Geleefd voor Gods Aanschijn – over zingeving, waardigheid en liefde in het korte leven

Standaard

Geleefd voor Gods Aanschijn

Over zingeving, waardigheid en liefde in het korte leven

Inleiding

Het leven van de kinderen die geaborteerd zijn, heeft zin gehad en wordt nu in liefde gedragen in de eeuwigheid bij God. Ook tijdens hun korte bestaan in de moederschoot was hun leven zinvol, omdat het gedragen werd door Gods aanwezigheid. Het lijden dat deze kinderen tijdens de abortus hebben ondergaan, hoe gruwelijk ook, verliest daardoor niet zijn waardigheid: het werd opgenomen en gedragen door de liefde van God.

Reflectie

Wat in de inleiding wordt uitgesproken over het leven van geaborteerde kinderen, vindt zijn diepe grond in een theologie van zingeving die radicaal theocentrisch is. Deze theologie vertrekt niet vanuit meetbare duur, zichtbare ontwikkeling of maatschappelijk nut, maar vanuit de relatie tot God als oorsprong en drager van alle leven. Het leven van deze kinderen ontleent zijn zin niet aan wat het had kunnen worden, maar aan het feit dát het er was — gezien, gewild en gedragen door God.

Tijdens hun korte bestaan in de moederschoot leefden deze kinderen coram Deo: voor het aanschijn van God. Ook al was hun leven verborgen voor de wereld, het was niet verborgen voor Hem die ieder mens bij name kent nog vóór hij of zij gezien wordt door anderen. Daarmee wordt duidelijk dat zin niet ontstaat door erkenning, succes of voltooiing, maar voorafgaat aan elke menselijke maatstaf. Het leven had zin, niet ondanks zijn kwetsbaarheid, maar juist daarin: als ontvangen leven in Gods tegenwoordigheid.

Vanuit dit perspectief krijgt ook het lijden van deze kinderen een plaats — zonder dat het wordt verklaard, vergoelijkt of gerelativeerd. Het lijden van abortus blijft gruwelijk en onrechtvaardig. Maar het wordt niet zinloos. De zin ervan ligt niet in een resultaat of betekenis die wij zouden kunnen aanwijzen, maar in het feit dat dit lijden niet buiten Gods liefde viel. Het werd gedragen door Hem die geen leven loslaat, ook niet waar het door mensen wordt afgebroken. Zo wordt het lijden niet verheven, maar opgenomen in een grotere horizon van trouw en barmhartigheid.

Daarmee verschuift ook hier het zwaartepunt van menswaardigheid. De waardigheid van deze kinderen berust niet op autonomie, bewustzijn of levensvatbaarheid, maar op het onuitwisbare feit dat zij door God zijn aangesproken en geliefd. Hun persoon-zijn werd niet tenietgedaan door de kortheid van hun leven of door het geweld dat hen trof. Wat door mensen werd ontkend, bleef door God bevestigd.

Deze theologie erkent bovendien dat ook een zeer kort leven een eigen, unieke zin kan hebben — niet als taak die ‘vervuld’ moet worden in zichtbare daden, maar als bestaan dat ontvangen en gedragen wordt in liefde. Zin wordt hier niet gemaakt, niet verdiend en niet voltooid; zij wordt ontvangen in de overgave van het leven zelf, hoe broos ook.

Ten slotte is het de liefde van God die alles draagt. Niet inzicht, niet groei, niet toekomstmogelijkheden vormen de laatste grond van betekenis, maar de liefde waarmee God dit leven heeft omgeven — in de moederschoot, in het lijden en nu in de eeuwigheid. Juist deze liefde maakt het mogelijk te zeggen dat ook dit leven zinvol was en blijft.

Zo komt in de inleiding hierboven een visie op zingeving naar voren die alles verankert in God: het leven van deze kinderen was zinvol omdat het door God werd gekend, gedragen en tot zijn voltooiing gebracht. Daarom gaat hun korte bestaan niet verloren in leegte of zinloosheid, maar vindt het zijn bestemming in de eeuwige Liefde.

Smakt, 9 januari 2026,

Pastoor Geudens

Ter liefde Gods – zingeving wanneer alles mislukt

Standaard

Ter liefde Gods

Zingeving wanneer alles mislukt

Inleiding

Wat geeft het menselijk leven zin wanneer alle zichtbare gronden daarvoor wegvallen? Wanneer succes uitblijft, wanneer erkenning ontbreekt, wanneer lijden en mislukking het bestaan lijken te bepalen? Deze vraag is geen theoretische exercitie, maar dringt zich met bijzondere scherpte op in situaties waarin het leven zelf op het spel staat en elke vorm van ‘resultaat’ betekenisloos lijkt te worden.

De eerste tekst vertrekt vanuit een existentieel geladen ervaring en voert de lezer binnen in een werkelijkheid waarin de gebruikelijke maatstaven van waarde en betekenis tekortschieten. In die grenssituatie wordt een fundamentele vraag gesteld: of de zin van het leven werkelijk afhankelijk is van wat een mens tot stand brengt, of dat er een diepere grond is die standhoudt wanneer alles mislukt. Het antwoord dat zich aandient, is niet psychologisch of moreel, maar theologisch: zin blijkt verbonden met het leven voor het aanschijn van God, met het besef gezien te zijn door een onzichtbare Getuige.

De tweede tekst maakt expliciet wat in de eerste impliciet wordt geleefd. Zij ontvouwt de theologie van zingeving die in het verhaal werkzaam is en plaatst deze in een breder kader. Hier wordt zichtbaar hoe betekenis niet voortkomt uit prestatie of nut, maar uit relatie, verantwoordelijkheid en trouw. Lijden krijgt geen verklaring, maar wel een plaats; menswaardigheid wordt niet gemeten aan functioneren, maar gegrond in het aangesproken-zijn door God.

Samen vormen deze teksten een tweeluik: ervaring en doordenking, getuigenis en theologische reflectie. Zij willen laten zien dat het leven ook — en juist — in zijn meest troosteloze en uitzichtloze gestalten zinvol kan blijven. Niet omdat het begrijpelijk wordt, maar omdat het gedragen wordt. Ter liefde Gods blijkt de sleutel te zijn die toegang geeft tot een zin die sterker is dan mislukking, lijden en verlies.

Ter liefde Gods kunnen wij het meest uitzichtloze lot dragen

Uit; Prof. Dr. Viktor E. Frankl, Medische Zielzorg, Inleiding tot logotherapie en existentieanalyse, Erven J. Bijleveld, Utrecht, 1959, blz. 65-66:

 “Met het risico persoonlijk te worden, wil ik hier een eigen ervaring vermelden. In het concentratiekamp, toen het erop begon te lijken dat mijn leven spoedig ten einde zou komen, werd ik overvallen door wanhoop. Niet alleen vanwege de dreiging van de dood, maar vooral omdat het manuscript van mijn boek Medische zielzorg, dat in Auschwitz verloren was gegaan, nooit meer gepubliceerd zou worden. Er zou geen gelegenheid meer zijn om het opnieuw te schrijven.

Het enige wat mij toen restte, was mijzelf een vraag te stellen: wat is een leven waard, als de zin ervan afhangt van de kans die iemand krijgt om een boek te publiceren? Deze gedachte liet mij niet los. Toch bleef, hoe somber mijn stemming ook was, één inzicht overeind: zelfs wanneer alles mislukt, wanneer alle oogst uitblijft, behoudt het leven zijn zin — ja, zelfs de mislukking zelf is niet zinloos.

De Nederlands-Amerikaanse psychiater A.M. Meerlo heeft erop gewezen dat bij de hersenspoeling van Amerikaanse soldaten die tijdens de Koreaanse Oorlog in krijgsgevangenschap waren geraakt, steeds opnieuw werd ingeprent dat zij zouden sterven zonder dat iemand ooit van hen of hun heldhaftigheid zou weten. Meerlo spreekt in dit verband van menticide. Wanneer wij onze ethiek uitsluitend baseren op zichtbaar resultaat, zou heldhaftigheid in zulke omstandigheden inderdaad elke betekenis verliezen.

Juist wanneer de omstandigheden uitzichtloos zijn, krijgt volharding echter pas zin wanneer men vermoedt dat er een onzichtbare Getuige is, een onzichtbare toeschouwer. Dat deze getuige onzichtbaar is, doet niets af aan zijn werkelijkheid. Een acteur op het toneel ziet zijn publiek immers evenmin: de zaal is donker, hij staat in het volle licht. Toch weet hij dat er mensen kijken — dat hij voor iemand optreedt.

Zo staat ook de mens op het toneel van het leven. Hij wordt vaak verblind door de alledaagse werkelijkheid, maar in zijn binnenste leeft het vermoeden dat er een grote, zij het onzichtbare, Toeschouwer is. Van Hem zegt psalm 18: “Hij hulde zich in duisternis.”

Voor het aanschijn van God krijgt het menselijk bestaan een nieuwe dimensie. Pas wanneer wij ons ervan bewust worden dat wij tegenover Hem verantwoordelijk zijn voor de concrete, persoonlijke zin van ons leven — waartoe ook de zin van ons lijden behoort — wordt het leven onvoorwaardelijk de moeite waard om geleefd te worden, onder alle omstandigheden en in elke situatie. Ook wanneer wij ziek zijn, ongeneeslijk ziek, of zelfs ernstig geestesziek, blijft het leven waardevol, zelfs wanneer men geneigd is het als ‘mensonwaardig’ te bestempelen.

Wie deze gedachte als te abstract terzijde zou willen schuiven, kan ik met een concreet voorbeeld tegenspreken.

In onze instelling werd een zestigjarige man opgenomen die leed aan een ernstige psychotische aandoening. Hij hoorde stemmen, leefde sterk in zichzelf gekeerd en bracht zijn dagen door met het verscheuren van papier. Op het eerste gezicht leidde hij een volkomen zinloos bestaan. Volgen wij de indeling van levensopgaven zoals die door Alfred Adler werd beschreven, dan vervulde deze patiënt geen enkele taak: hij verrichtte geen arbeid, nam niet deel aan het gemeenschapsleven en kende geen liefdes- of gezinsrelatie.

En toch ging er van hem iets bijzonders uit. In de kern van zijn mens-zijn, die door de psychose onaangetast was gebleven, lag een opmerkelijke waardigheid. Er ging een zekere charme van hem uit, iets edels. Tijdens gesprekken kreeg hij soms plotselinge woede-uitbarstingen, maar telkens wist hij zich op het laatste moment te beheersen. Toen ik hem eens vroeg waarom hij dat deed, antwoordde hij eenvoudig: Dat doe ik ter liefde Gods.”

Deze woorden roepen onwillekeurig de gedachte van Kierkegaard op: “Zelfs wanneer ik door waanzin gekweld word, is mijn ziel niet verloren, zolang de liefde tot God in mij overwint.”

Deze man heeft ons iets wezenlijks laten zien: ter liefde Gods kan een mens zelfs het meest troosteloze en uitzichtloze lot dragen. Alleen vanuit die liefde kunnen wij het leven aanvaarden, met al zijn wisselvalligheden en verdriet — onder alle omstandigheden.”

De theologie van zingeving die hier spreekt

De tekst verwoordt een theologie waarin de zin van het menselijk bestaan niet voortkomt uit succes, nut of zichtbare prestaties, maar uit de relatie van de mens tot God. Zin is geen resultaat van wat een mens voortbrengt, maar een werkelijkheid die gegeven wordt in de ontmoeting met de Ene die ziet, ook wanneer niemand anders kijkt.

Centraal staat het besef dat de mens leeft coram Deo – voor het aanschijn van God. Dat perspectief doorbreekt een zuiver immanente, op resultaten gerichte ethiek. Wanneer betekenis uitsluitend wordt gemeten aan effectiviteit of erkenning, verliest het bestaan zijn waarde zodra die uitblijven. De hier verwoorde theologie stelt daartegenover dat zin voorafgaat aan alle zichtbare uitkomst. Zij is niet afhankelijk van succes, maar van trouw.

Lijden krijgt in dit denken geen verklaring, maar wel een plaats. Het wordt niet gerelativeerd of verheerlijkt, maar opgenomen in een bredere horizon waarin ook het falen, het onvermogen en zelfs de ontwrichting van de persoon niet zinloos zijn. De zin van het lijden ligt niet in wat het oplevert, maar in het feit dat het geleefd wordt in verantwoordelijkheid tegenover God.

Daarmee verschuift het zwaartepunt van de menswaardigheid. Waarde berust niet op autonomie, rationaliteit of sociale bijdrage, maar op het onuitwisbare gegeven dat de mens gezien en aangesproken blijft door God. Zelfs waar de menselijke vermogens zijn aangetast, blijft de kern van de persoon onaangeroerd, omdat zij niet door psychische of maatschappelijke criteria wordt bepaald.

Deze theologie veronderstelt bovendien een persoonlijk appel: ieder mens heeft een eigen, concrete zin te vervullen, die niet kan worden vervangen of overgenomen. Zin is niet algemeen of abstract, maar existentieel en relationeel. Zij wordt niet ‘gemaakt’, maar ontvangen in gehoorzaamheid, volharding en liefde.

Beslissend is ten slotte de liefde tot God als dragende kracht. Niet inzicht, niet zelfbeheersing en zelfs niet gezondheid vormen de laatste grond van betekenis, maar de liefde die zich richt op God en daarin standhoudt. Die liefde maakt het mogelijk het leven te aanvaarden zoals het zich aandient, ook wanneer het elke menselijke maat van waardigheid lijkt te ontberen.

Zo spreekt hier een theologie van zingeving die radicaal theocentrisch is: het leven heeft zin omdat het gezien, gedragen en beantwoord wordt door God — en precies daarom blijft het leven altijd de moeite waard om geleefd te worden.

Pastoor Geudens

Rachel’s Vineyard – God geneest door mensen heen

Standaard

Relatie als instrument van genezing

I. Een theologisch-personalistische en psychologische analyse van Rachel’s Vineyard

1. Genezing als relationeel en existentieel proces

Rachel’s Vineyard kan niet adequaat worden begrepen binnen een louter klinisch of methodisch therapeutisch kader. Het programma functioneert primair als een relationeel-existentiële ruimte, waarin mensen die leven met post-abortieve traumatisering opnieuw toegang krijgen tot hun eigen subjectiviteit.

Abortus laat immers niet alleen psychische sporen na in de vorm van angst, depressie of schuldgevoelens, maar raakt het existentieel fundament van de persoon: de ervaring van eigenwaarde, verbondenheid en zin. Rachel’s Vineyard creëert daarom geen behandelsetting, maar een gemeenschap van bevestigende aanwezigheid, waarin deelnemers niet worden gereduceerd tot een probleemgeschiedenis, maar opnieuw worden aangesproken als personen met een intrinsieke en onvervreemdbare waardigheid.

De veilige, niet-veroordelende context maakt narratieve externalisering (1) van het trauma mogelijk: wat tot dan toe geïsoleerd en onuitspreekbaar bleef, kan in een relationeel veld worden gedeeld. Psychologisch voorkomt dit fixatie van het trauma; existentieel opent het een ruimte voor integratie en herstel.

2. Bevestigende liefde en weerhoudende nabijheid

De bevestigingsleer van Anna Terruwe biedt een vruchtbaar theoretisch kader om deze dynamiek te verstaan. Terruwe toont aan dat psychische beschadiging vaak samenhangt met een fundamenteel tekort aan bevestiging: het ontbreken van een affectieve ervaring waarin het eigen bestaan als goed en gewenst wordt erkend. Deze bevestiging kan niet worden aangeleerd of afgedwongen, maar uitsluitend relationeel worden ontvangen.

Rachel’s Vineyard concretiseert deze visie in een praktijk van aandachtige nabijheid, geduld en respect. In de ontmoeting met begeleiders en lotgenoten ontvangen deelnemers iets wat buiten het bereik van zelfregulatie ligt: de ervaring dat men er mag zijn, mét zijn breuklijnen. Relatie is hier niet louter context van genezing, maar drager en instrument ervan.

Deze bevestiging is geen onbegrensde emotionele beschikbaarheid. Zij vraagt om wat Terruwe aanduidt als weerhoudende liefde: nabijheid die ruimte laat voor vrijheid, niet overspoelt, niet manipuleert en niet moraliseert. Juist deze gedifferentieerde nabijheid maakt het mogelijk dat innerlijke verkramping, schaamte en zelfverwijt geleidelijk worden losgelaten.

3. Rouwarbeid, verzoening en existentieel herstel

Een wezenlijk onderdeel van Rachel’s Vineyard is de expliciete erkenning van rouw. Het verlies van een geaborteerd kind wordt benaderd als een reëel en legitiem verlies, ook wanneer dit maatschappelijk of intrapsychisch lange tijd is ontkend. Door gebed, sacramenten, rituelen en symbolische handelingen krijgt dit verlies een plaats binnen een gedeelde betekenisstructuur.

Psychologisch faciliteert dit rouwarbeid: het verlies wordt niet langer verdrongen, maar geïntegreerd. Theologisch opent dit proces de weg naar verzoening — niet als normatieve verplichting, maar als existentieel gegroeide mogelijkheid. Vergeving verschijnt als vrucht van erkenning: pas wanneer boosheid, schaamte en schuld hun plaats krijgen, kan vergeving — jegens zichzelf, anderen en God — werkelijk worden ontvangen. Genezing betekent dan niet het uitwissen van het verleden, maar het herinterpreteren ervan binnen een nieuwe, zinvolle samenhang.

4. Maurice Zundel en de kennis van persoon tot persoon

Het dialogisch-personalistische denken van Maurice Zundel verdiept dit proces theologisch. Voor Zundel is ware kennis nooit objectiverend, maar altijd kennis van persoon tot persoon. Men kent slechts in de mate waarin men liefheeft; liefde is geen bijkomstigheid, maar constitutief voor werkelijk kennen.

Toegepast op Rachel’s Vineyard betekent dit dat genezing niet primair ontstaat door doctrinaire uitleg of morele instructie, maar door een ervaarbare ontmoeting waarin de persoon zich gekend en bemind weet. De menselijke relatie wordt zo een bemiddelende ruimte voor Gods Aanwezigheid. In de bevestigende nabijheid van de ander kan beschadigd vertrouwen langzaam worden hersteld: eerst intermenselijk, vervolgens theologisch, in de herontdekking van God als liefdevolle en dragende Aanwezigheid.

Zundel benadrukt dat God niet geneest buiten de mens om, maar doorheen menselijke personen. De mens wordt geen substituut voor God, maar instrument van genade. Genezing blijft ten diepste Gods werk, maar voltrekt zich via menselijke nabijheid die ontvankelijk is voor Zijn handelen.

5. Relatie als bemiddeling van genade – ecclesiologische implicatie

Vanuit dit personalistisch perspectief krijgt Rachel’s Vineyard een uitgesproken ecclesiologische betekenis. De Kerk verschijnt hier niet als normerend instituut of organisatorisch systeem, maar als ruimte van gedragen menselijkheid, waarin aanwezigheid primeert boven functionaliteit. Begeleiders en deelnemers zijn geen probleemoplossers, maar getuigen van aanwezigheid en ontvankelijkheid.

Relatie krijgt daardoor een quasi-sacramenteel karakter: zij verwijst voorbij zichzelf naar God zonder Hem te vervangen. In de vrijheid van roepen en antwoorden, van kwetsbaarheid en trouw, wordt Gods genezende genade bemiddeld. Zo wordt zichtbaar hoe pastoraat, psychologie en theologie elkaar niet vervangen, maar wederzijds verdiepen.

6. Conclusie

Binnen een theologisch-personalistisch en psychologisch kader kan Rachel’s Vineyard worden verstaan als een concreet voorbeeld van relatie als instrument van genezing. In het licht van Anna Terruwe en Maurice Zundel wordt duidelijk dat duurzame genezing niet primair voortkomt uit techniek of interventie, maar uit relationele aanwezigheid.

II. Toepassing voor de pastoraal

1. Genezing gebeurt in relatie

Rachel’s Vineyard is geen therapie in de klassieke zin, maar een plaats van ontmoeting. Mensen die geraakt zijn door abortus mogen er opnieuw ervaren dat zij mens zijn, met alles wat zij meedragen. In een veilige gemeenschap van aanwezigheid worden zij aangesproken als personen met een onschendbare waardigheid. Wat lang verzwegen bleef, mag worden gedeeld — en juist dat werkt bevrijdend en helend.

2. Bevestigende liefde die ruimte laat

In de geest van Anna Terruwe wordt bevestiging concreet door aandacht, geduld en respectvolle nabijheid. Mensen ervaren: ik mag er zijn. Deze liefde is weerhoudend: zij laat vrijheid, dwingt niet en veroordeelt niet. Zo kan innerlijke verkramping langzaam wijken.

3. Rouw en verzoening krijgen een plaats

Rouw wordt serieus genomen als werkelijk verlies. Door gebed, sacramenten en rituelen krijgt het een plaats. Verzoening groeit niet uit plicht, maar uit erkenning. Genezing betekent niet vergeten, maar het verleden opnemen in een nieuw, dragend levensverhaal.

4. Genezing door ontmoeting

In de lijn van Maurice Zundel blijkt: mensen worden niet genezen door uitleg alleen, maar doordat zij zich gekend en bemind weten. In menselijke nabijheid wordt Gods Aanwezigheid opnieuw ervaarbaar.

5. Kerk-zijn als gedragen nabijheid

Rachel’s Vineyard toont Kerk-zijn als aanwezigheid. Relaties krijgen een sacramentele diepte: zij verwijzen naar God door trouw, luisteren en meedragen. Pastoraat, psychologie en theologie verdiepen elkaar.

6. Slotbeschouwing

Rachel’s Vineyard laat zien dat genezing mogelijk wordt waar relaties plaatsen worden van bevestiging, rouw, verzoening en hoop.

Niet methode, maar ontmoeting.
Niet oordeel, maar bevestiging.
Niet uitleg, maar nabijheid.

Daarin ligt een kerninzicht voor iedere priester en gelovige:
God geneest — maar Hij wil mensen inschakelen als instrumenten van Zijn genade.


(1) Narratieve externalisering is een psychologisch en existentieel proces waarbij iemand zijn of haar probleem verwoordt als een verhaal dat buiten zichzelf wordt geplaatst, in plaats van het probleem te zien als iets wat men is.

Wat gebeurt er bij narratieve externalisering?

  1. Het probleem krijgt een naam en een verhaal
    Datgene wat iemand innerlijk gevangen houdt (bijv. schuld, schaamte, rouw, angst) wordt onder woorden gebracht en benoemd. Het probleem wordt zo iets waarover men kan spreken, niet langer iemand die men is.
  2. Afstand zonder ontkenning
    Externalisering betekent niet bagatelliseren of wegduwen. Het creëert een gezonde afstand, waardoor iemand weer kan ademen en reflecteren.
  3. Herstel van subjectiviteit
    De persoon wordt opnieuw auteur van zijn of haar levensverhaal, in plaats van uitsluitend drager van een probleemgeschiedenis.
  4. Relationaliteit
    Het verhaal wordt vaak verteld in aanwezigheid van een ander (therapeut, begeleider, gemeenschap). Juist die bevestigende luisterende ander maakt genezing mogelijk.

Waarom is dit genezend?

  • Het innerlijk conflict wordt vertaalbaar en daarmee hanteerbaar.
  • Schuld en schaamte werken isolerend en verstommend.
  • Door het verhaal te vertellen, wordt het gedeeld en dragelijk.

Pastoor Geudens