WETGEVING EN ABORTUS – een christelijke impuls voor jongeren

Standaard

WETGEVING EN ABORTUS

Vandaag wil ik met jullie spreken over een onderwerp dat vaak emoties oproept: abortus.
Niet om te veroordelen. Niet om met de vinger te wijzen.
Maar om samen eerlijk te kijken naar wat er op het spel staat: mensenlevens, en hoe wij als samenleving met de meest kwetsbaren omgaan.

1. Wat de wet zegt, beïnvloedt hoe mensen denken

Veel mensen denken: “Als het mag volgens de wet, dan zal het wel goed zijn.”
Maar dat is niet altijd zo.
De wet zegt alleen wat strafbaar is – niet wat juist, goed of liefdevol is.

Als een wet zegt dat abortus mag, gaan mensen vaak denken dat abortus ook “moreel oké” is. Maar dat is een gevaarlijke gedachte. Want een wet kan veranderen… maar een menselijk leven blijft even kostbaar.

2. “We leven toch in een vrije samenleving?”

Soms zegt men:
“Gelovigen moeten hun mening niet opdringen aan anderen.”

Maar laten we eerlijk zijn:
de bescherming van een onschuldig mensenleven is geen “kerkelijke mening”.
Dat is een menselijke basiswaarde.

Het recht op leven is de fundering van alle andere rechten.
En dat recht geldt vanaf het eerste moment dat een nieuw menselijk leven begint.

Iedereen mag denken wat hij wil.
Maar niemand heeft het recht te beslissen dat het leven van een ander – zelfs in de moederschoot – geen bescherming verdient.

3. Waarom abortus legaliseren zo problematisch is

Het grootste probleem is eenvoudig:
bij abortus stopt een menselijk leven dat zichzelf nog niet kan verdedigen.

En als de wet dat toestaat, ondergraven we een samenleving die juist gebouwd hoort te zijn op het beschermen van wie zwak is.

De ervaring uit andere landen laat zien dat legalisatie altijd leidt tot meer abortussen.
En met die stijging komen meer lichamelijke en psychische problemen – bij de moeder, en soms zelfs bij toekomstige kinderen.

4. En wat met de moeilijke gevallen?

We moeten eerlijk zijn: er zijn situaties die hartverscheurend zijn.
Verkrachting, misbruik, een meisje dat veel te jong zwanger is…

Iedereen voelt aan hoe zwaar dat is.

Maar één onrecht – geweld tegen een vrouw – maak je niet goed door een ander onrecht: het beëindigen van een onschuldig leven.

In zulke situaties mag een meisje of een vrouw nooit alleen worden gelaten.
Ze heeft recht op opvang, bescherming, liefde, steun, en alle hulp die nodig is om verder te kunnen.

5. De slogan “Baas in eigen buik”

Je hoort het vaak.
Maar die slogan klopt niet.
Niemand is de absolute baas over een ander menselijk leven.
Het kind in de buik is geen “deel van de vrouw”, maar een eigen mens, met een eigen DNA, een eigen toekomst.
En ja, dat leven is kwetsbaar – maar precies daarom is bescherming nodig.

6. Wat kunnen we wél doen?

De beste manier om abortus te voorkomen, is niet door alles zomaar vrij te geven.
Maar door samen een samenleving te bouwen waarin niemand gedwongen wordt tussen “leven of wegnemen”.

Dat betekent:

  • goede seksuele opvoeding met respect voor het lichaam
  • steun aan zwangere vrouwen
  • hulp aan jonge moeders
  • betere sociale voorzieningen
  • kansen voor gezinnen met een gehandicapt kind
  • adoptie vergemakkelijken
  • luisterende oren en veilige plekken creëren

Wanneer we als gemeenschap kiezen voor liefde, zorg, ondersteuning en verantwoordelijkheid, dan kiezen we automatisch voor het leven.

Slot

Jongeren, jullie zijn de generatie van de toekomst.
Jullie bepalen straks welke waarden onze samenleving draagt.

Laten we samen gaan voor een cultuur waarin het leven – ieder leven – welkom is.
Waar niemand wordt weggeduwd omdat hij klein, kwetsbaar of nog ongeboren is.
En waar we moeilijke situaties niet oplossen door iemand weg te nemen, maar door er samen doorheen te gaan.

Want uiteindelijk toont een samenleving haar beschaving niet in wat zij kan, maar in wie zij durft te beschermen.

Pastoor Geudens

Over de participatie van de mens in God

Standaard

Over de participatie van de mens in God (de theosis), geïnspireerd door de beeldtaal van Catharina van Siena en de sacramentele visie van de Kerk.

Van eenvoudig niveau naar een meer academisch niveau

“Jij wordt God, zegt Catharina, en dat is bijna heiligschennis, zo groot zijn deze woorden. Alleen als we ze begrijpen vanuit de volledige afhankelijkheid van God, die de ziel altijd heeft, is dit geen hoogmoed. De weg ernaartoe gaat via Jezus, die de brug naar God is, en deze heeft aangelegd met zijn bloed dat Hij uit liefde voor onze redding heeft vergoten aan het kruis. / Haar manier van symbolisch taalgebruik, beelden die in feite inzichten zijn. / Aan het einde van De Dialoog beschrijft ze God in het beeld van de “Oceaan van Vrede”, waarin wij als een vis mogen rondzwemmen. \ Zodat ook wij, wanneer wij snappen wie wij zijn, steeds vanuit onze innerlijke band met God, in het besef dat wij vanuit onszelf niets zijn, grote daden van liefde voor onze medemensen, de Kerk en onze samenleving mogen verrichten.”

Zr Catharina Al, artikel uit de KN, https://www.kn.nl/verdieping/essay/kunnen-we-verbindend-denken-de-heilige-catharina-van-siena-kon-het-wel/

  1. OP EENVOUDIG NIVEAU

De mens als deelnemer aan het goddelijk leven – een symbolische en sacramentele benadering

In het hart van de christelijke antropologie ligt het mysterie van de participatio divinae naturae – de deelname van de mens aan het goddelijk leven. Dit is geen metaforische of poëtische wending, maar een theologisch reëel gebeuren dat zijn oorsprong vindt in de sacramentele genade van het Doopsel. Daar wordt de mens, zoals de apostel Paulus zegt, “ingelijfd in Christus” (Rom. 6,3–5): hij sterft met Hem en verrijst met Hem tot een nieuw bestaan.

Het Doopsel is de eerste instroming van de verlossende genade in de ziel: een goddelijke infusie waardoor de mens niet slechts moreel beter wordt, maar werkelijk wordt opgenomen in de dynamiek van Gods eigen leven. Daardoor wordt de mens niet opgeslorpt of opgelost in de godheid – niet “verdampt in zijn niets-zijn” –, maar verheven, opgenomen, getransformeerd. De mens blijft schepsel, maar wordt een schepsel dat meebeweegt in de stroom van de goddelijke liefde.

De symbolische taal van Catharina van Siena

Wanneer Catharina van Siena zegt: “Jij wordt God”, lijkt zij de grens van orthodoxie te benaderen – tenzij men begrijpt dat zij spreekt vanuit het besef van volledige afhankelijkheid. De ziel blijft volledig schepsel, maar leeft geheel uit Gods leven. In de mystieke vereniging met God verliest zij niet haar identiteit, maar vindt zij deze juist in zuivere transparantie. Catharina’s beeldtaal is nooit een versiering van het geloof, maar een vorm van inzicht: symbolen zijn bij haar dragers van werkelijkheid.

Zo spreekt zij aan het einde van De Dialoog over God als een “Oceaan van Vrede”, waarin de ziel als een vis zwemt. Deze metafoor is niet slechts poëtisch, maar epistemologisch: de vis leeft enkel in het water, maar is geen deel van het water; zij ademt door het water, maar blijft zichzelf. Zo ook de ziel: zij leeft in God, zij ademt in de Heilige Geest, en toch blijft zij persoonlijk en vrij.

De kerk als ruimte van deelname

De Kerk is de sacramentele vorm van deze oceaan. Zij is de gemeenschap waarin het goddelijk leven zich zichtbaar en tastbaar uitdrukt in Woord, sacrament en liefde. De Kerk is geen menselijke organisatie die naar God wijst, maar een mystiek lichaam dat leeft uit God. Daarom kan men zeggen dat de Kerk de plaats is waar de mens “God leert ademen” – waar hij leert bestaan vanuit genade.

In de Kerk wordt de mens steeds dieper opgenomen in de flow van de Heilige Geest, de eeuwige liefdesbeweging tussen Vader en Zoon. Deze goddelijke dynamiek tilt de mens op, zuivert zijn verlangens, en maakt hem tot drager van dezelfde liefde waarmee God de wereld bemint.

De eschatologische horizon

Wat sacramenteel begint in het Doopsel, voltooit zich eschatologisch in de vereniging met Christus in de eeuwigheid. Daar zal de mens niet vergaan in het niets, maar juist zijn ware identiteit ontvangen: een schepsel dat eeuwig leeft uit Gods licht en liefde. “De heerlijkheid van God is de levende mens,” schreef Ireneüs van Lyon, “en het leven van de mens is het aanschouwen van God.”

In dat aanschouwen wordt de mens geen “andere God”, maar wordt hij goddelijk door deelname. Het vuur van Gods liefde verbrandt hem niet, maar zuivert en verlicht hem. De mens blijft vis in de oceaan van Gods vrede — levend, ademend, bewegend in de oneindige diepte van de goddelijke liefde.

Conclusie

De weg naar die deelname loopt via Christus, de enige brug tussen God en mens. Zijn bloed, vergoten uit liefde, heeft de kloof overbrugd die de zonde had geslagen. In Hem wordt de menselijke natuur niet vernietigd, maar geheeld; niet verdampt, maar vergoddelijkt.
Daarom is de Kerk geen verzameling van religieuze activiteiten, maar het sacramenteel lichaam waarin deze goddelijke uitwisseling reeds begint. De gelovige die dit mysterie doorleeft, wordt zelf tot teken van Gods liefde in de wereld.

Wie werkelijk begrijpt dat hij niets is zonder God, wordt juist daardoor tot instrument van de grootste daden: daden van liefde voor medemensen, voor de Kerk, en voor de wereld die dorst naar diezelfde Oceaan van Vrede.

  • OP ACADEMISCH NIVEAU

De deelname van de mens aan het goddelijk leven: een symbolisch-sacramentele benadering

Over de mystieke theologie van de vergoddelijking volgens Catharina van Siena, Thomas van Aquino en de oosterse traditie

Inleiding

De christelijke openbaring getuigt van een onuitsprekelijk mysterie: dat de mens, een eindig schepsel, geroepen is deel te hebben aan het leven van God zelf. Deze gedachte – in het Grieks theosis genoemd – vormt zowel in de oosterse als in de westerse traditie het hoogtepunt van de soteriologie. De apostel Petrus zegt immers: “Door deze beloften moogt gij deel krijgen aan de goddelijke natuur” (divinae consortes naturae, 2 Petr. 1,4).

De Kerk heeft dit mysterie niet enkel dogmatisch, maar ook existentieel verstaan: het doopsel is de poort tot de deelname aan het goddelijk leven, en de Kerk is de ruimte waarin dit leven gestalte krijgt. De mystieke ervaring, in het bijzonder bij heiligen als Catharina van Siena, verwoordt deze realiteit niet in abstracte termen, maar in een symbolische taal die de grenzen van rationeel denken overstijgt.

1. Sacramentele inlijving en ontologische transformatie

Volgens Thomas van Aquino is de genade van het doopsel een habitus infusus, een ingeplante levensvorm die de ziel innerlijk transformeert (Summa Theologiae I-II, q.110). Deze genade is niet louter juridisch of moreel, maar ontologisch: de mens wordt werkelijk “in Christus ingeplant” (Rom. 6,5). Hierdoor krijgt hij deel aan het leven dat Christus van de Vader ontvangt, en wordt hij, zoals Augustinus zegt, “tot lid van dat Lichaam waarin Christus het Hoofd is” (Tractatus in Ioannem 26,13).

Deze inlijving verhindert dat de mens ooit “verdampt” in zijn niets-zijn. Zonder genade is de mens vergankelijk stof, maar door de deelname aan Christus’ verlossend bloed wordt hij verheven tot een nieuw bestaansniveau: levend in de stroom van de Heilige Geest, die in hem de liefde Gods uitgiet (Rom. 5,5).

2. De brug van het Kruis: Christus als Middelaar van deelname

De theosis is geen autonome opgang van de mens naar God, maar een neergaande genadebeweging van God zelf, die door Christus’ menswording en kruisoffer de brug heeft geslagen tussen Schepper en schepsel.
Catharina van Siena noemt Christus in De Dialoog “de Brug die reikt van aarde naar hemel” (Dialogo, cap. 26). Zijn bloed is de levende stroom die deze brug bewoonbaar maakt; het is de “rode rivier” waarin de ziel wordt gewassen, geheeld en herboren.

In dat perspectief wordt het kruis geen teken van pijn, maar van doorgang: de plaats waar de mens leert wat liefde is. De vergoddelijking voltrekt zich via deelname aan dit kruis, want alleen wie sterft met Christus, leeft met Hem.

3. Symbolisch denken als kenweg tot God

Bij Catharina van Siena is de beeldtaal geen decoratie, maar een vorm van kennis. Haar mystiek is een epistemologie van het symbool. Wanneer zij spreekt over God als “Oceaan van Vrede” (Dialogo, cap. 167), gebruikt zij het beeld niet om het onzegbare te verbergen, maar om het juist toegankelijk te maken.

De ziel is als een vis in die oceaan: zij leeft in God, beweegt zich in Hem, en ademt door Hem. De grens tussen water en vis blijft echter bestaan – de schepselmatigheid wordt niet opgeheven, maar doordrongen van het goddelijk leven. Dit sluit aan bij het inzicht van Gregorius Palamas, die in de 14e eeuw onderscheid maakte tussen Gods wezen (dat onbereikbaar blijft) en zijn energieën (waarin de mens door genade deelheeft aan het goddelijk leven). De mens wordt dus niet God naar wezen, maar goddelijk door deelname.

Deze gedachte, die bij Thomas van Aquino een rationele formulering krijgt en bij Palamas een metafysische diepte, vindt in Catharina’s beeldspraak haar ervaringsmatige gestalte.

4. De Kerk als sacramentele ruimte van de vergoddelijking

De Kerk is de concrete plaats waar deze deelname gestalte krijgt. Zij is geen vereniging van gelovigen die naar God wijzen, maar het Lichaam waarin God woont en zijn genade laat circuleren. De liturgie is daarbij de voortdurende verwerkelijking van de theosis: in de eucharistische communie verenigt Christus zich met de mens en de mens met Christus, zodat Augustinus kan zeggen: “Wij worden wat wij ontvangen” (Sermo 272).

De Kerk is dus de oceaan van de Geest waarin de gelovigen leren “ademen” met Gods adem. Het is de sacramentele dimensie van de mystiek: de genade die de ziel verheft, wordt steeds bemiddeld door het Lichaam van Christus, dat de Kerk is.

5. Ethiek en deelname: handelen vanuit ontvangen zijn

Wie begrijpt dat hij niets is zonder God, ontdekt juist daarin de bron van zijn vrijheid. De mens die leeft uit genade, handelt niet meer vanuit bezit, maar vanuit doorstroming. Hij wordt transparant voor Gods liefde en brengt die tot uitdrukking in daden van barmhartigheid, gerechtigheid en vrede.

Catharina schrijft: “De ziel die Mij aanschouwt, kan niet anders dan liefhebben, en de liefde kan niet anders dan vrucht dragen.” (Dialogo, cap. 53). De deelname aan het goddelijk leven wordt zo de bron van sociale en kerkelijke vernieuwing. De mystiek is geen vlucht uit de wereld, maar een omvorming van de wereld vanuit de diepte van Gods liefde.

Conclusie

De mens is geroepen tot vergoddelijking – niet als roof op Gods majesteit, maar als gave van zijn barmhartigheid. Het Doopsel is het begin van dit mysterie: daar ontvangt de mens de eerste adem van de Geest, die hem in staat stelt te leven in de Oceaan van Vrede.

De symbolische taal van Catharina van Siena, het metafysische onderscheid van Gregorius Palamas, en de sacramentele theologie van Thomas van Aquino convergeren in één waarheid: de mens wordt niet vernietigd, maar vervuld in God. Hij wordt, zoals de traditie zegt, “niet tot een andere God, maar tot een mens die goddelijk leeft.”

De Kerk is de plaats waar deze werkelijkheid gestalte krijgt – de gemeenschap van hen die leren ademen in de liefde van Christus, de brug over de afgrond van ons niets-zijn, naar de oneindige diepte van Gods genadige aanwezigheid.

Bewerkingen door pastoor Geudens

Retraite naar aanleiding van de Pelgrimage van de Hoop: ‘De Verrezen Christus, Enige Bron van onze niet teleurstellende Hoop’ – 2e meditatie

Standaard

Tweede meditatie: De crisis-situatie van de Kerk in een ongodsdienstige cultuur

Lezing: Jezus Sirach 17, 1–10

“De Heer heeft de mens uit de aarde gevormd, en laat hem daar ook naar terugkeren. Hij kende hem een vast aantal dagen en een bestemde tijd toe, en gaf hem heerschappij over alles wat op aarde is. Hij bekleedde hem met een kracht gelijk aan de zijne en schiep hem naar zijn eigen beeld. Hij legde vrees voor de mens in alle levende wezens en stelde hem aan als heer over dieren en vogels. Hij vormde hun tong, hun ogen en hun oren, en gaf hun een hart om na te denken. Hij vulde hen met inzicht, toonde hun het onderscheid tussen goed en kwaad. Hij plantte zijn oog in hun hart, opdat zij de grootheid van zijn werken zouden zien, spreken over zijn wonderen en zijn heilige Naam zouden prijzen.”

Deze krachtige woorden uit het boek Jezus Sirach maken duidelijk hoe God de mens ziet. Wanneer wij deze goddelijke visie als maatstaf nemen voor ons mens-zijn, dan worden wij des te meer getroffen door de crisis waarin de Kerk zich bevindt – en door de ongodsdienstige cultuur die daar als diepere achtergrond aan ten grondslag ligt.


De crisis van de Kerk

Voor velen geldt de Kerk tegenwoordig als iets uit het verleden: de Rooms-Katholieke Kerk heeft haar tijd gehad. Niet alleen in Nederland, maar ook in het merendeel van de Europese landen, baart de situatie van de Kerk grote zorgen.

Bij de voorbereidingen van het 150-jarig jubileum van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland, werden dan ook kritische vragen gesteld: “Is er anno 2003 eigenlijk wel reden tot feest? Is er behoefte aan een grootschalig katholiek evenement, ter gelegenheid van iets abstracts als ‘het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie’? En zou het – in het licht van het naderende einde van de Acht Mei-beweging – niet rampzalig zijn als deze viering zou mislukken?”

Toch gebeurde het onverwachte: op 7 juni 2003 vierden ruim 9.000 Nederlandse katholieken gezamenlijk het jubileum in Utrecht. De commentaren waren veelzeggend. Een van de bisschoppen merkte op: “Wij zijn verrast door het succes van deze dag. Kennelijk zijn wij te kleingelovig geweest.” Deze uitspraak, door Ruud Lubbers geciteerd in zijn toespraak, weerspiegelde de verwondering van de organisatoren van het evenement “Katholiek met hart en ziel.”

De pers kopte triomfantelijk: “Rooms-katholieken zijn de schaamte voorbij.” In de Jaarbeurs klonk het dat het herwonnen zelfbewustzijn van Nederlandse katholieken een feit was – of op z’n minst hoog tijd werd. Toch zou het onrealistisch zijn dit succes zonder nuance te interpreteren: vijftig jaar eerder, bij het honderdjarig jubileum, trokken de festiviteiten nog 40.000 deelnemers.

Toch durven sommigen te stellen dat op 7 juni 2003 een keerpunt werd bereikt, dat de Katholieke Kerk in Nederland daadwerkelijk een nieuwe weg is ingeslagen. Misschien is dat mede de reden waarom de Acht Mei-beweging sindsdien is opgehouden te bestaan.

Hoe het ook zij, als de Kerk werkelijk een nieuwe fase is binnengetreden, dan is het nú het moment voor een ernstig en diepgaand gewetensonderzoek. Wij moeten reflecteren op onze eigen visie op de Kerk, en ons afvragen hoe wij als door God gezonden mensen in die Kerk willen staan en actief willen zijn. De verantwoordelijkheid om actief Kerk te zijn rust, als volwassen katholieken, op ons tegenover God, de Kerk en de wereld. Maar een volwassen houding vereist ook dat we dieper ingaan op de werkelijke oorzaken van de crisis – en de heropleving. Want wij leven te midden van een ongodsdienstige cultuur.


De crisis van een ongodsdienstige cultuur

Als gelovigen die de hoop van de Kerk willen uitdragen in de wereld van vandaag, mogen wij niet vergeten dat wij gevormd zijn door een geseculariseerde en antropocentrische cultuur. Niet langer God, maar de mens en zijn wereld staan daarin centraal.

Godsdienst vervult voor velen niet langer een essentiële rol in het persoonlijke leven of in de samenleving. Voor de opkomst van de moderne cultuur was religie vanzelfsprekend verweven met zowel het persoonlijke bestaan als het maatschappelijke leven. De culturen waren in de kern religieus. Het christendom is en blijft een van de dragende wortels van onze beschaving – maar we moeten onder ogen zien dat onze cultuur inmiddels in hoge mate geseculariseerd is. Godsdienst is niet langer vanzelfsprekend betrokken bij de ontwikkeling van mens en maatschappij.

In plaats daarvan overheerst de ervaring van autonomie en zelfbeschikking. De werkelijkheid wordt beleefd los van elke verwijzing naar een transcendente, goddelijke oorsprong. Geloof in God ligt niet meer voor de hand; velen weten eenvoudigweg niet wat God of religie nog te maken heeft met hun bestaan.

Er heerst geen openlijke vijandigheid, maar wel een fundamentele onwennigheid, een vervreemding van het geloof. Deze onmacht leidt tot een fundamentele grondhouding van onze cultuur: een uitgesproken humanisme waarin de mens zichzelf tot bron van hoop maakt. Wetenschap en techniek zijn de voornaamste bewijzen van onze vermogens; vrijheid en emancipatie vormen de centrale waarden.

Met behulp van menswetenschappen en technologie krijgen we steeds meer grip op de wereld – en op onszelf. De natuur is niet langer een gegeven, maar iets dat wij naar onze hand zetten. De gedachte overheerst dat de mens zijn eigen toekomst moet en kan waarmaken, dat hij zelf de zin van zijn bestaan bepaalt. God lijkt overbodig geworden in dit project van menselijke vooruitgang.

Maar juist deze ontwikkeling herinnert aan de woorden van Johannes in zijn Proloog:

“Het ware Licht, dat ieder mens verlicht, kwam in de wereld. Hij was in de wereld, en hoewel de wereld door Hem ontstaan was, erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen namen Hem niet op.” (Joh. 1, 9–11)


Een ongegronde vrees voor God

Een tragisch gevolg van deze cultuur is de angst voor God – of beter gezegd: de angst voor een goddelijke grens aan menselijke autonomie. Het Tweede Vaticaans Concilie signaleerde dit reeds meer dan veertig jaar geleden: “Velen van onze tijdgenoten vrezen dat nauwe verbondenheid tussen religie en wereldlijke activiteiten de menselijke vrijheid en de autonomie van wetenschap en samenleving zou belemmeren.”

Het antwoord van de Kerk is helder: de menselijke zelfbeschikking is door God gewild – mits we erkennen dat deze slechts relatief en niet absoluut is. Want godvergetenheid leidt uiteindelijk tot duisternis. Het misverstand dat God een bedreiging zou zijn voor onze vrijheid, is niet alleen ongegrond, maar ook kortzichtig. Het voedt een cultuurcrisis die ons allen treft.