Vivace Ysselsteyn 100 jaar

Standaard

Gedicht Vivace 100 jaar

Zangkoor Vivace, een eeuw vol pracht en praal.

Het feest van honderd jaar, een jubelend verhaal.

Het begon ooit met Kerstmis in 1923, zo fijn,

in de school, waar klanken de lucht vervulden, zo mocht het zijn.

In 1923, met Kerstmis in het verschiet,

Klonken de eerste tonen in de schoolzaal daar,

Een Ysselsteyns koor ontstond en werd geboren,

Nu, na honderd jaar, zingen jullie nog steeds helder en klaar.

In Ysselsteyn, honderd jaar geleden,

Begonnen jullie het koor met zang en mooie klanken,

Vivace werd later jullie naam, vol leven en vrolijkheid,

Een eeuw van zang, daar kunnen we voor bedanken!

Met dirigenten als de heren Linders en Van Ool,

Gerrit Flinsenberg, Jos Wilmer en Rob Jacobs,

Hebben jullie gezongen met hart en ziel,

En met passie voor muziek, wat ieder goed beviel.

Met Kerstmis dit jaar, precies een eeuw later,

Zullen jullie weer zingen in onze kerk met pracht en praal,

Een nieuwe Mis ingestudeerd, dat is een geschenk,

Komt dat zien, komt dat beluisteren allemaal!

Een eeuw geleden, enkel mannenstemmen klonken klaar,

Samengebracht door Jac Reijnders, met zorg in een goed gebaar,

Gelukkig kwam ook een dameskoor met pracht en pralen.

In ’73 fuseerden beiden, om samen te stralen.

In 1980 kreeg het koor een mooie naam, o zo fijn:

Vivace, bedacht door Truus Rongen-Pouwels, dat moet wel zijn;

Vivace, met een Italiaanse klank, vol zonneschijn,

Dat is wie jullie zijn, dat straalt zo helder, zuiver en rein.

Niet meer in aantallen als weleer, dat doet wel zeer,

Toch stralen jullie nog als sterren, keer op keer,

Chapeau voor jullie toewijding en passie, dat is klaar,

Vivace, een juweel, vreugdevol en samen, jaar na jaar.

Vivace, levendig, blij en opgewekt, zo waar,

Een eeuw van zang, een eeuw van muzikaal gebaar,

Dankbaar voor deze eeuw vol samenzijn en klank,

Felicitaties zijn er voor jullie, voor altijd is onze dank.

Bij jullie feest hoort een mooi cadeau, dat is zonneklaar,

Dus schenken we het met blijdschap, zonder enig bezwaar,

Als symbool van dank en bijzondere waardering, zo puur,

Vivace, voor jullie honderd jaar muzikaal avontuur!

Pastoor Geudens

Geschapen naar Gods Beeld. Deel I.

Comment 1 Standaard

Nieuwsbrief Pater Daniel – XVIII.38 – 22 september 2023
Geschapen naar Gods Beeld. Deel I.

Ieder mens vraagt zich af: wat is de zin van mijn leven, waar kom ik vandaan waar ga ik naartoe?… Deze vraag schuilt zelfs in kinderen. In een gesprek met een bevriend echtpaar, legde de man mij uit hoe hij aan de universiteit zijn vrouw had leren kennen en trouwde. Hun dochtertje van 4 jaar zat met open mond te luisteren en vroeg plots: “Pa, waar was ik toen jij mama nog niet kende?” Uiteindelijk willen we weten of ons bestaan hier op aarde zin en waarde heeft. Waarin bestaat de waardigheid van onze menselijke persoon? Het antwoord hierop bepaalt heel ons leven en handelen.

De mens zal altijd wel voor een deel een mysterie blijven voor zichzelf en in iedere tijd werden er andere accenten gelegd. In sommige perioden werd de mens verheerlijkt, ook met zijn lichamelijke schoonheid, zoals in de tijd van de Renaissance. Schilderijen en beeldhouwwerken uit die tijd willen mannen en vrouwen verheerlijken in volle glorie. Afbeeldingen van mensen in onze tijd daarentegen tonen dikwijls misvormde uitdrukkingen, ja soms gedrochten. Ze drukken een negatieve opvatting uit over de moderne mens. Sommigen menen dat het leven eigenlijk geen zin heeft en gewoon het resultaat is van een natuurlijke evolutie. We hebben ooit een Vlaamse politieker horen verklaren dat hij er geen enkele moeite mee had om te aanvaarden dat hij van een aap afstamt. Hierop kreeg hij het gevatte antwoord van een ander: “wij ook niet, tenminste zolang je dat maar niet in uw gedrag uit!” De moderne tijd verbergt de ware grootheid van de mens, de Renaissance verbergt de Schepper van de menselijke schoonheid.

Wij geven het antwoord van de joods-christelijke visie vanuit katholiek perspectief, die al enkele millennia voor vele miljarden mensen een bijzonder vruchtbare bron van leven werd. We willen de waardigheid van de mens beschrijven vanuit de christelijke openbaring en traditie, gedragen door kerkleraars en mystiekers, in het licht van Jezus’ Evangelie. Deze eeuwenoude wijsheid wordt ook gesteund door het beste van de moderne wetenschap. Jérôme Lejeune (+ 1994), de vader van de moderne genetica, is het levend bewijs van iemand die als vurige katholieke gelovige de toppen van de wetenschap wist te bereiken. In het christelijke erfgoed vinden we alle rijkdom van de menselijke waardigheid en de nodige richtlijnen voor een goed moreel leven.

De eerste wortel van ons mens zijn halen we uit het boek Genesis 1, 26. God schiep de mens naar zijn beeld (Hebreeuws: betsalmenoe/tselem) en gelijkenis (kidmoetenoe/demoet). Met deze eenvoudige woorden geeft het eerste Bijbelboek op onovertroffen wijze de oorsprong en het einddoel van de mens weer. Het boek Genesis geeft ons een kostbaar Godsbeeld, een wereldbeeld en een mensbeeld, weliswaar in beelden. Met deze beelden worden echter de diepste menselijke en goddelijke waarheden onthuld. Het “beeld Gods” blijven we voor altijd meedragen, de “gelijkenis Gods” zijn we voorgoed verloren door de oerzonde, maar door de “gelijkenis van Christus” te verwerven (waarover later), hebben we de “Icoon” van de Vader en kunnen we weer de “gelijkenis Gods” bereiken.

We zijn allen geschapen naar Gods beeld. In het licht van de moderne wetenschap aanvaarden we dat deze schepping gebeurt bij de ontvangenis, nl de versmelting van de mannelijke zaadcel met de vrouwelijke eicel. Dit is het zeer precieze begin van een menselijk leven. Alles is op dat ogenblik in beginsel aanwezig en er komt niets wezenlijks meer bij. Alles is bepaald: de kleur van het haar en de ogen, de lichamelijke mogelijkheden en gebreken, de geestelijke kwaliteiten, gaven of aanleg. Er is nog slechts tijd, voeding en bescherming nodig om deze menselijke kiem te laten groeien. Voor dit bijzondere gebeuren hebben we ook een eigen woord: “de conceptie”. Conceptie wijst erop dat het meer dan een louter materiële aangelegenheid is. Elk kind is een eigen originele schepping, zelfs wanneer ze door eenzelfde echtpaar zijn verwekt. En vanaf dit moment bestaat de mens en kent geen einde meer. Als ”beeld Gods” behoudt hij over de dood heen zijn geestelijke roeping in God.

Het “beeld Gods” zijn slaat op heel het wezen, op de totaliteit van het mens zijn. We kunnen dit niet reduceren tot een bepaald orgaan of tot een bepaalde plaats in ons menselijk lichaam. Wij zijn helemaal beeld Gods. En dit maakt onze menselijke waardigheid uit. Fysische of psychische gezondheid, een groot verstand, vele gaven, rijkdom of macht kunnen de menselijke waardering voor iemand mogelijk wel vermeerderen maar brengen niets bij aan zijn waardigheid. Anderzijds kan het ontbreken van dit alles niets wegnemen van de menselijke waardigheid. Een mens die lichamelijk totaal afgetakeld is of zelfs niet meer beschikt over zijn geestelijke vermogens, blijft de volledige menselijke waardigheid bewaren en verdient daarom onze volledige waardering. De kerkgeschiedenis toont vele voorbeelden van heiligen en religieuzen die zich daarom onverdeeld wisten in te zetten voor zieken en stervenden en hen als volwaardige mensen behandelden. Het “beeld Gods” in een stervende blijft onaangetast. Hieruit volgt ook dat ieder orgaan van het menselijk lichaam met dezelfde waardigheid moet verzorgd worden. Immers, het is niet slechts een lichaamsdeel dat verzorgd wordt maar een mens. Uiteraard is een hartkwaal belangrijker voor het fysisch leven dan een wondje aan de kleine teen, maar omwille van het “beeld Gods” moet iedere verzorging met dezelfde waardigheid gebeuren.

Het “beeld Gods” wordt dus niet aangetast door fysische of geestelijke aftakeling en zelfs niet door ernstig moreel wangedrag. Wie in zware zonde leeft blijft toch het “beeld Gos” in zich meedragen. Dit kan ook licht werpen op de grote menselijke verantwoordelijkheid en de hel: Gods aanwezigheid en zijn uitnodiging om in eenheid met Hem te leven in zich dragen en toch welbewust afwijzen.

In het diepst van zijn wezen draagt ieder mens een onuitroeibare “inwoning Gods” mee, een soort “heilige der heiligen”, een geestelijke tempel, een centrum van een paleis, een ”innerlijke burcht” (Theresia van Avila, + 1582), door niets en niemand anders bewoond dan door God zelf. Origenes (+ 253/4) spreekt van een “dynamisch élan“, de heilige Basilius (+ 379) noemt het een “goddelijke kiem”. Het is onaantastbaar en kan door niets weggenomen worden, noch door fysische, noch door psychische, noch door morele tekortkomingen. Of wij geloven of niet, verandert niets aan deze ontzagwekkende werkelijkheid zelf. Zalig zij die deze “inwoning Gods” bewust weten te beleven. De mens, door God geschapen, is zo groot en tegelijk zo broos. Psalm 8, 5v zegt: “Ach wat is de mens dan dat Gij naar hem omziet, ’t mensenkind dat Gij zo voor hem zorgt? Gij hebt hem maar weinig minder dan God gemaakt!”    (volgende week hierover nog meer)

P. Daniel