Ik heb de mens geschapen om Mij te beminnen

Standaard

“Ik heb de mens geschapen om Mij te beminnen”

De goddelijke roepstem van liefde, vrijheid en genade in Goddelijke Oproepen

Inleiding: Goddelijke Oproepen – Marie Sévray-Guillemin

‘Goddelijke Oproepen’ (Dieu appelle) is een mystiek werk van Marie Sévray-Guillemin, een relatief weinig bekende maar intrigerende Franse mystica uit de 20e eeuw. Het boek behoort tot het genre van innerlijke dialogen en geestelijke notities waarin een sterke nadruk ligt op de persoonlijke roepstem van God tot de mens.

1. Karakter van het werk

Het boek bestaat uit korte, vaak indringende teksten die worden gepresenteerd als innerlijke woorden of oproepen van God tot de ziel. Het gaat niet om dogmatische uiteenzettingen of theologische verhandelingen, maar om existentieel geladen aanspraken die de lezer rechtstreeks aanspreken. De toon is persoonlijk, soms dringend, soms teder, en altijd relationeel.

God verschijnt hier niet als abstract beginsel, maar als levende Tegenwoordigheid die de mens aanspreekt bij name, hem uitnodigt tot vertrouwen, overgave en innerlijke vrijheid.

2. Centrale thema’s

Enkele kernmotieven die door het hele werk heen terugkeren:

  • Roeping en antwoord
    Goddelijke Oproepen draait om het besef dat het leven zelf een antwoord is op een voorafgaande goddelijke uitnodiging. De mens wordt niet eerst aangesproken om iets te doen, maar om te zijn in relatie.
  • Innerlijke vrijheid
    De oproep van God is nooit dwingend. Zij respecteert de vrijheid van de mens en vraagt om een vrijwillige, liefdevolle instemming. Dit maakt het werk opvallend anti-dwingend en anti-moralistisch.
  • Zelfontlediging en beschikbaarheid
    Regelmatig klinkt de uitnodiging om los te laten: eigen zekerheden, zelfhandhaving, angst en controle. Niet als ascetische prestatie, maar als ruimte maken voor Gods leven in de ziel.
  • Gods tederheid
    God spreekt niet als rechter, maar als degene die wacht, hoopt en bemint. De taal is vaak verrassend zacht, bijna moederlijk, en benadrukt Gods geduld met de menselijke traagheid en kwetsbaarheid.

3. Plaats binnen de katholieke spiritualiteit

Hoewel Marie Sévray-Guillemin geen grote naam is binnen de academische theologie, sluit haar werk inhoudelijk nauw aan bij bredere stromingen binnen de katholieke spiritualiteit van de 20e eeuw:

  • bij het personalistische denken, waarin de persoon wordt verstaan als relationeel wezen;
  • bij de mystiek van de innerlijke roeping, zoals ook te vinden bij auteurs als Maurice Zundel, waar God geen object van bezit is, maar een stem die bevrijdt;
  • bij een spiritualiteit die existentieel is: het geloof raakt het concrete leven, keuzes, angst, liefde en toekomst.

4. Verwantschap met personalistische theologie

Zonder expliciet theologisch te zijn, vertoont Goddelijke Oproepen een duidelijke verwantschap met personalistische theologie:

  • God wordt niet gedacht als macht tegenover de mens, maar als oorsprong van zijn persoon-zijn.
  • De mens wordt pas werkelijk zichzelf door antwoord te geven, niet door zelfbevestiging maar door relationele openheid.
  • De verhouding God–mens is geen hiërarchische tegenstelling, maar een ontmoeting.

In die zin kan het werk gelezen worden als een spirituele pendant van wat personalistische denkers theologisch hebben doordacht.

5. Geestelijke betekenis vandaag

Voor hedendaagse lezers kan Goddelijke Oproepen bijzonder aansprekend zijn in een context waarin veel mensen worstelen met leegte, overbelasting en identiteitsvragen. Het boek biedt geen technieken of snelle oplossingen, maar nodigt uit tot luisteren: naar wat zich in de diepte van het geweten en het verlangen aandient.

Het is een tekst die niet zozeer gelezen wil worden, maar ontvangen – langzaam, mediterend, als een stem die niet overweldigt maar roept.

‘Vurige liefde van God voor zijn menselijk schepsel’ – boek: Goddelijke Oproepen

Schepping van de mens

De zielloze natuur had Ik mooi geschapen, maar zonder ziel om Mij te loven evenmin als de dieren.

Zou ik dan van de stof geen lof ontvangen? Ik zou niets ontvangen van dit stoffelijk en tastbaar schepsel, dat Ik mooi vond, waarvan Ik ook de Schepper was en dat Ik met welbehagen bekeek!

Neen, mijn Liefde van Schepper zou niet voldaan geweest zijn, indien er zelfs maar een klein deeltje van mijn schepping levenloos en zonder stem bleef, onbekwaam Mij te loven! In mijn Ogen zou dit onmogelijk geweest zijn! Ik verlangde zozeer naar dit universeel Concert, dat opklonk uit alles, wat Ik had geschapen en dat intens, subliem en volledig tot Mij, de Schepper opsteeg!

Daarom heb Ik de mens geschapen…

Ik heb gezegd: «Laten wij de mens maken naar ons Beeld en onze Gelijkenis!»

In hem verenigde Ik geest en stof, hier gaf Ik heel de schepping een stem, om Mij lof te zingen!

Door de mens zou als ’t ware geen enkel grassprietje zonder leven blijven, onbekwaam Mij te loven, vermits mijn menselijk schepsel Mij om alles zou loven. Dit menselijk wezen, dat Ik schiep, zou Ik beminnen en Ik zou erdoor bemind worden! O! Welke liefdeplannen heb Ik voor dit bevoorrecht schepsel niet gemaakt. Nauwelijks was mijn meesterwerk uit mijn scheppende Handen tevoorschijn gekomen, of het werd Mij brutaal door Satan ontrukt!

Ik schepte mijn welbehagen in dat mooi schepsel, samengesteld uit ziel en lichaam, opdat er door de band met de ondergeschikte natuur, geen onderbreking zou zijn in de heerlijke ladder van wezens, uit mijn scheppende Handen gekomen. In dit geheel van een lichaam, gebonden aan de ondergeschikte natuur en van een ziel, adem van Mijzelf, schepte Ik Mijn behagen.

Immers, ook dat lichaam zou door de invloed, door het meesterschap, dat de ziel er in werkelijkheid moest op hebben, heerlijk zijn; al leek het in zekere zin van ondergeschikte aard, toch wilde Ik het zó in dienst van de ziel, dat het zelf ook een pracht zou zijn !

Zonder de erfzonde zou men geen uitdrukkingen hebben moeten gebruiken, die een soort schaamtegevoel weergeven over het feit, dat het menselijk schepsel deels uit een lichaam is samengesteld. Door de erfzonde is het lichaam erbarmelijk onteerd. In het eerste Plan moest de mens zich niet schamen over zijn lichaam, er zich niet door vernederd voelen, hij moest het niet aan zien als een soort dier, dat hij met zich mee zou sleuren.

In mijn Goddelijk Plan zou de hele mens zijn God loven. Hoe zou men er zich over verwonderen, als men bedenkt, dat Ik, de Schepper, de mens had geschapen om Mij lof en aanbidding te schenken.

Mijn Plan was zo mooi. Ik hield zoveel van het Werk van mijn Handen. De mens was harmonisch samengesteld uit lichaam en ziel! Ik hield zoveel van dit menselijk lichaam, zonder twijfel van een ondergeschikte natuur, maar in werkelijkheid zo verheven, omdat het volledig beheerst werd door de zuivere ziel, zijn trouwe gezel, een heerlijkheid op zichzelf!

Die ladder van geschapen wezens moet haar God loven in een volmaakte orde, elk schepsel op zijn plaats, volgens de inzichten, welke de Schepper over elk heeft.

De zielloze natuur, de plantenwereld, de dierenwereld loofden Mij, elk op haar manier, door haar bestaan zelf maar op een onbewuste manier.

Ziehier de mens! Zal zijn lichaam samensmelten met de ondergeschikte natuur van het dier?

Zeker niet, zo had Ik het niet gewild. Het was een schoonheid te meer, te zien, hoe deze tastbare werkelijkheid, deze stof in zekere zin vergeestelijkt werd, vermits ze zo intiem met de geest verbonden was, dat ze er een geheel mee vormde. Ze was als ‘t ware de veruiterlijking van die geest.

Deze geest, deze zuivere ziel zong de lof van haar Schepper, en bezat als ’t ware twee stemmen om Hem te loven. Enerzijds was die wijze van lofzingen die van de Engelen, die zuivere geesten.

Dit is echter niet alles, want Ik zou niet voldaan zijn, indien de mens in het onmetelijke Concert van lof en aanbidding, dat Mij toekomt, dezelfde noot zong als de Engel.

Van de stof verwachtte Ik een heel aparte noot; onder invloed van de ziel zou ze gebed en aanbidding worden.

O! Wie zal mijn Gedachte kunnen doorgronden? Wie zal ooit vermoeden, welke geneugten Ik van dit schepsel verwachtte, van dit lichaam van de mens, dat zijn ziel veruiterlijkte?

De val van de mens

Maar de zonde is gekomen!

Dit lichaam was zo verschillend van het lichaam van het dier, in deze zin, dat het er onvergelijkelijk boven stond. Dit lichaam, Werk van de Goddelijke Kunstenaar, Werk van mijn Goddelijk Welbehagen, gaat nu gelijken op dat van het dier; het zal zelfs nog dieper vallen, want het dier is op zijn plaats gebleven, het is niet afgeweken van de rol, die Ik het had toegewezen; het lichaam van de mens integendeel. O ! Hoe werd de Goddelijke fijngevoeligheid van de Kunstenaar – Schepper hier gekwetst! Hij had daar immers van een verfijnde schoonheid, van een kostbare zuiverheid gedroomd! Wie had beter kunnen dromen? Wie had die droom beter kunnen verwezenlijken? De Schepper moest echter aanzien, hoe zijn kunstwerk Hem bijna onmiddellijk uit de Handen werd gerukt en in de modder geworpen.

Wie zal de gevolgen van de zonde kunnen peilen? Alleen de Genade kan er aan de ziel enig idee van geven en in dit licht kan men begrijpen, waarom Ik aan dit hele wezen, lichaam en ziel, een leven heb willen geven, dat de uitbloei zou zijn, van hetgene Ik er bij het begin had ingelegd, het nog meer verdiepend en verheffend…

Ik heb de verrijzenis van het vlees gewild. Ik heb gewild, dat bij het trompetgeschal op het einde van de Tijden de zielen van de Rechtvaardigen (hier spreken we slechts over de Rechtvaardigen) hun lichaam zouden terugvinden, alsof het in zekere zin op dat ogenblik uit de Handen van zijn Schepper zou te voorschijn komen in al zijn schoonheid en sublieme zuiverheid. Ze zal eeuwig duren…

Menswording en verlossing

Ik schep er behagen in, de ziel aan te zetten tot de studie en de beschouwing van al, wat Ik geschapen heb.

Ik, God de Vader, Schepper, wordt niet zozeer bemind en ben niet zo goed door de menselijke ziel gekend als de Zoon, Die Mens geworden is.

Nochtans moeten al de voortreffelijkheden van de drie Goddelijke Personen, al de gebaren en werken van deze drie Personen het voorwerp zijn van de lofbetuigingen van de mens.

Opdat de mens zijn lof zou kunnen betuigen, is het nodig, dat hij begrijpt en bemint.

Ik sta erop, dat mijn Werking in de zielen onbegrensd zou zijn.

Ik wil aanbeden en verheerlijkt worden als nooit tevoren, want Ik wil, dat de menselijke ziel in haar aanbidding en lofbetuiging de hele kringloop van mijn goddelijke volmaaktheden doormaakt.

Het gevallen menselijk schepsel moet vrijgekocht worden.

Mijn Almacht had andere middelen kunnen gebruiken, maar mijn Liefde voor de mens, mijn Liefde voor dat menselijk schepsel (lichaam en ziel) heeft Mij, Tweede Persoon van de Heilige Drievuldigheid, ertoe aangezet, te komen, uit eigen beweging en tegelijkertijd door het machtig Liefdegebaar van mijn Vader.

Ik ben dus gekomen. Ik heb een menselijke ziel en een menselijk lichaam aangenomen.

Met welke onuitsprekelijke geestdrift heeft de Vader Mij in zijn welbemind schepsel teruggevonden! Later zou Ik beladen worden met de menselijke misdaden. Dan zou de Vader in Mij niet meer de mens zien, zoals Hij hem had geschapen, maar als de gevallen mens, ver van Hem verwijderd. Hij zou in Mij als ’t ware de schuldige mens zien en al de slagen van zijn wrekende Almacht zouden op Mij neerkomen.

Zó echter kocht Ik de mens vrij…

De menselijke ziel was dus weer in staat haar God te beminnen en door Hem bemind te worden!

Ik, Jezus Christus, Tweede Persoon van de Heilige Drievuldigheid, heb, door Mens te worden, het vlees niet aangenomen als een soort geleende mantel, een mantel, die Ik in zekere zin had kunnen onderscheiden van Mijzelf, Ik ben God met mijn Lichaam, mijn Bloed, mijn Ziel; het vlees, dat Ik heb aangenomen, is werkelijk één geworden met mijn Godheid.

In Mij is alles God!

Uit mijn scheppende Handen is het Werk van Liefde ontsnapt, omdat de mens, door te zondigen, dit lichaam, dat mijn Almacht door mijn Adem van Schepper uit het niet trok, heeft verlaagd en als ’t ware in het stof doen vallen! Ik heb echter willen aantonen, welke waarde Ik hecht aan heel mijn Werk, lichaam en ziel, aangezien mijn Zoon vlees is geworden.

Ik wil behagen scheppen in al, wat Ik geschapen heb zelfs wanneer dit geschapene misbruik maakte van zijn vrijheid, om aan Mij te ontsnappen. Ik tuchtig de enkelingen, maar in het diepste van Mezelf bewaar Ik mijn Liefde voor het Werk, zoals het uit mijn Handen gekomen is. Ik, Schepper, zal het laatste woord hebben.

De mens zal met ziel en lichaam opnieuw het voorwerp uitmaken van mijn Liefde en mijn Welbehagen.

God heeft de mens vrij gemaakt, noodzakelijkheid van de beantwoording aan de Genade

Ik heb de mens geschapen naar mijn Beeld en Gelijkenis. Ik wil, dat deze modder, door Mij gezuiverd, de klei wordt, die Ik ongedwongen kan boetseren.

Om het te scheppen, had Ik mijn schepsel niet nodig. Mijn Liefde en mijn Almacht hadden geen andere hulp nodig. Doch opdat het deze soepele klei in mijn Handen zou worden, heb Ik de wil van mijn schepsel nodig. Immers, als Ik het schiep, heb Ik er een te duchten iets in gelegd, waarvan mijn Liefde heel de draagwijdte overzag. Ik wist goed, dat daardoor velen van mijn schepselen in het beginstadium van hun bovennatuurlijke ontwikkeling zouden blijven staan.

Ik wist goed, dat velen zich tegen Mij zouden keren. Ook wist Ik, dat velen Mij zouden herkennen, Mij volgen en Mij Liefde voor Liefde geven.

Deze uitwisseling, deze vrijwillige uitwisseling was Mij zo aangenaam, de Liefde van mijn schepsel was Mij zoveel waard, dat Ik om ze te bezitten, erin toegestemd heb, het dat geduchte ‘iets’ te geven, dat vrijheid heet!

Het zal vrij zijn, maar dan zal het zich van Mij kunnen afkeren, zich tegen Mij keren, het zal mijn Hart kunnen martelen!

Ja, Ik weet het, maar indien Ik het die vrijheid niet gaf, welke persoonlijke liefde zou Ik er dan van kunnen ontvangen? Het zou als een dode lofzang zijn of op zijn minst een lofzang gemaakt voor Mij maar door Mijzelf.

Deze onuitsprekelijke bekoorlijkheid, te voelen, dat een ziel Mij kan verlaten, maar Mij integendeel volgt, dat ze Mij kan haten en Mij toch bemint, deze onuitsprekelijke bekoorlijkheid, waar Ik zo naar hunker, zou Ik die dan nooit kennen?

Neen! Neen! Lijden, afwijzing, haat. Ik aanvaard alles, omdat Ik door alles heen de trouwe ziel ontwaar, die zich kan verwijderen van Mij maar die blijft, die Mij kan haten, maar die liefheeft!

Ik heb dus de vrije wil van mijn schepsel nodig, opdat het de soepele klei wordt, die Ik volgens mijn welbehagen kan boetseren naar mijn Goddelijke Wilsbeschikkingen!

Ik hunker er zozeer naar, mijn Beeld in de ziel te drukken. Ik hunker ernaar, vrij te zijn en haar volgens mijn goeddunken toe te spreken, om haar te zeggen; Mijn oneindige Grootheid, Mijn oneindige Almacht, Mijn oneindige Barmhartigheid, Mijn oneindige Rechtvaardigheid (die ze steeds zonder vrees zal zien doorheen mijn Barmhartigheid, doorheen mijn Bloed, waarvan de verdiensten onophoudelijk op haar worden toegepast!)

Ik smeek er haar om, Mij toe te laten, in haar de wonderen van mijn Genade op te stapelen. Wanneer de ziel, bij het zien van zoveel Goddelijke Voorkomendheid, een soort van ontsteltenis ervaart, omdat ze zich zwak voelt en niets uit zichzelf, dan vooral verheug Ik Mij! Zó is het, dat Ik handel: Ik neem een «niets» om er alles in te leggen!

Dat ze dus aan mijn genade beantwoordt!

Vurig verlangen van God, zielen te vinden, die aan Zijn tegemoetkomingen beantwoorden

Er zijn zielen, die Mij volgen! Er zijn er, die Mij liefhebben! Er zijn er, die Ik zulke Liefde toedraag, dat de mens er zich geen idee kan van vormen… een Liefde van Uitverkiezing.…

Er zijn er, die Mij toelaten, in haar dwaasheden van goedheid te doen. Er zijn er, aan wie Ik Mij kan mededelen, Mij laten kennen, Mij tonen…

Aan deze zielen behaagt het Mij mee te delen:

  • Mijn oneindige Grootheid en terzelfdertijd mijn vurig verlangen, Mij over de mens neer te buigen of liever, hem tot Mij te verheffen, om hem toe te laten, Mij te beminnen;
  • Mijn oneindige Macht te hunner beschikking gesteld, indien ze volle vertrouwen hebben;
  • Mijn oneindige Barmhartigheid, in dewelke zij moeten putten met een alles verterende ijver voor henzelf en vooral voor de zielen van de zondaars, van de stervenden, voor de zielen van het Vagevuur;

Mijn oneindige Rechtvaardigheid; Mijn oneindige Liefde. Mijzelf!

Welke horizonten zou Ik voor hen ontvouwen…

Daarvoor is het echter nodig, dat ze zich in een voortdurende staat van ontvankelijkheid houden en van beantwoording aan de Genade.

Ik zal hen zeer hoog laten opklimmen om hen mijn Geheimen mede te delen… Ik zal hen tot Mij verheffen, zodat Ik slechts zacht en liefelijk hoef te fluisteren, om Mij door hen te doen verstaan…

Hoe beter men Mij kent, hoe meer men Mij bemint.

Omdat men Mij niet voldoende kent, bemint men Mij zo weinig! Omdat men Mij in de Hemel kent zonder schaduw of sluier, bemint men er Mij.

Ik ben van de lofzang van mijn schepsel beroofd geworden in de Hof van Geneugten, die Ik ervoor had gemaakt (Aards Paradijs). Alle bijzonderheden waren er door mijn Liefde in gelegd met de bedoeling, dat Ik zou bemind worden, zodat Ik mijn schepsel gelukkig kon maken, om Mij in dit geluk steeds intenser te laten zien.

Ik had Me de moeite getroost, prachtig de heerlijkheid van de sterren te scheppen, liefdevol elk klein bloempje, ieder grassprietje te doen leven en Ik had gewild, dat mijn schepsel er zou blijven bij stilstaan, trillend van vreugde en bewondering.

Ik had verwacht, dat mijn schepsel, wel wetend, vanwaar zoveel heerlijkheden vermengd met zoveel kostelijke zoetheid kwamen, zich tot Mij zou hebben gewend, om Me te beminnen, Mij te aanbidden, Mij te loven…

Ik heb de beschouwende zielen gekozen, om hun al mijn ontgoochelingen te vertellen, (dit sluit de Goddelijke Alwetendheid helemaal niet uit) om hen al de verzuchtingen van hun Schepper mede te delen. Ik wil, dat zij, die door de beantwoording aan mijn Genade, in die Hof van Geneugten zijn geplaatst, Mij hun lof zouden zingen, de ononderbroken lofzang, de lofzang om alles. Alles moet hen dichter tot Mij brengen.

God komt terug op de gevreesde gave van de vrijheid

Ik had van de mens een wezen kunnen maken, dat noodzakelijkerwijs, door de conditie van zijn schepping zelf, uit natuur naar Mij toekwam. Ik heb de lichamen wel aan de wet van de zwaartekracht onderworpen; in de ruimte losgelaten, valt een lichaam willens nillens.

De ziel van de mens had kunnen genoodzaakt zijn, Mij lief te hebben, zoals een lichaam steeds op de aarde valt, als het losgelaten wordt. Ik heb zijn ziel willen begunstigen met een schoner eigenschap, schoner dan al de andere, in deze zin, dat ze aan alle andere een waarde geeft zonder weerga: Ik heb de ziel vrij willen maken.

Ik ben in wezen vrij! Ik heb willen bemind worden door een vrij wezen.

Dit menselijk wezen, dat Ik zo schiep, zou Mij liefhebben, het zou Mij liefhebben tot mijn Genot, want bemind worden door dit schepsel, zou willen zeggen: zijn voorkeur genieten, erdoor gekozen worden.

Ik zou dan de liefde van de mens smaken met al de heerlijke zoetheid, waarvan Ik had gedroomd.

O afgrond…

De Schepper en zijn schepsel… Degene, Die alles is en dat, wat niets is… zodanig niets, dat het niet zou bestaan, als Hij het niet maakte en bezielde door een Daad van zijn Almacht. De Schepping van de mens is een uitstorting van de Almacht en de Liefde van de Schepper.

Heeft de Schepper, Die het uit het niets verhief, zijn schepsel tenminste ten volle in zijn bezit?

Neen, niet noodzakelijk. Dit wezen, dat Ik uit het niets tevoorschijn haalde, dit wezen, dat Mij alles verschuldigd is, kan Mij ontsnappen, want Ik heb het vrij gemaakt.

Deze vrijheid is voor Mij dikwijls een bron van onzeglijke beledigingen… maar ze is een bron van lofprijzing, wanneer Ik zie, dat dit wezen, dat Ik schiep, tenvolle aan mijn Oproepen beantwoordt!

Om de ziel te scheppen, heb Ik haar niet nodig gehad. Ik heb alleen gehandeld, Ik ben als God opgetreden.

Om haar echter de groei te schenken van leven en heiligheid, waarnaar Ik zozeer dorst, wil Ik haar toestemming en medewerking.

O verheven en onbegrijpelijke dwaasheid van mijn Liefde, die zozeer haar arm schepsel bemint, dat ze het terzelfdertijd wil overstelpen met Genaden en het de vrijheid laat!

In het niet kon de ziel Mij niet beminnen. Wanneer Ik haar schiep, wanneer Ik haar riep, is ze niet opgesprongen, is ze niet op mijn scheppende Wil afgekomen, ze was niets.

Wanneer Ik haar daarentegen door mijn Genade roep, verwacht mijn Liefde, dat ze voldoende wordt bemind opdat de ziel zou opspringen op mijn Wenk, opdat ze naar Mij toe zou snellen en dat ons beider Liefde mekaar zou ontmoeten. Zo zal mijn Genade zich overvloedig verspreiden in mijn schepsel, zulke voren trekkend, dat de Stroom van mijn Goddelijk Leven ze vult en alles in haar levend maakt!

Macht van de Genade

De Genade is een deelname aan mijn Goddelijk Leven. Dit Leven gaat van Mij uit en schenkt de zielen, die Ik geschapen heb, Leven. Ik zou er niet mee ophouden dit overdadig Leven groeiend uit te storten, indien de ziel Mij maar liet doen…

Wat wil mijn Genade doen?

Zij wil op de ziel het Zoenoffer van Christus toepassen.

O! Welke wonderen zou de Genade niet bewerken, indien de ziel maar volle vertrouwen in Mij had.

Men begrenst echter mijn Macht, men gelooft niet in de volheid van mijn Beloften en onder voorwendsel van wijsheid houdt men mijn Werking tegen of op zijn minst de uitwerking ervan.

Waarom?

Dat men toch het vertrouwen preekt, het mateloos vertrouwen!

Mijn Genade wil de zielen voortdurend zuiveren, zodanig dat ze altijd in staat van ontvankelijkheid verkeren.

O! Indien de zielen maar wilden! Met welke geestdrift, met welke volheid zou Ik hun mijn Adem, mijn Leven, mijn Genade meedelen.

Onder de niet gedwarsboomde werking van mijn Genade, zou Ik heiligen vormen, veel heiligen! Ik zou het niet moe worden, Mij « uit te spreken » in mijn schepselen op aarde, zoals Ik het niet moe word, Mij « uit te spreken » in mijn Uitverkorenen in de Hemel. Ik zou in elke ziel een wonderlijke verscheidenheid van bijzondere schakeringen storten, schakeringen zonder einde…

Ik zou er mijn Behagen in vinden, indien men Mij liet doen.

Men moet zich niet inbeelden, dat hiervoor een hoge graad van heiligheid nodig is, nee, men moet alleen maar geloven, daadwerkelijk en zonder grenzen in Mij geloven! De heiligheid zou nadien als vanzelf volgen, omdat Ik het ben, die haar door mijn Genade in de ziel zou bewerken met de medewerking van de ziel natuurlijk.

Door ten volle in Mij te geloven, laat men Mij toe, uit te voeren, wat Ik verlang en zoals Ik het wil. De ziel laat Mij in haar vrij, ze laat Me vrij in haar een heiligheid tot stand te brengen, zoals Ik ze voor haar hebben wil, ze laat Me vrij, om Mij op aarde te verlustigen op de manier, die Ik voor elke ziel verlang.

Dit volle geloof vestigt de ziel in een staat van zuiverheid, een staat, die Ik verlang en die niet door een half en mank geloof zou verwezenlijkt worden. Zó wil Ik haar. In dit volle geloof leven, is heel eenvoudig; beantwoorden aan de Genade.

Ik verlang, dat de zielen tot Mij komen, Ik zal hen in Mij opnemen. Ze moeten zich niet verwonderen over mijn vrijpostigheden; ben Ik soms de Oneindig Machtige, de Oneindig Liefhebbende niet?

Ik ben Degene, Die dorst naar verscheidenheid in de heiligheid, Ik val niet in herhaling. Het is dus gemakkelijk te begrijpen, dat Ik ernaar hunker, te zien, dat de zielen ten volle aan mijn Oproep gehoor geven, dat ze zich ten volle door Mij laten doen. Ik wil over de wereld een Adem blazen van vuur en bovennatuurlijke geest.

Uit; Goddelijke Oproepen – Marie Sevray-Guillemin, Sint Franciscusdrukkerij, Mechelen, 1974, blz. 105-119.

Therapeutische mensvisie op het kruispunt van psychiatrie, theologie en existentiële psychologie

Standaard

Anna Terruwe, Maurice Zundel en Viktor Frankl in dialoog over bevestiging, vrijheid en zingeving

door pastoor Jack Geudens, priester en arbeidstherapeut

Inleiding

De twintigste eeuw bracht een intensieve herbezinning op het mensbeeld binnen psychiatrie, psychologie en theologie. Tegenover reductionistische modellen, die de mens herleidden tot drift, functie of symptoom, ontwikkelden zich benaderingen die opnieuw het persoon-zijn, de waardigheid en de innerlijke vrijheid van de mens centraal stelden.

Binnen dit veld nemen Anna Terruwe, Maurice Zundel en Viktor Frankl een bijzondere plaats in. Hoewel zij vanuit verschillende disciplines werkten, vertonen hun inzichten een opmerkelijke convergentie. Samen bieden zij een therapeutisch en spiritueel mensbeeld dat ook vandaag, in een context van burn-out, existentiële leegte en identiteitsverlies, verrassend actueel is.

Dit artikel beoogt een geïntegreerde therapeutische mensvisie te schetsen die relevant is voor psychologen, therapeuten, geestelijk verzorgers en pastorale beroepskrachten. Het wil laten zien hoe psychische genezing, existentiële oriëntatie en spirituele verdieping elkaar wederzijds kunnen dragen.


1. Wie is wie

Anna Terruwe (1911–2004)

Anna Terruwe was een Nederlandse psychiater en grondlegger van de bevestigingsleer (affirmatieleer) en de theorie van de frustratieneurose.

Kerninzichten

  • De mens heeft een fundamentele behoefte aan affectieve bevestiging: het ervaren dat men goed is zoals men is, voorafgaand aan prestatie of morele beoordeling.
  • Psychische stoornissen ontstaan vaak niet door moreel falen, maar door een tekort aan bevestiging in de ontwikkeling.
  • Frustratieneurose duidt op een structurele blokkade van het gevoelsleven door langdurige affectieve verwaarlozing.

Context en betekenis
Terruwe kwam in conflict met kerkelijke autoriteiten, met name met Sebastiaan Tromp SJ, omdat zij consequent vasthield aan de professionele autonomie van de psychiatrie en zich verzette tegen het moraliseren van psychische nood. Zij maakte duidelijk dat psychisch lijden niet primair voortkomt uit moreel falen, maar uit ontwikkelingsstoornissen en affectieve tekorten. Daarmee opende haar werk opnieuw ruimte voor mildheid, klinisch realisme en menselijkheid in de zorg, en fungeerde het als een kritisch correctief op moraliserende en disciplinerende benaderingen. In een later stadium werd zowel zijzelf als haar werk gerehabiliteerd, mede onder het pontificaat van Paulus VI, die haar inzichten expliciet waardeerde.

Maurice Zundel (1897–1975)

Maurice Zundel was een Zwitserse theoloog, mysticus en spiritueel denker.

Kerninzichten

  • De mens is geen gesloten ego, maar een relationeel wezen dat pas persoon wordt door het loslaten van zelfhandhaving (decentratie).
  • God is geen externe wetgever, maar de innerlijke bron van vrijheid en liefde.
  • Werkelijke volwassenheid ontstaat waar de mens zich laat bewonen door een Ander.

Context en betekenis
Zundel genoot de bijzondere waardering van paus Paulus VI, die in hem een theoloog en spiritueel leermeester herkende met een diep existentieel en persoonlijk verstaan van het geloof. Op uitnodiging van de paus predikte Zundel meerdere retraites in het Vaticaan. Zijn theologie is relationeel en menslievend: zij richt zich op de innerlijke bevrijding van de mens door decentratie (*) van het ego en openheid voor Gods aanwezigheid. In die zin vertoont zijn denken duidelijke raakvlakken met processen van innerlijke groei en bevrijding die ook in hedendaagse therapeutische trajecten zichtbaar worden.

Viktor Frankl (1905–1997)

Viktor Frankl was een Oostenrijks neuroloog en psychiater, overlevende van de concentratiekampen en grondlegger van de logotherapie binnen de existentiële analyse.

Kerninzichten

  • De primaire drijfveer van de mens is niet lust of macht, maar de wil tot betekenis.
  • Zelfs onder extreme omstandigheden behoudt de mens een innerlijke vrijheid om zijn houding te kiezen.
  • Frankl benoemt de tragische triade: lijden, schuld en dood — niet als zinloosheden, maar als plaatsen waar zin kan worden ontdekt.

Context en betekenis
Frankls ervaringen in de concentratiekampen verdiepten zijn existentieel-religieuze overtuiging: zelfs wanneer alle uiterlijke zekerheden wegvallen en God zwijgt, blijft de mens innerlijk vrij om zin, waardigheid en verantwoordelijkheid te bewaren.


2. Verdieping: kruispunten van hun denken

2.1 De metafysische noodzaak van de Ander (Terruwe & Zundel)

Terruwe toont klinisch aan dat de mens psychisch niet kan overleven zonder bevestiging. Zundel radicaliseert dit inzicht theologisch: zonder relatie tot de Ander — uiteindelijk God — blijft de mens opgesloten in een defensief ego.

Waar Terruwe spreekt over genezing van affectieve blokkades, spreekt Zundel over innerlijke geboorte. Beiden delen de overtuiging dat liefde niet corrigeert, maar ontsluit.


2.2 De zin van het lijden (Frankl & Zundel)

Frankl laat zien dat lijden op zichzelf geen zin heeft, maar dat de mens vrij blijft om er zin aan te geven. Zundel vult dit aan door te stellen dat lijden de plaats kan worden waar het ego sterft en de persoon geboren wordt.

Beiden verstaan vrijheid niet als onbeperkte keuzevrijheid, maar als innerlijke beschikbaarheid voor waarheid, liefde en verantwoordelijkheid.


2.3 De psychologie van de geest (Terruwe & Frankl)

Frankl introduceert het begrip van het geestelijk onbewuste: een laag waarin geweten, roeping en zingeving aanwezig zijn. Terruwe levert de noodzakelijke psychische bodem: zonder bevestiging is de mens niet vrij genoeg om deze geestelijke dimensie te betreden.

Hun werk is complementair:

  • Terruwe herstelt het vermogen om te voelen,
  • Frankl wekt het vermogen om richting te geven.

Synthese
Wat deze drie benaderingen verbindt, is een gelaagd mensbeeld: psychische bevestiging vormt de bodem (Terruwe), existentiële verantwoordelijkheid geeft richting (Frankl), en spirituele decentratie opent tot innerlijke vrijheid (Zundel). Geen van deze niveaus is op zichzelf voldoende; samen vormen zij een samenhangend geheel.


Overzicht in kernbegrippen

AspectTerruweZundelFrankl
Primaire noodBevestigingGoddelijke nabijheidZingeving
MensbeeldOntwikkelingsgevoelige persoonRelationele persoonVerantwoordelijk subject
GenezingLiefdevolle aanvaardingDecentratieOntdekken van betekenis

3. Praktijkvoorbeeld: burn-out als existentiële crisis

Context

In de huidige samenleving wordt identiteit sterk gekoppeld aan prestatie. Burn-out onthult vaak niet alleen uitputting, maar een diepere crisis van waarde en betekenis. In deze benadering wordt burn-out niet primair gezien als psychiatrisch falen, maar als een existentieel alarmsignaal.


Fase 1 – Bevestiging (Terruwe): herstel van zijn

De therapeut creëert een ruimte waarin de cliënt opnieuw mag bestaan zonder prestatie.

  • Erkenning van uitputting zonder oordeel.
  • Ontmanteling van de innerlijke dwang: “ik ben wat ik doe”.
  • Herstel van affectief vertrouwen.

Dit geneest niet onmiddellijk het probleem, maar herstelt de bodem waarop verdere groei mogelijk wordt.


Fase 2 – Zinvinding (Frankl): herstel van richting

Wanneer de emotionele stabiliteit groeit, wordt de existentiële vraag gesteld:
“Waarvoor wil jij leven, ook nu?”

  • De cliënt ontdekt dat hij een burn-out heeft, maar er niet mee samenvalt.
  • Er wordt gezocht naar waarden, taken en relaties die betekenis dragen.
  • Zin wordt niet gemaakt, maar gevonden in verantwoordelijkheid.

Synthese in de praktijk

Een manager ontdekt dat zijn uitval geen falen is, maar een signaal. Door bevestiging durft hij opnieuw te voelen; door zinvinding durft hij opnieuw te kiezen. Niet louter re-integratie, maar transformatie is het resultaat.


4. Persoonlijk nawoord

Dit artikel is niet louter het resultaat van theoretische belangstelling, maar weerspiegelt een weg die ik persoonlijk en professioneel ben gegaan. In mijn persoon komen twee roepingen samen die elkaar wederzijds hebben gevormd: die van priester en die van arbeidstherapeut. Beide vertrekken vanuit dezelfde overtuiging: dat de mens niet in de eerste plaats een probleem is dat moet worden opgelost, maar een persoon die mag verschijnen, groeien en tot vrijheid komen.

Mijn opleiding en ervaring in de arbeidstherapie hebben mij gevoelig gemaakt voor de kwetsbaarheid van mensen die vastlopen in hun functioneren, hun werk of hun levensverhaal. Juist daar leerde ik hoe snel een mens gereduceerd kan worden tot diagnose, symptoom of prestatievermogen. Tegelijk werd mij steeds duidelijker hoezeer herstel begint waar iemand opnieuw bevestigd wordt in zijn bestaan, nog vóór er sprake is van verandering, activering of doelgericht handelen.

Als priester herken ik diezelfde dynamiek op geestelijk en existentieel niveau. In pastorale gesprekken, rouwbegeleiding en geloofstwijfel ontmoet ik mensen die niet zozeer antwoorden zoeken, maar erkenning, nabijheid en zin. Daar raken het denken van Frankl en Zundel aan mijn dagelijkse praktijk. Frankl leert dat de mens zelfs in uiterste onvrijheid innerlijk vrij kan blijven door verantwoordelijkheid op zich te nemen. Zundel herinnert eraan dat deze vrijheid pas vruchtbaar wordt wanneer zij niet langer door het ego wordt beheerst, maar openstaat voor de Ander.

Wat mij in deze drie denkers blijft aanspreken, is hun gedeelde weigering om de mens te reduceren:
niet tot drift,
niet tot functie,
niet tot morele prestatie,
en ook niet tot religieuze correctheid.

Zij nodigen uit tot een benadering waarin genezing, zingeving en innerlijke vrijheid elkaar niet uitsluiten, maar elkaar verdiepen. Dit artikel wil daarom geen sluitend systeem presenteren, maar een uitnodiging tot integratie: tussen zorg en ziel, tussen psychologie en spiritualiteit, tussen professionele deskundigheid en eerbied voor het geheim van de persoon. In die ontmoeting wordt — zo is mijn overtuiging gegroeid — niet alleen de ander, maar ook de begeleider zelf steeds opnieuw gevormd.

Voetnoot

(*) Decentratie is een kernbegrip bij Maurice Zundel, maar het raakt ook aan therapeutische en existentiële inzichten bij Anna Terruwe en Viktor Frankl. Het duidt op een innerlijke verschuiving van het centrum van het leven: weg van het gesloten, zichzelf handhavende ik, naar een open bestaan in relatie tot de Ander (mens en uiteindelijk God).

Decentratie betekent: niet langer vanuit zelfbescherming, prestatie of controle leven, maar vanuit relatie en gave. De mens houdt op zichzelf als middelpunt te nemen en leert zich laten aanspreken door wat groter is dan hijzelf.

1. Decentratie bij Zundel

Volgens Zundel is de mens vaak gecentreerd in het ego:

  • gericht op bezit, erkenning, zekerheid en macht;
  • bezig zichzelf te bevestigen door doen en presteren.

Dat ego is geen kwaad, maar onvoltooid. Het sluit de mens op.

Decentratie is dan:

  • het loslaten van deze zelfhandhaving,
  • zodat de mens ruimte maakt voor Gods aanwezigheid in zichzelf.

De mens wordt pas persoon waar hij ophoudt zichzelf te bezitten. Hiermee bedoelt Zundel: echte vrijheid ontstaat niet door autonomie zonder grenzen, maar door innerlijke openheid.

2. Decentratie en innerlijke vrijheid

Decentratie is geen zelfverachting en ook geen verlies van identiteit. Integendeel:

  • het ego verliest zijn absolute positie,
  • maar de persoon komt tot bloei.

Vrijheid wordt dan:

  • niet: “ik doe wat ik wil”
  • maar: “ik ben vrij om mij toe te vertrouwen aan waarheid en liefde”.

Dit maakt decentratie tot een positief, bevrijdend proces.

3. Verwantschap met Terruwe en Frankl

Hoewel zij het woord niet gebruiken, is het proces herkenbaar:

  • Bij Terruwe:
    bevestiging maakt het mogelijk dat iemand niet langer krampachtig om zichzelf draait. Pas wie zich veilig weet, kan loslaten.
  • Bij Frankl:
    zelftranscendentie (self-transcendence) betekent dat de mens pas zichzelf vindt waar hij zich richt op zin, taak of liefde buiten zichzelf.

In die zin is decentratie:

  • psychologisch voorbereid door bevestiging (Terruwe),
  • existentieel gericht door verantwoordelijkheid en zin (Frankl),
  • spiritueel voltooid door openheid voor God (Zundel).

4. Decentratie in therapie en pastoraat (concreet)

In de praktijk ziet decentratie er zo uit:

  • iemand hoeft zichzelf niet meer te bewijzen;
  • falen of lijden bepalen niet langer zijn waarde;
  • de vraag verschuift van “wie moet ik zijn?” naar
    “waartoe word ik geroepen?”

Bij burn-out, rouw of crisis is decentratie vaak het keerpunt: niet harder werken aan het ik, maar het ik ontlasten.


Samenvattend. Decentratie is:

  • geen techniek,
  • geen morele eis,
  • geen verlies van zelf,

maar een innerlijke bevrijding waarbij de mens ophoudt zichzelf tot middelpunt te maken en daardoor pas werkelijk persoon wordt.

  • (Samenvattend: Decentratie is een kernbegrip in het denken van Maurice Zundel en duidt op een innerlijke verschuiving van het centrum van het menselijk bestaan. Het betekent dat de mens ophoudt zichzelf, zijn prestaties, zijn angsten of zijn zelfhandhaving tot middelpunt van zijn leven te maken, en ruimte leert scheppen voor relatie, ontvangenheid en gave. De mens leeft dan niet langer primair vanuit het gesloten ego, maar vanuit openheid voor de ander en uiteindelijk voor God.
  • Bij Zundel is het ego niet iets negatiefs of zondigs, maar onvoltooid. Zolang de mens zichzelf als centrum ervaart, blijft hij gevangen in controle, vergelijking en bevestigingsdrang. Decentratie is het proces waarin deze krampachtige zelfgerichtheid wordt losgelaten. Dat is geen zelfverlies of zelfverachting, maar juist een bevrijding: het ego verliest zijn absolute positie, zodat de persoon werkelijk kan verschijnen. Vrijheid wordt dan niet opgevat als grenzeloze autonomie, maar als innerlijke beschikbaarheid voor waarheid, liefde en verantwoordelijkheid.
  • Deze gedachte heeft duidelijke raakvlakken met therapeutische en existentiële inzichten. Bij Anna Terruwe wordt zichtbaar dat decentratie psychologisch alleen mogelijk is wanneer iemand eerst bevestigd is. Wie zich fundamenteel veilig weet in zijn bestaan, hoeft niet langer om zichzelf te draaien en kan loslaten. Bevestiging herstelt het vertrouwen dat nodig is om uit zelfbescherming te treden. Bij Viktor Frankl verschijnt een verwante beweging in het begrip zelftranscendentie: de mens vindt zichzelf niet door introspectie of zelfoptimalisatie, maar door zich te richten op zin, taak of liefde die buiten hemzelf ligt. Ook hier verschuift het zwaartepunt van het bestaan weg van het ik.
  • In therapie en pastoraat krijgt decentratie een zeer concrete betekenis. Zij uit zich wanneer iemand niet langer zijn waarde ontleent aan functioneren, succes of morele correctheid, maar leert rusten in zijn bestaan. Bij burn-out, rouw of existentiële crisis betekent dit vaak een kantelpunt: niet harder werken aan zichzelf, maar het ik ontlasten. De vraag verandert dan van “wie moet ik zijn?” naar “waartoe word ik geroepen?”. In die verschuiving ontstaat ruimte voor genezing, voor zin en voor innerlijke vrijheid.
  • Decentratie geen techniek en geen morele opdracht, maar een proces van innerlijke bevrijding. Waar de mens ophoudt zichzelf tot middelpunt te maken, wordt hij pas werkelijk persoon.)

Leven beschermen in een tijd van kwetsbaarheid

Standaard

Leven beschermen in een tijd van kwetsbaarheid

Anna Terruwe, Maurice Zundel en Viktor Frankl als profetische stemmen voor vandaag

Inleiding

Wij leven in een tijd waarin kwetsbaarheid steeds moeilijker verdragen wordt. Leven wordt vaak beoordeeld op draagkracht, autonomie, efficiëntie en ervaren kwaliteit. Wie afhankelijk wordt, wie lijdt, wie geen perspectief lijkt te hebben, loopt het risico zichzelf of door anderen als “te veel” te ervaren. In zo’n klimaat groeit de verleiding om het leven zelf ter discussie te stellen: vóór de geboorte, aan het einde van het leven, of middenin een bestaan dat als zwaar en uitzichtloos wordt beleefd.

Tegen deze achtergrond krijgt het pro-life denken een nieuwe urgentie. Niet als ideologische strijd, maar als een fundamentele vraag naar wat mens-zijn betekent. Juist hier blijken de inzichten van Anna Terruwe, Maurice Zundel en Viktor Frankl opvallend actueel. Zij benaderen het leven niet als bezit, project of prestatie, maar als gave, relatie en roeping. Hun denken vormt een menselijk én evangelisch tegenwicht tegen een cultuur waarin leven conditioneel dreigt te worden.


Anna Terruwe: leven vraagt bevestiging, geen eliminatie

Anna Terruwe heeft vanuit haar psychiatrische praktijk scherp gezien dat psychische nood zelden voortkomt uit morele ernst, gewetensvragen of religieuze betrokkenheid. Mensen worden niet ziek van waarheid, verantwoordelijkheid of innerlijke diepgang. Zij worden ziek waar het ontbreekt aan affectieve bevestiging: het ervaren dat men er mag zijn, dat men gezien en aanvaard wordt als persoon.

Dit inzicht raakt het hart van de pro-life problematiek. Veel keuzes tégen het leven – rond ongeboren leven, leven met beperkingen, leven in uitzichtloze situaties – ontstaan niet uit kwaadwilligheid, maar uit angst, eenzaamheid en het gevoel er alleen voor te staan. Waar steun ontbreekt, wordt het leven zelf als last ervaren.

Terruwe laat zien dat het antwoord daarop niet eliminatie is, maar bevestiging. Wanneer een mens zich gedragen weet door liefdevolle nabijheid, kan er ruimte ontstaan om het leven te aanvaarden, zelfs wanneer het zwaar, pijnlijk of onzeker is. Pro-life betekent hier allereerst: aanwezig zijn, bevestigen, dragen. Het is de overtuiging dat geen enkel leven een vergissing is, omdat elk leven gewild en geliefd is door God.


Maurice Zundel: leven is mysterie, geen maakbaar object

Maurice Zundel verdiept deze visie vanuit een theologisch perspectief dat diep geworteld is in het christelijk geloof. Voor hem is de mens geen probleem dat opgelost moet worden, maar een mysterie dat zich slechts ontsluit in relatie en vrijheid. Het leven laat zich niet herleiden tot biologische parameters, sociale haalbaarheid of persoonlijke wenselijkheid.

Zundel doorziet scherp het gevaar van een cultuur waarin de mens zichzelf tot maatstaf maakt. Wanneer autonomie wordt losgemaakt van het besef dat het leven ons is toevertrouwd — of, gelovig gesproken, door God gegeven — verwordt vrijheid tot macht en wordt het leven onderhandelbaar. Dan beslist de sterkere, cultureel, economisch of emotioneel, over het bestaansrecht van de zwakkere.

In dit licht krijgt pro-life bij Zundel een diepe geestelijke betekenis. Het is geen ideologische stellingname, maar een houding van eerbied. Het leven vraagt erom aanvaard te worden, niet om beheerst of geselecteerd te worden. Elk leven verwijst naar zijn Oorsprong, die ons overstijgt. In elk mens weerspiegelt zich iets van Gods liefdevolle scheppingswil. Daarom verdient elk leven onvoorwaardelijk respect, niet omdat het perfect is, maar juist omdat het gegeven is.


Viktor Frankl: ook lijdend leven blijft zinvol

Viktor Frankl confronteert ons met een waarheid die haaks staat op veel hedendaags denken: zinloos lijden bestaat, maar zinloos leven niet. Zelfs onder de meest extreme omstandigheden behoudt de mens een innerlijke vrijheid om zich tot zijn bestaan te verhouden. Die vrijheid kan niemand hem afnemen.

Dit inzicht is van groot belang in een cultuur waarin lijden vaak wordt aangevoerd als argument tegen het leven zelf. Frankl verzet zich krachtig tegen die redenering. Het antwoord op lijden is niet de ontkenning van het leven, maar het zoeken naar zin, verbondenheid en verantwoordelijkheid – vaak samen met anderen.

Pro-life betekent in Frankls visie: het leven ernstig nemen, juist wanneer het kwetsbaar, afhankelijk of onvolmaakt is. Niet de afwezigheid van lijden maakt het leven waardevol, maar de mogelijkheid om, zelfs in lijden, verbonden te blijven met betekenis, liefde en trouw. Ook een lijdend leven blijft opgenomen in Gods liefde en roeping.


Convergentie: leven als gave, relatie en verantwoordelijkheid

Hoewel Terruwe, Zundel en Frankl vanuit verschillende disciplines spreken – psychiatrie, theologie en existentiële psychologie – convergeren zij in één fundamenteel inzicht: leven wordt pas werkelijk menselijk waar het niet wordt gereduceerd tot functie, keuze of nut.

  • Terruwe benadrukt bevestiging: de mens leeft van erkenning
  • Zundel benadrukt aanvaarding van de door God gegevenheid van het leven
  • Frankl benadrukt verantwoordelijkheid en zin

Samen openen zij een pro-life visie die dieper gaat dan ethische regelgeving. Zij nodigen uit tot een cultuur waarin het leven wordt beschermd door nabijheid, gedragen door solidariteit en verstaan als roeping. Een cultuur die weerspiegelt wie God is: een God die niet selecteert, maar roept; niet afwijst, maar draagt.


Slotbeschouwing

De bescherming van het leven vraagt vandaag meer dan heldere standpunten. Zij vraagt om een hernieuwde antropologie: een mensvisie die ruimte laat voor kwetsbaarheid, afhankelijkheid en groei. Terruwe, Zundel en Frankl reiken geen eenvoudige oplossingen aan, maar wijzen een richting: weg van beheersing en selectie, naar eerbied, bevestiging en zin.

In een tijd waarin leven steeds vaker ter discussie staat, herinneren zij ons aan een diepe geloofswaarheid: het leven zelf is nooit het probleem. Het is altijd het uitgangspunt – omdat elk mens, zonder uitzondering, door God gewild en geliefd is.

Pastoor Geudens

Smakt, 14 januari 2026