Rozenkrans Paas- en Pinkstertijd met Zr. Maria van Agreda

Standaard

Rozenkrans bidden met Maria van Agreda

Een aantal mysteries betreffende de Heilsgeschiedenis; over onze Heer Jezus Christus de gekruisigde en verrezen Liefde; de H. Maagd Maria en de uitstorting van de H. Geest, naar de visioenen van de eerbiedwaardige zuster Maria van Agreda.

Klik op het geheim welke u wilt bezoeken:

  1. Jezus sterft aan het kruis
  2. Jezus verrijst uit de doden
  3. Jezus stijgt op ten Hemel
  4. De heilige Geest daalt neer over Maria en de apostelen
  5. Maria wordt in de Hemel opgenomen en gekroond

Maria wordt in de Hemel opgenomen / Maria wordt in de Hemel gekroond

Standaard

Uit het boek “De mystieke stad Gods”: deel 8, na visioenen opgetekend door zuster Maria van Agreda o.i.c. – Greeth’s Blog https://greeth.wordpress.com/2010/02/21/de-tenhemelopneming-van-maria-is-waar-gebeurd-verhaal/

crowningDe ziel van de allerheiligste Maria komt binnen in de hemel en keert, in navolging van Christus, onze Zaligmaker, terug om haar heilig lichaam wederom tot leven te wekken; verenigd stijgt zij opnieuw op naar de rechterhand van de Heer, op de derde dag.

  1. Van de glorie en het geluk van de heiligen in zalig schouwen zegt de heilige Paulus met Jesaja (1 Kor 2,9;Js 64,4), dat geen oog heeft gezien, geen oor het gehoord kan hebben en het in geen mensenhart kan bedacht zijn wat God heeft gereedgemaakt voor degenen die Hem liefhebben en op Hem hopen. In overeenstemming met deze katholieke waarheid zouden wij ons niet moeten verbazen over wat gezegd wordt van de heilige Augustinus, het grote licht van de Kerk, dat, toen hij een boek wilde schrijven over de glorie van de zaligen, hij door zijn vriend, de heilige Hiëronymus, die juist overleden was en was binnengegaan in de glorie van de Heer, bezocht werd en door hem gewaarschuwd werd, dat hij zijn plan niet zou kunnen uitvoeren, aangezien geen tong of pen in staat was het kleinste deel van de zegeningen, die door de heiligen in het zaligschouwen genoten worden, te beschrijven. Dit is het getuigenis van de heilige Hiëronymus en indien we door de heilige Schrift geen andere inlichting hadden dan dat deze glorie eeuwig duurt, dan zou dit reeds boven ons begrip gaan, want hoe groot ons verstand ook is, het zal nooit in staat zijn de eeuwigheid te begrijpen en aangezien deze eindeloos en grenzeloos is, is zij onuitputtelijk en onbegrijpelijk, hoeveel wij er ook van kennen en hoezeer wij haar beminnen. Juist zoals God, de Eindeloze en de Almachtige, alle dingen geschapen heeft, zonder zich daarbij uit te putten en zelfs indien Hij eindeloze werelden steeds weer opnieuw had geschapen toch oneindig en onveranderlijk zou blijven, zo blijft Hij ook een oneindige bron voor nieuwe kennis en liefde, ofschoon Hij gezien en genoten wordt door ontelbare heiligen, want in de schepping en in de glorie delen de schepselen slechts zeer beperkt in Hem, ieder, overeenkomstig zijn toestand, terwijl Hij, in Hemzelf zonder grenzen of einde is.
  2. Indien hierdoor de glorie, zelfs van de minste der heiligen, onuitsprekelijk is, wat moeten we dan zeggen van de glorie van de allergezegendste Maria, aangezien zij, onder de heiligen de heiligste is en zij, meer op haar Zoon lijkt dan alle heiligen tezamen en aangezien haar genade en glorie de gehele rest, als van een keizerin of soeverein over haar vazallen, te boven gaat. Deze waarheid kan en moet geloofd worden, maar in dit leven kan zij niet begrepen worden noch kan zelfs het kleinste deel daarvan worden verklaard. Want de ontoereikendheid en het tekortschieten van onze woorden en uitdrukkingen leiden eerder tot vertroebelen dan tot verhelderen van de grootheid van alles wat oneindig is. Laten wij in dit leven werken, niet om dat te begrijpen, maar om dit oneindige in glorie te verdienen en in de hemel in overeenstemming met onze werken daar meer of minder van te ondervinden.
  3. Onze Verlosser Jezus trad de hemel binnen en leidde de zuivere ziel van zijn moeder aan zijn rechterhand. Slechts zij, uit alle stervelingen verdiende ontheffing van het bijzonder oordeel; er was dan ook geen voor haar; haar werd geen rekening en verantwoording gevraagd over wat zij ontvangen had, want dit was wat haar beloofd was toen zij was ontheven van de erfschuld en uitverkoren tot de koningin, staande boven de wetten van de kinderen van Adam. Om dezelfde reden zal zij aan de rechterhand van de Rechter gezeten zijn, in plaats van geoordeeld te worden zoals de rest, om met Hem alle schepselen te oordelen! Indien zij, in het eerste ogenblik van haar ontvangenis het lichtend morgenrood schitterend met de stralen van de zon van de Godheid, schoner dan de meest verheven serafijn was en zij later nog groter glans verkreeg door haar contact met het hypostatische Woord, die zijn mensheid aan haar wezen dankte, dan volgt hier natuurnoodzakelijk uit, dat zij zijn metgezellin moest zijn door alle eeuwen heen dusdanig Hem gelijk, dat geen ander schepsel deze gelijkheid met de Godheid evenaren kon. In dit licht leidde de Verlosser haar voor de troon van de Godheid en sprekende tot de eeuwige Vader in tegenwoordigheid van alle zaligen, die verrukt waren over dit wonder, uitte de allerheiligste mensheid deze woorden:

“Eeuwige Vader, mijn allerliefste moeder, uw geliefde dochter en uitverkoren bruid van de heilige Geest, komt nu om bezit te nemen van de kroon en de glorie die wij voor haar verdiensten in gereedheid gebracht hebben. Zij is degenen die geboren is als de roos zonder doornen, onberoerd, zuiver en schoon, waardig om door ons te worden omhelsd en geplaatst te worden op een troon die door geen van onze schepselen ooit bereikt kan worden en voor hen, die in zonden ontvangen zijn, onbereikbaar is. Dit is onze uitverkorene en onze enige, onderscheiden boven alle anderen, aan wie Wij onze genade en volmaaktheden in ruimere mate dan aan andere schepselen geschonken hebben; waarin Wij de schatten van onze onbegrijpbare Godheid en haar gaven gelegd hebben; die getrouw de talenten, die Wij haar gaven begeerd en vruchtbaar gemaakt heeft; (Lc 1,30) die nooit van onze wil is afgeweken en genade en welbehagen in onze ogen gevonden heeft. Mijn Vader, het tribunaal van onze gerechtigheid en barmhartigheid is onpartijdig en door Hem worden de diensten van onze vrienden meer dan overvloedig betaald. Het is juist, dat aan mijn moeder de beloning van een moeder gegeven wordt en aangezien gedurende heel haar leven en in al haar werken zij zo gelijk mogelijk is geweest aan mij als voor een schepsel maar mogelijk is, laat haar dan nu ook gelijk zijn in glorie op de troon van onze Majesteit, zodat daar waar heiligheid in wezen aanwezig is, zij ook gevonden zal worden in haar hoogste deelhebbing!”.

  1. De Vader en de heilige Geest keurden het besluit van het mensgeworden Woord goed. De allerheiligste ziel van Maria werd onmiddellijk opgeheven naar de rechterhand van haar Zoon en ware God en op de koninklijke troon van de allerheiligste Drie-eenheid geplaatst, welke noch mens noch engel en zelfs geen serafijn ooit betreden had, noch in der eeuwigheid betreden zal. Dit is het meest verheven en grootste privilege van onze koningin en vrouwe dat zij zit op de troon met de Drie goddelijke Personen en haar plaats als koningin bezet, terwijl heel de rest dienaren en priesters zijn van de hoogste Koning. Haar gaven van glorie, verstand, inzicht en rijpheid geven haar recht op de hoogte en majesteit van haar positie, onbereikbaar voor alle stervelingen, omdat zij boven allen en meer dan allen dat oneindige Voorwerp geniet, dat de andere zaligen in een eindeloze variëteit van graad genieten. Zij kent, dringt door en begrijpt dieper het eeuwige Wezen en zijn oneindige mogelijkheden; zij geniet met liefde van zijn mysteries en allergeheimste strevingen, meer dan heel de rest van de zaligen. Ofschoon er tussen de glorie van de goddelijke Personen en die van de allerheiligste Maria een oneindige afstand is, want het Licht van de Godheid is ongenaakbaar, zoals de apostel zegt (1Tim 6,16) en daarin alleen onsterfelijkheid en glorie door haar Wezen woont en ofschoon ook de allerheiligste Ziel van Christus aan gaven die van zijn moeder mateloos overtreft, streeft de grote koningin toch onbereikbaar door alle heiligen hen in glorie voorbij en bezit zij een gelijkenis met die van Christus die in dit leven noch begrepen noch beschreven kan worden.
  2. Even moeilijk is het de accidentele vreugde van de zaligen te beschrijven welke zij op die dag ondervonden bij het zingen van nieuwe lofzangen tot de Almachtige en bij het vieren van de glorie van zijn dochter, moeder en bruid, want in haar verhief Hij alle werken van zijn rechterhand. Ofschoon de Heer zelf geen aanwas aan nieuwe of wezenlijke glorie kon ondervinden, omdat Hij alle denkbare glorie onveranderlijk bezit en in eeuwigheid bezitten zal, waren toch de uitwendige blijken van dit welbehagen en zijn voldoening over de vervulling van zijn eeuwige raadsbesluiten op die dag groter dan ooit en vanaf de troon klonk als van een klankbord afspringend de stem van de eeuwige Vader, zeggende:

“In de glorie van onze geliefde en ons liefhebbende dochter is geheel het welbehagen van onze heilige wil tot onze volledige voldoening vervuld. Aan alle schepselen hebben wij aanzijn gegeven, ze werden uit niets geschapen, opdat ze zouden deelhebben aan onze oneindige goederen en schatten overeenkomstig het welbehagen van onze onmetelijke barmhartigheid. Juist degenen die geschikt werden gemaakt voor onze genade en glorie, hebben deze weldaad verguisd. Alleen onze geliefde dochter had geen deel aan de ongehoorzaamheid en afdwalingen van de rest en zij heeft dan ook verdiend wat de onwaardige kinderen van verderf verworpen hebben. Ons hart is nooit, geen ogenblik, in haar teleurgesteld. Aan haar komen de beloningen toe, welke wij in ons voorwaardelijk besluit in gereedheid gebracht hadden voor de ongehoorzame engelen en hun volgelingen onder de mensen als ze getrouw geweest waren aan hun genade en roeping. Zij heeft ons genoegdoening gegeven voor hun afval door haar onderworpenheid en gehoorzaamheid; zij heeft ons welbehagen opgewekt door al haar daden en heeft een plaats op de troon van onze Majesteit verdiend”.

  1. Op de derde dag nadat de allerzuiverste ziel van Maria bezit genomen had van deze glorie -die zij nimmer meer verlaten zou- openbaarde de Heer zijn goddelijke wil aan de heiligen, zeggende dat zij naar de wereld terug moest keren, haar heilig lichaam tot nieuw leven zou roepen en haar daarmede verenigen zou, opdat ze met ziel en lichaam wederom zou opgeheven worden naar de rechterhand van haar goddelijke Zoon zonder wachten op de algemene opstanding van de doden. De geëigendheid van deze gunst, haar passen bij de andere gunsten die de allergezegendste koningin reeds ontvangen had en bij haar overgrote waardigheid sprong de heiligen in het oog, want zelfs stervelingen vinden dit zo geloofwaardig dat zelfs al had de Kerk dit niet bekrachtigd, wij degenen die dit zouden willen ontkennen voor ongelovigen en dwazen houden. Maar de zaligen zagen dit met groter helderheid tezamen met de daartoe bestemde tijd en het vuur welke God zelf hen geopenbaard had. Toen de tijd voor dit wonder aangebroken was, daalde Christus onze Heiland uit de hemel neer, aan zijn rechterhand de ziel van zijn moeder, vergezeld door vele legioenen engelen, patriarchen en profeten. Zij kwamen naar het graf in de vallei van Josafat en aangekomen bij de maagdelijke tempel sprak de Heer de volgende woorden tot de heiligen:
  2. “Mijn moeder werd zonder zonden ontvangen, opdat Ik Mij uit haar maagdelijk wezen zou kunnen kleden in de mensheid waarin Ik naar de wereld kwam en deze wereld van zonde verloste. Mijn vlees is haar vlees; zij werkte met Mij samen in de werken van de verlossing; daarom moet Ik haar doen opstaan, juist Ik uit de doden opstond en wel tezelfdertijd en in hetzelfde uur. Want Ik wil haar op Mij gelijkend maken in alle dingen”.

Al de oude heiligen van het menselijk geslacht dankten voor deze nieuwe gunst in lof- en gloriezangen tot de Heer. Zij die zich bijzonder onderscheidden in hun dank waren onze eerste ouders Adam en Eva, de heilige Anna, de heilige Joachim en sint Jozef. Zij waren nauw betrokken bij dit wonder van zijn Almacht. Daarna, op bevel van de Heer, verenigde zich de zuivere ziel van de koningin met het maagdelijk lichaam, herlevendigde dit en deed het opstaan, gaf het nieuw eeuwig leven en glorie en deelde de vier gaven: doorzichtigheid, onvatbaarheid voor lijden, beweeglijkheid en subtiliteit, overeenkomende met die van de ziel mede door ze in het lichaam te laten overvloeien.

  1. Verrijkt met deze gaven trad de allergezegendste Maria uit het graf met lichaam en ziel, zonder de afsluitsteen op te tillen en zonder de positie van de tunica, die haar heilig lichaam omgaf, te verstoren. Aangezien het onmogelijk is haar schoonheid en uitstralende glorie te beschrijven, zal ik daar niet aan beginnen. Laat het volgende zijn op te merken, dat juist zoals de hemelse moeder haar goddelijke Zoon in haar schoot de mannelijke vorm had geschonken, zuiver, zonder smet en zonde, voor de verlossing van de wereld, zo schonk de Heer in deze verrijzenis en wedergeboorte haar een glorie en schoonheid, gelijk aan zijn eigen verschijning. Bij deze mysterieuze en goddelijke uitwisseling deed ieder wat mogelijk was: de allerheiligste Maria bracht Christus voort, maakte Hem zoveel mogelijk gelijk aan zichzelf en Christus deed haar wederom opstaan, deelde haar iets mede van zijn glorie voorzover zij deze als schepsel dragen kon.
  2. Daarna maakte zich van het graf een zeer plechtige processie los, die zich onder hemelse muziek door de luchtlagen naar de zevende hemel bewoog. Dit geschiedde in het uur, onmiddellijk na middernacht, waarin de Heer was opgestaan uit het graf. Daarom waren niet alle apostelen hier getuige van, slechts zij die bij het graf waakten. De heiligen en engelen betraden de hemel in de volgorde waarin ze die verlaten hadden; op de laatste plaats kwam Christus onze Heiland met aan zijn rechterhand de koningin, gekleed in goudbrokaat (Zoals David zegt in Psalm 45,10) en zo schoon dat zij de bewondering opwekte van het hemelse hof. Allen keerden zich tot haar om haar aan te zien en te zegenen met nieuwe jubel- en lofgezangen. Zo werden die mysterieuze lofliederen gehoord, opgeschreven door Salomo:

-Kom dochters van Sion, om uw koningin te zien, die geprezen wordt door de morgenster en gevierd wordt door de zonen van de Allerhoogste.

-Wie is zij die komt uit de woestijn als een zuil van alle aromatische reukwerken?

-Wie is zij die opkomt als de morgenstond, schoner dan de maan, uitverkoren als de zon, vreeswekkend als vele goed uitgeruste legers?

-Wie is zij die uit de woestijn komt, steunend op haar Geliefde en overvloedige heerlijkheden verspreidend? (Hl 3,6-9;8,5)

-Wie is zij waarin de Godheid zelf zoveel vreugde en welbehagen meer vindt dan in alle andere schepselen en die Hij boven hen allen verheft in de hemelen!

-O fenomeen, waardig aan de oneindige Wijsheid!

-O wonderkind van zijn Almacht, die Hem zo verheerlijkt en verheft!

  1. Temidden van deze glorie kwam de allergezegendste Maria met lichaam en ziel bij de troon van de allergezegendste Drie-eenheid. En de Drie goddelijke Personen ontvingen haar met een in alle eeuwigheid onuitwisbare omhelzing. De eeuwige Vader zei tot haar:

“Stijg hoger op, mijn dochter, mijn duive”.

Het mensgeworden Woord sprak: “Mijn moeder, van wie Ik het menselijke wezen ontvangen heb en volledige voldoening van mijn werk door uw volmaakte navolging, ontvang nu uit mijn hand de beloning die gij verdiend hebt”. De heilige Geest zei: “Mijn allerliefste bruid, treed binnen in de eeuwige vreugde die overeenkomt met de meest getrouwe liefde, want de winter van het lijden is nu voorbij, gij zijt aangekomen in onze eeuwige omhelzingen”  (Hl 2,16)

Daar werd de allergezegendste Maria ondergedompeld in de beschouwing van de Drie goddelijke Personen en als het ware overspoeld door de grenzeloze oceaan van de Godheid, terwijl de heiligen met bewondering en accidentele vreugde vervuld waren. Aangezien er zich bij dit werk van de Almachtige nog andere wonderen voordeden, zal ik daarover voor zover mij dit mogelijk is, in het volgende hoofdstuk spreken.

Instructie welke de koningin van de hemel de allerheiligste Maria, mij gaf.

  1. “Mijn dochter, de onkunde die de mensen tentoonspreiden inzake de eeuwige glorie die God bereid heeft voor degenen die dit verdienen is betreurenswaardig en onvergeeflijk. Het is mijn wens dat gij deze verderfelijke vergeetachtigheid bitter beweent, want er is geen twijfel aan dat Hij, die willens en wetens de eeuwige glorie en het eeuwig geluk vergeet, in groot gevaar verkeert deze te verliezen. Geen is vrij van deze schuld, niet slechts omdat de mensen niet veel werk of inspanning over hebben om te trachten zich dit geluk te herinneren, maar ze werken met al hun krachten aan dingen, die ze het doel, waarvoor ze geschapen zijn, doen vergeten. Zonder twijfel komt deze vergeetachtigheid voort uit hun verstrikking in de levenstrots, de overdreven nieuwsgierigheid en de lusten van het vlees (1 Joh 2,16). Want door alle krachten van hun ziel gedurende hun gehele leven daaraan te misbruiken hebben ze geen tijd, zorg en attentie voor de gedachten aan eeuwig geluk. Laten de mannen erkennen en bekennen dat deze herinnering hun meer werk kost dan het volgen van hun blinde hartstochten, het najagen van eer, bezittingen of voorbijgaande pleziertjes, die allen met dit leven eindigen en die, na veel jachten en zwoegen zelfs door veel mensen nimmer bereikt worden.
  2. Hoe veel gemakkelijker is het voor stervelingen zulke dwalingen te vermijden, in het bijzonder voor de kinderen van de Kerk, omdat ze de eenvoudige middelen van geloof en hoop om de waarheid te vinden bij de hand hebben! Zelfs als het winnen van een eeuwig geluk even moeilijk zou zijn als het verwerven van eer, rijkdom en andere voordelen dan zou het heel dwaas zijn juist zoveel voor de schijnvoordelen als voor de echte voordelen die naar de eeuwige glorie voeren, te zwoegen. Gij moet deze vreselijke dwaasheid betreuren, mijn dochter, indien gij de wereld, waarin gij leeft, beschouwt. Hoe verscheurd is zij door oorlogen en tweedracht; hoeveel ongelukkigen bevat zij die de dood zoeken in ruil voor een korte en ijdele eer, wraak en andere nog lagere voordelen, terwijl ze, juist als de onredelijke wezens niet haken naar het eeuwige leven. Het zou een zegen voor hen zijn als ze juist zoals de dieren hun leven zouden kunnen afsluiten met de tijdelijke dood, maar aangezien de meeste hunner tegen de rechtvaardigheid handelen en anderen, die trachten rechtvaardig te zijn, schromelijk vergeetachtig zijn omtrent hun einde, zullen zowel de één als de ander zich de eeuwige dood op de hals halen.
  3. Dit is een smart die boven alle smart uitgaat en een ongeluk zonder weerga en zonder geneesmiddel. Kwel uzelf, treur en stort troosteloos tranen over de ondergang van zovele zielen, die werden vrijgekocht door het bloed van mijn goddelijke Zoon. Ik verzeker u, mijn liefste, dat, indien de mensen zichzelf niet zo onwaardig maakten voor mijn liefde, deze liefde mij in de hemelse glorie zou dwingen mijn stem te laten klinken over de gehele wereld, luid roepende:

-Sterfelijke, misleide mens, wat doet gij?

-Tot welk doel leeft gij?

-Realiseert gij u wat het betekent God van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen en deel te hebben aan zijn eeuwige glorie en zijn gezelschap te delen?

-Waar denkt gij eigenlijk aan?

-Wie heeft op deze wijze uw oordeelvelling vertroebeld en begoocheld?

-Wat jaagt gij eigenlijk na, indien u eenmaal deze ware weldaad, dit ware geluk verloren hebt, er is geen ander!

-Het zwoegen duurt maar kort, de beloning is de eeuwige glorie en de straf duurt eeuwig!

  1. In verband met de smart die ik in u tracht op te wekken, moet gij volijverig werken om dit gevaar te vermijden. In mijn leven hebt gij een levend voorbeeld; het was een leven van voortdurend lijden, zoals gij weet, maar toen ik mijn beloning ontving, was dat alles als niets en vergat ik het alsof het nimmer gebeurd was. Besluit dan, mijn liefste, mij in mijn zwoegen te volgen en ofschoon uw inspanning u toeschijnt zwaarder te zijn dan die van alle andere stervelingen, beschouw dit toch als allerminst voldoende. Laat niets u moeilijk of hard voorkomen of bitter, zelfs indien gij te vuur en te zwaard zou moeten strijden. Zet uw hand tot grote daden en beschut uw dienaren -uw zintuigen- met dubbele kleding tegen moeilijkheden en lijden. Doe dit met al uw krachten. Tezelfdertijd wil ik u voor een dwaling temeer waarschuwen, waar de mensen zeggen: Laat ons onze redding zeker stellen, groter of minder glorie komt er niet op aan, wij zullen allen tezamen zijn in dat leven. Door dit valse principe wordt het eeuwig leven niet zeker maar juist een risico omdat dit voortkomt uit een grote dwaasheid en gebrek aan goddelijke liefde. Hij, die het op deze wijze met God op een akkoordje wil gooien, beledigt Hem en brengt Hem ertoe zulke  zielen bij voortduring in gevaar van verwerping te doen leven. Menselijke zwakheid is steeds genegen minder goed te doen dan zij eigenlijk wenst en indien die wens klein is dan is het resultaat ook gering en het risico alles te verliezen is des te groter.
  2. Hij die zichzelf tevreden stelt met het middelmatige of het laagste in deugd, laat in zijn wil en zijn neigingen altijd een mogelijkheid open voor het binnensluipen van aardse neigingen en liefde voor voorbijgaande zaken. Zo’n opening is tegenstrijdig met goddelijke liefde en veroorzaakt daarom onafwendbaar het verlies van het laatstgenoemde en de overheersing van het eerstgenoemde. Als het schepsel besluit, God met zijn gehele hart lief te hebben (Dt 6,5) met al zijn krachten zoals Hij beveelt, dan ziet God voorbij aan zijn gebreken en tekortkomingen en is verheugd met zijn besluit de hoogste beloning te willen verdienen!   Maar ze te verachten of moedwillig te onderschatten past kinderliefde niet, is niet juist voor ware vrienden, maar lage vrees van slaven, die blij zijn het leven te houden en verder met rust te worden gelaten. Indien de heiligen terug zouden kunnen keren om een hogere graad aan glorie te verdienen door allerhande kwellingen te doorstaan tot aan de dag van het oordeel, dan zouden ze zonder twijfel terugkeren, omdat ze een juiste en volmaakte kennis van de waarde van de beloning hebben en omdat zij God liefhebben met volmaakte liefde. Het is niet juist dat dit privilege aan de heiligen zou gegeven worden, maar het was mij toegestaan zoals gij hebt weergegeven in deze geschiedenis en mijn voorbeeld bevestigt deze waarheid (boek 7 par.2). Het wijst ook de dwaasheid aan van hen die om lijden en het kruis van Christus te vermijden, uitzien naar een kleinere beloning, één die niet in de bedoeling van Gods goedheid ligt en tegengesteld is aan zijn wens te zien dat de zielen hun verdiensten vermenigvuldigen en rijke beloningen verdienen in de eeuwige gelukzaligheid”.

De allerheiligste Maria wordt tot koningin van de hemel van van alle schepselen gekroond; al haar grote voorrechten ten behoeve van het mensdom worden haar opnieuw toegekend.

77 5. Toen Christus Jezus, de Heiland, afscheid nam van zijn discipelen om zijn lijden te beginnen, zei Hij hen niet bedroefd te zijn in hun harten wegens de dingen die Hij hun verteld had, omdat er in het huis van zijn Vader, waar het eeuwig geluk is, vele woningen zijn (Joh 14,2). Hij verzekerde hen verder, dat er ruimte en beloningen voor allen waren ofschoon de verdiensten en hun goede werken zouden verschillen en dat niemand in zijn gemoedsvrede en vertrouwen geschokt moest zijn, ook al ziet hij anderen die meer gunsten hebben ontvangen of meer gevorderd zijn, want in het huis van God zijn vele graderingen en veel woningen, waarin een ieder tevreden zal zijn met wat hem toekomt, zonder afgunstig te zijn op anderen, want dat is een van de grote weldaden van dat eeuwig geluk. Ik heb gezegd, dat de allergezegendste Maria de hoge positie en status op de troon van de allergezegendste Drie-eenheid werd toegewezen (Par. 765). Vele malen heb ik mij in deze termen uitgedrukt om grote mysteries aan te duiden en dezelfde termen door de heiligen en in de heilige Schrift gebruikt. Ofschoon geen ander argument meer nodig is, wil ik toch nog meedelen voor hen die geen diep inzicht hebben, dat God, aangezien Hij de zuiverste geest en tezelfdertijd oneindig, overgroot en onbegrijpelijk is, geen troon nodig heeft, want Hij vult de gehele schepping en is aanwezig in alle schepselen; Hij wordt door niemand begrepen en kan door niemand beschreven worden, maar Hijzelf begrijpt en omvat alle dingen. De heiligen zien God niet met lichamelijke ogen, maar met die van hun ziel, maar aangezien zij Hem in een bepaalde begrensde ruimte zien (om ons te bedienen van onze aardse en materiële wijze van denken en spreken) zeggen wij dat Hij op de koninklijke troon van de gezegende Drie-eenheid zit, terwijl Hij in werkelijkheid zijn glorie in zichzelf bezit en aan zijn heiligen meedeelt. Maar ik zou niet willen ontkennen, dat de allerheiligste mensheid van Christus onze Heiland en van zijn allergezegendste moeder een hoge plaats boven alle heiligen inneemt en dat onder de zaligen die met ziel en lichaam in de hemel zijn er een soort graad is in hun positie ten opzichte van Christus onze Heer en de koningin, maar het is hier niet de plaats dieper in te gaan op de wijze waarop deze schikking in de hemel gemaakt zal worden. Wij noemen dat de troon van de Godheid waarvan God zichzelf openbaart aan de heiligen als de oneindige, eeuwige God, onafhankelijk van alle dingen, aan Wiens wil alle schepselen onderworpen zijn. Hij is de eerste oorzaak van hun glorie, openbaart zich als de Heer, de Koning, de Rechter en Meester van alles wat bestaat.

  1. Deze waardigheid bezit Christus, de Verlosser in zover Hij God is in Wezen en voorzover Hij mens is door de hypostatische vereniging, waardoor Hij zijn Godheid aan de mensen meedeelt. Zodoende is Hij in de hemel de Koning, de Heer en opperste Rechter en de heiligen zijn gelijk dienaren en ondergeschikten van deze ongenaakbare Majesteit, ofschoon hun glorie alle menselijke berekening te boven gaat. Hierin heeft de allerheiligste Maria deel in een mindere graad maar op een wijze die onuitsprekelijk en in proportie is tot een gewoon schepsel dat zó na verbonden is met de God-Mens en daarom verblijft zij voor altijd aan de rechterhand van haar Zoon als koningin (Ps 45,10), vrouwe en meesteresse van de gehele schepping. Haar rijk strekt zich even ver uit als dat van haar goddelijke Zoon, ofschoon op een andere wijze.
  2. Na de allergezegendste Maria op zijn verheven en weergaloze troon geplaatst te hebben, maakte de Heer aan de hovelingen van de hemel alle voorrechten bekend, die zij zou genieten krachtens deze deelhebbing in zijn majesteit. De Persoon van de eeuwige Vader als eerste begin van alle dingen sprak de engelen en heiligen als volgt toe:

“Onze dochter Maria werd naar ons welhagen uit alle schepselen gekozen, als eerste om ons vreugde te brengen, nooit afwijkend van haar positie en naam als ware dochter die Wij haar in onze goddelijke Geest gegeven hadden; zij heeft recht op ons rijk, dat Wij zullen erkennen door haar als wettige en weergaloos zuivere vrouwe en soevereine te kronen”.

Het mensgeworden Woord zei:

“Aan mijn ware en natuurlijke moeder behoren alle schepselen die geschapen en verlost werden door mij en van alle dingen waarover Ik Koning ben, zal zij ook de wettige en opperste koningin zijn”.

De heilige Geest zei”:

“Aangezien zij mijn geliefde en uitverkoren bruid genoemd wordt, verdient zij als koningin gekroond te worden tot in alle eeuwigheid”.

  1. Na aldus gesproken te hebben plaatsten de Drie goddelijke Personen op het hoofd van de allergezegendste Maria een kroon van dusdanige nieuwe glans en waarde, dat haars gelijke nooit eerder door enig gewoon schepsel gezien werd noch ooit gezien zal worden. Op hetzelfde moment klonk er een stem van de troon, zeggende:

“Mijn geliefde, gekozen onder de schepselen, ons koninkrijk is het uwe; gij zult de vrouwe en de soevereine zijn van de serafijnen, van alle dienende geesten, de engelen en van het gehele heelal  der schepselen. Zorg voor hen, leid hen en bestuur hen tot hun welzijn, want in ons hoge consistorie geven Wij u macht, majesteit en soevereiniteit (Ps 45,5). Vervuld van genade boven alle anderen hebt gij uzelf in eigen achting steeds op de laatste plaats gesteld, uzelf vernederd en verdeemoedigd. Ontvang nu de hoge waardigheid die gij verdiend hebt en als deelhebbende aan onze Godheid, de heerschappij over alle schepselen van onze Almacht. Gij zult regeren vanaf uw koninklijke troon tot het middelpunt van de aarde en door de macht, die Wij u gegeven hebben, zult gij de hel met al zijn duivelen en bewoners aan u onderwerpen. Laten zij allen u vrezen als opperste keizerin en meesteresse van die krochten en holen van onze vijanden. In uw handen en naar uw welbehagen plaatsen Wij de invloeden en krachten van de hemelen, de vochtigheid van de wolken, de groeikracht van de aarde en met al deze krachten kunt gij volgens uw wil handelen; onze wil zal u ter beschikking staan om uw wensen uit te voeren. Gij zult de keizerin en meesteresse van de strijdende Kerk zijn, haar beschermster, advocaat, moeder en lerares. Gij zult de bijzondere patrones zijn van de katholieke landen en wanneer zij, of de gelovigen, of enig kind van Adam u aanroept vanuit zijn hart, u dient of u verplicht, verlicht en help hen dan in hun zwoegen en noden. Gij zult de vriendin, de verdedigster en de aanvoerster zijn van alle rechtvaardigen en vrienden; zij allen zullen door u getroost worden, vervuld met zegeningen overeenkomstig hun devotie tot u! Met het oog op dit alles maken wij u tot het depot van al onze rijkdommen, schatbewaarster van onze goederen; Wij plaatsen in uw handen de bijstand en zegen van onze genade ter uwer distributie. Wij willen niets aan de wereld geven wat niet door uw handen is gegaan en niets willen Wij weigeren wat gij aan de mensen wilt geven. Genade zal u ter verspreiding geschonken worden (Ps 45,3) en daarmee zult gij alles wat gij in de hemel of op aarde gedaan wilt hebben, bereiken; overal zullen mensen en engelen u gehoorzamen, omdat alles wat van Ons is ook van u zal zijn, juist zoals gij steeds van Ons waart. En gij zult met Ons tot in alle eeuwigheid regeren”.

  1. Tot uitvoering van dit decreet en deze privileges die aan de meesteresse van de wereld geschonken werden, beval de Almachtige alle hovelingen uit de hemel, engelen en mensen, haar gehoorzaamheid te bewijzen en haar te erkennen als hun koningin en vrouwe. Er was nog een mysterie in dit wonder verborgen, namelijk, dat dit een beloning was voor de verering die, -zoals duidelijk is uit deze geschiedenis- de allergezegendste Maria niettegenstaande zij de moeder van God, vol van genade en heiligheid was, ver verheven boven engelen en heiligen, steeds gebracht had aan de heiligen gedurende haar ballingschap. Ofschoon het voor haar gedurende de tijd dat zij nog een pelgrim was, een grotere verdienste was dat zij zich voor hen overeenkomstig Gods wil zou vernederen, was het nu, nu zij in het bezit was van het koninkrijk, dat zij zou vereerd en verheven worden door hen als haar ondergeschikten en vazallen. Dit doen ze dan ook in die gezegende staat, waarin alle dingen tot hun juiste proportie worden teruggebracht en alle verhoudingen worden rechtgetrokken. Zowel de hemelse geesten als de zaligen gaven, terwijl ze de Heer met vreze en aanbiddende eerbied benaderden, in verhouding gelijke eerbewijzen aan zijn gezegende moeder en de heiligen die daar met hun lichamen waren, wierpen zich ter neer en gaven ook met hun lichamen de verschuldigde eer. Al deze demonstraties bij de kroning van de keizerin van de hemel droegen bij tot haar glorie tot nieuwe vreugde en jubel van de heiligen en tot plezier van de allergezegendste Drie-eenheid. Deze dag was zeer feestelijk; er was een nieuwe accidentele vreugde in de hemel. Zij die daar in het bijzonder deel aan hadden waren haar gelukkige bruidegom sint Jozef, de heilige Joachim en Anna en andere verwanten van de koningin, tezamen met de duizend engelen van haar lijfwacht.
  2. In het verheerlijkte lichaam van de koningin, juist boven haar hart zagen de heiligen een kleine bol of monstrans van uitzonderlijke schoonheid en schittering, die op bijzondere wijze hun bewondering en vreugde opwekte en opwekt. Dit was een getuigenis en een beloning voor het verschaffen van een aanvaardbare rustplaats en heiligdom voor het sacramentele Woord en voor haar waardige, zuivere en heilige wijze van communie ontvangen, zonder tekortkoming of onvolmaaktheid en met een godsvrucht, liefde en eerbied die door geen van de heiligen geëvenaard werd. Wat betreft de andere beloningen en kronen, overeenkomende met haar weergaloze werken en deugden is er niets wat gezegd kan worden, dat enig idee kon geven van de pracht en daarom verwijs ik naar het zalig schouwen waar eenieder ze al aanschouwen in verhouding van zijn activiteiten en devotie, zoals hij dat verdiend heeft. In het vorige hoofdstuk deelde ik mee dat de overgang van onze (par. 742) koningin plaatshad op de dertiende augustus, terwijl haar opstanding, tenhemelopname en kroning plaatshadden op zondag de vijftiende, de dag waarop dit in de Kerk gevierd wordt. Haar heilig lichaam verbleef zesendertig uur in het graf, juist zoals het lichaam van haar goddelijke Zoon, want haar overgang en opstanding vonden plaats op hetzelfde uur van die dag. Overeenkomstig de berekening die ik boven gaf, stel ik dat dit wonder geschiedde in het jaar onzes Heren vijfenvijftig dat zoveel dagen oud was als er liggen tussen de geboorte van de Heer en de vijftiende augustus.
  3. Wij hebben de grote vrouwe aan de rechterhand van haar goddelijke Zoon achtergelaten, waar zij zal regeren tot in alle eeuwigheid. Wij keren nu terug naar de apostelen en discipelen, die onder tranen het graf van Maria in de vallei van Josafat omringden. De heilige Petrus en Johannes, die het meest getrouw waren geweest in hun wake constateerden dat de hemelse muziek op de derde dag opgehouden had te klinken. Gedeeltelijk ingegeven door de heilige Geest concludeerden zij dat de allerzuiverste moeder was opgestaan en de hemel met ziel en lichaam was binnengetreden, zoals haar Zoon. Zij beraadslaagden hierover en kwamen tot de conclusie dat dit goed was. Petrus, als hoofd van de Kerk besliste dat dit wonderbaarlijke feit moest worden vastgelegd en voor zover mogelijk moest bekendgemaakt worden aan hen, die haar dood en begrafenis hadden bijgewoond. Tot dit doel riep hij op die dag de apostelen, discipelen en de andere getrouwen bijeen bij het graf. Hij deelde hun zijn beweegredenen daartoe mede en het vermoeden, dat nu allen bezielden, de reden om nu de waarheid van dit wonder aan de Kerk te openbaren, opdat het zou vereerd worden in de komende eeuwen en zou bijdragen tot de glorie van de Heer en zijn allergezegendste moeder. Zij allen keurden het besluit van de plaatsvervanger van Christus goed en openden op bevel van hem onmiddellijk het graf waaruit het heilige lichaam van de koningin verdwenen was. Zij zagen de tunica, in dezelfde positie als toen het lichaam daarmee bedekt was, waaruit bleek dat het door de tunica en de steen naar buiten was getreden zonder daar enig deel van gescheurd of verbrijzeld te hebben. Sint Petrus nam de tunica en de mantel en vereerde ze, aangezien ze nu zeker waren van de opstanding en de ten hemelopname van de gezegende moeder. Onder gemengde vreugde weenden zij tranen bij dit wonder en zongen psalmen en lofgezangen tot de Heer en zijn gezegende moeder.
  4. In hun toegewijde verwondering bleven zij naar het graf staren, als vastgenageld aan die plaats tot een engel van de Heer neerdaalde, zich bekendmaakte en sprak:

“Gij mannen van Galilea, waarom zijt gij zo verwonderd, waarheen staart gij en waarom blijft ge hier staan? Uw en onze koningin leeft nu met lichaam en ziel in de hemel en regeert daar voor eeuwig met Christus. Zij zendt mij om u deze dingen te bevestigen en in haar naam zeg ik u, dat zij u opnieuw de Kerk toevertrouwt, de bekering van de zielen afsmeekt en de verbreiding van het evangelie. Zij wenst u allen te zeggen, dat gij nu moet terugkeren naar de bediening, waarmee gij belast zijt en dat zij vanaf haar troon voor u zal zorgen”.

Bij het horen van deze boodschap werden de apostelen getroost; zij ondervonden haar bescherming op hun omzwervingen en nog veel meer tijdens hun martelaarschap, want aan elk hunner verscheen zij in dat uur om hun zielen aan de Heer aan te bieden. Andere bijzonderheden betreffende de overgang en opstanding van de allergezegendste Maria werden mij niet bekendgemaakt om in deze geschiedenis mee te delen. Ik heb trouwens gedurende de gehele loop van deze hemelse geschiedenis geen andere keus voor het neerschrijven gehad dan wat mij bevolen werd neer te schrijven.

Instructie welke de koningin van de hemel de allerheiligste Maria, mij gaf.

  1. “Mijn dochter, indien er iets zou zijn, dat het genot van het hoogste geluk en de glorie die ik bezit, zou kunnen verminderen en indien ik in staat zou zijn tot enig verdriet, dan zou ik zonder twijfel lijden bij het zien van de huidige staat, waarin de heilige Kerk en de rest van de wereld zich bevindt, niettegenstaande de mensen weten, dat ik hun moeder, advocaat en beschermster ben in de hemel, altijd bereid hen te leiden en bij te staan op de weg naar het eeuwig leven! Nu dit zo is en de Almachtige mij zoveel privileges gegeven heeft als zijn moeder en nu er zoveel hulpbronnen in mijn handen zijn gelegd enkel en alleen voor het welzijn van de stervelingen, die mij als moeder van barmhartigheid zijn toevertrouwd, is het een reden tot verdriet temeer, te zien, dat stervelingen mij dwingen niets te ondernemen en dat, omdat ze geen beroep op mij doen er zoveel zielen verloren gaan! Maar indien ik al geen smart kan ondervinden dan kan ik mij toch beklagen over de mensen die zichzelf de eeuwige verdoemenis op de hals halen en mij de glorie weigeren om hun zielen te redden.
  2. Wat mijn tussenkomst en de macht die ik in de hemel heb waard is, is nooit verborgen gebleven in de Kerk, want ik heb mijn geschiktheid allen te redden door evenzoveel wonderen, mirakelen en gunsten steeds getoond ten behoeve van hen die mij toegewijd zijn. Jegens hen die een beroep op mij hebben gedaan in hun nood heb ik mij altijd vrijgevig getoond en de Heer heeft zich om mijnentwil tegenover hen vrijgevig getoond. Maar toch ofschoon er vele zielen zijn, die ik geholpen heb, zijn het er toch maar weinig in vergelijking met degenen die ik  kan helpen en zou willen helpen. De wereld en de eeuwen zijn een flink eind gevorderd, terwijl de stervelingen traag zijn zich tot de kennis van God te keren; de kinderen van de Kerk zijn bezig zich in te wikkelen in de strikken van de duivel; zondaren vermenigvuldigen zich en misdaden nemen toe, omdat de liefde bekoelt zelfs nadat God mens werd en de wereld geleerd heeft door zijn leven en leer, verlost heeft door zijn passie en dood, zijn evangelische wet gevestigd heeft tot leiding van zijn schepselen, hen toegelicht heeft met even zovele wonderen, verlichtingen, weldaden, gunsten in de Kerk en in haar heiligen. Daarenboven heeft God in zijn goedheid zijn barmhartigheden opengesteld door mij en mijn tussenkomst, mij aanstellende als moeder, advocaat, beschermster en helpster van alle mensen en ofschoon ik deze ambten punctueel en vrijgevig vervul, zijn de resultaten niet daarmee in overeenstemming. Maar aangezien de zonden van de mensen de kastijdingen verdienen die hen bedreigen en die zij beginnen te voelen en aangezien onder deze omstandigheden de boosaardigheid van de mensen reeds het hoogst mogelijke punt bereikt heeft, baart het geen verwondering dat de goddelijke gerechtigheid geprikkeld is.
  3. Dit alles, mijn dochter, is waar, maar mijn gevende en barmhartige liefde is groter dan al deze boosaardigheid, zij houdt de gerechtigheid tegen en doet de oneindige Goedheid zich naar de mensen neigen!  De Allerhoogste wil nog steeds op royale wijze zijn oneindige schatten uitdelen en heeft besloten diegenen te begunstigen die weten hoe zij mijn tussenkomst kunnen verkrijgen voor Gods troon. Dit is de veilige en krachtige weg om de Kerk vooruit te helpen om de katholieke regeringen te verbeteren, het geloof te verspreiden, het welzijn van gezinnen en staten te bevorderen, de zielen naar de genade en naar de vriendschap Gods te brengen. In dit werk, mijn dochter, wens ik dat gij u inspant en naar uw krachten meewerkt met de goddelijke genade. Uw werk zal niet slechts bestaan in het schrijven van mijn leven, maar in het navolgen van de raadgevingen en heilzame leringen, die gij zo overvloedig ontvangen hebt, zowel in wat gij hebt geschreven als in andere gunsten en weldaden van de Almachtige. Overweeg goed mijn liefste, uwe strikte verplichting mij te dienen als uw enige moeder, als uw wettelijke en ware lerares en overste, die u deze en vele andere goedgunstigheden bewijst. Gij hebt meerdere malen de geloften van uw roeping in mijn handen hernieuwd en mij daarbij bijzondere gehoorzaamheid beloofd. Herinner u de beloften die gij zo dikwijls gegeven hebt aan de Heer en zijn engelen. Vele malen hebben wij onze wil aan u geopenbaard dat gij als één van hen zou leven en dat gij, in sterfelijk vlees deel hebt in de status en de activiteiten van een engel; dat uw gesprekken en omgang met deze geesten zouden zijn en juist zoals zij met elkaar omgaan, zoals de hogeren de lageren verlichten en inlichten zo ook zullen zij u verlichten en instrueren in de volmaaktheden van uw Geliefde en in de beoefening van alle deugden, in het bijzonder in die van de meesteresse van hen allen; de caritas, waardoor gij moet ontvlamd worden in de liefde tot uw zoete Meester en tot uw medemensen. Tot deze status moet gij opklimmen met al uw krachten opdat de Allerhoogste u geschikt moge vinden voor de vervulling van zijn heilige wil en al zijn wensen. Mogen zijn machtige rechterhand u zijn eeuwige zegen geven, u de vreugde van zijn gelaat tonen en u vrede geven. Zorg ervoor, dat gij u niet onwaardig daartoe maakt”.

 

 

De Heilige Geest daalt neer over Maria en de apostelen

Standaard

Uit het boek “De mystieke stad Gods”; deel 7 , visioenen aan moeder Abdis Maria van Agreda o.i.c. – Greeth’s Blog https://greeth.wordpress.com/2010/05/18/pinksteren-de-nederdaling-van-de-heilige-geest-is-waar-gebeurd-verhaal/

pinksterenDrie dagen nadat de allergezegendste Maria neerdaalde uit de hemel, toonde zij zich aan de apostelen en sprak met hen; Christus onze Heer bezoekt haar. Verdere mysteries tot de komst van de heilige Geest.

  1. Ik herinner degenen, die deze geschiedenis zullen lezen er aan, niet verwonderd te zijn over de verborgen sacramenten, die ik beschrijf, noch daar ongelovig tegenover te staan daar ze tot nu toe niet bekend waren in de wereld! Want ook al is het evident, dat ze alle aan deze grote koningin waardig en passend zijn, we kunnen niet ontkennen dat, ofschoon we tot nu toe geen geschreven gegevens hebben over haar wonderbare activiteiten na de hemelvaart van de Heer, wij toch moeten veronderstellen, dat zij vele en uitzonderlijke grote wonderen heeft gedaan in haar ambt als lerares, beschermvrouwe en moeder van de nieuwe Kerk, die in de wereld gebracht moest worden onder haar toezicht en met haar hulp. En als, zoals werd meegedeeld, de Heer haar in al haar krachten vernieuwde en indien Hij zijn gehele Almacht door haar deed gelden, kan haar geen gunst of zegen, hoe groot dan ook, mits in overeenstemming met de katholieke waarheid behorend bij dit uitzonderlijke schepsel dat zijns gelijke niet kent, ontzegd kan worden.
  2. Maria genoot in de hemel gedurende drie dagen het zalig schouwen, zoals ik reeds meedeelde in het eerste hoofdstuk (par. 3). Zij kwam van haar hemelse zetel op de dag die overeenkomt met de zondag na de dag van de hemelvaart, in de heilige Kerk de zondag onder het octaaf van dat feest genaamd. Zij bleef gedurende drie dagen in het cenakel, waar zij de nawerking van dit zalig schouwen genoot. Gedurende deze tijd werden de hemelse stralingen, waarin zij gehuld was, getemperd en alleen de evangelist, de heilige Johannes, had volledige kennis van het mysterie, want de tijd was nog niet daar dat alle apostelen dit mochten weten, omdat ze nog niet in staat waren zulke sacramenten te begrijpen. Ofschoon zij in hun gezelschap verbleef, was het toch noodzakelijk haar glorie voor hen te verbergen. Want zelfs de evangelist viel plat ter aarde, zodra hij in haar aanwezigheid kwam, ondanks het feit dat hij de bijzondere genade had ontvangen haar in volle pracht te mogen aanschouwen. Het zou, aan de andere kant (par. 6), ook niet passend zijn geweest onze grote koningin plotseling haar stralenpracht en de andere uiterlijke en innerlijke uitwerkingen van haar opname in de glorie te ontnemen. De Heer beval in zijn oneindige wijsheid, dat de uitwerkingen van deze goddelijke gave in graden zouden afnemen en haar maagdelijk lichaam langzamerhand zou terugkeren naar haar normale staat, zodat omgang met de apostelen en de rest van de gelovigen in de heilige Kerk weer mogelijk werd.
  3. Ik heb hiervóór ook gezegd, dat dit wonder van Maria’s toelating tot de hemel niet in strijd is met wat geschreven staat in de Handelingen ( boek 6 par. 801), ofschoon wij daar lezen, dat de apostelen en de heilige vrouwen volhardden in gebed met Maria, de moeder van Jezus en met zijn broeders nadat de Heer ten hemel was gestegen (Hnd 1,14). Wat ik gezegd heb, komt echter overeen met deze passage, want de heilige Lucas schrijft zijn geschiedenis naar aanleiding van wat hij in het cenakel te Jeruzalem zag, zonder rekening te houden met het mysterie waarvan hij niets wist. Het heilig lichaam van Maria was tezelfdertijd op twee plaatsen! Ofschoon de opmerkzaamheid en het gebruik van de zinnen volmaakter en wezenlijker was in de hemel, kan het toch naar waarheid gezegd worden dat zij in het gezelschap was van de apostelen en dat zij door allen gezien werd. Verder was het waar, dat de allergezegendste Maria met hen volhardde in gebed, want zij zag hen vanaf haar plaats in de hemel en verenigde zich in gebeden en smekingen met alle heiligen die een schuilplaats in het cenakel hadden gevonden; zij bood ze aan haar goddelijke Zoon aan, terwijl zij aan zijn rechterhand zat en verkreeg van de Almachtige voor hen volharding en vele andere grote gunsten.
  4. De drie dagen waarin de grote vrouwe de nawerking van de glorie ondervond en de afstraling van haar pracht geleidelijk afnam, bracht zij door in allervurigste en hemelse gevoelens van liefde, dankbaarheid en onuitsprekelijke deemoed, waarvoor ik geen woorden kan vinden. De engelen en serafijnen die haar omringden praatten vol nieuwe bewondering met elkaar over deze wonderen en zij vroegen zich af wat het grootste wonder was: dat de Allerhoogste een gewoon schepsel ophief tot zulk een hoogte of dat iemand, na tot zulke hoogten van genaden en glorie te zijn opgeheven, zichzelf verlaagt beneden het laagste schepsel in de schepping en zichzelf tot het allerlaagste wezen hier op aarde bestempelt. Ik nam waar dat de hoogste serafijn als het ware zijn adem inhield bij het aanschouwen van de activiteiten van zijn koningin. Sprekende tot elkaar zeiden zei:

“Indien de duivelen voor hun val het voorrecht zouden gehad hebben dit voorbeeld van nederigheid te aanschouwen, zou het hen onmogelijk zijn geweest, toe te geven aan hun trots. Onze grote vrouwe is zij die, zonder enig tekort, zonder enige onvolkomenheid niet slechts voor een deel maar in alle volheid de grote leegte aan nederigheid in alle schepselen opgevuld heeft. Slechts zij heeft de majesteit en de boven alles uitgaande grootte van de Schepper en de kleinheid van de schepping begrepen. Zij is degene die weet wanneer en hoe Hij moet gehoorzaamd en aanbeden worden en zij handelt getrouw naar haar kennis. Is het mogelijk dat onder de doornen, door de zonde onder de kinderen van Adam gezaaid, zo’n zuivere lelie kon opbloeien, die een dusdanige geur verspreidt tot vreugde van de Schepper en de stervelingen (Hl 2,2) dat vanuit de woestijn van de wereld, ontdaan van alle genaden en vol van aardgebondenheid, zo’n hemels wezen, overvloeiend van het behagen van de Almachtige, kon opstaan (Hl 8,5). Laat Hij, die in zijn eeuwige wijsheid en goedheid zulk een schepsel vormde dat zo wonderbaarlijk geschikt is voor de verspreiding van heiligheid, als voorbeeld en voor de glorie van het menselijke geslacht, in alle eeuwigheid geprezen zijn. En Gij, gezegende onder de vrouwen, onderscheiden en uitverkoren onder alle schepselen, gelukgewenst, gekend en zalig geprezen door alle geslachten. Moge gij door alle eeuwen heen de volmaaktheid, u door de Schepper geschonken, genieten: moge Hij zijn vreugde en genoegen in u vinden wegens de schoonheid van uw werken en gaven; moge in u de onmetelijke liefde voor de rechtvaardiging van alle mensen haar hoogtepunt bereiken. Gij geeft Hem, voor allen, genoegdoening en u aanschouwende zal Hij geen spijt hebben over het tot leven roepen van de ondankbare mensheid. Indien zij Hem smart bereiden en Hem tergen, dan sust gij Hem en leidt Hem tot barmhartigheid en minzaamheid. Wij zijn niet meer verbaasd dat Hij zoveel van de mensen houdt, want gij, onze vrouwe en koningin, verwijlt onder hen en noemt hen uw volk”.

  1. Met deze lofgezangen en vele andere hymnen vierden de heilige engelen de deemoed en de werken van de allergezegendste Maria, nadat zij uit de hemel was neergedaald en op enige van deze gezangen antwoordde zij. Na de schare engelen, die haar vanuit de hemel vergezelden, teruggezonden te hebben en na nog enige tijd teruggetrokken doorgebracht te hebben, slechts gadegeslagen door sint Johannes die haar in haar stralenpracht aanschouwde, was de tijd gekomen, zich met de getrouwen te onderhouden. Zij verliet haar plaats van afzondering en begon, als liefhebbende moeder, de apostelen en leerlingen liefderijk toe te spreken. Met hen stortte zij smartelijke gebeden tot haar goddelijke Zoon en sloot daar allen bij in die in de komende tijden het katholieke geloof zouden ontvangen. Vanaf die dag en zolang zij op aarde leefde, smeekte zij de Heer de tijden te verhaasten, waarop de feesten, betrekking hebbende op de heilige mysteries, op aarde op dezelfde wijze gevierd zouden worden als dat in de hemel het geval was. Zij vroeg de Heer ook mensen van uitgelezen heiligheid te zenden tot bekering van de zondaars en zag, op dat moment, hoe aan deze bede gehoor zou worden gegeven. Tijdens deze gebeden steeg haar brandende liefde tot zulk een hoogte, dat dit volgens het natuurlijk verloop haar dood tot gevolg had moeten hebben. Om haar bij te staan en de kracht van haar verlangen te matigen zond haar goddelijke Zoon meermalen een van de hoogste serafijnen die haar kon antwoorden en haar de vervulling van haar verlangens kon beloven. Tevens deelde deze haar mee hoe de opeenvolging van de vervulling van haar wensen door de goddelijke Voorzienigheid geregeld zou worden tot groter voordeel van de stervelingen.
  2. Door het abstracte visioen van de Godheid dat, zoals ik reeds zei, zij bij voortduring bleef genieten, werd de liefdebrand, die door dat allerzuiverste en kuise hart sloeg, zo onuitsprekelijk, dat zij de meest van liefde brandende serafijn nabij de troon van God verre overtrof (par. 32 ). Indien zij -bij tijden- toeliet dat deze liefdevlammen iets getemperd werden, was dit om de mensheid van haar allerheiligste Zoon te aanschouwen, want geen ander beeld van zichtbare zaken legde ooit beslag op haar innerlijke vermogens, behoudens wanneer zij haar zintuigen gebruikte bij het converseren met schepselen. Als zij zich de afwezigheid van haar Zoon bewust werd, voelde zij enige natuurlijke tederheid, maar dit was steeds een beheerste en redelijke neiging, aangezien zij de meest voorzichtige van alle moeders was. Maar als het hart van haar Zoon deze liefde beantwoordde, liet Hij toe dat deze liefdevolle verlangens van zijn moeder Hem verwondden (Hl 6,4) en de woorden van het Hooglied werden letterlijk vervuld: dat de ogen van zijn liefhebbende bruid en moeder Hem naar de aarde trokken.
  3. Dit geschiedde meermalen, zoals verderop gezegd zal worden. Het vond voor het eerst plaats gedurende de weinige dagen die haar neerdaling uit de hemel scheidde van de komst van de heilige Geest, niet meer dan zes dagen nadat zij begonnen was zich te onderhouden met de apostelen. Christus, onze Heiland, gunde zichzelf geen langer uitstel voordat Hij persoonlijk afdaalde om haar met nieuwe geschenken en onuitsprekelijke vertroosting te overladen (boek 7 par. 213, 347, 357; boek 8 par. 598, 619, 631, 646, 656, 665, etc.). De allerzuiverste duive was op het punt in zwijm te vallen en door de liefde en plotselinge pijnen die veroorzaakt werden -zo zei zij- door de gezonde liefde in de wijnkelder van de Koning (Hl 2,4). De Heer kwam naar haar toe en veroorloofde haar op zijn borst in de linkerarm van zijn mensheid te rusten en met de rechterarm van zijn Godheid verlichtte Hij haar en vervulde haar met levenwekkende en versterkende invloeden. Dan werden de liefhebbende zorgen van dit gewonde hart verzacht; dan drinkt zij tot verzadiging uit de bronnen van haar Heiland. Zij werd opnieuw versterkt en verfrist om opnieuw ontvlamd te worden door het vuur van haar onblusbare liefde. Zij werd genezen door grotere verwondingen; zij werd gezond gemaakt door een nieuwe ziekte en verlevendig door zichzelf over te geven aan de kwellingen van haar neigingen, want uit dit soort ziekte kent, noch laat enig ander soort geneesmiddel toe. Wanneer de lieflijke moeder door deze gunsten wederom haar krachten had verkregen en de aanwezigheid van de Heer aan haar zinnen duidelijk was geworden, wierp zij zich neer voor zijn Koninklijke Majesteit om Hem nederig zijn zegen te vragen en Hem vurig te danken voor het geschenk van zijn bezoek.
  4. De allervoorzichtigste vrouwe was verrast door deze gunst niet slechts omdat het nog slechts kort geleden was dat zij bij haar goddelijke Zoon vertoefde, maar ook omdat de Heer haar niet ingelicht had omtrent de tijd van zijn bezoek en haar grote deemoed had haar niet toegestaan te veronderstellen dat zijn goddelijke goedheid zich zou verwaardigen, haar enige verlichting in haar eenzaamheid te brengen! Aangezien dit de eerste gunst van deze soort was voelde zij zich geestelijk zeer verlegen. Zij bracht vijf uur in de aanwezigheid van het Woord door en geen van de apostelen wist iets van deze gunst ofschoon ze vermoedden dat er iets buitengewoons geschiedde, gezien de veranderingen in gelaat en houding van hun gezegende vrouwe. Geen van hen durfde echter naar de oorzaak daarvan vragen, gezien hun verlegenheid en eerbied. Zodra zij gewaar werd, dat haar Zoon naar de hemel wenste terug te keren, wierp zij zich opnieuw ter aarde, vroeg Hem zijn zegen en om zijn leiding bij het wegnemen van elke fout in haar houding, tot Hij haar in de toekomst wederom zou bezoeken. Zij vroeg deze gunst omdat de Heer zelf haar had aangeboden haar in haar eenzaamheid te bezoeken. Bovendien had zij zich, meermalen voor zijn hemelvaart (boek 4 par. 698; boek 5 par. 278, 210, 317), aan zijn voeten gevleid in erkenning van haar onwaardigheid en van haar gebrek aan vuur en Hem bedankt voor zijn gunsten, zoals ik reeds in het eerste deel verteld heb. Ofschoon zij zichzelf van geen enkele fout kon beschuldigen omdat zij, als de moeder van alle heiligheid geen zonden bedreef en ook als de moeder van alle wijsheid daartoe niet in staat was, liet de Heer toch toe, dat zij haar grote nederigheid en liefde in waardige erkenning van haar schuld tegenover God, als gewoon schepsel liet blijken. In haar allerverhevenste kennis en deemoed scheen alles wat zij deed slechts een kleine genoegdoening in vergelijking met de bovennatuurlijke weldaden. Deze ongelijkheid weet zij aan zichzelf en ofschoon dit geen fout genoemd kon worden, wenste zij toch de minderwaardigheid van aardse dingen in vergelijk met goddelijke volmaaktheid te erkennen.
  5. Onder de onuitsprekelijke mysteries en gunsten van haar goddelijke Zoon, onze Heiland, waren er ook die verband hielden met de waardige voorbereiding van de apostelen en de leerlingen op de komst van de heilige Geest. De grote koningin wist heel goed hoe achtenswaardig en goddelijk de weldaad was, die de Vader van alle Licht voor hen in petto hield; zij overwoog ook de menselijke genegenheid van de apostelen voor hun meester Jezus. Om dit gebrek in hen te verbeteren en hen in alles te vervolmaken zond zij, als liefhebbende moeder en machtige koningin, ten tijde van haar aankomst in de hemel met haar goddelijke Zoon enige van haar engelen naar het cenakel om haar boodschap aan de gelovigen haar eigen wil en die van haar Zoon kenbaar te maken: dat zij boven zichzelf moesten uitstijgen en in het vervolg meer door geloof en liefde tot God moesten leven dan in de activiteiten van hun vleselijke natuur; dat zij zich niet slechts alleen moesten laten leiden door het aanschouwen van Gods mensheid maar dat deze zou dienen om hen als poort en weg naar de Godheid te voeren, waar zij volledige voldoening en rust zouden vinden. Zulk een raad en aansporing moest de engel op last van de koningin aan de apostelen geven. Toen zij later, na de afdaling uit den hoge weer bij hen was, troostte zij hen in hun verdriet en verslagenheid door elke dag gedurende een uur met hen te spreken over de mysteries van het geloof, zoals zij door haar goddelijke Zoon was onderricht. Zij deed dit echter niet door formele instructie maar meer op de wijze van een conferentie, hen aansporende, ook nog een ander uur van de dag te besteden in discussies onder elkaar over de raadgevingen, beloften, leer en het onderricht van hun goddelijke meester Jezus en een verder deel van de dag door te brengen met het woordgebed, het Onze Vader en enige psalmen en de rest van de tijd door te brengen in geestelijk gebed. Tegen de avond moesten ze wat brood en vis tot zich nemen en dan niet te lang gaan slapen. Door deze gebeden en door dit vasten moesten zij zichzelf in de juiste stemming brengen voor de komst van de heilige Geest.
  6. De waakzame moeder, machtig geworden door de rechterhand van haar goddelijke Zoon, nam deze gelukkige familie onder haar hoede om al hun werken tot de hoogste volmaaktheid te brengen. Na haar afdaling uit de hemel instrueerde zij de apostelen, maar voordat zij deze plicht vervulde, wachtte zij steeds een opdracht daartoe van de heilige Petrus en de heilige Johannes af. Door haar gebeden bewoog zij haar goddelijke Zoon hen te inspireren met deze bevelen, opdat zij hen zou gehoorzamen als zijn plaatsvervangers en priesters. Zo geschiedde alles zoals het geregeld werd door de moeder van de nederigheid en zij gehoorzaamde als een dienares. Afziende van haar aanspraak op haar waardigheid als koningin en vrouwe en geen gebruikmakend van haar soevereiniteit en haar bestuursmacht, gehoorzaamde zij als een dienares en gedroeg zij zich alsof zij een ondergeschikte was en in deze geest onderhield zij zich met de apostelen en de andere getrouwen. Gedurende deze dagen verklaarde zij hen het mysterie van de gezegende Drie-eenheid in verheven, mysterieuze termen, aangepast aan het begrip van allen. Zij verklaarde ook het mysterie van de hypostatische vereniging en dat van de menswording en nog vele andere, die hen reeds onderwezen waren door de Meester, hen zeggende dat zij door de heilige Geest verlichting zouden ontvangen om deze dingen nog beter te kunnen begrijpen.
  7. Zij leerde hen het geestelijke gebed, waarbij zij de nadruk legde op de volmaaktheid en de noodzaak van dit soort gebed, hoe de voornaamste plicht en de meest hoogstaande bezigheid van het redelijke schepsel bestond uit het zichzelf oprichten, door begrip en wil, boven alles wat geschapen is tot de kennis en liefde van God en dat geen andere bezigheid, noch ander doel of bezigheid ooit deze plicht mag verdringen om de ziel deze uitzonderlijke weldaad, het begin van het eeuwige leven en het geluk niet te onthouden. Zij leerde hen ook, hoe de eeuwige Vader te danken voor het geschenk van zijn enige Zoon, onze Verlosser en Meester en voor de liefde waarmee de Heer ons verloste door zijn passie en dood. Zij spoorde hen aan God dank te brengen voor het uitzoeken van hen als zijn apostelen, als zijn metgezellen en stichters van de heilige Kerk. Dat waren de aansporingen en lessen maarmee de hemelse moeder in die tijd de harten van de elf apostelen en de andere leerlingen verlichtte en waarmee zij hen gereed en geschikt maakte om de heilige Geest en zijn goddelijke werking te ontvangen. Aangezien zij de diepste diepten van hun harten doorgrondde en de natuurlijke gesteltenis van elk hunner kende, paste zij zich aan de behoeften, de denkrichting en de genaden van elk hunner aan om hen met vreugde te vervullen en volharding en vertroosting te geven door het in praktijk brengen van de deugden. Zij spoorde hen aan de nederige teraardewerping en andere handelingen, gericht op aanbidding en verheerlijking van de grootheid en majesteit van de Allerhoogste, niet te verwaarlozen.
  8. Elke morgen en avond ging zij naar de apostelen om hun zegen te ontvangen, eerst die van de heilige Petrus, als hun hoofd, dan die van sint Johannes en van de anderen, volgens hun leeftijd. In het begin deinsde zij terug van deze ceremonie omdat ze in haar hun koningin en de moeder van de Meester Jezus zagen. Maar de allervoorzichtigste vrouwe drong er op aan, dat allen haar zouden zegenen als bedienaren en priesters van de Allerhoogste en zij verklaarde hen, dat hun de meest grote eer en respect toekwam uit hoofde van hun grote waardigheid en het hoge ambt! Aangezien dit een soort wedijver in nederigheid ontketende, was het zeker dat de moeder der deemoed zou overwinnen en de leerlingen zouden verliezen en van haar voorbeeld konden leren. Daarenboven waren de woorden van Maria zó minzaam en zo geschikt om hun harten te bewegen, dat zij ze met hemelse kracht voort deed snellen en hen inlichtte over de praktijk van de hoogste volmaaktheid in deugd en heiligheid. Toen ze deze wonderbaarlijke uitwerkingen in zichzelf waarnamen, spraken ze daar onder elkaar over en zeiden:

“Waarlijk, in dit zuivere schepsel hebben wij de leer en de vertroosting, die we nu niet meer van haar Zoon, onze Meester horen, teruggevonden. Haar woorden en daden, haar raadgevingen, haar minzame en lieve gesprekken, zijn geschikt om ons te leren en uit onszelf te halen op dezelfde wijze als het gesprek met de Heer, toen Hij nog in ons midden verkeerde. Onze harten worden ontvlamd door de onderrichting en de aansporingen van dit wonderbaarlijke wezen, zoals dit ook het geval was met Jezus, onze Verlosser. Er is geen twijfel aan dat Hij, als almachtige God, in de moeder van zijn Enig-geborene, zijn eigen goddelijke wijsheid en genade gestort heeft. Wij kunnen nu onze tranen drogen, omdat Hij voor deze onderrichting en troost een moeder en meesteresse heeft geschonken en Hij ons achtergelaten heeft met deze levende ark van het testament, waarin Hij voor ons zijn wet, zijn wonderbare staf en het zoetste manna voor ons onderhoud en welzijn heeft geplaatst”.

  1. Indien de heilige apostelen en de andere eerstgeboren kinderen van de Kerk hadden opgeschreven, wat zij als ooggetuigen hadden meegemaakt van haar daden van uitgelezen wijsheid; wat ze hoorden en wat er alzo geschiedde gedurende de gesprekken met haar over deze lange periode, dan zou onze voorstelling van de hoge en heldhaftige werken van deze oppermachtige vrouwe haar juiste hoogte bereiken. Dan zouden we gezien hebben, dat zowel in de leer die zij onderrichtte als in de wonderen die zij wrochtte, haar allerheiligste Zoon haar een deugd had meegegeven die, ofschoon ze van de Heer kwam als uit een bron, in de hemelse vrouwe op een bepaalde wijze goddelijk bleek en van haar uitging als vanuit een springbron, naar alle stervelingen. De apostelen hadden het geluk om de wateren van de Heiland en de lessen van zijn allerzuiverste moeder uit de originele bron te drinken. Zij ontvingen deze op een tastbare wijze, waardoor ze gereedgemaakt werden voor hun ambt ter bediening bij het stichten van de heilige Kerk en bij het planten van het evangelische geloof in de gehele wereld.
  2. Door het verraad en de dood van Judas, de meest ongelukkige onder alle mensen was zijn ambt, zoals David zegt, opengevallen en was het nodig een ander aan te stellen die waardig was dit apostolaat te vervullen (Ps 108,9). Het was immers de wil van de Allerhoogste, dat het aantal van twaalf, als het juiste aantal voor zijn apostelen, wederom het aantal zou zijn bij de komst van de heilige Geest. Dit decreet van de Heer werd aan de apostelen uitgelegd door de gezegende Maria in één van haar lessen. Zij allen stemden daarin toe en vroegen haar, als hun moeder en meesteresse, er een te kiezen die zij geschikt achtte voor het apostelambt. De heilige vrouwe wist op voorhand wie er gekozen zou worden, want de namen van de twaalf, inclusief die van de heilige Mattias, waren in haar hart geschreven, zoals reeds in het derde hoofdstuk vermeld is. Maar in haar diepe nederigheid en grote wijsheid oordeelde zij het juist (par. 28), dit over te laten aan de heilige Petrus, opdat hij in de nieuwe Kerk het ambt van opperpriester en hoofd, als plaatsvervanger van Jezus Christus, moest gaan uitoefenen. Zij droeg daarom de apostel op om deze verkiezing te houden in bijzijn van alle leerlingen en andere vrouwen, opdat allen zouden kunnen zien, dat hij optrad als hoofd van de Kerk. De heilige Petrus regelde alles in overeenstemming met haar wensen.
  3. Het verloop van deze eerste verkiezing in de Kerk wordt verhaald door de heilige Lucas in het eerste hoofdstuk van de Handelingen van de apostelen. Hij zegt dat in de dagen tussen de hemelvaart van Christus en de komst van de heilige Geest, de apostel Petrus de honderdentwintig personen (Hnd 1,15), die bij de hemelvaart aanwezig waren geweest, tezamen riep en hen herinnerde aan de profetie van David betreffende het verraad van Judas, die als gekozen apostel zich aan het hoofd stelde (Ps 41,10) van degenen die Jezus gevangen hadden genomen en dat men het geld van dit verraad de akker, genaamd Haceldama, gekocht was. Op het einde, zo zei Petrus, had hij zich, onwaardig als hij was voor de goddelijke barmhartigheid, opgehangen, was opengebarsten waarbij zijn ingewanden uit zijn lichaam gevallen waren, zoals bekend was in geheel Jeruzalem. Het was dus passend een nieuwe apostel in zijn plaats te kiezen, om te getuigen van de verrijzenis van de Heiland, in overeenstemming met een profetie van David (Ps 108,9) en dat degene die gekozen zou worden, voortkwam uit degenen die Christus, de Meester, in zijn prediking gevolgd waren sinds zijn doop door Johannes de Doper.
  4. Nadat hij alle getrouwen overtuigd had van de juistheid de twaalfde apostel te kiezen, lieten ze het aan sint Petrus over om de wijze van verkiezing vast te stellen. De apostel beval dan uit de tweeënzeventig leerlingen er twee, Jozef, de rechtvaardige genaamd en Mattias als kandidaten moesten worden aangewezen en dat uit deze twee de opvolger van Judas gekozen moest worden. Allen gingen akkoord met deze wijze van verkiezing, die in die tijd een zeer veilige weg was, aangezien de goddelijke kracht grote wonderen verrichtte voor de vestiging van de Kerk. Zij schreven de twee namen met de titel van leerling en apostel van Christus op evenzoveel kaartjes en plaatsten deze in een vaas, waarin ze niet gezien konden worden. Zij allen begonnen te bidden en vroegen God degene uit te zoeken die Hem aangenaam was, aangezien Hij aller harten kende. De heilige Petrus trok dan een van de loten waarop geschreven stond de naam van Mattias als apostel en leerling van Christus. Mattias werd met vreugde aangenomen als de wettige apostel en de elf omringden hem. De allerheiligste Maria, die bij al deze gebeurtenissen aanwezig was, vroeg zijn zegen, waarop alle gelovigen in navolging van haar dit ook deden. Daarna zetten allen hun gebeden en vasten door tot de komst van de heilige Geest.

Instructie die de koningin van de hemel, de allergezegendste Maria, mij gaf.

  1. “Mijn dochter, gij hebt u terecht verwonderd over de verborgen hemelse gunsten, die ik uit handen van mijn Zoon ontving en over de nederigheid en dankbaarheid, waarmee ik ze ontving, alsook over de liefhebbende aandacht die ik schonk aan de behoeften van de apostelen en de getrouwen van de Kerk, ondanks mijn grote vreugde. Het is tijd, mijn liefste, dat gij de vruchten van deze kennis plukt, want méér kunt gij nu niet begrijpen, maar ik blijf niet minder van u verlangen dan dat gij voor mij een getrouwe dochter bent die mij ijverig navolgt en een leerling die mij aanhoort en mij volgt met heel haar hart. Wek uw geloof dan op om ervan overtuigd te zijn, dat ik macht heb om gunsten uit te delen; dat ik u met niet beknibbelde vrijgevigheid boven al uw verwachtingen gaven en geschenken zal doen toekomen. Maar tegelijkertijd dient gij u te verdeemoedigen tot in het stof en u terug te trekken op de laatste plaats onder alle schepselen, want uit uzelf zijt gij meer onbruikbaar als het laagste en verachtelijkste stof en kunt gij niets opsommen dat van uzelf is dan ellende en armoede. Beschouw in uzelf hoe groot en uitgelezen de minzaamheid en neerbuiging van de Allerhoogste tegenover u is en wat voor soort dank u Hem verschuldigd bent. Indien degene die zijn schulden geheel betaalt geen recht kan doen gelden op bijzondere verdienste, dan is het duidelijk dat gij, die uw schuld niet kunt voldoen, nederig moet blijven, want ook al zwoegt gij zwaar overeenkomstig al uw kracht, dan zult gij toch schuldenares blijven. Hoe groot zal dan wel uw schuld zijn als gij nalatig en onachtzaam bent in uw verplichtingen?
  2. Indien gij deze voorzichtige waakzaamheid begrijpt, hoe nauwgezet moet dan uw navolging van mijn levend geloof, mijn vertrouwvolle hoop en brandende liefde zijn; hoe groot de imitatie in diepe deemoed en in de aanbidding en verering, verschuldigd aan de oneindige grootheid van de Heer. Ik waarschuw u nogmaals tegen de geslepen waakzaamheid van de slang, die tracht de stervelingen af te houden van verering en aanbidding die toekomt aan God en in trots deze deugd en wat daarmee verband houdt, verwerpt. In de harten van de werelds en zondig ingestelden plant hij een dwaze vergetelheid van de katholieke waarheden, opdat het goddelijk geloof de vrees en de aanbidding van de Allerhoogste in hen niet meer levend houdt. Op deze wijze slaagt hij erin, ze gelijk te maken aan de heidenen, die de ware God niet kennen. Anderen die de deugd beoefenen en enige goede werken verrichten, worden door de vijand in een gevaarlijke lauwheid getrokken, waardoor ze over het hoofd zien wat ze verliezen door hun gebrek aan ijver. Zij, die zich met groter ernst op de volmaaktheid toeleggen, bedriegt de draak door hen een bepaald en overdreven vertrouwen bij te brengen zodat zij wegens de giften die zij ontvangen en wegens de goddelijke barmhartigheid die zij ondergaan, zichzelf als speciale uitverkorenen van de Heer gaan beschouwen, waardoor zij de nederige vrees en het eerbetoon vergeten, dat zij moeten ondergaan in de aanwezigheid van Hem, voor wie -zoals de heilige Kerk leert- de machten van de hemel beven. Maar aangezien ik u bij een andere gelegenheid herinnerd heb aan dit gevaar en u daarvoor heb gewaarschuwd, zal ik volstaan met het hier te noemen.
  3. Op deze wijze wens ik, dat gij getrouw en punctueel zult zijn bij de beoefening van deze les, waarbij gij haar toepast op al uw uitwendige handelingen zonder overdrijving en anderen daardoor lerend door uw voorbeeld de vrees en aanbidding van de schepselen voor hun Schepper te beoefenen. Het is mijn wens, dat gij deze kennis in het bijzonder bijbrengt aan uw religieuzen, zodat zij niet onkundig zijn van de nederigheid en eerbied waarmee zij zich tot God moeten wenden. De meest probate les, die gij kunt geven zal het voorbeeld zijn bij de vervulling van al uw verplichtingen, want deze werken moet gij niet in het verborgene verrichten noch overslaan uit vrees voor ijdel vertoon. Dit voorbeeld wordt in groter mate van degenen die anderen leiden verwacht, omdat het hun plicht is om aan te sporen, te bewegen en hun ondergeschikten te begeleiden in heilige vrees voor de Heer, hetgeen beter door het voorbeeld dan door woorden geschieden kan. Spoor hen aan, zeer speciaal de priesters als de gezalfden van de Heer, hoog te houden. Vraag hen, in mijn navolging, steeds om hun zegen bij hun komst en bij hun vertrek. Hoe meer gij uzelf bevoorrecht ziet door de goddelijke vrijgevigheid, des te meer dient gij attent te zijn op de noden en bezoekingen van uw naasten en de gevaren voor hen die gezondigd hebben, waarvoor gij moet bidden in groot geloof en vertrouwen. Want uw liefde voor God kan niet wáár zijn als gij u tevredenstelt met alleen zélf te genieten en intussen uw broeders te vergeten. Gij moet ijverig streven naar het hoogste Goed, waarvan gij alles afweet en waarin gij deelhebt, beschikbaar te stellen voor alle mensen, want geen is daarvan uitgesloten aangezien allen Gods hulp behoeven. In mijn liefde zult gij kunnen begrijpen hoe gij mij in alle dingen moet navolgen”.

De nederdaling van de heilige Geest over de apostelen en de andere gelovigen.  Verdere, zeer verborgen mysteries, die bij die gelegenheid voorvielen.

  1. In het gezelschap van de grote koningin van de hemel en bemoedigd door haar, wachtten de twaalf apostelen en de rest van de leerlingen en gelovigen in blijde stemming op de vervulling van de belofte van de Heiland, dat Hij hen de heilige Geest, de Trooster, zou zenden die hen zou instrueren over alles wat zij gehoord hadden bij het onderricht wat ze van de Heer ontvangen hadden (Joh 14,26). Zij waren zo eensgezind en in liefde verenigd, dat geen van hen gedurende deze dagen neigingen of gedachten had gekoesterd die afweken van die van de anderen. Zij waren één van hart en ziel in gedachten en handelingen. Ofschoon de verkiezing van de heilige Mattias had plaatsgevonden, was er geen beweging of teken van afgunst, geen wanklank gehoord onder deze eerstgeborenen van de Kerk en toch was dit een gebeurtenis, die dikwijls verschil van mening kan oproepen bij degenen, die overigens zeer goed gestemd zijn, omdat iedereen graag zijn eigen inzicht volgt en niet gemakkelijk instemt met de mening van anderen. Maar in deze heilige congregatie had de tweedracht haar intrede niet gedaan, omdat ze verbonden waren in gebed, in het vasten en in de verwachting van de heilige Geest, die zijn tenten niet opslaat in verscheurde en niet-toegevende harten. Om enigszins te beseffen hoe machtig deze eenheid in liefde was, niet slechts om hen geschikt te maken tot het ontvangen van de heilige Geest, maar ook tot afweer en verjaging van de kwade geesten, moet ik hier aan toevoegen, dat de duivelen, die sedert de dood van de Heiland terneergeslagen in de hel hadden gelegen, in zichzelf een nieuw soort onderdrukking en terreur voelden, die te danken was aan de deugdbeoefening van degenen die in het cenakel verzameld waren. Ofschoon ze dit niet konden verklaren, voelden ze een nieuwe schrikaanjagende kracht van die plaats uitgaan en toen ze de uitwerkingen van de leer en het voorbeeld van Christus ondervonden in het gedrag van de leerlingen, vreesden zij de ondergang van hun rijk.
  2. De koningin van de engelen, de allerheiligste Maria, wist in de volheid van haar wijsheid en genade de tijd en het vastgestelde uur voor de zending van de heilige Geest over de apostelen. Toen de dag van Pinksteren aanbrak (Hnd 2,1), -dit geschiedde vijftig dagen na de verrijzenis van de Heer, onze Verlosser- zag de allergezegendste moeder hoe in de hemel de mensheid van het Woord met de eeuwige Vader overlegde inzake de belofte, de goddelijke Trooster naar de apostelen te zenden en dat de tijd, vooraf bepaald door zijn oneindige wijsheid om het geloof te planten en al zijn gaven aan zijn heilige Kerk te schenken, nabij was. De Heer verwees ook naar de verdiensten die Hij, in het vlees, door zijn allerheiligst leven, zijn passie en dood verdiend had; naar de wonderen die door Hem gewrocht waren tot redding van het menselijke geslacht en naar het feit, dat Hij de Middelaar, de Advocaat en de Schakel was tussen de eeuwige Vader en de mensen en dat onder dezen zijn allerliefste moeder woonde, waarin de goddelijke Personen zoveel behagen schepten. Hij smeekte zijn Vader ook dat naast het brengen van genade en van onzichtbare gaven, de heilige Geest in de wereld in zichtbare vorm zou verschijnen om de evangelische wet op deze wijze te eren voor de gehele wereld; dat de apostelen en de getrouwen die de goddelijke waarheid zouden moeten verbreiden, aangemoedigd zouden worden en dat de vijanden van de Heer, die Hem in dit leven vervolgd en veracht hadden, tot aan zijn dood op het kruis, van vrees vervuld zouden worden.
  3. Dit gebed van onze Verlosser in de hemel werd ondersteund door de allerheiligste Maria op aarde op een wijze, die de barmhartige moeder van de gelovigen paste. Plat ter aarde, in de vorm van een kruis en onder de grootst mogelijke nederigheid, zag zij hoe in de boezem van de heilige Drie-eenheid het verzoek van de Heiland gunstig ontvangen werd en hoe, om dit te vervullen en uit te voeren, de Personen van de Vader en de Zoon, de oorsprong van waaruit de heilige Geest voortkomt, de actieve opdracht van de heilige Geest bepaald werd, want aan deze twee wordt de zending van de derde Persoon toegeschreven, omdat Hij van Beiden uitgaat. En de derde Persoon nam zonder weerstand deze zending op zich en stemde toe, naar de wereld te gaan. Ofschoon alle drie goddelijke Personen en hun activiteiten voortkomen uit dezelfde oneindige en eeuwige wil zonder enige ongelijkheid, verrichten toch dezelfde machten, die in alle Personen ondeelbaar en gelijk zijn, bepaalde werken ‘ad intra’ in elke Persoon, die niet in de anderen zijn en zo wordt het begrip verwekt in de Vader, niet in de Zoon, die verwekt is en de wil ademt voort uit de Vader en de Zoon en niet uit de heilige Geest, die voortgeademd wordt. Om deze reden wordt gezegd, dat de Vader en de Zoon, als het actieve principe, de heilige Geest ‘ad extra’ zenden, terwijl aan deze Laatste wordt toegeschreven, de Gezondene te zijn, alsof dit op passieve manier zou geschieden.
  4. Op de morgen van Pinksteren spoorde de gezegende maagd Maria de apostelen, de leerlingen en de godsvruchtige vrouwen, tezamen ongeveer honderdentwintig personen, aan, met nog groter ijver te bidden en hun vertrouwen te vernieuwen, aangezien het uur nabij was, waarop ze zouden bezocht worden door de goddelijke Geest vanuit de hoge. Op het derde uur, toen allen rond hun hemelse meesteresse verzameld waren en in gebed verzonken, weergalmde de lucht van een zware donderslag en het waaien van een hevige wind vermengde zich met de schittering van vuur of bliksem, die op het huis met het cenakel als middelpunt, neerdaalde. Het huis was in licht gebaad en het goddelijke vuur werd uitgestort over allen, die in deze bijeenkomst aanwezig waren. Over de hoofden van elk  van de honderdentwintig personen verscheen een tong van datzelfde vuur, waarin de heilige Geest gekomen was, waardoor iedereen vervuld werd door goddelijke impulsen en hemelse gaven, die in het cenakel en in geheel Jeruzalem tezelfdertijd de meest uiteenlopende gevolgen met zich brachten, afhankelijk van de verschillen tussen de personen die daardoor getroffen waren.
  5. De uitwerking van de nederdaling in de allerheiligste Maria was geheel goddelijk en wonderschoon in de ogen van de hemelse hovelingen, want wij mensen zijn nauwelijks in staat deze te begrijpen en te verklaren. De allerzuiverste vrouwe werd herschapen en verheven in God, want zij zag duidelijk en intuïtief de heilige Geest en genoot voor een korte tijd het zalig schouwen van de Godheid. Zij ontving meer goddelijke impulsen en gaven dan de gehele rest van de heiligen. Haar glorie in die tijd overtrof die van de engelen en de rechtvaardigen in de hemel. Zij gaf, geheel alleen, meer glorie, lof en dank aan de Heer dan geheel het heelal, voor de zegen van de nederdaling van zijn heilige Geest over zijn Kerk en voor de vele malen herhaalde beloften Hem te zenden en niet alleen te laten tot het einde der tijden. De gezegende Drie-eenheid was zó verheugd over het gedrag van Maria bij deze gelegenheid, dat zij zich volledig vergolden en schadeloos gesteld achtte voor de schepping van de wereld en niet slechts schadeloos gesteld, maar God handelde alsof Hij onder een bepaalde verplichting stond om zulk een schepsel-zonder-weerga te bezitten, waarop de Vader kon neerzien als een dochter, de Zoon als zijn moeder en de heilige Geest als zijn bruid en die Hij (alles in onze wijze van denken) nu verplicht was te bezoeken en te verrijken, na haar zo’n hoge waardigheid geschonken te hebben. In deze verheven en gezegende bruid waren alle giften en genaden van de heilige Geest vernieuwd, waardoor nieuwe uitwerkingen en activiteiten geschapen werden die alle ver boven ons bevattingsvermogen liggen.
  6. De apostelen waren eveneens, zoals de heilige Lucas zegt (Hnd 2,4) vervuld van de heilige Geest, want zij ontvingen een wonderbaarlijke toename van heiligmakende genade tot een zeer verheven graad. De twaalf apostelen werden bevestigd in deze heiligmakende genade en zouden deze nooit verliezen. In hen allen werden, overeenkomstig ieders conditie, de gesteldheden van de zeven gaven: Wijsheid, Begrip, Wetenschap, Godsvrucht, Raad, Sterkte en Vrees gestort. Door deze schitterende zegen, even nieuw als bewonderenswaardig in deze wereld, werden de twaalf apostelen geschapen tot passende bedienaren van het nieuwe testament en grondvesters van de evangelische Kerk (2Kor 3,6) voor de gehele wereld, want deze nieuwe genade en zegeningen brachten hen goddelijke kracht, probaat en lieflijk en maakten hen geneigd de meest heldhaftige deugden te beoefenen en de hoogste heiligheid te bereiken. Zo gesterkt baden zij, zwoegden zij gewillig tot het verwezenlijken van de meest moeilijke en veeleisende taken, verrichtten hun werkzaamheden zonder morren of omdat het moest, maar onder de grootste vreugde en opgewektheid.
  7. In alle andere leerlingen en gelovigen, die de heilige Geest in het cenakel ontving, had de Allerhoogste in verhouding dezelfde uitwerking, behoudens dat ze niet in de genade bevestigd werden zoals dit het geval was met de apostelen. Overeenkomstig ieders toestand werden giften en genaden in grotere of geringere overvloed uitgestort met het oog op de bediening, welke zij in de heilige Kerk zouden moeten bekleden. Dezelfde verhouding werd aangelegd met betrekking tot de apostelen, zodat de heilige Petrus en de heilige Johannes speciale gunsten ontvingen wegens de hoge ambten die ze zouden moeten bekleden, de een om de Kerk te leiden als haar hoofd en de ander als metgezel en dienaar van de koningin en meesteresse van hemel en aarde, de allerheiligste Maria. De heilige tekst van de heilige Lucas zegt dat de heilige Geest het gehele huis, waarin deze gelukkige bijeenkomst gehouden werd  (Hnd 2,2) vervulde, niet slechts omdat allen vervuld waren met de heilige Geest en zijn bewonderenswaardige gaven, maar omdat het huis zélf vervuld was met wonderschoon licht en pracht. Deze volheid van wonderen en bijzondere voorvallen vloeide over en deelde zich mee aan anderen, buiten het cenakel, want het veroorzaakte onderscheiden en afwisselende uitwerkingen van de heilige Geest onder de inwoners van Jeruzalem en omstreken. Al degenen die met enige godsvrucht medelijden getoond hadden met onze Heiland Jezus in zijn passie en dood en getracht hadden zijn allerzwaarste kwellingen af te wenden en zijn heilige Persoon vereerd hadden, werden innerlijk bezocht door een nieuw licht en nieuwe genaden, die hen later in staat stelden de leer van de apostelen te aanvaarden. Zij, die door de eerste preek van de heilige Petrus bekeerd waren, waren bijna allen betrokken geweest, door hun medelijden en smart, bij het lijden en de dood van onze Heiland en hadden op deze wijze grote verdiensten verworven. Andere rechtvaardigen, die zich in Jeruzalem buiten het cenakel bevonden, voelden eveneens grote innerlijke vertroosting, waardoor zij bewogen en voorbestemd werden door nieuwe genade-impulsen in ieder van hen door de heilige Geest verwekt.
  8. Niet minder wonderbaarlijk, ofschoon meer verborgen, waren enige tegengestelde effecten die door de heilige Geest op die dag in Jeruzalem geschapen werden. Door de verschrikkelijke donder en hevige beweging van de atmosfeer en de bliksemflitsen die zijn komst begeleidden, bracht Hij de vijanden van de Heer in die stad, ieder naar eigen boosaardigheid en trouweloosheid, in verwarring en beangstigde hen ten zeerste. Deze straf werd het duidelijkst ondervonden door degenen die daadwerkelijk hadden meegewerkt om de dood van Christus te verwezenlijken en die zich onderscheiden hadden in krankzinnige woede tegen Hem. Zij allen vielen met hun gezicht ter aarde en bleven gedurende drie uur in deze houding. Zij, die de Heer gegeseld hadden, snakten plotseling naar adem, terwijl hun bloed uit hun aderen spatte als straf voor het doen stromen van het bloed van de Meester. De vermetele dienaar die de Heer geslagen had, stierf plotseling en werd met lichaam en ziel in de hel geworpen. Andere Joden, alhoewel zij niet stierven, werden gekastijd met afgrijselijke pijnen en aangetast door vreselijke ziekten. Deze ongeregeldheden, gevolgen van het doen vloeien van het bloed van Christus, zouden doorwerken in hun nageslacht en tastten, zelf in onze dagen, hun kinderen met afschuwelijke onreinheden aan. Deze straffen werden berucht in Jeruzalem ofschoon de priesters en farizeeën ijverig trachtten dit geheim te houden zoals zij ook gedaan hadden met de verrijzenis van de Heiland. Aangezien deze voorvallen niet zo belangrijk waren, schreven noch de apostelen noch de evangelisten daarover. In de verwarring van de grote stad vergat de menigte alras deze gebeurtenissen.
  9. De kastijding en hevige schrik waren ook te merken in de diepte van de hel, waar de duivelen zich door nieuwe verwarring en verdrukking gedurende drie dagen voelden aangetast, juist zoals de Joden op aarde drie uur werden geteisterd. Gedurende deze drie dagen stootten Lucifer en zijn duivelen een verschrikkelijk gebrul uit en teisterden met nieuwe angsten en verwarringen alle vervloekten. O onuitsprekelijke sterke Geest! De heilige Kerk noemt U de vinger van God omdat Gij van de Vader en de Zoon voortkomt als de vinger van de arm en het lichaam, maar bij deze gelegenheid werd mij geopenbaard, dat Gij dezelfde oneindige macht hebt als de Vader en de Zoon. Door uw koninklijke aanwezigheid worden hemel en aarde bewogen door tegengestelde krachten op één en dezelfde tijd, maar ze zijn gelijk aan die welke ten tijde van het laatste oordeel zullen optreden. De heiligen en de rechtvaardigen vervult U met uw genade, uw gaven en uw onuitsprekelijke vertroostingen en de goddelozen en trotsen kastijdt Gij en werpt Gij ter aarde in verwarring en kwellingen. Waarlijk, hier zie ik vervuld wat Gij door de mond van David zegt, dat Gij een God der wrake zijt en vrijuit uw werk verricht, straf uitdelend aan de zondaars, opdat ze niet gloriëren in hun boosheid, noch in hun hart zeggen, dat Gij zoudt falen in het onderkennen van hun daden en hun zonden niet zoudt opmerken en ongestraft zoudt laten (Ps 94,1).
  10. Laat de lauwen in deze wereld dan begrijpen en de dwazen gewaarschuwd zijn, dat de Allerhoogste de ijdele gedachten van de mensen bekend is en dat, indien Hij vrijgevig en minzaam is voor de rechtvaardigen, Hij evenzeer gestreng is in het bestraffen van de zondaars. Het was passend, dat de heilige Geest zich bij deze gelegenheid zowel aan de eersten als aan de tweeden liet zien, want Hij kwam voort uit het mensgeworden Woord, dat de menselijke natuur had aangenomen voor het welzijn van de mensen; Die gestorven was voor hun redding en lijden en beledigingen ondergaan had zonder zijn mond te openen of genoegdoening te zoeken voor deze wandaden. Bij de komst in deze wereld was het juist, dat de Geest met grote ijver op zou komen voor de eer van ditzelfde mensgeworden Woord. Ofschoon Hij niet al zijn vijanden strafte, deed Hij door het bestraffen van de grootste schuldigen duidelijk uitkomen wat anderen, die Hem hadden getergd in hun koppige trots, indien zij zich niet bekeerden en berouw toonden, te verwachten hadden. Het was ook passend dat de weinigen die het Woord ontvangen hadden en Hem als hun Meester en Verlosser gevolgd waren en degenen die zijn geloof en leer zouden gaan prediken, beloond en uitgerust werden met de juiste middelen om de Kerk en de evangelische wet te stichten. De apostel zegt, dat het verlaten van vader en moeder en het zich verbinden met een vrouw (zoals ook Mozes gezegd had) een groot sacrament is in Christus en de Kerk (Gn 2,24; Ef 5,32), omdat Hij nederdaalde van de boezem van de Vader om zich daarmee te verenigen in zijn mensheid. Aangezien Christus dan uit de hemel kwam om met zijn bruid, de Kerk te zijn, is het duidelijk, dat de heilige Geest neerdaalde voor de allerheiligste Maria, die niet minder zijn bruid was dan Christus’ Kerk ten opzichte van Christus en die niet minder geliefd was door Hem dan de Kerk de geliefde was van Christus.

Instructies die de grote koningin van de hemel en onze vrouwe mij gaf.

  1. “Mijn dochter, de kinderen van de Kerk houden de weldaad van de Allerhoogste, waarbij Hij naast de zending van zijn Zoon als hun Meester en Verlosser, ook de heilige Geest in zijn Kerk zond, slecht in ere. Zó groot was de liefde, waarmee Hij trachtte hen naar zichzelf toe te trekken, dat Hij hen eerst zijn Zoon, die Wijsheid is (Joh 3,16), zond om hen dragers te maken van zijn goddelijke volmaaktheden en daarmee de heilige Geest, die liefde is, zodat allen verrijkt zouden worden op de wijze waartoe zij in staat waren. De goddelijke Geest wenste zijn nederdaling -voor de eerste keer- over de apostelen en de anderen rond hen verzameld voor de rest van de kinderen van de Kerk beschouwd te zien als borg en bewijs, dat Hij ook hen dezelfde gunsten en genaden zou schenken, indien allen zich openstelden om Hem te ontvangen. Als bewijs voor deze waarheid daalde de heilige Geest op velen neer in zichtbare vorm en onder zichtbare tekenen, omdat ze werkelijk getrouwe dienaren waren, nederig en ernstig, zuiver en in hun hart bereid om Hem te ontvangen. Zelfs in deze tijden komt Hij nog naar vele rechtvaardige zielen, ofschoon niet met zulke open manifestaties, want dat is noch geschikt, noch noodzakelijk. De innerlijke uitwerking en de gaven zijn alle van dezelfde natuur; zij werken, afhankelijk van de toestand en de staat van degene, die ze ontvangt.
  2. Gezegend is de ziel die verlangt en haakt naar deze weldaad en wenst deel te hebben aan dit goddelijke vuur dat verwarmt, verlicht en alles verteert wat aards en vleselijk is; dat zuivert en opheft tot een nieuw bestaan, een eenheid en deelgenootschap met God zelf. Dit geluk wens ik u, mijn dochter, als ware en liefhebbende moeder toe. Ik hoop, dat gij dit in zijn volheid bereiken kunt; ik spoor u nogmaals aan, uw hart voor te bereiden door onschendbare rust en vrede te bewaren bij alles wat u overkomt. De goddelijke barmhartigheid wenst u op te heffen tot een verheven en veilige woonplaats, waar de kwellingen van uw geest zullen ophouden en waar de aanvallen van wereld noch hel u kunnen bereiken, waar de Heer in uw eigen rust zal rusten en in u een waardige woonplaats en een tempel zal vinden voor zijn glorie. Gij zult de aanvallen en de bezoekingen van de draak tegen u niet kunnen ontlopen, maar blijf leven in voortdurende oplettendheid, zodat gij niet verward of verontrust wordt in het binnenste van uw ziel. Bescherm uw schatten in het geheim; geniet van de vreugden die de Heer u bereidt, de lieflijke gevolgen van zijn kuise liefde, de invloeden van zijn heilige wijsheid, want wat dit betreft heeft Hij u onder vele generaties uitgezocht en met de grootste vrijgevigheid behandeld.
  3. Wees dan voorzichtig met uw roeping en verzeker u ervan, dat de Allerhoogste u opnieuw het deelgenootschap en de gemeenschap met de heilige Geest en al zijn gaven blijft schenken. Herinner u echter dat, indien Hij deze schenkt, Hij de vrijheid van uw wil niet van u wegneemt, want Hij laat de keuze tussen goed en kwaad steeds over aan de persoon zelf. Daarom moet gij, vertrouwende op de goddelijke gunst, zorgvuldig zijn in uw besluit mij na te volgen in de werken die u van mijn leven getoond worden en nooit de uitwerking van de giften van de heilige Geest verhinderen. Opdat gij deze, mijn leer, nog beter zult begrijpen, zal ik u de uitwerking van zijn zeven gaven verklaren.
  4. De eerste, de gave van WIJSHEID vervult de geest met de kennis en de vreugde van goddelijke zaken en beweegt het hart tot ware liefde voor de praktijk en beoefening van alles wat goed is, alles wat best is, volmaakt en aangenaam in de ogen van de Heer. Met deze impuls moet gij meewerken, uzelf geheel overgevend aan het welbehagen van zijn goddelijke wil en alles verachtend dat u zou kunnen hinderen, onafhankelijk van het feit hoe aangenaam het schijnt voor uw neigingen en verlokkend voor uw begeerten. Wijsheid wordt geholpen door de tweede gave, het VERSTAND, dat extra licht geeft om diepgaand door te dringen in de problemen, die aan het begrip worden voorgelegd. Met deze gave moet gij meewerken door uw belangstelling af te wenden, uw gedachten te onttrekken van alle vreemde gebieden van kennis, die de duivel, hetzij door hemzelf of door andere schepselen, voor uw geest zal toveren om u te verstrooien en u ervan te weerhouden diep door te dringen in de waarheid van de goddelijke zaken. Dit soort verstrooiing verwart de geest ten zeerste, want de twee soorten kennis zijn onverenigbaar met elkaar en telkens wanneer de beperkte vermogens van een mens verdeeld worden in hun aandacht over de onderwerpen, dringen ze minder diep daarin door, dan wanneer al hun activiteiten op één onderwerp gericht waren. Hierin wordt bewaarheid wat het evangelie zegt: dat niemand twee heren kan dienen (Mt 6,24). Als de gehele aandacht van de ziel op deze wijze gericht is op begrip van het goede, dan is de derde gave: STERKTE nodig, om vastberden alles uit te voeren wat het verstand als allerheiligst, volmaakt en aangenaam voor de Heer heeft waargenomen. De moeilijkheden en beletselen bij het najagen van het goede dienen overwonnen te worden door sterkte, waarbij het schepsel gereedgemaakt wordt om te lijden, te zwoegen in smart, om niet vervreemd te worden van het ware en hoogste Goed dat tot zijn kennis gekomen is.
  5. Maar het geschiedt dikwijls dat natuurlijke onkunde en twijfel, gepaard aan bekoringen, het schepsel weerhouden de besluiten en gevolgen van de goddelijke waarheid te volgen en op deze wijze beletselen vormen voor het beoefenen van wat het volmaaktste is. Daarom geeft God, tegen de valse voorzichtigheid van het vlees, de vierde gave, de KENNIS die licht geeft om onderscheid te kunnen maken tussen twee soorten goed, de meest zekere en veilige weg leert en daarover beslist, indien noodzakelijk. Daarbij komt nog de gave van de GODSVRUCHT, de vijfde gave, die de ziel met zachte drang neigt naar alles wat waarlijk aangenaam en aanvaardbaar is voor de Heer en wat tot werkelijk geestelijk voordeel is voor degenen die dit beoefent. Zij doet de schepselen deze dingen niet door de natuurlijke hartstochten najagen maar door heilige, volmaakte en deugdzame motieven! Dan is er nog de zesde gave, RAAD genaamd, opdat de mens geleid zal worden door grote voorzichtigheid. Zij ondersteunt het begrip, opdat er met exactheid opgetreden wordt en niet met stoutmoedigheid; de middelen afwegend en in zichzelf te rade gaande en op discrete wijze met anderen overleggend wat de juiste middelen in elk geval moeten zijn. Daar komt als laatste en zevende gave nog de VREZE bij, die alle andere beschermt en haar zegel op alle drukt. Deze gave neigt het hart om te vluchten en alles te vermijden wat onvolmaakt is, alles wat gevaarlijk of vreemd is aan deugd en volmaaktheid van de ziel en de ziel dus dienende als een beschermende muur. Het is noodzakelijk het voorwerp en de wijze van optreden van deze heilige vreze te begrijpen, opdat zij niet overdreven wordt en het schepsel doet vrezen waar dit niet nodig is. Zoiets is u meermalen overkomen door de sluwheid van de slang toen hij, onder het mom van de heilige vrees, u trachtte te verstrikken in ongeregelde verlangens naar de weldaden van de Heer. Maar door deze instructie weet gij nu, hoe u van de heilige vreze gaven van de Allerhoogste moet verwerven en uzelf voor hen geschikt dient te maken. Ik herinner u er aan en vermaan u, dat deze wetenschap van de heilige vreze is de vergezeller van de gaven, die u van de Allerhoogste ontvangen hebt en dat zij de ziel met lieflijkheid, vrede en rust vervult. Zij stelt het schepsel op juiste wijze in staat de gaven op juiste waarde te schatten. Zij komt uit de machtige hand van de Almachtige, geen van hen is onbelangrijk noch verhindert deze vreze een juiste schatting van elk hunner. Zij spoort de ziel aan dank te betuigen met al haar krachten en zichzelf tot in het stof te verdeemoedigen. Door deze waarheden te begrijpen, zonder fouten daarbij te maken en door de lafhartige vrees van slaven te onderdrukken, zult gij vervuld worden van kinderlijke vreze, die u als leidster zal helpen om veilig deze oceaan van tranen te bevaren”.

 

 

Jezus stijgt op ten Hemel

Standaard

Uit het boek “De mystieke stad Gods”, deel 6; visioenen aan moeder Abdis Maria van Agreda o.i.c. – Greeth’s Blog https://greeth.wordpress.com/2010/05/10/jezus-stijgt-op-ten-hemel-waar-gebeurd-verhaal/

easter27bChristus, onze Verlosser, stijgt op ten Hemel, gevolgd door alle heiligen in zijn gezelschap; Hij laat zijn heilige Moeder tot Hem komen en stelt Haar in het bezit van de glorie.

  1. Het veelbelovende uur, waarin de Enig-geborene van de eeuwige Vader, na vanuit de hemel te zijn nedergedaald om het menselijk vlees aan te nemen, zou opstijgen, op eigen kracht, op wonderbaarlijke wijze, naar de rechterhand van God, de Erfgenaam van zijn eeuwigheden, één en gelijk aan Hem in natuur en oneindige glorie, brak aan. Hij moest ook opklimmen, omdat Hij tevoren de laagste regionen van deze aarde had bezocht (Ef 4,9), na alles vervuld te hebben wat geschreven en geprofeteerd was over zijn komst in deze wereld, zijn leven, dood en de verlossing van de mensen en na als de Heer van al het geschapene te zijn doorgedrongen tot het midden van de aarde. Door deze hemelvaart bezegelde Hij alle mysteries en verhaastte de vervulling van zijn belofte, in overeenstemming waarmee Hij, met de Vader, de Trooster naar zijn Kerk zou zenden, nadat Hijzelf ten hemel zou zijn opgeklommen. Om deze feestelijke en geheimenisvolle dag te vieren had Christus, onze Heer, als getuigen gekozen de honderd en twintig personen, die Hij in het cenakel had toegesproken. Zij bestonden uit de allerheiligste Maria, de elf apostelen, de tweeënzeventig leerlingen, Maria Magdalena en Lazarus, haar broer, de andere Maria’s en de gelovige mannen en vrouwen, die tezamen het bovengenoemde aantal van honderd en twintig uitmaakten.
  2. Met deze kleine kudde en zijn allergezegendste moeder aan zijn zijde, verliet onze goddelijke Herder Jezus het cenakel en leidde Hij hen allen door de straten van Jeruzalem. De apostelen en al hun volgelingen gingen in de richting van Betanië, dat niet meer dan een halve mijl over de top van de Olijfberg gelegen was. Een gezelschap, bestaande uit engelen en heiligen uit het voorgeborchte, volgde de Overwinnaar, nieuwe lofgezangen zingend, ofschoon slechts Maria het voorrecht had hen te zien. De verrijzenis van Christus van Nazareth was als een lopend vuur door Jeruzalem en Palestina gegaan. Ofschoon de trouweloze en boosaardige prinsen en priesters de valse getuigenis over het ontvreemden van het lichaam hadden verspreid, wilden toch maar weinigen hun getuigenis aanvaarden of daar geloof aan hechten. De goddelijke Voorzienigheid had het zo geregeld, dat geen van de inwoners van de stad en geen van de ongelovigen of twijfelaars enige aandacht zouden besteden aan deze heilige optocht of deze zouden hinderen op zijn weg vanuit het cenakel. Allen, uitgezonderd de honderd en twintig rechtvaardigen, die door de Heer waren uitverkoren om getuige te zijn van zijn Hemelvaart, werden ten rechte gestraft door het verborgen houden van dit wonderbaarlijke mysterie. Het Hoofd van de processie bleef onzichtbaar voor hen.
  3. Onder de geheimhouding, die de Heer hen verzekerde, bestegen allen de Olijfberg tot aan het hoogste punt. Daar vormden zij drie koren, een van engelen, een van heiligen en een derde van apostelen en getrouwen, wederom gesplitst in twee groepen, terwijl Christus hen allen voorging. Toen wierp de allervoorzichtigste moeder zich ter aarde aan de voeten van haar Zoon en terwijl zij Hem onder de grootste nederigheid aanbad, vroeg zij Hem zijn laatste zegen. Alle getrouwen die daar aanwezig waren, volgden haar na: zij deden hetzelfde. Wenend en zuchtend vroegen zij de Heer of Hij nu het koninkrijk van Israël zou herstellen. De Heer zei, dat dit een geheim was van de eeuwige Vader en dat dit niet aan hen zou worden meegedeeld. Maar voor de periode waarin zij leefden was het noodzakelijk en passend, dat zij de heilige Geest zouden ontvangen en dat zij zouden prediken, in Jeruzalem, in Samaria en in de gehele wereld en de geheimenissen van de verlossing van de wereld zouden bekend maken.
  4. Nadat Jezus afscheid had genomen van deze heilige en gelukkige bijeenkomst, vouwde Hij zijn handen en terwijl zijn gelaat vrede en majesteit uitstraalde, begon Hij uit eigen kracht van de aarde op te stijgen onder achterlating van de afdrukken van zijn voeten. Zacht voortwiekend naar de hogere regionen trok Hij ogen en harten van zijn eerstgeboren kinderen, die onder zuchten en tranen blijk gaven van hun gevoelens voor Hem, naar zich toe.  En aangezien het passend is, dat bij het voortbewegen van de eerste oorzaak van elke beweging ook de lagere sferen zich in beweging zetten, trok de Heiland Jezus de hemelse koren van engelen -enigen met lichaam en ziel, anderen uitsluitend wat betreft hun ziel- met zich mee. Allen werden in hemelse volgorde opgeheven van de aarde; zij vergezelden hun Koning, Leider en Hoofd. Het nieuwe en mysterieuze sacrament dat de rechterhand van de Allerhoogste bij deze gelegenheid voor zijn moeder verrichtte was, dat Hij haar met Hem deed opstijgen om haar in het bezit te stellen van de glorie, die Hij voor haar als zijn ware moeder bereid had en die zij door haar verdiensten had verworven voor zichzelf. Deze genade had de grote koningin reeds verkregen voordat het feit zelf plaatsvond, want haar goddelijke Zoon had haar dit geschenk aangeboden in de tijd, die Hij met haar, na zijn verrijzenis verbleef. Opdat dit sacrament een geheim zou blijven voor alle andere levende schepselen in die tijd en opdat de hemelse meesteresse aanwezig zou zijn in de bijeenkomst van de apostelen en de getrouwen, die de komst van de heilige Geest verwachtten, (Hnd 1,14), maakte de goddelijke kracht het aan de gezegende moeder mogelijk tegelijk in twee plaatsen te zijn. Zij zou met de kinderen van Christus, gedurende hun verblijf in het cenakel, verblijven en tezelfdertijd opstijgen met de Verlosser van de wereld, naar zijn hemelse troon, waar zij voor drie dagen zou verwijlen. Daar kon zij al haar krachten en vermogens ten volle gebruiken, iets wat haar in het Cenakel onmogelijk was.
  5. De allergezegendste vrouwe werd opgeheven met haar goddelijke Zoon en aan de rechterhand geplaatst in vervulling van wat David zei: “De koningin zat aan zijn rechterhand, gekleed in gulden kledij door de pracht van zijn glorie en omgeven door de verscheidenheid van zijn gaven en genaden, ten aanschouwen van de opstijgende engelen en heiligen”.  Opdat dit verbazingwekkende mysterie de godsvrucht en het geloof van de getrouwen moge verlevendigen en dat het hen ertoe moge brengen, de Schepper van dit uitzonderlijke en onvoorstelbare wonder te verheerlijken, deel ik wederom allen die dit lezen mee, dat vanaf de tijd dat de Allerhoogste mij opdroeg en later gedurende vele jaren het bevel herhaalde om deze geschiedenis te schrijven, Hij aan mij verschillende mysteries en grote geheimenissen heeft meegedeeld, gedeeltelijk reeds beschreven en gedeeltelijk nog te schrijven, want de verheven natuur van deze geschiedenis maakte een dusdanige voorbereiding en voorbeschikking noodzakelijk. Ik heb deze openbaringen niet alle tegelijk ontvangen, want de begrenzing van een schepsel zou een dergelijke overmaat niet verdragen. Maar opdat ik in staat zou zijn alles te beschrijven, werd mij voor elk mysterie in het bijzonder nieuw inzicht gegeven. Dit soort inzicht werd mij gewoonlijk gegeven op de feesten van Christus onze Heer en op die van de hemelse vrouwe. Het grote sacrament van Maria’s tenhemelopneming met haar goddelijke Zoon op zijn hemelvaart en van het verblijf van haar tezelfdertijd in het cenakel, werd mij in vele opeenvolgende jaren getoond op het feest van de hemelvaart van Christus.
  6. Indien de goddelijke waarheid gekend wordt en wordt overwogen in God zelf, waarin slechts Licht is zonder schijn van duisternis en waar zowel het voorwerp als de oorzaak duidelijk is, dan wordt er zekerheid geschapen zonder enige twijfel (1 Joh 1,5). Maar zij die deze mysteries van anderen horen, dienen hun vroomheid op te wekken en geloof te vragen in die dingen die duister lijken. Uit deze overweging voel ik aarzeling om over het verborgen sacrament van dit bezoek van onze koningin aan de hemel te schrijven, ware het niet dat het weglaten van zulk een groot en belangrijk wonder een ernstig hiaat in deze geschiedenis zou betekenen. Deze aarzeling beving mij, toen ik voor de eerste keer in kennis werd gesteld van dit mysterie, maar nu, na alreeds in het eerste deel te hebben verteld, dat het kind Maria bij haar geboorte werd opgeheven tot de hoogste hemel en in het tweede deel, dat zij twee keer werd opgeheven gedurende de negen dagen van voorbereiding voor de menswording, aarzel ik niet meer om dit wonder te beschrijven. Als de goddelijke kracht zulke bewonderenswaardige genaden aan de gezegende Moedermaagd schonk, voordat zij de moeder van God werd, dus gedurende de voorbereiding op deze waardigheid, zal het nog meer geloofwaardig zijn, dat Hij dit zou herhalen, nadat zij geconsacreerd was, door Hem in haar maagdelijke schoot te  dragen,

-nadat zij Hem gevormd had uit haar zuiver bloed,

-na Hem aan haar borst gevoed te hebben en

-Hem grootgebracht te hebben als een ware Zoon, na Hem dertig jaar gediend te hebben,

-Hem gevolgd en nagevolgd te hebben in zijn leven,

-in zijn lijden en dood

-met een voor menselijke woorden onuitsprekelijke trouw.

  1. Bij het onderzoek van deze mysteries en speciale genaden, die ontvangen werden door de gezegende moeder valt op, dat de reden waarom de Allerhoogste ze tot stand bracht, geheel verschilt van de redenen waarom ze gedurende zoveel eeuwen geheim gehouden zijn in de Kerk. Indien we het eerste beschouwen, moeten we geleid worden door onze kennis van de goddelijke kracht en van de liefde van God voor zijn moeder en tevens door onze kennis van zijn verlangens,  haar tot een waardigheid boven alle schepselen te verheffen. Aangezien mensen in hun sterfelijk vlees nooit volledig de waardigheid van die moeder kunnen kennen, noch haar liefde, noch de liefde van haar Zoon of die van de gezegende Drie-eenheid en de verdiensten en heiligheid haar toebedeeld door de Almachtige kunnen bevroeden, dreigt hun onkunde grenzen te stellen aan de goddelijke macht in zijn activiteiten. God deed voor haar alles wat Hij kon en dat was juist zoveel als Hij wenste te doen. Maar Hij deelde zich aan haar op zeer speciale wijze mede, namelijk om een Zoon van haar wezen te worden, daarom volgt hier natuurnoodzakelijk uit dat, wat de genade betreft, Hij haar op zeer bijzondere wijze behandelde, zo als geen ander paste, niemand uit het gehele menselijke ras. Daarom kwamen haar niet slechts uitzonderlijke genaden, weldaden en zegeningen van de Almachtige toe, maar de wijze van beoordeling moest zo zijn dat, na zijn eigen heilige mensheid, niets dat ook maar kon bijdragen tot haar glorie, haar onthouden werd.
  2. Maar wat betreft de openbaring van deze wonderen in zijn Kerk, wordt de hoge Voorzienigheid van God, die dit alles bestuurt en nieuwe schitteringen aanbrengt in overeenstemming met de omstandigheden, die de tijd meebrengt, geleid door andere overwegingen. Want de gelukkige dag van de genade, die voor de wereld aanbrak in de menswording van het Woord en in de verlossing van de mensen, heeft zijn ochtend en zijn middag en zelfs zijn avondtijd en dit alles wordt door de goddelijke Wijsheid geregeld, wanneer en hoe dit opportuun wordt. Ofschoon alle geheimenissen van Christus en zijn moeder in de heilige Schrift geopenbaard zijn, worden ze toch niet allen op dezelfde tijd duidelijk, want de Heer trekt de sluier van getallen, vergelijkingen en raadselachtige teksten, waaronder vele van deze geheimenissen verborgen zijn, beetje bij beetje weg. Juist zoals de stralen van de zon onder een voorbijtrekkende wolk verborgen zijn, waren ze bedekt en verborgen, totdat enige van de vele stralen van het goddelijke Licht op de mensen zou vallen. Zelfs de engelen, ofschoon ze in algemene zin opmerkzaam waren gemaakt op de menswording wat betreft hun dienstverlening aan de mensen, waren zij niet op de hoogte van alle omstandigheden, effecten en condities van dit mysterie: zij kwamen ze geleidelijk te weten in de loop van de 5200 jaar van de schepping tot aan de menswording. De verwerving van nieuwe kennis was oorzaak van voortdurende bewondering en hernieuwde lof en glorie voor de Schepper van deze mysteries, zoals ik reeds in het verloop van deze geschiedenis heb meegedeeld. Ik geef dit voorbeeld ter beantwoording van enige verwondering die zou kunnen opkomen bij hen, die deze mysterieuze verheffing van de allergezegendste Maria vernemen, die, met menig ander geheimenis, reeds beschreven of alsnog te beschrijven, verborgen was, totdat de Allerhoogste bereid was ze te openbaren.
  3. Voordat ik deze redenering kon begrijpen en toen ik voor het eerst van Christus’ wonder, dat Hij zijn gezegende moeder mee had genomen ten hemel, vernam, was ik zeer verbaasd niet slechts wat mijzelf betrof maar ook voor degenen, die dit zouden vernemen. Onder de vele dingen die de Heer mij toen zei was ook, dat ik mij moest herinneren wat de heilige Paulus over zichzelf aan de Kerk meedeelde, wanneer hij verhaalt over zijn geestvervoering in de derde hemel -waar de gelukzaligen zijn- en hoe hij twijfelde of hij was opgenomen in het lichaam of buiten het lichaam, waarover hij geen uitsluitsel durfde geven, maar veronderstellende dat beide mogelijkheden waar konden zijn. Dit maakte ineens een einde aan mijn moeilijkheden, want als zoiets als met het lichaam opgenomen te worden kon geschieden aan een apostel bij het begin van zijn bekering, terwijl hij geen verdiensten maar slechts zonden op zijn rekening had en indien het geven van een dergelijk voorrecht geen gevaar inhield voor Gods Kerk, hoe kan er dan iemand zijn die twijfelt aan het feit dat God hetzelfde voorrecht schenkt aan zijn moeder, in het bijzonder nadat zij zulke onuitsprekelijke verdiensten en heiligheid bereikt had?  De Heer voegde hier nog aan toe dat, indien enige van de heiligen die in het lichaam oprezen met de verrezen Christus, het voorrecht genoten om met het lichaam op te stijgen, zouden er dan werkelijk geen betere redenen bestaan om dezelfde genaden aan zijn allerzuiverste moeder te schenken?  Zelfs indien geen van de stervelingen ooit deze onderscheiding te beurt was gevallen, zou het nog passend geweest zijn, dat Maria ze toebedeeld kreeg, omdat zij met de Heer geleden had. Het was niet meer dan billijk, dat zij zijn triomf zou delen door het in bezit nemen van de glorie aan de rechterhand van de Allerhoogste, aangezien zij, als zijn moeder Hem van haar wezen zijn menselijke natuur had gegeven, waarin Hij nu triomfantelijk naar de hemel opsteeg. En juist zo passend als het was, dat zij niet van haar Zoon in de glorie gescheiden werd, zo billijk was het ook, dat geen mens van het menselijk geslacht met ziel en lichaam naar de genietingen van de eeuwige glorie zou komen vóór de gezegende Maria, zelfs niet haar moeder of vader, haar bruidegom Jozef of iemand van de anderen. Zij allen, inclusief de Heiland, haar Zoon Jezus, zouden minder genoten hebben van hun vreugde, indien de allergezegendste Maria, als de moeder van de Verlosser en de koningin van de gehele schepping, die een dusdanige zegening meer dan wie ook verdiende, zou uitgesloten zijn van haar opgang naar de hemel op die dag.
  4. Deze argumenten schijnen mij voldoende toe om de kennis van dit mysterie te grondvesten en van de vreugde en troost, die daaraan uit kunnen gaan op te wekken. Dit is nodig omdat dit mysterie en nog vele andere in het derde deel van deze levensgeschiedenis van Maria behandeld zullen worden. Keren wij nu terug naar mijn geschiedenis, waarbij wij zien dat de Heer zijn gezegende moeder op zijn hemelvaart met zich nam naar de hemel en haar met pracht en glorie omgaf temidden van de bewonderende scharen engelen en heiligen. Het was ook passend, dat de apostelen en andere getrouwen gedurende die tijd onkundig waren van dit mysterie, want indien ze hun moeder en meesteres hadden zien opstijgen met Christus, zou hun droefheid alle grenzen te buiten zijn gegaan en ontroostbaar geweest zijn. Niets kon hen meer troosten over het heengaan van Christus dan het gevoel, dat zij toch altijd nog hun allergezegendste vrouwe en moeder in hun midden hadden. Zelfs nu nog rezen hun zuchten op, stortten zij tranen uit het diepst van hun harten, toen ze hun geliefde Meester en Verlosser zagen verdwijnen naar de hogere regionen. En toen ze Hem ongeveer uit het oog verloren waren, schoof een prachtig glanzende wolk zich tussen Hem en de achterblijvers op de aarde die Hem geheel aan het oog onttrok. Toen daalde de Persoon van de eeuwige Vader uit de hemel naar de luchtregionen om de Zoon en de moeder te ontmoeten. De Zoon keerde terug naar de nieuwe wijze van bestaan, die Hijzelf geschapen had. De eeuwige Vader sloot Hen in zijn omarming van oneindige liefde tot vreugde van de engelen, die de Vader in ontelbare koren vanuit zijn hemelse zetel begeleid hadden. In een korte tijdsspanne werden de elementen en de hemellichamen voorbij gestreefd en arriveerde de goddelijke processie in de zevende hemel. Bij hun binnenkomen spraken de engelen, die van de aarde meegekomen waren en zij die Jezus en Maria tegemoet gegaan waren, tot degenen die in de hemel waren achtergebleven en herhaalden die woorden van David en vele anderen, die op dit mysterie betrekking hadden.
  5. “Opent, gij prinsen, open uw eeuwige poorten; laat ze oprijzen en ontvang in zijn woning de grote Koning van glorie, de Heer van alle deugden, de Machtige in het gevecht, de Sterke en Onoverwinnelijke die komt, triomferend en zegevierend over al zijn vijanden. Opent de poorten van het paradijs en laat hen open en vrij voor eeuwig, want de nieuwe Adam komt, de Hersteller van het gehele menselijke geslacht, rijk in barmhartigheid, overvloeiend van verdiensten, die zijn rijke verlossing door zijn dood in de wereld heeft voortgebracht. Hij heeft ons verlies goedgemaakt en heeft de menselijke natuur tot de hoge waardigheid van zijn eigen grootheid opgeheven. Hij komt met de heerschappij over de uitverkorenen en de verlosten, die Hem door de eeuwige Vader gegeven zijn. Nu heeft zijn vrijgevige goedheid aan de stervelingen de macht om het recht, verloren door de zonde, wederom te winnen en het eeuwige leven te verdienen, door te gehoorzamen aan zijn wet, als zijn broeders en mede-erfgenamen van de goederen van zijn Vader. En tot zijn meerdere eer en onze grote vreugde brengt Hij met Hem en aan zijn zijde mede de moeder van barmhartigheid, die Hem de vorm van het man-zijn gaf om de duivel te kunnen overwinnen. Zij komt als onze lieftallige en schone koningin, eenieder die haar ziet met vreugde vervullend. Komt tevoorschijn, komt tevoorschijn, gij hemelse hovelingen en gij zult onze zeer schone Koning met de kroon, Hem door zijn moeder gegeven en zijn moeder, gekroond met de glorie door haar Zoon, aanschouwen”.
  6. Temidden van deze jubel en andere vreugde-uitingen, die al onze concepties te boven gaan, naderde deze nieuwe processie de zevende hemel. Tussen de twee koren van engelen en heiligen deed Christus met zijn gezegende moeder zijn intrede. Zij allen gaven, in hun rangen, eer aan Ieder van hen afzonderlijk en aan Beiden tegelijk, terwijl ze hymnen van lof en eer bewezen in zangen voor de Schepper van genade en leven. Toen plaatste de eeuwige Vader het mensgeworden Woord op de troon van zijn Godheid, aan zijn rechterhand onder zulk een glorie en majesteit, dat Hij alle inwoners van de hemel vervulde met nieuwe bewondering en eerbiedige vrees. In klare, intuïtieve visie herkenden zij de oneindige glorie en volmaaktheid van de Godheid, onafscheidelijk en vast verbonden in één Persoonlijkheid aan de allerheiligste mensheid, schitterend en verheven door de grootheid van deze vereniging, zoals geen ogen gezien hebben noch oren gehoord hebben, noch ooit in de gedachten van schepselen is opgekomen.
  7. Bij deze gelegenheid bereikte de wijsheid van onze aller-deemoedigste koningin haar hoogste punt, want overweldigd door al deze goddelijke en bewonderenswaardige genaden zat zij, bewust van haar nederige status van gewoon aards schepsel aan de voeten van de troon. Ter aarde geworpen aanbad zij de Vader en barstte los in nieuwe lofzangen over de glorie, die de Zoon ten deel was gevallen en over de schitterende hoogte, waarop de vergoddelijkte mensheid in Hem verheven was. De engelen en heiligen werden opnieuw vervuld van bewondering en vreugde bij het zien van de zeer voorzichtige deemoed van hun koningin. Zij wedijverden onder elkaar om dit levende voorbeeld van deugd na te volgen. Toen werd de stem van de eeuwige Vader gehoord, zeggende: “Mijn dochter, stijg hoger op”. Haar goddelijke Zoon sprak Haar ook toe, zeggende: “Mijn moeder, sta op en neem bezit van de plaats, die Ik u schuldig ben, omdat gij Mij nagevolgd hebt”. De heilige Geest zei: “Mijn Bruid en Geliefde, kom in mijn eeuwige omarming”.  Daarop werd het decreet van de allerheiligste Drie-eenheid aan alle zaligen bekendgemaakt: De allergezegendste moeder werd verheven en aan de rechterhand van haar Zoon, voor alle eeuwigheid, geplaatst, omdat zij haar eigen levensbloed voor de Menswording gegeven had en zij de Zoon gevoed, gediend, nagevolgd en gevolgd had met alle volmaaktheid, die voor een gewoon schepsel maar mogelijk is. Geen van de menselijke schepselen zou ooit deze plaats en positie bekleden, noch haar evenaren in de glorie, die daarmee verbonden is. Dit was voorbehouden aan de koningin en zou dit, ten rechte, haar bezit zijn na haar aardse leven, waarbij zij alle heiligen voorbijstreefde in volmaaktheid.
  8. Ter vervulling van dit decreet werd de allergezegendste Maria opgeheven naar de troon van de heilige Drie-eenheid, aan de rechterhand van haar Zoon. Tezelfdertijd werd haar en alle heiligen meegedeeld, dat deze troon haar eigendom was, niet slechts voor alle eeuwigheid, maar dat het aan haar keuze werd overgelaten van dat moment af daarop te verwijlen en niet terug te keren naar de aarde. Want het was de voorwaardelijke wil van de goddelijke Personen, dat, voorzover zij daarbij betrokken waren, zij in haar nieuwe status zou blijven verkeren. Teneinde haar keuze geheel vrij te kunnen maken, werd haar de toestand van de Kerk op aarde getoond, de verweesde en nooddruftige toestand van de gelovigen, die het haar vrijstond om te gaan helpen. Deze stap van de heilige Voorzienigheid werd gezet om de moeder van barmhartigheid de gelegenheid te geven, als het ware boven zichzelf uit te gaan door het goede te doen, het menselijk ras aan zich te verplichten, ten dienste te zijn door een liefdedaad te stellen, overeenkomstig die door haar Zoon gesteld, toen Hij de tot lijden geschikte staat aannam en de glorie, die aan zijn lichaam gedurende en voor onze verlossing verschuldigd was, op te schorten. De allergezegendste moeder volgde Hem ook in dit opzicht na, opdat ze in alle dingen gelijk zou worden aan het mensgeworden Woord. De grote vrouwe, die alle offers, die in dit voorstel begrepen waren, duidelijk voor ogen stond, verliet de troon en zich neerwerpend aan de voeten van de drie Personen zei zij:

“Eeuwige en almachtige God, mijn Heer, indien ik nu deze beloning, die uw neerbuigende minzaamheid mij aanbiedt zou accepteren, zou dit mij eeuwige rust geven, maar om terug te keren naar de wereld en voort te gaan in het sterfelijk leven, te zwoegen voor het welzijn van de kinderen van Adam en de getrouwen in uw heilige Kerk, zou de eer en de vreugde van uwe Majesteit vergroten en zou de tijdelijk op aarde verblijvende pelgrims ten goede komen. Ik neem dit zware werk aan en doe voor het moment afstand van de vrede en de vreugde van uw tegenwoordigheid. Ik weet heel goed wat ik bezit en ontvang, maar ik wil dit opofferen om de liefde, die Gij voor de mensen hebt, te bevorderen. Neem dit offer aan, Heer en Meester van geheel mijn leven en laat uw goddelijke kracht mij leiden in de taak, die mij wordt toevertrouwd. Moge het geloof in U om zich heen grijpen, uw heilige naam verheerlijkt worden, uw heilige Kerk vergroot worden, want Gij hebt haar verkregen door het bloed van uw en mijn  Enig-geborene; ik bied mijzelf opnieuw aan om te werken voor uw glorie en voor de verovering van de zielen, voorzover ik daart0e in staat ben”.

  1. Dat was het offer, dat de liefhebbende moeder en koningin bracht, een offer, groter dan ooit door een schepsel werd gebracht. Het verheugde de Heer ten zeerste. Hij beloonde deze daad onmiddellijk door in haar die zuiveringen en verlichtingen te bewerkstelligen, die ik bij vorige gelegenheden reeds beschreef als noodzakelijk voor het intuïtieve schouwen van de Godheid, want tot nu toe had zij die slechts aanschouwd door verstandelijke visie. Op deze wijze verheven, had zij deel aan het zalig schouwen en werd vervuld van schittering en hemelse genaden, volledig boven het begrip van de sterveling en onmogelijk om begrepen te worden in dit aardse leven.
  2. De Allerhoogste vernieuwde in haar alle genaden, die zij tot nu toe ontvangen had, bevestigde en bezegelde deze opnieuw in het decreet, dat hiermee gepaard ging,

-om haar terug te doen keren als moeder en lerares van de Kerk,

-waarbij Hij alle titels, die Hij haar geschonken had, nogmaals bevestigde,

-als koningin van al het geschapene,

-middelaresse en meesteresse van de gelovigen

en juist zoals was de vorm aanneemt van het zegel, zo werd de gezegende Maria door de goddelijke Almacht het evenbeeld van Christus, opdat zij zou terugkeren naar de strijdende Kerk en de ware tuin, de gesloten, gezegelde hof tot bewaring van de wateren van de genade (Hl 4,12) zou zijn.

-o geheimen van de hoogste Majesteit, alle eerbiedwaardig;

-o mysteries, even eerbiedwaardig als verheven;

-o liefde en minzaamheid van de allerheiligste Maria, nimmer begrepen door de onwetende kinderen van Eva!

De keuze door God gemaakt van zijn enige en lieflijke moeder als toevluchtsoord voor zijn getrouwe kinderen was niet zonder mysterie; het was een middel om ons deze moederliefde te tonen, die wij wellicht in haar andere grote daden moeilijk zouden herkennen. Het was geheel in overeenstemming met het goddelijke decreet, dat zij noch zou ontriefd worden van de gelegenheid om zulk een volmaaktheid te bereiken, noch ons de gezegende verplichting om haar na te volgen onthouden zou worden. Aan wie komt het nu nog vreemd voor, in vergelijking met deze overdaad aan liefde, als hij heiligen en martelaren tijdelijke tevredenheid ziet verwerpen om de eeuwige rust te kunnen bereiken, nu onze allerliefhebbendste moeder zichzelf de volledige zaligheid ontzegde om haar kleine kinderen te hulp te snellen?  Hoe zullen we de meest verschrikkelijke verwarring kunnen ontgaan, indien

-noch in dankbaarheid voor deze genaden,

-noch uit navolging van haar voorbeeld,

-noch om deze vrouwe aangenaam te stemmen,

-noch om ons haar gezelschap of dat van haar Zoon te verzekeren,

wij voor wat ons betreft, ons geen enkel bedrieglijk genoegen willen ontzeggen, dat slechts hun vijandschap en onze dood kan brengen?  Gezegend zij deze vrouwe, laat alle hemelen haar prijzen en laten alle geslachten haar zaligprijzen.

  1. Ik beëindigde het eerste deel van deze geschiedenis met het eenendertigste hoofdstuk van de parabels van Salomon, waarin de verheven deugden van deze grote vrouwe, de enige sterke vrouw van de Kerk, beschreven worden en ik grijp terug naar hetzelfde hoofdstuk om dit tweede deel te besluiten. Want de heilige Geest vat alles wat haar betreft samen in de mysterieuze vruchtbaarheid van de woorden in die tekst. Het grote sacrament, waarover ik hier gesproken heb, laat zien hoe de vruchtbaarheid duidelijk uitkomt in de uitzonderlijke verheffing van de allergezegendste Maria, volgend op haar zegening. Maar ik zal niet langer verwijlen bij wat ik daar reeds zei, want veel van wat ik zou kunnen zeggen, kan begrepen worden door het lezen van die paragraaf. Daar zei ik, dat deze koningin de sterke vrouw is wier prijs en waarde gelijk staat met zaken, die van verre gehaald zijn, van de verst verwijderde grenzen van de zevende hemel, indien wij ze afmeten aan de achting haar betoond door de gezegende Drie-eenheid. Het hart van haar man werd niet bedrogen, omdat zij in niets faalde in wat hij van haar verwacht had:

-Zij was het schip van de koopman, die van de hemel de voeding voor zijn Kerk bracht;

-zij was de ene, die plantte door de kracht van haar hand;

-zij die zichzelf omgordde met kracht;

-zij die haar armen tewerkstelde om grote dingen te doen;

-zij, die haar handen uitstrekte naar de armen en haar palm opende voor de nooddruftigen;

-zij die deze transactie beproefde en inzag hoe goed dat was, omdat ze met eigen ogen de beloning van de eeuwige zaligheid voor ogen had;

-zij, die haar dienaressen en dienaren in dubbele kleding gekleed liet gaan;

-het was zij, wier Licht niet uitging in de nacht van de bezoeking en geen vrees voelde voor de zware verleiding.

Voordat ze neerdaalde van de hemelen, smeekte zij, om al deze zaken te kunnen volbrengen, de eeuwige Vader om kracht, de Zoon om zijn wijsheid en de heilige Geest om het vuur van zijn liefde en alle drie goddelijke Personen om hun blijvende hulp en zegeningen. Dit alles werd haar geschonken, terwijl zij plat terneerlag voor de troon en zij vervulden haar daarenboven met nieuwe instortingen van de Godheid. Daarna stemden zij liefderijk toe in haar vertrek, beladen met onuitsprekelijke schatten van genade. De heilige engelen en heiligen verheerlijkten haar in wonderschone lofliederen, toen zij naar de aarde terugkeerde, zoals ik in het derde deel vertellen zal. Daar zal ik ook meedelen, wat zij in de heilige Kerk deed gedurende de tijd van haar verblijf op aarde. Haar activiteiten wekten de bewondering van de hemel op. Zij waren van uitzonderlijk voordeel voor de mensen, want al haar zwoegen en lijden werd ondergaan, om het eeuwig geluk voor haar kinderen te verkrijgen!   Aangezien zij de volmaakte liefde in haar oorsprong, namelijk in de eeuwige God, die Liefde is had leren kennen, werd zij bij voortduring ontvlamd door haar warmte en haar brood bestond bij dag en bij nacht uit liefde. Zij daalde van de triomferende Kerk als een bezige bij af naar de strijdende Kerk, beladen met het stuifmeel van de liefde, om de honing van Gods liefde tot voeding te maken van de kleine kinderen van de primitieve Kerk. Zij leidde hen op tot volwassenheid, zo robuust en volmaakt, dat ze een basis zouden zijn die overvloedige sterkte zou bezitten om het hoge gebouw van de heilige Kerk te kunnen dragen.

  1. Ter beëindiging van dit hoofdstuk en daarmee het tweede deel van deze geschiedenis keer ik nu terug naar de bijeenkomst van de getrouwen die wij zo bedroefd op de Olijfberg achterlieten. De allerheiligste Maria vergat hen, temidden van haar glorie, niet. Toen ze wenend en als het ware stom van smart in de hoogte staarden waarin hun Verlosser en Meester verdwenen was, liet zij haar ogen op hen rusten vanaf de wolk, waarmee zij opgestegen was om hen toch maar haar steun te geven. Bewogen door hun smart smeekte zij Jezus om deze kleine kinderen te troosten, die Hij als wezen op deze aarde had achtergelaten. Bewogen door de gebeden van zijn moeder zond de Verlosser van het menselijk geslacht twee engelen in witte, schitterende gewaden naar de aarde, die aan alle leerlingen en gelovigen verschenen en tot hen zeiden:

“Gij mannen van Galilea, sta niet verwonderd naar de hemel te kijken, want deze Heer Jezus, die van u wegging en opsteeg ten hemel, zal met dezelfde glorie en majesteit terugkeren, waarin gij Hem zojuist gezien hebt,”. Door deze woorden en meerdere anderen, die zij daaraan toevoegden, troostten zij de apostelen, de leerlingen en de rest, opdat ze zich niet meer zwak zouden voelen maar in hun toestand zouden vertrouwen op de komst en de vertroosting van de heilige Geest, die hen door hun goddelijke Meester beloofd was.

  1. Maar ik moet hierbij vermelden dat deze woorden van de engelen, ofschoon zij deze mannen en vrouwen vertroostten, toch tegelijk een verwijt inhielden over hun gebrek aan geloof. Want indien hun geloof goed gefundeerd was en doordrongen was van zuivere liefde, zou het niet noodzakelijk geweest zijn daar te blijven staan met hun blikken gericht op de hemel, want ze konden hun Meester niet weerhouden door uiterlijke demonstratie van hun liefde, die zij toonden door in de lucht te staren naar de plaats waar ze Hem hadden zien vertrekken. Zij zouden hun geloof hebben moeten verlevendigen en naar Hem moeten hebben uitgezien en Hem hebben moeten zoeken waar Hij werkelijk was en waar ze Hem zeker zouden ontmoet hebben. Hun manier om Hem te vinden was nutteloos en onvolmaakt, want om de aanwezigheid en hulp van zijn genade te verkrijgen was het niet nodig, dat zij Hem zouden zien en met Hem zouden spreken. Dat zij deze waarheid niet begrepen hadden, was een laakbaar gebrek in mensen, die zo verlicht en zo volmaakt hadden moeten zijn. Gedurende lange tijd hadden de apostelen de school van Christus, onze God, gevolgd; zij hadden de leer van de volmaaktheid uit de oorsprong zien opwellen, uit een Bron zo zuiver en volmaakt, dat ze ver gevorderd zouden moeten zijn in spiritualiteit en in de hoogste volmaaktheid. Maar dit is het ongeluk van onze natuur, dat, wegens haar afhankelijkheid van de zinnen en haar voldoening in de functionering van de lagere vermogens, zij ervan houdt zelfs de allergoddelijkste geestelijke zegeningen te ondergaan door de zinnen. Aangezien zij gewend is aan deze ruwheid, is zij zeer traag in de uitzuivering van deze lagere elementen en is bij tijden geheel verward, zelfs wanneer het ferm en ijverig de hoogste doeleinden nastreeft. Deze waarheid werd ons in de apostelen ten voorbeeld gesteld. Zij waren onderwezen door de Heer, dat Hij het Licht en de Waarheid en tezelfdertijd de Weg was (Joh 14,6) en dat zij tot de kennis van de eeuwige Vader konden komen door Hem, de enig ware Weg, want licht schijnt niet voor het licht zelf en een weg is niet gemaakt met het doel om daarop te rusten.
  2. Deze leerstelling, zo meermalen herhaald in de evangeliën gehoord van de lippen van zijn Schepper en bevestigd door het voorbeeld van zijn leven, zou de harten en het begrip van de apostelen tot het in praktijk daarvan gebracht kunnen hebben. Maar het genoegen, dat hun geest en hun zinnen ondervonden in de gesprekken en de omgang met hun Meester, de zekerheid van hun liefde en de verzekering van de wederliefde van hun Meester, hield de krachten van hun wil gebonden aan hun zinnen, zodat ze niet wisten hoe ze zich moesten losmaken als hun lagere vermogens beslag op hen legden en zich zelfs niet bewust waren hoeveel zelfzucht er was in hun godsvrucht en hoeveel zij meegesleept werden door geestelijk genot, dat van de zinnen afkomstig was. Indien hun goddelijke Meester hen niet verlaten had door naar de hemel op te stijgen, zouden ze zich niet van Hem hebben kunnen losmaken zonder grote bitterheid en smart! Zij zouden dan niet in staat geweest zijn het evangelie te prediken, want dit moest in de wereld gepredikt worden ten koste van veel zwoegen en moeilijkheden, ja, zelfs met gevaar voor het leven. Dit kon niet het werk zijn van kleingeestige mannen, maar van moedige mannen, sterk in hun liefde; mannen die niet gehinderd en verwekelijkt werden door de zinnelijke genoegens die de geest aankleven, maar gereed om door overvloed en armoede te gaan, beschimpingen of roem te oogsten, geëerd en bespot te worden, smarten en vreugde te beleven en daaronder heel hun liefde en ijver voor de Heer te bewaren met een grootmoedig hart, dat boven voorspoed en tegenspoed zou staan (2Kor 6,8) Nadat ze berispt waren door de engelen, verlieten ze de Olijfberg en keerden ze met de allerheiligste Maria naar het cenakel terug, waar ze in afwachting van de komst van de heilige Geest -zoals we in het laatste deel zullen zien- volhardden in gebed.

Instructie, mij door de allerheiligste Maria, de koningin van de hemel, gegeven.

  1. “Mijn dochter, gij dient dit tweede deel van mijn leven op passende wijze te besluiten door u de les te herinneren betreffende de zeer probate liefelijkheid van de goddelijke liefde en de overgrote vrijgevigheid van God tegenover de zielen, die het voortvloeien daarvan niet verhinderen. Het is meer in overeenstemming met de neigingen van zijn heilige wil, de schepselen te helpen dan hen smart te veroorzaken; hen te belonen in plaats van hen te straffen; hen te verblijden en niet hen te bedroeven. Maar de stervelingen zijn onkundig van deze goddelijke wijsheid, omdat ze uit de handen van de Allerhoogste vertroostingen, genoegens en beloningen wensen te ontvangen die aardgebonden en gevaarlijk zijn en die zij hoger achten dan meer zekere weldaden. De goddelijke liefde corrigeert deze fout door de lessen, die vervat zijn in beproevingen en bestraffingen. De menselijke natuur is langzaam, ruw en ongevormd en indien zij niet gecultiveerd en verzacht wordt, zal zij in het juiste seizoen geen vrucht dragen. Wegens haar slechte neigingen zal zij uit zichzelf nooit geschikt worden voor de liefhebbende omgang en de minzame gesprekken met het hoogste Goed! Daarom moet zij gevormd en klein gemaakt worden door de hamer van de moeilijkheden, verfijnd in de smeltkroes van de beproevingen, opdat zij geschikt en bekwaam zal zijn de goddelijke genaden en gunsten te ontvangen en zal leren om aardse en bedrieglijke goederen te verachten, omdat de dood daaronder verborgen is.
  2. Ik rekende alles wat ik meemaakte als niets, toen ik de beloning had gezien, die de goddelijke goedheid voor mij bereid had en daarom besliste Hij in zijn bewonderenswaardige Voorzienigheid, dat ik tot de strijdende Kerk, uit eigen vrije wil en keuze, zou terugkeren. Dit, dat begreep ik, zou bijdragen tot mijn grotere glorie en tot verheffing van zijn heilige Naam, terwijl het hulp zou verlenen aan zijn Kerk en aan zijn kinderen op een bewonderenswaardige en heilige wijze. Het scheen mij een heilige plicht toe, dat ik mijzelf van het eeuwig geluk ontriefde, dat ik op dat moment reeds genoot en terug zou keren naar de aarde om nieuwe werkvruchten en liefde voor de Almachtige te verdienen. Dit alles dankte ik aan de goddelijke Goedheid, die mij uit het stof had opgericht. Leer daarom, mijn geliefde, van mijn voorbeeld en span uzelf in om mij in deze tijden, waarin de heilige Kerk zo troosteloos en overweldigd met beproevingen is en waarin er geen van haar kinderen is die haar vertroost, na te volgen. Voor dit doel is het mijn wens, dat gij u extra inspant, bereid bent om te lijden in gebed en smeking en roepend tot de Almachtige vanuit de grond van uw hart. En indien dit noodzakelijk zou zijn, zoudt gij uw leven moeten offeren. Ik verzeker u, mijn dochter, dat uw kommer en angsten aangenaam zullen zijn in de ogen van mijn goddelijke Zoon en in die van mij!
  3. Laat dit alles geschieden voor de glorie en eer van de Allerhoogste, de Koning van de eeuwen, de Onsterfelijke en Onzichtbare en voor die van zijn moeder, de allergezegendste Maria, door alle eeuwen der eeuwen”!

 

Jezus verrijst uit de doden

Standaard

Uit het boek “De mystieke stad Gods”; visioenen aan Maria van Agreda, deel 6 blz. 216/220. – Greeth’s Blog https://greeth.wordpress.com/2013/09/18/de-verrijzenis-van-christus-en-zijn-eerste-verschijning-aan-zijn-h-moeder-maria-is-waar-gebeurd/

Jezus verrijst uit de dodenDe verrijzenis van Christus, onze Heiland en zijn verschijning aan zijn allergezegendste Moeder in gezelschap van de heilige aartsvaders uit het voorgeborchte.

  1. De goddelijke ziel van Christus, onze Verlosser, verbleef in het voorgeborchte van half vier vrijdagmiddag tot na drie uur in de morgen van de daaropvolgende zondag. Rond dit uur keerde Hij terug naar de grafkelder als de overwinnende Prins van de engelen en van de heiligen, die Hij verlost had uit de diepliggende gevangenissen als buit van zijn overwinning en als onderpand van zijn glorievolle triomf over de gekastijde en neergeslagen oproerlingen van de hel. In de grafkelder fungeerde vele engelen als wacht, allen in aanbidding voor het heilige lichaam, vereerd met de Godheid. Enige van hen hadden, gehoorzaam aan het bevel van hun koningin en meesteres, de relikwieën van het heilig bloed, de stukken afgerukt vlees, haar dat uitgerukt was uit het goddelijk gelaat en hoofd en al het andere dat tot de volmaaktheid en volkomenheid van zijn allerheiligste mensheid behoorde, verzameld. De moeder van de voorzichtigheid omringde deze relikwieën met haar zorgzame liefde. De engelen betrokken de wacht bij deze relikwieën, elk hunner vervuld van vreugde over de taak, die hen was opgedragen. Voordat er enige verandering in was aangebracht, werd het Lichaam van de Verlosser aan de heilige vaders getoond in dezelfde staat, gewond, verminkt en mishandeld, zoals het achtergelaten was, nadat de Joden hun wreedheden hadden bedreven. Terwijl zij Hem in deze staat aanschouwden, aanbaden de patriarchen, profeten en andere heiligen Hem en beleden zij Hem als het mensgeworden Woord, dat waarlijk al onze gebreken en smarten op zich genomen had en onze schulden overvloedig betaald had, voldoening schenkend in zijn onschuld en reinheid voor alles wat wij verschuldigd waren aan de rechtvaardigheid van de eeuwige vader. Daar zagen onze eerste ouders, Adam en Eva, de ruïne die zij hadden veroorzaakt door hun ongehoorzaamheid, der onschatbare uitdelging, die deze had veroorzaakt en de onmenselijke goedheid en barmhartigheid van de Verlosser. Aangezien zij het effect van zijn glorievolle verlossing door het Licht in hun zielen voelden, prezen zij opnieuw de Heilige der heiligen, die met wonderbaarlijke wijsheid deze redding had gewrocht.
  2. Daarna werden, in aanwezigheid van de heiligen, door de engelen alle relikwieën, die zij hadden verzameld, verenigd met het heilige lichaam, waardoor het zijn natuurlijke vervolmaking en gaafheid terugkreeg. Op hetzelfde moment verenigde de allerheiligste Ziel zich met het Lichaam, waardoor het onsterfelijke leven en zijn glorie terugkeerde. In plaats van de wikkels en de kruiden waarin het begraven was, werd het gekleed in de vier gloriegaven, namelijk: met helderheid, onvatbaarheid voor lijden, vrije beweeglijkheid en subtiliteit (Joh. 19,40). Deze gaven vloeiden van de onmetelijke glorie van de Ziel van Christus in het heilige Lichaam. Ofschoon deze gaven aan het Lichaam toebehoorden vanaf het ogenblik van zijn ontvangenis als natuurlijke erfenis en deelgenootschap aan de Godheid, waren ze toch opgeschort wat betreft hun uitwerking op het allerzuiverste lichaam om het in staat te stellen te lijden en onze glorie voor ons te kunnen verdienen. In de verrijzenis werden deze gaven terecht weer tot leven gewekt, zodat ze wederom overeenkwamen met de vereniging met de Godheid. Aangezien de glorie van de allerheiligste Ziel van Christus, onze Heiland, niet door mensen begrepen kan worden, is het evenzeer onmogelijk in onze woorden en voorbeelden, de glorierijke gaven van zijn vergoddelijkte Lichaam te beschrijven, want in vergelijking met zijn zuiverheid, is kristal ondoorzichtig. Het Licht dat met dit Lichaam samengaat en uit het Lichaam straalt, is zo verschillend van andere objecten als dag en nacht of als vele zonnen die één ster overtreffen en alle schoonheid van de schepselen tezamen genomen zouden afzichtelijk schijnen in vergelijking met zijn schoonheid, want in de gehele schepping is niets daarmee te vergelijken.
  3. De uitstraling van deze gaven, in de verrijzenis tentoongespreid, overtrof verre de glorie van de transfiguratie of enige andere manifestatie in deze geschiedenis verteld. Want bij deze gelegenheden ontving Hij deze gaven slechts kortstondig, terwijl Hij ze nu in volheid en voor altijd ontving. Door de onmogelijkheid om te kunnen lijden werd zijn Lichaam onoverwinnelijk voor alle geschapen macht, want, macht is in staat Hem te bewegen of te veranderen. Door de subtiliteit werd de grove aardse materie zo gezuiverd, dat het in staat is andere materie te doorbreken als een zuivere geest. Daardoor kon Hij door de rotsen van het grafgewelf heen gaan zonder ze te bewegen of te verplaatsen, juist zo als Hij in de wereld kwam uit de schoot van zijn gezegende moeder. De vrije beweeglijkheid bevrijdde Hem van het gewicht en de traagheid van de materie, zodat ze de beweeglijkheid van de onstoffelijke engelen overtrof, terwijl Hijzelf sneller kon bewegen dan zij, zoals onder meer bleek bij zijn verschijning aan de apostelen. De heilige wonden, die zijn Lichaam verminkt hadden, straalden nu een schitterend en tintelend Licht uit, waardoor schoonheid en bekoring zeer verhoogd werden. In geheel deze glorie en hemelse schittering rees de Heiland nu uit zijn graf. In de aanwezigheid van de heiligen en de aartsvaders beloofde Hij universele verrijzenis in eigen lichaam van alle mensen en dat zij daarenboven als effect van zijn eigen verrijzenis op gelijke wijze verheerlijkt zouden worden. Als onderpand en belofte voor universele opstanding bevel de Heer de zielen van vele heiligen die daar aanwezig waren, zich te verenigen met hun lichamen en op te staan tot het eeuwig leven. Dit goddelijke bevel werd onmiddellijk uitgevoerd en hun lichamen verrezen zoals wordt verteld door de heilige Matteüs, vooruitlopend op dit mysterie (Mt. 27,52). Onder hen waren de heilige Anna, de heilige Jozef en de heilige Joachim en meerderen van de oude vaders en patriarchen, die zich onderscheiden hadden in het geloof en in de hoop op de menswording en daarvoor met groot aandringen gebeden hadden tot de Heer. Als gunst voor hun ijver werden hun lichamen reeds nu tot volledige glorie gebracht.
  4. O, hoe machtig en wonderschoon, hoe onoverwinnelijk en sterk was de aanblik, zelf nu reeds, van de Leeuw van Juda, de Zoon van David. Geen werd zo snel klaarwakker uit de slaap als Christus uit de dood. Op zijn gebiedende stem hechtten zich de droge en verspreid liggende beenderen van reeds lang overledenen aaneen en het vlees, dat lang geleden tot stof was vergaan, werd verenigd met de beenderen; zij vernieuwden het vorige leven en versierd met genadegaven, verenigde de levenbrengende ziel zich met het verrezen lichaam. In een ogenblik verzamelden zich al deze heiligen rond hun Heiland. Zij waren schitterender dan de zon, zuiver, doorschijnend, vol schoonheid en levendig, geheel geschikt om Hem overal te volgen en door hun gelukzalige staat bevestigden zij de profetie van Job: in eigen vlees en met eigen ogen -niet met die van anderen- zullen wij de Verlosser ter onzer vertroosting zien (Job 19,26). De grote koningin deze hemels zag vanuit het cenakel al deze grote mysteries geschieden en zij nam daaraan deel. Op hetzelfde, ogenblik waarin de allerheiligste Ziel van Christus zich verenigde met zijn Lichaam, keerde de vreugde in haar onbesmette ziel terug en vloeide door haar allerheiligst lichaam. En deze toevloeiing was zo voortreffelijk in zijn uitwerking, dat zij van smart tot vreugde, van lijden tot verrukking, droefenis tot onuitsprekelijke jubel en zalige rust werd. Op dit moment trad de evangelist Johannes bij haar binnen zoals hij ook op de voorafgaande ochtend gedaan had. Hij had het plan haar te troosten in haar bittere eenzaamheid. Daar zag hij haar in glans van pracht en glorie, die hij tevoren nauwelijks gekend had, wegens haar overweldigende smart. De apostel aanschouwde haar nu met verwondering en onder de diepste eerbied. Hij begreep, dat de Heer verrezen was, nu zijn moeder geheel herschapen was in vreugde.
  5. In deze nieuwe vreugde en onder goddelijke invloed van haar bovennatuurlijke visie begon de grote vrouwe zichzelf gereed te maken voor het bezoek van de Heer, dat zeer binnenkort zou geschieden. Terwijl zij zich overgaf aan lofprijzingen, gezangen en gebeden, voelde zij in zich een nieuwe jubel en hemelse vreugde omhoog stijgen, die ver verheven waren boven haar eerste vreugde en op wonderbaarlijke wijze overeenkwamen met de smarten en bezoekingen, die zij in het lijden en bij de dood van haar Zoon ondergaan had. Deze nieuwe Godsgave was verschillend en meer verheven dan de vreugden, die op natuurlijke wijze vanuit haar ziel naar haar lichaam vloeiden. Daarenboven nam zij in zichzelf een derde heel verschillend effect waar, voortvloeiend uit de goddelijke genade. Zij voelde nl. het hemelse Licht, dat de komst van het gelukzalig schouwen aankondigde, in haar binnendringen. Ik zal dit hier niet verder uitleggen, omdat ik daarover reeds in het 2e boek par. 620  uitgeweid heb. Ik voeg hier slechts aan toe, dat de koningin bij deze gelegenheid deze goddelijke invloed in grotere graad ontving want nu was de Passie van Christus reeds geschied en zij had de verdiensten van het lijden verkregen. Zo kwamen de vertroostingen uit de hand van haar goddelijke Zoon overeen met de grootte en de soort van haar smart.
  6. Toen de gezegende Maria geheel gereed was, verscheen haar Christus onze Heiland, in gezelschap van de heiligen en aartsvaders. De steeds nederige koningin viel voor Hem ter aarde en aanbad haar goddelijke Zoon. De Heer richtte haar op en trok haar naar zich toe. In dit contact, dat meer intiem was dan het contact met de mensheid en de wonden, gezocht door Magdalena, werd de maagdelijke moeder deelgenoot van een bijzondere genade, die slechts zij, als onbevlekte, kon ontvangen. Ofschoon dit niet de grootste van alle genaden was, die zij bij deze gelegenheid ontving, zou zij daar toch niet tegen bestand geweest zijn, indien zij niet tevoren door de engelen en de Heer zelf gesterkt was. Deze genade bestond uit het innig verenigen van het glorierijke Lichaam van de Zoon met dat van zijn allerzuiverste moeder, te vergelijken met het opnemen van het licht van de zon door een kristallen bol, waardoor deze geheel vervuld wordt van glans en schittering. Door deze hemelse omhelzing verenigde zich het lichaam van de allerheiligste Maria met dat van haar Zoon; het was, als het ware, de opgang naar haar intieme kennis van de allerheiligste Ziel en het Lichaam van de Heer. Als gevolg van deze genaden, die samengesteld waren uit steeds hogere en onuitsprekelijke gaven, steeg de geest van Maria op naar de kennis van de meest verborgen sacramenten. Terwijl zij deze genaden ontving, hoorde zij een stem die haar zei: “Mijn geliefde, stijg hoger op”! (Lc. 14,10). Door de kracht van deze woorden zag zij de Godheid duidelijk en intuïtief, waarin zij volledige doch tijdelijke rust en beloning vond voor al haar smarten en pijnen. Alleen stilzwijgen is hier op zijn plaats, aangezien het verstand en de taal volkomen tekort schieten om alles wat door de gezegende Maria heen ging gedurende dit zalige visioen te beschrijven. Het was het hoogste visioen dat zij tot dan had. Laat ons deze dag vieren in verwondering en lof, onder gelukwensen en liefdevolle, nederige dank voor alles wat zij voor ons verdiend heeft en voor haar verheffingen en vreugde.
  7. Gedurende enige uren genoot de hemelse prinses het Wezen van God, tezamen met haar goddelijke Zoon, deelhebbend aan zijn triomf, zoals zij deelgenoot was geweest van zijn kwellingen. Daarna daalde zij geleidelijk af van dit visioen tot zij zich bij het einde, steunend op de rechterarm van de allerheiligste mensheid terugvond en vertroost werd door de rechterhand van de Godheid (Hl 2,6). Zij onderhield zich op liefdevolle wijze met haar Zoon over zijn lijden en zijn glorie. Onder deze gesprekken werd zij gesterkt met de wijn van naastenliefde en liefde, die zij in overvloed dronk uit de oorspronkelijke Bron. Alles wat een gewoon schepsel maar ontvangen kon, werd bij deze gelegenheid aan de gezegende Maria toebedeeld. Want de goddelijke rechtvaardigheid achtte het haar plicht een schepsel van zo grote zuiverheid schadeloos te stellen (zo zal ik dit maar noemen omdat ik geen beter woord kan vinden) voor al het lijden en alle kwellingen, ondergaan gedurende het lijden en de dood van onze Heiland. Want, zoals ik reeds menigmaal gezegd heb, zij leed dezelfde kwellingen als haar Zoon en werd nu gedurende dit mysterie overspoeld met een daarmee gelijk te stellen hoeveelheid vreugde en verheerlijking.\762. Daarna, nog steeds in haar verheven staat, keerde de grote vrouwe zich tot de heilige patriarchen en alle rechtvaardigen, herkende hen en sprak tot ieder van hen, waarbij zij de Almachtige lof toezwaaide voor zijn vrijgevige barmhartigheid, aan hen betoond. Zij werd met een speciale vreugde vervuld onder het spreken met haar ouders, de heilige Joachim en Anna, met haar bruidegom de heilige Jozef en met Johannes de Doper en met hen trad zij in meer bijzonderheden dan met de aartsvaders, de profeten, Adam en Eva. Zij allen vielen voor de hemelse vrouwe neer, erkenden haar als de moeder van de Verlosser van de wereld, als de medeoorzaak van hun bevrijding en de medehelpster van hun verlossing. De goddelijke Wijsheid dwong hen haar op deze wijze te vereren. Maar de koningin van alle deugden en de meesteresse van de nederigheid wierp zich op de grond en vereerde de heiligen overeenkomstig hun goede werken. Dit liet de Heer toe, omdat de heiligen weliswaar minder genade bezaten, maar in hun zalige staat begiftigd waren met onvergankelijke en eeuwige glorie, terwijl de moeder van genade nog in het sterfelijke leven stond en pelgrim was en nog niet in de staat van de vervulling bereikt had De aanwezigheid van Christus duurde voort gedurende het gehele gesprek van Maria met de vaders. De allergezegendste Maria nodigde alle engelen en heiligen die daar aanwezig waren uit om de Overwinnaar van dood, zonde en hel te aanbidden. Daarop zongen allen nieuwe gezangen, psalmen en hymnen van glorie en pracht, totdat het uur aanbrak, waarop de verrezen Heiland op andere plaatsen zou verschijnen, zoals ik in het volgende hoofdstuk zal meedelen.

Instructie die de grote vrouwe, de allerheiligste Maria, mij gaf.

  1. “Mijn dochter, verheug u over uw bezorgdheid inzake uw onmacht in woorden te verklaren wat uw inwendige vermogens waarnemen aan verheven mysteries, die gij wel alle neerschrijft. Het bekennen van onmacht tegenover zulke verheven sacramenten als degenen die gij hebt neergeschreven, dient als een overwinning voor de schepselen en als een afstraling van de glorie van God gezien te worden. Ik voelde de kwellingen, die mijn Zoon onderging en ofschoon ik mijn leven niet verloor, onderging ik toch de geheimenisvolle doodstrijd, daarom onderging ik in mijn wezen ook deze wonderbaarlijke en mystieke verheffing tot een allerverhevenste staat van genade en lichtheid. Het wezen van God is oneindig en ofschoon een schepsel dit voor een groot deel kan begrijpen, blijft er toch veel over om lief te hebben en te genieten, waar hij nimmer aan toekomt. Opdat gij, geholpen door uw begrip, iets van de glorie van Christus, mijn Zoon, van mij en die van de heiligen zult kunnen begrijpen, zal ik u enige regels geven, waardoor u de gaven van de verheerlijkte ziel zult kunnen afleiden uit de gaven, die het verheerlijkte lichaam tentoonspreidt. Gij weet reeds, dat de gaven van de ziel bestaan uit het schouwen, het begrip en de vervulling, terwijl die van het lichaam reeds door u genoemd zijn, met name helderheid, onvatbaarheid voor lijden, vrije beweeglijkheid en subtiliteit.
  2. Elk van deze genadegaven wordt overeenkomstig de daden die iemand stelt, -in staat van genade- ook al is dit slechts een kleine daad zoals het wegnemen van een stro of het geven van een dronk water ter liefde Gods, vergroot. Voor elk van de meest onbetekenende werken verkrijgt het schepsel toename van de genaden; een toename aan helderheid, die het zonlicht vele malen overtreft, waaraan dan nog een zekere staat van gezegendheid is toegevoegd. Een toename van de onmogelijkheid tot lijden, waardoor de mens verder van menselijke en aardse corruptie af komt te staan dan welke geschapen kracht ooit zou kunnen bewerkstelligen bij het weerstaan van ziekte en veranderlijkheid; een toename aan subtiliteit, waardoor hij verder doordringt in alles wat maar tegenstand biedt en die hem nieuwe kracht tot doordringing geeft; een toename aan beweeglijkheid, die elke activiteit van vogels, winden en alle andere beweeglijke schepselen verre overtreft, zoals bv.  vuur en de elementen die daardoor aangetrokken worden. Uit deze toename van de gaven van het lichaam, verdiend door goede werken, zult gij de toename van de genadegaven van de ziel kunnen afleiden, want de gaven van het lichaam zijn afgeleid van de gaven van de ziel en komen daarmee overeen. In het zalig schouwen verwerft elke verdienste grotere helderheid en meer inzicht in de goddelijke eigenschappen en volmaaktheden dan die verworven zijn door alle doctoren en verlichte leden van de Kerk. Evenzo wordt het begripsvermogen en het bevattingsvermogen van het goddelijke Voorwerp vermeerderd, want de zekerheid van het bezit van het hoogste en oneindige Goed maakt de bezonkenheid en de rust van het genieten meer begerenswaard dan indien de ziel alles zou bezitten op het gebied van rijkdom, alles zou omvatten wat gewenst en verlangd wordt in de gehele schepping, zelfs indien dit alles in één moment zou bezeten worden. Vervulling, de derde gave van de ziel, gegeven vanwege de liefde waarmee het schepsel ook de kleinste daad stelt, verheft de graden van liefde dusdanig, dat de grootste liefde, die de mens op aarde op kan brengen, daarbij in het niet valt. Ook kan de vreugde, die daarvan het gevolg is, nimmer vergeleken worden met de vreugden van dit sterfelijk leven.
  3. Verhef daarom uw gedachten, mijn dochter en leid uit deze wonderschone gaven, die door God voor onze kleine daden gegeven worden, af, wat de heiligen dan wel zullen verwerven, die door heldhaftige daden en uitzonderlijke werken, door grote kwellingen en martelaarschap bekend zijn geworden in de Kerk van Christus. En als dergelijke dingen in gewone mensen kunnen geschieden, denk dan eens hoe groot de verheerlijking van mijn goddelijke Zoon was, in Hem die geen fouten en gebreken kende. Dan zult u ook inzien hoe begrensd het menselijk vermogen is, speciaal in het sterfelijk leven, om dit mysterie waardig te begrijpen en zulke grootheid naar waarde te schatten. De allerheiligste Ziel van mijn Heer was verbonden met de Godheid en wegens de hypostatische vereniging deelde de oceaan van zijn Godheid zich natuurnoodzakelijk mee aan zijn goddelijke en menselijke persoonlijkheid waardoor deze verheerlijkt werd alsof ze op een onuitsprekelijke wijze deel ging uitmaken met het Wezen van God zelf. Ofschoon zijn glorie niet gebaseerd was op verdiensten maar voortkwam uit de hypostatische vereniging vanaf het eerste moment van zijn ontvangenis in mijn schoot, toch vroegen zijn werken:

-de dertig jaren van zijn leven;

-zijn geboorte in armoede;

-zijn leven als werkman;

-zijn liefhebben als een pelgrim;

-de beoefening van alle deugden;

-de verlossing van het menselijk geslacht, de vestiging van de Kerk en de leerstellingen van het geloof,\dat de glorie van zijn Lichaam werd aangepast aan die van zijn Ziel. En daarom is zijn grootheid onuitsprekelijk en onmetelijk, slechts te openbaren in het eeuwig leven. In aansluiting op de schitterende verheffing van mijn goddelijke Zoon wekt de rechterhand van de Almachtige ook gevoelens op, die een gewoon schepsel dragen kan en daarin vergat ik alle bezoekingen en smarten van het lijden. De vaders uit het voorgeborchte en de andere heiligen ondervonden hetzelfde, toen zij hun beloning ontvingen. Ik vergat de bitterheid en het lijden dat ik geleden had, want de grote vreugde dreef de pijnen uit, ofschoon is nimmer vergat wat mijn Zoon voor het menselijk geslacht geleden had”.

Jezus sterft aan het Kruis

Standaard

Uit het boek “De mystieke stad Gods” deel 6; blz. 191/201.  Opgetekend door Maria van Agreda o.i.c. Bron Greeth’s Blog:  https://greeth.wordpress.com/2013/04/23/jezus-op-het-kruis-is-waar-gebeurd-verhaal/

De triomf van Christus, onze Heiland op het kruis over de duivel, zijn dood en de profetie van Habakuk; de raad van de duivelen in de hel.

  1. De verborgen en eerbiedwaardige mysteries van dit hoofdstuk hangen samen met vele andere geheimenissen die verspreid zijn door deze gehele geschiedenis. Een daarvan is het feit, dat Lucifer en zijn duivelen in de loop van het leven van onze Heiland en in het verloop van de wonderen, door Hem gewrocht, nimmer konden vaststellen of de Heer waarachtig God en Verlosser van de wereld was en daarmee samenhangend, waaruit de waardigheid van de allerheiligste Maria bestond. Dit was door de Voorzienigheid zo geregeld, opdat het gehele mysterie van de menswording en de verlossing van het menselijk geslacht op passende wijze kon verwezenlijkt worden.  Lucifer was onkundig van de wijze waarop de menswording zou plaatsvinden en van de omstandigheden waaronder dit zou geschieden, ofschoon hij wist, dat God menselijk vlees zou aannemen. Aangezien hem was toegestaan een mening over dit mysterie, in overeenstemming met zijn trots, te vormen, was hij vervuld van hallucinaties waardoor hij, gezien zijn wonderen, soms geloofde, dat Christus werkelijk God was, soms deze opvatting verwierp omdat Hij arm was, vernederd, geslagen en vermoeid. Door deze tegenstellingen werd zijn twijfel niet opgeheven en duurde zijn naspeuren voort tot aan het vastgestelde uur van Christus’dood op het kruis, waardoor hij uit kracht van het lijden en de dood van de heilige mensheid, die de duivel zelf teweeggebracht had, ontgoocheld en overwonnen zou worden door de volledige ontsluiting van deze mysteries.
  2. Mijn traagheid van begrip en mijn zwakke krachten doen zich voelen bij het beschrijven van de verheven en de wonderbare wijze waarop de triomf van Christus, onze Heiland, zich manifesteerde. Dit geschiedde op hoog geestelijk niveau en was zover verwijderd van de normale waarnemingsmogelijkheden der zinnen, dat de beschrijving ervan zeer moeilijk werd. Om dit duidelijk te maken zou ik graag beschikken over de wijze, waarop engelen zich verstaanbaar maken tegenover elkaar, want dat zou noodzakelijk zijn om dit grote wonder van Gods almacht te begrijpen. Ik zal neerschrijven wat mij mogelijk is en het begrip daarvan meer overlaten aan de verlichting van het geloof dan aan de betekenis, die aan mijn woorden gehecht kan worden.
  3. In het voorgaande hoofdstuk heb ik gezegd, dat Lucifer en zijn trawanten zich in de hel wensten te werpen, toen ze zagen, dat de Heer het kruis op zijn heilige schouders nam, want op dat moment begonnen ze met groter kracht de uitwerking van zijn goddelijke  kracht te voelen. Door goddelijke tussenkomst begrepen ze, dat deze nieuwe kwelling de dood van deze onschuldige Man naderbij bracht, dat Hij geen gewone man kon zijn en dat dit alles voor henzelf verdere ondergang betekende. Zij wensten zich terug te trekken en ze hielden op met het ophitsen van Joden en beulen, zoals ze tot nu toe gedaan hadden. Maar het bevel van de allergezegendste Maria, versterkt door goddelijke kracht, weerhield hen en geketend als woeste draken, werden zij gedwongen om Christus naar Calvarië te begeleiden. De uiteinden van de geheimenisvolle ketting werden in de handen van Maria, de grote koningin, geplaatst. Zij hield ze, door de macht van haar goddelijke Zoon, onderworpen en in bedwang. Ofschoon ze meermalen trachtten zich in uitzichtloze woede los te rukken, konden zij toch de macht van de goddelijke vrouw niet breken. Zij dwong hen naar Calvarië te komen en rond het kruis te gaan staan. Daar moesten zij bewegingloos blijven staan en het eind van het grote mysterie, dat zich voor het heil van de mensen en tot hun verderf afspeelde, afwachten.
  4. Lucifer en zijn volgelingen ondervonden de aanwezigheid van de Heer en van zijn heilige moeder in pijnen en kwellingen; zij waren ervan overtuigd, dat hun lot weldra voor goed bezegeld zou worden; zij zouden zich bevrijd gevoeld hebben, indien hen was toegestaan zich in de duisternissen van de hel terug te trekken. Maar aangezien hen dit niet veroorloofd was, vochten ze woedend met elkaar zoals wespen wier nest verstoord wordt of als slangengebroed, dat, verward zijnde, zich voortspoedt naar een donkere hoek. Maar hun dolle razernij was niet gelijk aan die van dieren; ze was duivelse razernij, wreder dan die door draken zou kunnen tentoongespreid worden. Toen werd de fiere trots van Lucifer geheel overwonnen en zijn hovaardige gedachten om zijn troon boven de sterren in de hemel te zetten en de wateren van de Jordaan droog te drinken (Js 14,13; Job 40,18) werden beschaamd. Hoe zwak en vernietigd was nu degene, die zo dikwijls had gepocht de gehele aarde te overheersen: Hoe terneergeslagen en beschaamd was hij, die zoveel zielen met valse beloften en ijdele verlokkingen had misleid. Hoe teleurgesteld was deze ongelukkige, toen hij de schandpaal zag, waaraan hij Mardocheus had willen slaan. Wat een schaamte nu hij moest aanhoren, hoe de ware Esther, de allerheiligste Maria, om de vrijkoop van haar volk, de vernietiging van de verrader en de kastijding van zijn trots vroeg. Daar onthoofdde onze onoverwinnelijke Judith hem, daar trad zij op zijn trotse nek. Van nu af aan, o Lucifer, weet ik dat uw (Js 16,6) trots en hovaardij veel groter zijn dan uw sterkte. In plaats van pracht en praal gaat gij in wormen gekleed; slechts verrotting omgeeft en verteert uw lijk! Gij, die de naties hebt geteisterd, zijt nu meer verwondt, meer gebonden en onderdrukt dan geheel de wereld: Van nu af aan vrees ik uw valse verleidingen niet meer; ik zal niet langer luisteren  naar uw listen, want ik zie voor mij, hoe gij tot niets bent teruggebracht, verzwakt zijt en geheel hulpeloos.
  5. De tijd was aangebroken, dat de draak overwonnen zou worden door de Meester van het leven. Aangezien dit het uur van de ontgoocheling zou worden en aangezien deze gifadder dit niet zou kunnen ontgaan door zijn oren te sluiten voor de tovenaar, begon de Heer de zeven kruiswoorden uit te spreken, terwijl Hij ervoor zorgde, dat Lucifer en diens volgelingen de mysteriën, die daarin vervat waren, volkomen duidelijk zou begrijpen. Want door deze uiteenzetting wenste de Heer over hen te zegevieren, over zonde en dood en hen hun tirannieke macht over het menselijk geslacht af te nemen. De Heer sprak het eerste woord: VADER VERGEEF HET HUN, WANT ZIJ WETEN NIET WAT ZIJ DOEN (Lc 23,34). Door deze woorden kwamen de prinsen van de duisternis tot de volle overtuiging

-dat Christus, onze Heer, tot de eeuwige Vader sprak,

-dat Hij zijn natuurlijke Zoon, de ware God was en dat de heilige Geest met Hem was,

-dat Hij de dood had toegestaan van zijn allerzuiverste en volmaakte mensheid, vereend met de Godheid, tot redding van het gehele mensdom;

-dat Hij zijn oneindige, kostbare verdiensten tot vergeving van de kinderen van Adam beschikbaar stelde, degenen die Hem gekruisigd hadden niet uitgezonderd.

Door deze ontdekking raakten de duivelen met Lucifer in een dergelijke woede ontstoken, dat zij zich onmiddellijk in de diepten van de hel hadden willen werpen. Zij spanden al hun krachten in om dit te bewerkstelligen, de machtige koningin ten spijt.

  1. Uit het tweede woord, dat tot de gelukkige moordenaar werd uitgesproken, namelijk: ”HET ZIJ ZO, ZEG IK TOT U, NOG HEDEN ZULT GIJ MET MIJ ZIJN IN HET PARADIJS”, begrepen de duivelen, dat de vruchten van de verlossing de rechtvaardiging van de uitverkorenen beoogden. Zij werden zich bewust, dat vanaf dat uur de verdiensten van Christus met nieuwe kracht en sterkte zouden gaan werken,

-dat door hen de poorten van het paradijs zich zouden openen, die poorten, die door de eerste zonde gesloten waren en

-dat van nu af aan de mensen zouden kunnen ingaan in de eeuwige heerlijkheid en de voor hen gereed gemaakte hemelse zetels zouden kunnen gaan innemen,

-iets wat tot nu toe voor hen onmogelijk was geweest.

Zij aanschouwden de kracht van Christus om zondaars naar zich toe te trekken, hen te rechtvaardigen en hen zalig te maken,

-en zij voelden de triomfen die door de verheven deugden, de nederigheid, het geduld, de zachtmoedigheid en alle andere deugden van ieders leven, over hen behaald waren.

De verwarring en kwelling van Lucifer en de zijnen bij de aanschouwing van dit alles kan niet door een menselijke tong vertolkt worden. Zij was zo groot, dat zij zichzelf vernederden door aan de allergezegendste maagd te verzoeken hen toe te staan in de hel af te dalen en uit haar aanwezigheid verwijderd te worden, maar de grote koningin wilde niet toestemmen, omdat de tijd daartoe nog niet rijp was.

  1. Bij het derde woord, dat door de Heer tot zijn moeder gericht werd: “VROUWE, ZIE DAAR UW ZOON”!, ontdekten de duivels, dat deze hemelse vrouwe de ware moeder van de Godmens was, dezelfde vrouwe, wier beeltenis en profetisch teken aan hen getoond werd in de hemelen ten tijde van hun schepping, die hun koppen zou verpletteren, zoals dit door de Heer in het aards paradijs werd aangekondigd. Zij werden ingelicht omtrent de grote waardigheid en voortreffelijkheid -boven alle andere schepselen- van deze grote vrouwe en over haar grote macht, die zij nu ondervonden. Aangezien zij vanaf het begin van de wereld en de schepping van de eerste vrouw al hun schranderheid hadden aangewend om te weten te komen,  wie deze grote vrouwe, die in de hemelen werd aangekondigd, wel kon wezen en aangezien zij haar nu in Maria aanschouwden, die zij tot nu toe over het hoofd gezien hadden, werden deze draken gegrepen door een onuitsprekelijke woede.

-Dat zij zich op deze wijze zo vergist hadden was een bittere vernedering voor hun hovaardij en

-in hun woede fulmineerden zij tegen zichzelf als bloeddorstige leeuwen, terwijl hun uitzichtloze razernij jegens de hemelse vrouwe duizendvoudig toenam;

-verder namen zij waar, dat de heilige Joannes door Christus, onze Heer, als engelbewaarder van zijn moeder werd aangesteld en begiftigd werd met de macht van het Priesterschap. Dit beschouwden zij als een bedreiging tegen hun eigen neigingen, die bij de heilige Joannes bekend waren.

Lucifer zag niet slechts de kracht van de evangelist maar tevens de macht, die alle priesters, wegens hun deelname aan de waardigheid en kracht van onze Verlosser, ontvangen hadden. Zij zagen verder, dat de rest der rechtvaardigen onder speciale bescherming van de Heer was geplaatst en gestaald werd tegen de krachten van de hel. Dit alles verlamde de kracht van Lucifer en zijn trawanten.

  1. Het vierde woord van Christus was gericht tot de eeuwige Vader: “MIJN GOD, WAAROM HEBT GIJ MIJ VERLATEN?”. De slechte geesten ontdekten in deze woorden, dat de liefde van God voor de mensen grenzeloos en eeuwigdurend was,

-dat Hij ter voldoening daarvan op geheimenisvolle wijze de invloed van de Godheid op zijn allerheiligste mensheid had opgeschort, waardoor zijn lijden de hoogste graad kon bereiken en daaruit de meest rijke vruchten te trekken waren;

-dat Hij voorzag en zich liefdevol beklaagde over het feit, dat voor Hem de redding van een deel van het menselijk geslacht niet mogelijk zou zijn;

-dat Hij bereid was meer te lijden, indien de eeuwige Vader dit zou wensen.

De liefde van God voor de mensen, die uit dit alles sprak, verhoogde de afgunst van Lucifer en zijn duivelen. Zij voorzagen, dat de goddelijke Almacht deze grote liefde, zonder grenzen, zou door zetten. Deze nieuwe wetenschap verpletterde de hovaardige boosheid van de vijanden en zij voorzagen zeer goed, dat hun eigen zwakheid en hulpeloosheid niets zouden kunnen uitrichten tegen deze liefde, indien de mensen zelf zich niet daarvan zouden afkeren.

  1. Het vijfde woord van Christus: “IK HEB DORST”, bevestigde Christus triomf over de duivel en zijn volgelingen; zij waren van boosaardigheid en woede vervuld, omdat de Heer hen duidelijk maakte, dat zij volledig verworpen waren. Door de kruiswoorden begrepen zij, dat Christus hen wilde zeggen: indien dat, wat ik voor de mensen en ter liefde van hen lijdt, u groot voorkomt, wees er dan van overtuigd, dat mijn liefde voor hen nog steeds niet gestild is, dat Ik nog immer verlang naar hun eeuwig heil en dat de machtige wateren van kwellingen en lijden dit verlangen nog niet hebben uitgeblust. Ik zou graag meer voor hen lijden, indien dit nodig was om hen van uw tirannie te bevrijden en hen te stalen en te sterken in hun strijd tegen uw boosaardigheid en trots.
  2. Door het zesde kruiswoord: “HET IS VOLBRACHT”, werd het Lucifer en zijn horden duidelijk, dat het geheim van menswording en verlossing nu zijn einde naderde en geheel volmaakt zou zijn, zoals het decreet van de goddelijke Wijsheid dit had bepaald. Dat Christus, onze Verlosser, de wil van de eeuwige Vader op voorbeeldige wijze volbracht had, werd hen duidelijk;

-dat Hij alle beloften en profetieën, door de oude Vaders aan de wereld gedaan, had vervuld;

-dat zijn nederigheid en volgzaamheid hun trots en ongehoorzaamheid ruimschoots had gecompenseerd, speciaal de weigering om Hem als hun overste-in-menselijk-vlees te erkennen en

-dat ze nu door Gods wijsheid terecht vernederd en overwonnen waren door dezelfde Heer, die zij verachtten.

De grote waardigheid en de oneindige verdiensten van Christus eisten, dat Hij in dit uur zijn ambt en macht van Rechter over engelen en mensen zou uitoefenen, zoals Hem was toegestaan door de eeuwige Vader. Hij paste deze macht toe door deze zin Lucifer en zijn volgelingen toe te roepen: dat, nu zij veroordeeld waren tot het eeuwige vuur, zij zich dienden terug te trekken in de diepste hellekrochten. Deze zin was begrepen in het uitspreken van het zevende woord: “VADER, IN UW HANDEN BEVEEL IK MIJN GEEST” (Lc 23,46). De machtige koningin en moeder deed haar wil met die van de Heer samensmelten en vereende met zijn bevel ook het hare om onmiddellijk te vertrekken naar de diepste diepten der hel. Door de kracht van deze decreten van de opperste Koning en van de koningin werden de kwade geesten van Calvarië verdreven en heftiger en sneller in het diepste deel van de hel geworpen dan een bliksemstraal het zwerk zou kunnen doorklieven.

  1. Toen Christus, onze Heiland, als triomferende Overwinnaar de grote vijand had verslagen, droeg Hij zijn geest aan de Vader op en liet toe, dat de dood zijn intrede deed, door zijn hoofd te buigen (Joh 19,30). Door deze toestemming overwon Hij tevens de dood. Want de dood kon geen mens aanvallen, had geen jurisdictie over hen, dan door de erfzonde, waarvoor hij een straf was. Daarom zegt de apostel, dat het wapen of de angel des doods de zonde is, die de wonden opent, waardoor de dood binnentreedt in de wereld van de mensen (Rom 5,12). Aangezien de Heiland de schuld van de zonde, die Hij niet kon bedrijven, betaalde toen de dood zijn leven wegnam zonder zelfs een schijn van rechtvaardigheid, verloor zij de macht, die ze over de andere kinderen van Adam had. Vanaf dat moment kon de dood noch duivel de mensen aanvallen, tenzij zij zich niet beriepen op de overwinning van Christus en zichzelf geheel vrijwillig aan de duivel onderwierpen. Indien onze eerste vader Adam niet gezondigd had en wij in hem, zouden we de straf van de dood niet kennen en slechts overgaan naar het geluk van het eeuwige vaderland. Maar de zonde heeft ons onderdanen en slaven van de duivel gemaakt. Hij bedient zich van de dood om ons eerst de genade, de zegeningen en de vriendschap van God te onterven. Daarenboven voorkomt hij, dat wij het eeuwige leven bereiken en blijven wij in de slavernij van de zonde en de duivel, onderworpen aan zijn tirannieke macht. Onze Heiland, Christus, ontdeed de duivel van al deze voordelen door te sterven zonder zonden te hebben bedreven. Hij verdiende voor ons, dat de dood alleen een dood van het lichaam zou zijn, niet voor de ziel; dat de dood slechts macht had ons het tijdelijke leven te ontnemen, maar niet het eeuwige; het natuurlijke, niet het geestelijke leven en dat het in het vervolg slechts het portaal naar de eeuwige heerlijkheid zou zijn, indien wij zelf niet afzagen van deze zegening. Zo gaf de Heer genoegdoening voor de kastijdingen, die de eerste zonde met zich meebracht, terwijl Hij ons tevens het middel gaf om een compensatie van onszelf aan te bieden door onze natuurlijke en lichamelijke dood, uit liefde Gods, te aanvaarden. Christus overwon de dood (1Kor 15,54)  en bood zijn eigen dood aan als aas voor een bedrieglijke dood. Door zijn dood maakte Hij een eind aan zijn macht, overwon hem en werd de Dood van de dood zelf.
  2. In deze triomf vervulde de Heiland de profetie, die vervat is in het lied en het gebed van Habakuk, waaruit ik enige passages, noodzakelijk voor mijn doeleinden, zal aanhalen. De profeet werd verteld over het mysterie en de macht van Christus over dood en duivel. In zijn profetische visie bad hij, dat de Heer het werk van zijn handen, dat is: de mens, zou levend maken, dat Hij, in zijn hoogste gramschap toch zijn liefde zou willen gedenken. Hij profeteerde,

-dat de glorie van dit wonder de hemelen zou vervullen en de weerklank daarvan de aarde;

-dat zijn afstraling mocht zijn als licht;

-dat Hij in zijn handen de horens -dat zijn de armen van het kruis- zal omarmen, want daarin is zijn sterkte verborgen;

-dat de dood zou wegvluchten van Hem, geboeid en overwonnen;

-dat de duivel voor zijn voeten zou verslagen worden en languit neer zou vallen (Hab 3,2-5) (“de aarde zou meten”).

Dit alles werd tot de laatste letter vervuld, want Lucifer vertrok, na zijn hoofd verpletterd te hebben door de voeten van Christus en zijn geliefde moeder, die hem door hun lijden en door hun macht onderwierpen. Aangezien de duivel gedwongen werd zich in de diepste hel te werpen, die zich in het midden van de aarde bevindt en het verst verwijderd is van de oppervlakte, kan men zeggen, dat hij “de aarde mat”.

De rest van het lied slaat op de triomfen van Christus onze Heer in de zich opvolgende eeuwen van het Christendom; maar dat is niet nodig om hier geboekstaafd te worden. Het is echter passend voor ons mensen om te begrijpen, dat Lucifer en zijn duivelen werden beperkt, verlamd en verzwakt in hun macht over de denkende wezens, tenzij hun zonden en hun eigen vrije wil de duivelen wederom zouden los maken, hen zouden aanzetten om terug te keren ter verwoesting van de wereld. Dit alles zal beter begrepen worden uit het verloop van de helse raadsvergaderingen en uit datgene, wat ik nog in de loop van deze geschiedenis zal neerschrijven.

RAADSVERGADERING DOOR LUCIFER EN ZIJN DUIVELEN IN DE HEL GEHOUDEN NA DE DOOD VAN CHRISTUS, ONZE HEER.

  1. De krachtige verwijdering van Lucifer en zijn trawanten van Calvarië, naar de afgronden van de hel was heviger en voor hen meer noodlottig dan hun eerste uitwerping uit de hemel. Ofschoon de heilige Job reed zei (Job 10,21) dat,

-die plaats een land van duisternis, bedekt met doodsschaduwen is;

-dat aldaar donkere wanorde, ellende, kwellingen en verwarring heersen;

werd bij deze gelegenheid de chaos en de wanorde duizendmaal versterkt, omdat de verdoemden nieuwe schrikbeelden en nieuwe straffen te verduren kregen door de ontmoeting met de bloeddorstige duivelen in hun razende woede. Het is zeker, dat de duivelen de macht niet hebben om de verdoemden naar plaatsen met meer of minder kwelling te bestemmen, want alle kwellingen zijn door goddelijke rechtvaardigheid aangepast aan de mate van overtredingen, begaan door elk van de verdoemden. Maar buiten deze wezenlijke straffen staat de rechtvaardige Rechter toe, dat hen bij speciale gelegenheden van tijd tot tijd straffen worden opgelegd. Want hun zonden hebben wortels in de wereld achtergelaten en veel nadeel bezorgd aan derden, die verdoemd werden door hun schuld, zodat de nieuwe gevolgen van eerder begane zonden deze incidentele straffen voor de verdoemden opleveren. Zo ontwierpen de duivelen nieuwe kwellingen voor Judas, omdat hij Christus had verkocht en zijn dood op het geweten had. Zij begrepen toen ook, dat deze plaats van verschrikkelijke folteringen, waarin zij hen geworpen hadden en waarover ik reeds sprak, bestemd was voor de kastijding van diegenen, die zichzelf veroordeelden door de weigering hun geloof in hun leven te beoefenen en voor diegenen, die doelbewust weigeren te geloven en te delen in de vruchten van de verlossing. Tegenover deze mensen gedragen de duivelen zich extra kwaadaardig, met een boosaardigheid die zij hebben aangekweekt jegens Jezus en Maria.

  1. Zodra Lucifer toestemming had gekregen om dit soort zaken te behandelen en bekomen was van de verwarring, waarin hij enige tijd verkeerd had, stelde hij zijn mededuivelen nieuwe plannen geboren uit zijn trots voor. Tot dit doel riep hij hen allen tezamen; hij plaatste zich op een verheven plaats en sprak hen als volgt toe:

“Gij allen, die mij gedurende zoveel eeuwen gevolgd hebt en nog steeds volgt om mij te wreken voor het kwade, dat mij aangedaan is, kent de belediging, die ik uit handen van deze Godmens heb ontvangen. Gij weet, dat Hij mij drieëndertig jaar om de tuin geleid heeft, zijn Godheid heeft verborgen en de activiteiten van zijn Ziel onzichtbaar heeft gehouden en hoe Hij nu over ons getriomfeerd heeft, juist door die dood, die wij Hem hebben aangedaan. Voordat Hij het vlees aannam, haatte ik Hem en weigerde ik Hem te erkennen als een Wezen,  dat meer waard is om aanbeden te worden door de rest van de schepping dan ik. Ofschoon ik wegens deze weigering met u allen uit de hemel werd verwijderd en verjaagd werd tot deze verachtelijke toestand, mijn grootheid en vroegere schoonheid zo uitermate onwaardig, voel ik mij nog meer gekweld door mij 0p deze wijze overwonnen en vervolgd te zien door deze Man en zijn moeder. Vanaf de dag, dat de eerste man geschapen werd, heb ik zonder mijzelf rust te gunnen gezocht om Hem te vinden en Hem te vernietigen; of, indien ik niet in staat zou zijn Hem te vernietigen, dan wilde ik tenminste al zijn schepselen tot de ondergang doemen en hen verleiden Hem niet als hun God te erkennen en bereiken dat geen hunner ooit enig voordeel zou putten uit zijn werken. Dit was mijn opzet, daartoe heb ik heel mijn ijver en kracht ingezet. Maar tevergeefs want Hij heeft mij overwonnen door zijn armoede en zijn nederigheid, mij vernietigd door zijn geduld en tenslotte mij de heerschappij over de wereld onmogelijk gemaakt door zijn passie en zijn verschrikkelijke dood. Dit bezorgt mij een dusdanige folterende pijn, dat zelfs, indien ik zou slagen om Hem los te scheuren van de rechterhand van zijn Vader, waar Hij als Triomfator zetelt en ik alle verloste zielen in de hel kon doen belanden, dan nog zou mijn woede niet uitgebrand en mijn hartstocht niet getemd zijn.

  1. Is het mogelijk, dat de menselijke natuur, zo veel lager staand dan de mijne, boven alle schepselen verheven wordt! Dat zij zo bemind en begunstigd wordt, dat zij in de Persoon van het eeuwig Woord met de Schepper vereend wordt! Dat Hij mij eerst moest beoorlogen alvorens dit werk te volvoeren en mij daarna dusdanig in verwarring moet brengen! Vanaf het begin heb ik deze mensheid als mijn grootste vijand beschouwd, hij heeft mij immer met ondragelijke afkeer vervuld. O mensen, zo begunstigd en begiftigd door uw God, die ik verafschuw en zo vurig door Hem bemind!  Hoe kan ik uw geluk verhinderen? Hoe kan ik mijn ongeluk op u overbrengen, aangezien ik het bestaan, dat gij ontvangen hebt, niet kan vernietigen? Wat moeten wij, o mijn volgelingen, nu beginnen? Hoe moeten wij ons rijk herstellen? Hoe moeten wij onze macht over de mensen weer terugkrijgen? Hoe zullen we hen overmeesteren? Want indien de mensen van nu af aan niet algeheel gevoelloos en ondankbaar zouden zijn, indien ze tegenover de Godmens niet slechter gestemd zijn dan wij, die Godmens, die hen met zoveel liefde verlost heeft, dan is het duidelijk, dat allen Hem graag zullen volgen; geen zal zich laten beïnvloeden door onze listen; zij zullen de eerbewijzen die wij hen aanbieden, verafschuwen en ze zullen afschuw eerder liefhebben dan eer; zij zullen verstervingen toepassen en het gevaar ontdekken van vleselijke genoegens en van luiheid; zij zullen rijkdommen en schatten niet najagen en de armoede, aan wie de Meestere zoveel eer bewees, hoogachten en alles, wat wij hen zullen kunnen aanbieden om hun smaak te prikkelen, zullen ze, in navolging van hun echte Verlosser, verafschuwen. Zo zal ons rijk vernietigd worden, want er zal in deze plaats vol verwarring en kwelling, niemand meer bijkomen; allen zullen het geluk, dat wij hebben verloren, bereiken, allen zullen zij zich in het stof buigen en geduldig lijden en mijn gramschap noch mijn hoogmoed zullen mij ook maar iets geven.
  2. Ah, wee mij, hoe kwelt mij deze fout: Toen ik Hem in de woestijn bekoorde was het enige resultaat, dat Hij een kans had een voorbeeld te stellen voor de mensen, waardoor zij mij des te gemakkelijker  konden overwinnen. Mijn vervolgingen brachten zijn leer over nederigheid en geduld des te duidelijker naar voren. Door Judas over te halen om Hem te verraden en de Joden om Hem door de dodelijke marteling op het kruis te brengen, verhaastte ik slechts mijn ondergang en de redding van de mensheid, terwijl de leerstellingen, die ik trachtte uit te roeien, steeds hechter gegrondvest werden. Hoe kon iemand, die God is, zich zo ver vernederen? Hoe kan Hij zoveel verdragen van mensen, die slecht zijn? Hoe kon ik zozeer misleid zijn, dat ik zoveel heb bijgedragen om deze redding zo volledig en zo schoon te doen worden? O hoe goddelijk is de macht van deze Man, dat ik zo gekweld en zo krachteloos werd. En hoe is het mogelijk, dat deze vrouw, zijn moeder en mijn vijandin, zo machtig en onoverwinnelijk werd in haar tegenstand jegens mij? Een dergelijke macht in een gewoon schepsel is geheel nieuw. Zij verwierf hem waarschijnlijk van het goddelijke Woord, dat zij met menselijk vlees bekleedde. Door deze vrouw heeft de Almachtige bij voortduring tegen mij gestreden, ofschoon ik haar in mijn trots haatte vanaf het moment, dat ik haar in haar beeltenis of hemels teken herkende. Maar indien mijn trotse verontwaardiging niet gerustgesteld kan worden, profiteer ik in het geheel niet van mijn strijd tegen de Verlosser, tegen zijn moeder en tegen de mensen. Welaan dan, gij duivelen die mij volgt, nu is de tijd gekomen om uw vijandschap jegens God te tonen. Laat allen zich verenigen in de raad en praten over wat ons te doen staat. Het is mijn verlangen uw oordeel te vernemen”.
  3. Enige van de meest vooraanstaande duivelen gaven hun antwoord op dit schandelijk voorstel. Zij moedigden Lucifer aan door diverse complotten op te noemen, die moesten dienen om de vrucht van de verlossing onder de mensen tegen te gaan. Zij waren het er over eens, dat het onmogelijk zou zijn de Persoon van Christus te beledigen;

-de zeer grote waarde van zijn verdiensten te verminderen;

-de probaatheid van de sacramenten te vernietigen;

-de leerstellingen, die Christus gepredikt had, af te schaffen,

maar toch besloten ze, dat in overeenstemming met de nieuwe orde van hulp en gunst, door God gesticht tot redding van de mensheid, zij nu moesten zoeken naar nieuwe wegen om het werk van God te verhinderen en te voorkomen door groter bedrog en meer bekoringen. Met betrekking tot deze plannen zeiden enige van de geslepen en boosaardige duivelen:

-“Het is waar, dat de mensen nu een zeer krachtige leerstelling en wet hebben ontvangen, waarop zij terug kunnen vallen, nieuwe en sterk werkende sacramenten, een nieuw model, een nieuwe lerares in de deugden, een machtige middelares en voorspreekster in deze vrouwe; maar de natuurlijke neigingen en passies van het vlees blijven geheel hetzelfde en de verstandelijke en genotzuchtige schepselen hebben hun natuur niet veranderd.

-Laat ons dan, onder gebruikmaking van deze situatie met toenemende listigheid de gevolgen en de uitwerkingen van datgene, wat de Godmens voor de mensen gewrocht heeft, verhinderen.

-Laat ons een ingespannen strijd beginnen tegen het mensdom door hen nieuwe bekoringen voor te spiegelen die hen opwekken hun hartstochten na te jagen op een wijze, die hen alles doet vergeten. Zo zullen mensen indien ze door deze gevaarlijke zaken ingenomen zijn niets voor het tegendeel daarvan kunnen doen”.

  1. Met deze raad als principe verdeelden ze de werksferen opnieuw onder elkaar, waarbij erop gelet werd, dat elke afdeling duivels de kans kreeg om met speciale scherpzinnigheid de mensen tot verschillende zonden te brengen. Zij besloten de afgodendienst in de wereld te bevorderen en zodoende de mensen af te houden van de ware God en de verlossing. Indien hier of daar de afgodendienst zou falen zouden aldaar sekten en ketterijen gesticht worden, waarover ze de meest perverse en zondige mensen van het menselijk rad als leiders en leraren zouden aanstellen. Reeds toen werden de sekten van Mahomet, de ketterijen en Arius, Pelagius, Nestorius en welke andere ketterijen dan ook, opgezet, benevens die, welke zij achter de hand hielden voor passende gelegenheden, waarover het niet verstandig zou zijn uit te wijden. Lucifer toonde zich tevreden met wat de raad voor adviezen te berbe bracht, alle gericht tegen de goddelijke waarheid en geschikt om de fundamenten van de redding van de mensheid, met name het goddelijk geloof, te aanvaarden! Hij overlaadde de duivelen, die zich wilden belasten met het zoeken naar leiders van deze ketterijen, met vleiende en prijzende woorden.
  2. Enige van de duivelen belastten zichzelf met het ombuigen van de neigingen van kinderen bij hun ontvangenis en geboorte;  anderen trachtten de ouders ervan af te houden de nodige zorg aan de opvoeding te besteden hetzij door het betuigen van overdreven liefde of door het vestigen van wantrouwen en haat tussen ouders en kinderen. Enigen boden aan, haat tussen mannen en vrouwen te zaaien, hen op de weg naar overspel te zetten en weinig respect te hebben voor de beloofde trouw van hun partners. Allen kwamen overeen:

-tweedracht te zaaien onder de mensen;-haat- en wraakgevoelens op te wekken en aan te wakkeren;

-hevige verlangens naar rijkdommen en erebaantjes wakker te maken en

-drogredenen voor te stellen tegenover alle deugden, die Christus geleerd had;

-maar bovenal waren zij van plan de herinnering aan het lijden en de dood, aan de middelen tot heil en aan de eeuwige pijnen van de hel, uit te wissen. Door deze middelen hoopten de duivels dat alle vermogens van de mens zich zouden inspannen voor aardse zaken en zinnelijke genoegens, waarbij hen weinig tijd gelaten werd voor geestelijke gedachten en eigen heil.

  1. Lucifer hoorde de verschillende suggesties van zijn duivelen. Hij antwoordde hen en sprak: “Ik dank u allen voor uw meningen; het zal gemakkelijk zijn ze in praktijk te brengen bij diegenen die de wet, door deze Verlosser gegeven, niet volgen, maar bij degenen die deze wet aannemen en ze omarmd hebben zal dit toch een heel verschillende zaak worden. Maar tegen deze wetten en tegen degenen die deze wet volgen, zal ik mijn woede en boosaardigheid richten en ik zal op de meest bittere wijze diegenen vervolgen, die na de leer van deze Verlosser gehoord te hebben, zijn volgelingen zijn geworden; tegen dezen zal de meest meedogenloze strijd moeten gestreden worden, tot het einde van de wereld. In deze nieuwe Kerk zal ik mijn distels zaaien:

-de ambities,

-de hebzucht,

-de zinnelijkheid en

-de dodelijke haat, met alle andere ondeugden, waarvan ik het hoofd ben.

Want indien deze zonden zich vermenigvuldigen en toenemen onder de gelovigen, zullen zij, met de daarbij behorende boosaardigheid en ondankbaarheid, God prikkelen en terecht de mensen de hulp der genade, door de Verlosser verdiend, onthouden. Indien ze deze middelen tot hun heil eenmaal verworpen hebben, dan zullen wij hen overwonnen hebben. We moeten er ook op werken godsdienstigheid en alles wat geestelijk en goddelijk is, te verzwakken, zodat  ze de macht van de sacramenten niet kunnen verwezenlijken en hen in doodzonde ontvangen of minstens zonder vuur of devotie. Want aangezien deze sacramenten geestelijk zijn, is het noodzakelijk ze met goedgerichte wil te ontvangen om er de vruchten van te kunnen oogsten. Indien ze deze medicijn niet willen slikken, zullen zij hun ziekten niet kunnen overwinnen en minder in staat zijn onze bekoringen te weerstaan; zij zullen ons bedrog niet doorzien, zij zullen de herinnering aan de Verlosser en aan de tussenkomst van zijn moeder uit hun geheugen laten wegebben. Zo zal hun vuige ondankbaarheid de hulp van God en Heiland van zich vervreemden. In al deze zaken dient gij mij op de meest ijverige wijze te ondersteunen, zonder tijd of gelegenheid te verliezen bij het gehoorzamen van mijn bevelen”.

  1. Het is niet mogelijk alle complotten op te sommen, die de draak en zijn medestanders op dat moment smeedden tegen de heilige Kerk en haar kinderen, opdat deze wateren van de Jordaan door hem zouden opgedronken worden (Job 40,18). Het moet voldoende zijn u te zeggen, dat zij bijna een vol jaar na de dood van Christus in beraad bleven over de status van de wereld in die tijd en de veranderingen daarin gebracht door Christus, onze God en Meester, door zijn dood en na het licht van zijn geloof geopenbaard te hebben door zovele wonderen, zegeningen en voorbeelden van heilige mensen. Indien al deze werken niet voldoende zijn geweest om alle mensen naar het heil te brengen, is het eenvoudig te begrijpen, dat Lucifer overwinnen zou en dat zijn woede zo groot was, dat hij met de heilige Johannes had kunnen uitroepen: “Wee over u aarde, want satan is over u heen gevallen vol woede en gramschap”!. Maar helaas, zulke waarheden, zo onfeilbaar en zo gevreesd door de mensen, zijn in onze dagen uitgewist uit de geesten en harten van de stervelingen tot onherstelbaar gevaar voor de wereld! Onze vijand is scherp, wreed en waakzaam: wij zijn suf, lauw en zorgeloos. Wat een wonder, dat Lucifer zich zo vast genesteld heeft in de wereld, als er zovelen zijn, die naar hem luisteren, hem aannemen en volgen in zijn bedrog; als er zo weinigen zijn, die hem weerstand bieden en geheel de eeuwige dood vergeten, die hij met zoveel woede en boosheid over hen doet komen. Ik smeek eenieder, die dit leest, dit verschrikkelijke gevaar niet te vergeten. Indien ze niet overtuigd zijn van dit gevaar door de slechte conditie van de wereld en door de zonden, die eenieder in zichzelf waarneemt, laat ze dan opmerkzaam worden op dit gevaar door de grote zorg en krachtige geneesmiddelen en hulpbewijzen, die de Heiland nodig heeft gevonden in zijn Kerk achter te laten. Want Hij zou zeker nooit zulk tegengif hebben  verschaft, indien onze ziekte en ons gevaar om de eeuwige dood over ons te halen, niet zo groot en uitzonderlijk waren.

Instructie mij door de koningin des hemels gegeven:

  1. “Mijn dochter, door goddelijke voorlichting hebt gij een groot begrip verkregen over de glorierijke triomf van mijn Zoon en Heer op het kruis over de duivelen, over hun verwijdering en hun nederlaag. Maar gij dient te weten, dat er in deze mysterie nog meer is dat gij niet weet dan wat gij begrepen hebt. Want in dit sterfelijk vlees kan het schepsel de mysteries in hun wezen niet begrijpen. De goddelijke Voorzienigheid bewaart het volle begrip daarvan als een beloning voor de heiligen in de hemel en voor het gelukzalig schouwen, waarin deze mysteries volledig begrip zullen vinden. Dit inzicht zal ook gegeven worden aan de verdoemden tot hun verwarring en straf, aan het einde van hun leven. Maar wat gij geleerd hebt, is voldoende om u bewust te laten worden van de gevaren van dit sterfelijk leven en om uw hoop tot het herwinnen van uw vijanden nieuw leven in te blazen. Ik waarschuw u tevens voor de nieuwe toorn, waarin de draak tegenover u ontstoken is wegens alles wat u in dit hoofdstuk geschreven hebt. Hij heeft u reeds bij voortduring gevolgd en getracht u te verhinderen om mijn leven te beschrijven, zoals u dat reeds meerdere malen, gedurende uw werk, ondervonden hebt. Maar nu is zijn hoogmoedige trots speciaal vertoornd op u, omdat gij zijn vernedering zo duidelijk aan het licht hebt gebracht; de verpletterende nederlaag bij de dood van mijn gezegende Zoon, de toestand waarin hij en zijn geheime raadslieden achterbleven om zichzelf te wreken op de kinderen van Adam en speciaal op de leden van de heilige Kerk. Dit alles heeft hem opgewonden gemaakt en opnieuw in verwarring gebracht, omdat hij inzag, dat deze geheimen nu ook aan hen, die daarvan nog onkundig waren, duidelijk gemaakt zullen worden. Gij zult zijn woede ondervinden in de moeilijkheden, die hij op uw weg zal plaatsen, uw bekoringen en verzoekingen, die gij reeds ontmoet hebt. Daarom waarschuw Ik u waakzaam te zijn en attent op de krankzinnige woede en wreedheid van uw vijand.
  2. Gij zijt terecht verwonderd om enerzijds te zien hoe sterk en machtig de verdiensten van mijn Zoon en van zijn verlossing zijn, de vernieling en de zwakheden, die de duivelen in de mensen hebben aangericht en anderzijds de macht van de duivel waar te nemen die in hovaardige overmoed de heerschappij over de wereld voert. Ofschoon het inzicht dat u gegeven is, evenredig is met deze verwondering, zal Ik nog een tweede punt voor uw informatie daaraan toevoegen om uzelf nogmaals extra te harnassen tegen zijn kwade invloed. Het is zeker waar, dat, toen de volledige berichten over de menswording en de verlossing in de hel bekend werden, de armoede, de deemoed, de nederige geboorte van Jezus, zijn leven en wonderen, uitlopend in de geheimzinnige passie en de dood en al zijn zwoegen om de mensen naar zich toe te trekken, Lucifer en zijn trawanten als lamgeslagen waren en zij inzagen, dat de gelovigen niet op dezelfde wijze als de rest van de mensheid konden verleid worden, zoals ze zonder ophouden hadden getracht te doen. In de primitieve Kerk heerste deze vrees en angst onder de gedoopten en de volgelingen van Christus onze Heer, nog gedurende vele jaren, want de goddelijke deugden straalden helder,  in navolging van Christus, in hun ijver het geloof te belijden, in de volgzaamheid van de leer van het evangelie, in het beoefenen van heldhaftige deugden en brandende liefde, deemoed, geduld en afschuw van de ijdelheden en het bedrog van de wereld. Velen vergoten hun bloed en gaven hun leven voor Christus, de Heer; zij verrichtten vele bewonderenswaardige en verheven daden voor de glorie van zijn Naam. Deze onoverwinnelijke sterkte was het resultaat van hun leven in een tijd zo dichtbij het lijden en de dood van de Verlosser en zo nabij aan het wonderbaarlijke voorbeeld van zijn geduld en nederigheid, maar ook omdat zij minder bekoord werden door de duivelen, die zich niet zo snel konden herstellen van de verpletterende nederlaag, die hen toegebracht was door de triomf van de gekruisigde God.
  3. De duivelen vreesden deze getrouwe navolging van Christus, die zij aantroffen in de eerste kinderen van de Kerk, zozeer, dat ze wegvluchtten van de apostelen en de rechtvaardigen, die geheel doortrokken waren van de leerstellingen van mijn goddelijke Zoon. In hen werden de eerste vruchten van de genade en van de verlossing aan de Almachtige opgedragen. Wat in de heiligen en in de volmaakte christenen uit die tijden te zien was, zou in de huidige tijden met alle katholieken kunnen geschieden, indien ze de genade zouden willen ontvangen en ermee zouden willen werken in plaats van toe te laten, dat zij teloor ging en indien ze bereid waren de weg van het kruis te gaan, want Lucifer is daar nog even bevreesd voor als ten tijde van de kruisiging zelf. Maar al snel begon de toewijding, de ijver en de godsvrucht in velen van de gelovigen te bekoelen en vergaten zij de zegeningen van de verlossing; zij gaven toe aan hun vleselijke neigingen en verlangens, zij joegen de ijdelheid en de geldzucht na en lieten zich begoochelen en betoveren door de valse voorstellen van Lucifer, die de glorie van hun Heiland verduisterden en hen inkapselden in de mazen van het net, dat hun doodsvijanden voor hen gespannen hadden. Deze vuige ondankbaarheid heeft de wereld in de huidige staat gebracht en heeft de duivels aangemoedigd om in hun trots op te staan tegen God, in overmoed zich aanmatigend, dat zij alle kinderen van Adam zouden bezitten wegens hun nalatigheden en vergeetachtigheden als katholieken. Zij menen, dat zij de ruïne van de gehele Kerk teweeg zullen brengen door de afvalligheid van zovelen, die zich ervan losgescheurd hebben en door degenen, die daar lid van gebleven zijn, daar licht over te laten denken of door hen te verhinderen de vruchten van het Bloed en de dood van hun Verlosser in het Licht te doen stellen. Het grootste ongeluk is, dat vele katholieken de schade niet zien en niet ernstig over een geneesmiddel denken, ofschoon zij zich bewust zouden kunnen zijn, dat de tijden, waarvoor Jezus de vrouwen van Jeruzalem waarschuwde, reeds gekomen zijn, namelijk die, waarin de kinderlozen zich gelukkig mogen prijzen en menigeen de bergen en heuvels smeekt over hen heen te vallen, zodat zij de verwoesting die de zonen van het ongeluk en de dorre bomen zonder vruchten van deugd, zal verdelgen, niet zouden aanschouwen. Gij, mijn liefste, leeft in deze slechte tijden. Beween in de bitterheid van uw hart deze toestand, opdat gij zelf niet verloren moogt gaan en steeds de geheimenissen van de Menswording, het lijden en de dood van mijn goddelijke Zoon indachtig blijft. Het is mijn wens, dat gij dankbaar zijt tegenover het grote getal der ondankbaren, die deze zaken vergeten. Ik verzeker u, dat alleen al de herinnering en de meditatie van deze geheimenissen verschrikking brengt in de hel, de duivels kwelt en wegjaagt en dat dit reeds voldoende is voor hen om zich te verwijderen van hen, die dankbaar het leven en de dood van mijn goddelijke Zoon gedenken”.

Gezellen en Gezellinnen van Jezus en Maria

Standaard

cropped-johannes-bij-maria-512.jpg 

‘De Gezellen en Gezellinnen van de Gekruisigde en Verrezen Jezus

en Maria Onbevlekt Ontvangen’

De inhoud van het boekje ‘Jezus, gekruisigd en verrezen, Heil van de wereld’ (bron), kan het christelijke leven van een leek, kloosterling of priester grondig beïnvloeden. Ik zal het u uitleggen in functie van de Boodschap van de “Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen” door niet alleen de punten van overeenkomst aan te halen, maar eveneens de schijnbare verschilpunten. In feite vullen beide Boodschappen elkaar aan.

De Boodschap van de Barmhartige Liefde en de Heilige Wonden

De Boodschap van 8 april 1966 over het Lijden treft ons diep. Jezus’ eigen overwegingen zijn treffend: zij beslaan twee bladzijden van het boek. We lezen er het volgende:
”Die balk woog zo zwaar op mijn doorwonde schouder.” 
“O, die wonde aan mijn schouder!” 
“Ze rukten het kleed af dat Mij bedekte en aan mijn vlees was gelast door het gestold bloed dat uit mijn wonden was gedropen.” 8.4.66 

Op andere plaatsen lezen we:
“Zie mijn gekneusd lichaam, dat leegbloedt uit de talloze wonden die de liefde voor u allen Mij heeft gekost.” 23.2.67 
“Het bloed dat uit mijn wonden is gevloeid heeft uw ziel van al uw zonden gezuiverd, mijn arm lief kind, en voor zovelen helaas (die mijn oproep niet hebben beantwoord) heeft het zijn doel niet bereikt.” 6.7.68 

In dit verband haalt Jezus twee verschillende houdingen aan die de zielen kunnen aannemen tegenover zijn wonden: Hij zegt:
“Zij strooien zout op Mijn Wonden.” 19.10.65 

De Kleine Zielen mogen niet onverschillig blijven:
“De kleine zielen zijn nog niet talrijk genoeg als balsem voor de wonde van mijn goddelijk Hart.” 6.12.68. 
Jezus vraagt ons dus vooral gevoelig te zijn voor de wonde van Zijn Hart: de wonde van Zijn Hart bij zijn doodsstrijd in Gethsemane. Wat geen afbreuk doet aan de waarde en de rijkdom van Zijn andere wonden.

De Boodschap ‘Jezus, Gekruisigd en Verrezen, Heil van de wereld’ 

Deze Boodschap is duidelijk charismatisch van oorsprong, net zoals die van Marguerite. De auteur is anoniem en laat weten dat we hem zelfs na zijn dood niet zullen kennen. Bewondert de schroom van de echte mysticus! Het gaat om een man die waarschijnlijk uit zuidoost Frankrijk afkomstig is (uit de Savoie): een ontwikkeld zakenman die zich interesseerde aan de Lijkwade van Turijn (de Savoie grenst aan de Italiaanse provincie Piemont) en die ontegensprekelijk mystiek begaafd is. De hemelse Vader heeft hem deze Boodschap toevertrouwd en maakte hem duidelijk dat zijn eeuwige geluk van de vervulling van zijn zending afhing. Deze Boodschap spreekt van het begin tot het einde over niets anders dan over de Wonden van de Gekruisigde en Verrezen Jezus en over de devotie tot het Kruis, die erin bestaat de Heilige Wonden te offeren aan de Eeuwige Vader.

Uit een vergelijking tussen beide Boodschappen blijkt het volgende:

Onze Boodschap van het Hart van Jezus aan de Kleine Zielen is in feite een dringende oproep tot liefde, tot een zeer speciale devotie tot het Hart van Jezus, tot zijn barmhartige Liefde. In de praktijk vraagt deze liefde dat wij bijzondere aandacht zouden schenken aan de evangelische deugden van nederigheid, eenvoud, vertrouwen en overgave (de Teresiaanse weg). Zij benadrukt vooral de zelfverloochening en de strijd tegen de eigenliefde, het egoïsme.

Het treffendste bewijs van de Barmhartige Liefde van Jezus zijn nu precies de “Wonden” die Zijn onschuldig Lichaam vrijwillig opliep. Hij heeft ze voor ons als het ware ‘verdiend’ om de wonden van onze zielen te genezen. Het zijn niet slechts vijf Wonden, maar ontelbaar veel: aan Handen en Voeten, Zijde, Schouders, Hoofd en het hele Lichaam. Geen enkel stukje vlees is onberoerd gebleven.

Het boekje versterkt in dit verband wat we al weten over de wonden van de gekruisigde Jezus vanuit de Boodschap. We mogen de Wonden niet bekijken los van de Persoon van onze Heer.

De Boodschap van de gekruisigde Jezus zegt:
“Zijn wonden zijn de totale Christus, mensgeworden Woord van God, Verlosser, Mystiek Lichaam, Hostie, Woord van God.” (N°83) 
”Om mijn H. Hart te begrijpen, moet gij het niet loszien van mijn Persoon. Bekijk het in mijn gekruisigd lichaam, onderworpen aan de Wijsheid, waarvan mijn met doornen gekroond Hoofd de Zetel is. Er is geen andere wil te bespeuren dan deze van Mijn Vader.” (N°60) 

Hetzelfde kunnen we dus ook zeggen over de H. Wonden van onze Redder. In deze Boodschap spreekt Jezus zelf volgende woorden die mij belangrijk lijken:
Mijn Vader hernieuwt tot honderdmaal toe alle beloften, die in de loop der tijden gedaan werden aan de vereerders van mijn Lijden, mijn Kostbaar bloed, mijn H. Hart, mijn H. Hoofd, mijn H. Aanschijn, de H. Wonden van mijn Handen, Voeten, Schouder, mijn geheel ontwricht Lichaam, mijn Doodsstrijd, mijn Kruis, mijn Doornenkroon evenals de Smarten van mijn Onbevlekte Moeder. Deze openbaringen en die van Mijn Moeder met betrekking tot elk van deze devoties hadden tot doel: de opwekking van een levendige verering van het H. Kruisbeeld en van het Smartelijk en Onbevlekt Hart van Mijn Moeder. De Vader verwacht van de wereld deze vereringen om Mijn terugkeer in glorie voor te bereiden.” (N°48) 

Al deze afzonderlijke vereringen leiden dus naar het Kruisbeeld en de H. Wonden van Jezus, die er een soort samenvatting van zijn. We mogen zijn Wonden dus niet loszien van de Persoon van de Heer, noch van zijn Lijden.

De vruchten van deze devotie 

Op de eerste bladzijden van het boekje vindt men:

Mijn wil als Vader is: dat de mens de periode van vrede die aan de wereld gegeven is benut om de verheerlijking van Mijn Gekruisigde en Verrezen Zoon in te stellen en zoveel mogelijk mensen, vooral jongeren, te merken met het teken van zijn goddelijke Wonden. Dit moet geschieden om de wereld voor te bereiden. Op deze wijze zullen de mensen de omwentelingen die aan de vernieuwing van het heelal voorafgaan zodanig benutten dat zij hun heil bewerken. Zij die niet verenigd zijn met de H. Wonden van mijn welbeminde Zoon en met de Smarten van zijn Heilige Moeder, zullen grote moeite hebben om te volharden in het geloof”. (N°3) 

Meer goede moordenaars vinden…

“De moordenaars beledigden Mij. Op dezelfde wijze overstelpt de mensheid Mij met beledigingen. Toch hadden zij nog slechts enkele uren te leven. Zoals zij zal de wereld gruwelijk gekruisigd worden en haar laatste ogenblikken doorbrengen in verschrikkelijk lijden. Om deze reden vraagt Mijn Vader de oprichting van de Gezellen van de Gekruisigde Jezus en van Maria Onbevlekt Ontvangen. Zo zullen zij de gevoelens van de goede moordenaar doen herbeleven en overal een inslaande getuigenis voor Mij afleggen. Zelfs voor diegenen die het meest gesloten zijn voor Mijn Verlossing. De tijd dringt! Daarom zendt de Vader de engelen om te gaan zoeken: op openbare plaatsen, bij de blinden, de doven, de gebrekkigen, bij alle genodigden van het laatste uur, opdat zijzelf mijn trouwe Gezellen zouden worden.” (N°3) 

Een ongekende bloei in de Kerk…

“Een ongekende bloei op alle domeinen zal in Mijn Kerk ontluiken. Dit zal gebeuren doordat mijn verlossende Tegenwoordigheid in ere hersteld wordt door het tentoonstellen van het Kruisbeeld, dat mijn bloedende en glorierijke Wonden toont en door hun voortdurende offerande aan de eeuwige Vader. Alles zal nieuw leven in geblazen worden. De Gezellen van de Gekruisigde Jezus en van Maria Onbevlekt Ontvangen zullen deel hebben aan deze bloei. In de aanbidding van Mijn Wonden, in het begrip en het offer ervan, zal er een vernieuwing plaatsvinden op het vlak van de geloofsleer, het apostolaat en de liturgie. Alles zal duidelijk worden, zuiver, rijker en eenvoudiger. De christenen zullen één worden. De wereld zal vernieuwd worden en zal belijden dat zij haar heil te danken heeft aan mijn goddelijke wonden door de tussenkomst van mijn H. Moeder.” (N°3)

Vruchten van heil…

“Ik heb van de Vader bijzondere genaden bekomen. Opdat de inspanningen van hen die zich inzetten om de devotie tot de Gekruisigde Jezus en Maria Onbevlekt Ontvangen te verspreiden, vooral aan kinderen en jongeren, buitengewone vruchten mogen voortbrengen.” Dit zijn de woorden van de H. Maagd. (N°29)

En Jezus voegt hieraan toe:

De Gezellen en Gezellinnen van de Gekruisigde en Verrezen Jezus en Maria Onbevlekt Ontvangen zullen voor Mij een grenzeloze weg van heiliging en apostolaat openen: de weg van mijn Wonden. Deze weg staat niet alleen open voor de zielen die aan Mij zijn toegewijd, maar ook voor hen die op dit ogenblik ver verwijderd zijn van het geloof.” “Mijn Wonden trekken de zielen naar mijn Koninkrijk, zoals een magneet ijzer aantrekt.” (N°25) 

Nu begrijpen wij beter waarom in de ‘Boodschap van de Gekruisigde Jezus’ de Wonden van zijn Lijden zo benadrukt worden. Deze wonden zijn het tastbare bewijs van zijn Barmhartige Liefde.

De praktische gevolgen voor ons geestelijk leven kunnen we samenvatten in de volgende punten:

  • Dikwijls de H. Wonden offeren, vooral tijdens de H. Mis. We kunnen hierbij gebruik maken van de aanroepingen van Zuster Marie-Marthe Chambon. De woorden van deze offerande stemmen trouwens overeen met de aanroepingen die de H. Michael aan de kinderen van Fatima leerde, nog voor de verschijningen van de H. Maagd.
  • De H. Wonden overwegen in aanwezigheid van het H. Sacrament, voor ons kruisbeeld.
  • Vervolgens ons kruisbeeld met een nieuwe blik bekijken: niet meer uit gewoonte of onverschillig, maar steeds met een ware liefdeblik.

En dan zullen we het oude, vertrouwde gebed, dat werd aanbevolen te bidden na de Communie, nog beter begrijpen: “O goede en zeer zoete Jezus.”

De devotie tot de H. Wonden van Jezus moet verspreid worden als een nieuwe levensstijl. Dit geldt ook voor het Legioen Kleine Zielen. Deze nieuwe levensstijl ligt in ieders bereik. Daardoor zullen wij het H. Hart van Jezus echt blij maken en ons gedragen als echte Kleine Zielen!


Vgl: De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 49-52. – Bewerking door pastoor Jack Geudens