Volgens het marxistisch denken ligt de oerzonde niet op moreel vlak, maar in het economische domein. Het kwaad ligt niet in het persoonlijke handelen, maar in het onrechtvaardige bezit van een rijke minderheid.

De sociale revolutie richt zich daarom op de klassenstrijd tussen arbeiders en werkgevers. Wat eerdere generaties slechts konden dromen – laat staan hopen – zou door deze revoluties werkelijkheid worden: de mens zou het rijk van God op aarde realiseren, een rijk van vrijheid en broederschap.

Opmerkelijk is dat in de negentiende eeuw de kerken deze tijd begroetten als the Christian century, en de moderne wereld als een christelijke wereld. Wijsgeren van die tijd koesterden een optimisme dat gebaseerd was op een onafwendbare, wereldwijde vooruitgang. Deze toekomstvisie was kenmerkend voor de grote filosofische systemen van de moderne tijd: ze vormden een rode draad in het denken en handelen van de toonaangevende volkeren.

De visie van Vaticanum II

Ook het Tweede Vaticaans Concilie hield zich bezig met deze toekomstverwachtingen. In de Pastorale Constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd wordt erkend dat de mensheid nog nooit zo’n overvloed aan rijkdommen, mogelijkheden en economische kracht heeft gekend als nu.

Mensen ervaren meer dan ooit een diep verlangen naar vrijheid, en beseffen tegelijkertijd hoe noodzakelijk onderlinge verbondenheid en samenwerking zijn voor wereldwijde vooruitgang.

Maar – en daarmee raken we aan de kern van ons retraite-thema – wat is er in de twintigste eeuw van die toekomstverwachtingen terechtgekomen? Wat is er geworden van die menselijke hoop?


 

Eerste meditatie: De grote teleurstellingen en hun goddelijke uitdaging

“Heer Jezus, het is zo donker in december, en soms ook in ons hart. Wij denken: ‘Het is allemaal voorbij. Het gaat niet goed met de Kerk, en ook niet met ons.’” (Kard. Godfried Danneels, Een jaarkrans van gebeden, blz. 5)

De onmacht van de mens

In de inleiding stelden we de vraag naar de verwezenlijking van de menselijke hoop. Het antwoord van het Tweede Vaticaans Concilie luidt: ondanks alle rijkdommen, mogelijkheden en economische macht moet men eerlijk erkennen dat een ontzaglijk deel van de wereldbevolking nog altijd gebukt gaat onder honger en armoede. Wat nog schrijnender is: in een tijd van e-mail, internet en wereldwijde communicatie, blijven miljarden mensen ongeletterd.

Wat betreft de menings- en gewetensvrijheid, waarop wij moderne mensen zo trots zijn en die we steeds nadrukkelijker opeisen, moeten we eveneens erkennen dat er nieuwe vormen van verslaving en afhankelijkheid zijn ontstaan. Denk aan jeugd-alcoholisme, seksualisering op steeds jongere leeftijd, misbruik van tabak en vooral het wijdverbreide gebruik van lichte en zware drugs.

Ook op het vlak van internationale samenwerking en wereldwijde onderlinge afhankelijkheid, trekken steeds meer tegenstrijdige krachten in uiteenlopende richtingen. De veelheid aan partijen en groepen die vooral eigenbelang nastreven, leidt tot toenemende verdeeldheid in politiek en economie. Daarbovenop komen ideologische tegenstellingen, raciale spanningen, godsdienstige en culturele verschillen, en het vraagstuk van integratie en samenleven met mensen van andere herkomst.

In deze officiële en gezaghebbende analyse klinkt onmiskenbaar de teleurstelling van de twintigste eeuw door. Europa werd geteisterd door twee wereldoorlogen. In de Eerste Wereldoorlog vernietigden de christelijke grootmachten elkaar, en werd gifgas als massavernietigingswapen ingezet. In de Tweede Wereldoorlog kwamen daar de atoombom en biologische wapens bij. Men spreekt dan ook terecht van het “tijdperk van de angst” (age of anxiety). Die angst werd pijnlijk tastbaar in de onmenselijke vernietigingskampen van Auschwitz en de Goelag-archipel.

Het nihilisme en zijn gevolgen

De nihilistische nazi-dictatuur van Hitler trachtte het Europese jodenvraagstuk op te lossen door middel van massale vergassing. De stalinistische dictatuur vernietigde miljoenen ongewenste mensen door dwangarbeid en verwaarlozing. Deze vernietigingsdrift breidde zich uit naar China, Cambodja, Rwanda en andere landen. Ook later hoorden we gruwelijke berichten over de daden van Milosevic in Joegoslavië en Saddam Hoessein in Irak. Geen enkele eeuw kende zoveel misdaden tegen de menselijkheid als de twintigste.

Het wrange is dat juist deze eeuw de beloften van de negentiende eeuw had moeten waarmaken: idealen van vooruitgang, vrede en menselijkheid. In plaats daarvan werd het de eeuw van de zelfvernietiging van de christelijke wereld. De oorzaken hiervan liggen vooral in het nihilisme van de dictaturen van Hitler en Stalin. Nihilisme is een denkrichting die ontkent dat de mens tot absolute waarheden kan komen op het gebied van religie, moraal of politiek.

Tegelijkertijd ontwikkelde de wetenschappelijk-technische beschaving zich razendsnel, met steeds grotere en snellere verbindingen die zich als een web over de wereld uitspreiden. Deze technische overmacht van de mens tegenover de natuur leidt steeds vaker tot ecologische rampen: lucht- en watervervuiling, natuurrampen, aardbevingen, tsunami’s, ziekten als BSE (gekkekoeienziekte), varkenspest en vogelgriep eisen steeds vaker slachtoffers.

Geen wonder dat het levensgevoel van de hedendaagse mens niet meer wordt gekenmerkt door optimisme en geloof in vooruitgang, maar door teleurstelling, moedeloosheid en angst voor vernietiging.

Een uitdaging voor de Kerk

De Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie stelden al vast: “Door de invloed van zo veel complexe situaties worden velen verhinderd om eeuwige waarden te herkennen, laat staan ze in overeenstemming te brengen met nieuwe ontdekkingen. Zo raken zij, heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees, innerlijk verontrust wanneer zij zich afvragen waar het met de wereld naartoe gaat.”

Maar – en hier raken we de kern van ons retraite-thema – deze situatie is tegelijk een uitdaging. Zij daagt mensen uit, ja dwingt hen tot een antwoord. Deze uitdaging geldt voor iedereen, maar in het bijzonder voor ons, christengelovigen. Er bestaat immers een diepe verbondenheid tussen de Kerk en de wereldgemeenschap.

Vreugde en hoop, verdriet en angst van de mensen van vandaag – vooral van de armen en degenen die lijden – zijn ook de vreugde en hoop, het verdriet en de angst van de leerlingen van Christus. Er is niets dat de mens raakt, dat niet ook weerklank vindt in het hart van de Kerk.

De Kerk is immers een gemeenschap van mensen, verenigd in Christus, geleid door de Heilige Geest, op weg naar het Rijk van de Vader. Zij heeft de heilsboodschap ontvangen die aan allen verkondigd moet worden. Daarom voelt de Kerk zich ten diepste verbonden met de mensheid en haar geschiedenis.

De actieve hoop op een toekomst die niet teleurstelt, kan alleen van Christus komen. Van die hoop moet de Kerk – en dus ook wij – getuigen. Dat is de kern van onze bezinning op de christelijke hoop, die haar hoogtepunt vindt in de verrijzenis van Christus.

Deze goddelijke zending van de Kerk behoort tot het hart van ons katholiek geloof. Iedere keer dat wij het Credo bidden, belijden wij dat de Kerk één, heilig, katholiek en apostolisch is.

Maar, en dat is de uitdaging waar wij bij stil moeten staan: voor sommigen is de Kerk niet meer dan een voorbijgestreefd historisch fenomeen.