Mysterie van God

Standaard

1.Langs welke wegen kunnen wij God leren kennen?
2.Wat openbaart God over Zichzelf?
3.Wat betekent God is Liefde in zichzelf en naar buiten toe?

1. Langs welke wegen kunnen wij God leren kennen?

Wanneer wij in de viering van de Eucharistie ons geloof belijden in de Drieëne God, Vader, Zoon en heilige Geest, dan is dat een gebed van enorme diepte, die wij alleen “mysterie” kunnen noemen. Maar vooral door de namen Vader en Zoon wordt duidelijk, dat God persoon is of anders: dat Hij een persoonlijke God is, die ook de mens als persoon geschapen heeft, om met Hem in relatie te treden. Opdat dit mogelijk wordt, heeft Hij zich geopenbaard aan de mens, die als Zijn schepsel in een zo veel lagere dimensie bestaat, dat hij vanuit zichzelf niet met God in contact zou kunnen treden. De reden hiervoor is de zondeval, maar al daarvoor heeft God zich geopenbaard in de schepping, zoals Paulus in zijn brief aan de Romeinen (1,20) uitlegt: “Van de schepping der wereld af wordt Zijn onzichtbaar wezen (…) in Zijn werken aanschouwd”. Op grond van dit bijbels woord heeft het eerste Vaticaans Concilie de “natuurlijke Godskennis” als geloofswaarheid gedefinieerd, namelijk dat “God met het menselijke verstand vanuit de geschapen dingen zeker gekend kan worden”. Hij is dus zichtbaar in de natuur en haar wetten, maar omdat Hij zich hierin verborgen heeft, is Hij toch onvergelijkbaar groter dan wat er zichtbaar is. Hij heeft een diepergaande bedoeling: Hij wil Zichzelf openbaren, d.w.z. Zijn wezen. Want Hij wil met Zijn schepsel de mens in communicatie treden. Zo heeft Hij tegen Mozes gezegd, dat Zijn naam “Jahwe” is, wat betekent: “IK BEN, DIE ER IS”. Hij is dus wel aanwezig, maar toch kan de mens Hem niet zien, zonder te sterven (Ex.33,20). Hij heeft dus een gedachte over de schepping, die weliswaar in Hemzelf blijft en de mens niet bereikt. Zijn wijsheid is er in, maar de personele verbondenheid moet nog tot stand gebracht worden. En dit is gebeurd in en door Zijn eigen Zoon Jezus Christus. Hij is de enige brug over de onoverwinnelijke kloof tussen God en mens. Want: “Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, Hij heeft Hem doen kennen.” (Joh.1,18) En Hij wil gekend zijn, want Hij “is Liefde”, zoals de heilige Johannes in zijn brieven uitlegt. Hij verlangt ernaar om Zich te openbaren, om Zichzelf weg te kunnen schenken – want dat is het wezen van de liefde. God geeft geen informatie- en instructiemodel aan, maar openbaart Zijn eigen wezen, WIE Hij is en HOE Hij is. Daarmee verbonden deelt Hij ook Zijn bedoeling mee, d.w.z. Zijn heilsplan, dat erin bestaat (heel algemeen samenvattend), de mens te bevrijden opdat hij Zijn vriend kan zijn.

Langs deze twee wegen kunnen wij God dus leren kennen: (1) via de schepping en (2) via Zijn Zoon Jezus Christus. Tussen deze twee bestaat een zeer groot verschil, want de schepping is zo te zeggen datgene wat uit de hand van God voortkomt, wat Hij bedacht en “gemaakt” heeft. Zo draagt heel de schepping natuurlijk Zijn karaktertrekken, Zijn “handschrift”. Maar dat is Hij nog niet Zelf. Het hoogtepunt van de goddelijke zelfopenbaring is Zijn Zoon, in wie Hij Zelf is gekomen! Jezus Christus, dat is de mensgeworden God, de schepsel-geworden Schepper.

Deze act van God toont al wie Hij is: de liefde, die zichzelf vernedert tot het uiterste, om zich helemaal weg te kunnen schenken. En zo is niet alleen al datgene wat Jezus over en vanuit de Vader heeft gezegd en gedaan een openbaring van God, maar het leven van Christus in zijn geheel: in wijze en afloop. De voltooiing van de zelfopenbaring van God bestaat uiteindelijk in de voltrekking van het Paasmysterie van Christus: Zijn verlossend lijden, dood, verrijzenis en de zending van Zijn Geest voor alle mensen. Hier heeft God zich “uitgesproken”, meer dan geopenbaard: Hij heeft Zijn hart “blootgelegd” en weggeschonken.

God is dus “authentiek”: zoals Hij Zich openbaart, zo is Hij ook. Want: “Hij kan zichzelf niet verloochenen” (H.Paulus). Door Zijn zichzelf-meedelende en openbarende beweging toont Hij Zijn liefdevol wezen, dat de waarheid gekend wil laten zijn. Ook toont Hij daarmee Zijn verlangen naar gemeenschap met de mens. Hoe Hij zich die voorstelt, maakt Hij ook duidelijk, want Hij openbaart Zich als Vader en dat ook meteen, wanneer Hij Zijn plan van heil voor alle mensen door de komst van Zijn Zoon ontvouwt en voltrekt. Wanneer Hij Zich openbaart als de Schepper, wordt Hij ook meteen zodanig actief, indien Hij door de verlossing de nieuwe schepping voortbrengt. En als Hij Zich toont als de “goede Herder”, handelt Hij ook zo in Zijn Zoon Jezus, die “de zieken geneest, de gevangenen bevrijdt en de verdwaalden terugroept”. In Hem heeft dus een “voltooiing van Zijn spreken” plaatsgevonden, omdat Hij het “vleesgeworden Woord” (Joh.1) van God is. Dat betekent dat geen verdere openbaring meer kan volgen, maar alles wat er nog op volgt, nadere uitleg van het reeds geopenbaarde is en nooit een toevoeging.

2. Wat openbaart God over Zichzelf?

Door Zijn gelijkenissen, daden en vooral Zijn leven zelf heeft Jezus God als de Vader bekend gemaakt. “Vader”, dat betekent op de eerste plaats diegene, van wie alle leven voortkomt, d.w.z. die tot leven verwekt en dit doet groeien. In Jezus’ tijd bestond in Israël het zuivere “Jahwe-geloof’, waarin God als “de Enige” vereerd werd. Dit geloof leefde in Israël sinds de tijd van de aartsvaders tegenover de veelgodencultus van de andere volken, toen het nog als nomadenvolk rondtrok. Maar er waren ook andere volken met een geloof in een enige God, weliswaar op basis van de gemeenschappelijke menselijke natuur, terwijl de aartsvaders zich als uitverkoren en geroepen wisten door Jahwe. Jezus echter gaat nog verder en spreekt van een liefdevolle Vader, die niet alleen leidsman (uit Egypte) en gezagvolle autoriteit is, die opvoedt, maar ook een barmhartige Vader, die schuld vergeeft en bemint met een moederlijke tederheid. Die niet alleen de grond en de zin is van alles wat bestaat (Gen.), maar die zichzelf oneindig vernedert en in de “Mensenzoon” zich openbaart als een “God van mensen”. Hij toont zich niet alleen als de Heilige en volkomen Rechtvaardige (Hos.II,9), maar ook als het offerlam, dat alle onrecht en zonde zelf uitboet. God is wel ver verwijderd van deze wereld met haar zonden en Diegene, die hoogverheven in ontoegankelijk licht leeft, maar ook de Vader, die zijn kinderen nabij wil zijn als de Immanuël, de “God-met-ons”, Hij is de almachtige God, die boven alle vergelijkbaarheid uitgaat, maar die ook “welwillend neerziet op de kleinen” (vgl. Lk.1,48) en die bijzonder de armen bemint, want “aan hen behoort het Rijk der hemelen” (Mt.5,3). Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk in het feit, dat Jezus’ eerste leerlingen vissers waren, heel eenvoudige mensen zonder maatschappelijke posities. In Zijn eigen gebed tot de Vader drukt Hij het ook uit: “Ik prijs U Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen.” (Lk.10,21) Het beeld van de wijngaardenier spreekt nog uitvoeriger (Joh.15): hij verzorgt zijn wijngaard, beschermt hem door een omheining, bewaakt hem (toren), geeft water en mest, laat de zon over hem schijnen, spit de grond om en snoeit de takken om uiteindelijk de vruchten te oogsten, want Hij is de eigenaar, die ooit ook iets terugverwacht. Jezus getuigt ervan dat de Vader “groter is” dan Hijzelf en dat Hij daarom in volledige afhankelijkheid van Hem leeft (“Ik doe niets uit mijzelf’). Meerdere keren openbaart hij Hem als de Levende, die het leven wil, doordat Hij bijvoorbeeld doden opwekt zoals de dochter van Jaïrus of de jonge man van Naïn. Dat God zelfs eeuwig leven schenkt toont Hij o.a. op de berg Tabor, waar al eeuwenlang overleden mannen, namelijk Mozes en Elia, verschijnen en met Jezus spreken. Maar het meest indrukwekkende getuigenis is natuurlijk Jezus’ opwekking uit de dood. Hiermee nodigt Hij uit, om zich aan Hem toe te vertrouwen, want “Hij wil Zijn Geest schenken aan wie Hem erom vragen en Hem gehoorzamen”. Hij is wel groot, maar “ziet in het verborgene” en wil graag ieders bede “vergelden”, d.w.z. beantwoorden. Hij heeft alles geschapen, kwam ook nog zelf “in het Zijne” (Joh.1), maar liet toch aan zijn schepselen de vrije keuze over, of zij Hem wilden aanvaarden of niet. Aan diegenen, die wel willen, “gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden” door een nieuwe, bovennatuurlijke geboorte “uit water en geest”, dus “uit God” (Jezus in gesprek met Nicodemus, Joh.3).

Aan het kruis laat Jezus dan Zijn onophoudelijk vertrouwen in de Vader zien, waar Hij Hem aanroept in zijn uiterste verlatenheid. Hierdoor voltooit Hij zijn verkondiging en zending, door het verbond tussen God en Zijn volk in Zijn eigen Bloed te bezegelen. Want dat is de uiteindelijke bedoeling van deze God, die zich als Vader openbaart, die leeft en intens begaan is met de ellende van de mensen. Die hun roepen hoort, hun bevrijdt en een nieuwe toekomst schenkt in verbondenheid met Hemzelf. Terwijl echter het eerste Verbond; het “Oude Verbond” zo te zeggen mislukt bleek vanwege de grote zwakheid en ongehoorzaamheid van het volk, was God zelf nog niet aan het einde van Zijn geduld gekomen, maar openbaarde in Zijn eigen Zoon een nog grotere liefde en trouw dan ooit. Zij gaat zelfs nog verder dan die van een moeder voor haar zuigeling (Jes. 49,15). De almacht van deze liefde wordt uiteindelijk geopenbaard in de verrijzenis van Christus uit de dood: Zij is zo sterk dat zelfs de dood haar niet kan vasthouden, Zij overwint alles. En nog steeds gaat God verder, want Hij wil deze kracht niet alleen laten zien tot Zijn genoegen, maar zelfs schenken aan die mensen die in Hem geloven en Hem erom vragen: dat is de gave van Zijn heilige Geest, het eerst met Pinksteren gegeven (Handelingen van de apostelen), zoals Jezus voor Zijn terugkeer naar de Vader reeds had aangekondigd (Joh. 14 en 16; Hand.1,4 v.).

Hij is dus zowel “transcendent”, d.w.z. “bovenwereldlijk”, boven alles wereldlijke en alle voorstellingsmogelijkheden van de mens uitgaand, alsook “boventijdelijk”, dus eeuwig, maar, zoals al aangeduid, is Hij ook “immanent”, wat betekent, dat Hij “binnenkomt” in die wereld, die Hij geschapen heeft en die Hij onuitsprekelijk overstijgt. Zo moet dus de afstand van God en Zijn nabijheid tezamen beschouwd worden als Zijn ondoorgrondelijk mysterie. Dit is alleen mogelijk door Zijn Geest, die “de diepten van God doorgrondt” en tegelijk tegenover al het andere staat. Hijzelf heeft die Geest gegeven en blijft Hem opnieuw geven (Hand.4,31), want Hij wil aanbeden worden “in geest en waarheid” (Joh.4,23).

Dit alles samenvattend toont God Zich aldus als de Levende, die spreekt en aanspreekbaar is, die aangeroepen wil worden door Zijn schepselen en die hen van Zijn kant roept, “om bij Hem te zijn”. Wanneer wij ons geloof belijden “in God, de almachtige Vader”, mogen wij Hem dus niet in onze zeer beperkte menselijke voorstellingen persen, maar moeten wij ons mee laten nemen in Zijn eigen openbaring, die Hij ook nog heden ten dage graag wil schenken aan eenieder, die bereid is, zijn hart voor Hem te openen.

Het personaliteitsbegrip van God, dat enkel in het christendom te vinden is, doet helemaal geen afbreuk aan Zijn onbegrensdheid, maar is Hij integendeel veel meer omvattend dan het individualiteitsbegrip. Want door Zijn Persoon-zijn is God een tegenover voor de mens, dat Hem aanvaardt en door Zijn vriendschap en Liefde in staat stelt tot wederliefde. Het persoonlijke wezen van God is de diepste grondslag voor de waardigheid van de mens. Het betekent wel ook confrontatie en bekering omdat er niet zoals in andere religies een vlucht in “iets” mogelijk is, maar juist daardoor maakt deze mensgeworden God als het ware de mens-wording voor de mens pas echt mogelijk. Op die wijze kan de door God beminde mens ook weer beminnen, en wel God en zijn medemens, zodat door de liefde van God, de Vader van alle mensen, allen tot broeders en zusters van elkaar worden.

Dit gebeurt natuurlijk niet vanzelf, maar er is iets gebeurd vanuit God zelf, namelijk – zoals eerder gezegd – dat God Zijn eigen Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat “ieder die in Hem gelooft, eeuwig leven zal bezitten” (Joh.3), wat betekent juist in deze persoonlijke verhouding met God te leven. Mogelijk is dit enkel door Jezus Christus, omdat Hij de “pre-existente Zoon van God” is, die in een unieke en onvergelijkbare verhouding tot God staat, geheel anders als wij mensen, ook wanneer wij ons als “kinderen van God” verstaan. Daardoor kon Hij op unieke wijze over en vanuit God spreken met een ongekende soevereiniteit (“nooit heeft iemand zo gesproken”). Jezus was zich van Zijn unieke zoonverhouding tot de Vader helemaal bewust, want Hij drukt dit feit uit in het onderscheid tussen “Mijn Vader en uw Vader” (Joh.20,17). Hij stelt zich dus niet op hetzelfde niveau als zijn leerlingen en legt ook verder het verschil uit, wanneer Hij over Zichzelf spreekt als “meer dan Jona” (=symbool voor het profetendom, omdat hij een heel complete stad levend in afschuwelijke zonde tot bekering heeft gebracht) en “meer dan Salomo” (=symbool voor de onovertreffelijke wijsheid van God en zoon van de grote koning David, aan wie God het eeuwige koningschap heeft beloofd als vooruitwijzing naar Jezus). In Mt.11,27 spreekt Jezus dan heel duidelijk van een uitsluitende uniciteit in de onderlinge kennis tussen Vader en Zoon, die enkel door openbaring vanuit Hem meegedeeld kan worden. Dit ligt helemaal in de vrije wil van God. Maar dat wil Hij ook, want meteen na deze uitspraak roept Jezus de mensen tot Zich (“Komt allen tot Mij!”). In Joh.14 beschrijft Hij zich zo te zeggen als de “icoon van de Vader”, die de verhouding tussen de Vader en de Zoon als het eeuwige wezen van God schildert, want: “Wie Mij ziet, ziet de Vader” – en ook: “Ik en de Vader, Wij zijn één” (Joh.10,30). In Joh.17 bidt Jezus de Vader om “de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld bestond”, wat kennelijk Zijn “pre-existentie” uitdrukt (ook: Fil.2,6). Want “alles is door Hem geworden” (Joh. 1,3), die het “oerbeeld van de schepping” is, omdat Hij existeerde voor alle schepping.

Vanuit een ketterij rond 320, veroorzaakt door een zekere Anus, die Jezus “aan God ondergeschikt en niet met Hem gelijk” noemde, maar die door de H. Athanasius bestreden werd, werd op het concilie van Nicea in 325 de “plechtige geloofsbelijdenis” vastgelegd, die wij tot heden bidden. Hierin wordt onmisverstaanbaar geformuleerd, dat Jezus de “eniggeboren Zoon van God, voor alle tijden geboren uit de Vader” is. De Vader is dus Zijn oorsprong en bron, uit Wie Hij zichzelf als Zoon ontvangt met hetzelfde goddelijk wezen, en aan Wie Hij zich vol liefde terugschenkt. Hun relatie is dus “substantieel” tegenover de “accidentialiteit” van de menselijke relaties. Jezus is geboren, zonder begin in de tijd zoals de schepselen, maar in het “eeuwige nu van de eeuwigheid Gods”. Daardoor kon Hij Zijn voortdurend ontvangen van en terugschenken aan de Vader ook in Zijn menselijk bestaan tot het einde toe voltooien, waar Hij zelfs op het kruis, in de totale verlatenheid God, Zijn Vader aanroept (“Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”) en zo de brug slaat, waardoor de onverbrekelijke liefde-stroom naar de wereld toe kan stromen. En in deze liefdestroom binnen de heilige Triniteit is de mens opgenomen door de heilige Geest. Want God heeft Zich geopenbaard als een “God van mensen”, die Hij van eeuwigheid tot deelname aan Zijn liefde heeft bestemd. Door de bemiddeling van Zijn Zoon komt de heilige Geest voort uit de Vader (Joh.14,16+17). In het Grieks wordt Hij genoemd de “Parakleetos”, wat zoveel betekent als de “Erbij-geroepene”. Hij moet dus aangeroepen worden, om ons mensen op te kunnen nemen in Zijn genadestroom. Want Hij is de liefdesband tussen de Vader en de Zoon en maakt zo te zeggen Hun liefde vruchtbaar, ook naar buiten toe. Hij maakt die Twee tot een “Wij”: in een zeer klein beeldje gesproken gelijk een familie van ouders met hun kind.

De heilige Geest komt door de bemiddeling van de Zoon naar de wereld toe, omdat Hij van tevoren al de Zoon als mens in de wereld heeft doen komen. Want door de heilige Geest is Christus mens geworden in de maagd Maria (Lk. 1,35). Dit is het allergrootste en meest bewonderenswaardige werk van de heilige Geest, Die het mogelijk heeft gemaakt dat de eeuwige Zoon van God een schepsel kon worden. Vroeger, in het Oude Testament, was de vaardigheid van de goddelijke Geest alleen over enkele uitverkoren mensen betuigd, zoals over Mozes, zeventig van diens oudsten, de profeten Elia, Elisa, Ezechiël enz. Zo wordt de Geest hier ervaren als een wind, lucht, storm of adem (“ruach”), als een teken van leven. De profeet Joël kondigt tegen het einde van het Oude Testament (in 3,1-2) de grote vernieuwing door de algemene uitstorting van de heilige Geest aan, wat ook inderdaad in en door Jezus Christus gebeurd is, Die de “met de Geest Gezalfde” is (Lk. 4,18). De “zalving” met de heilige Geest betekent dat Jezus van Hem vervuld was. Zijn optreden werd daarom begeleid door wonderen en tekenen. Na het voltrekken van het Paasmysterie werd Jezus dan zelfs de bron van de Geest van God (Joh. 4,14). Door het doopsel wordt de mens met deze bron verbonden en zo zelf ook, vervult van de heilige Geest, een kind van God de Vader (Rom. 8,14/ Gal. 4,6). Dit gebeurt door de her-scheppende kracht van de heilige Geest, die de eindtijdelijke verandering van mens en wereld in het nieuwe leven bewerkt. Hij herinnert dus niet alleen aan alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft, maar “voert ons ook binnen in de hele waarheid” (Joh. 14,26/ 16,13 v.). In Hem is Christus blijvend aanwezig in de Kerk en in de wereld (2. Kor.3,17), omdat Hij de “Geest van Jezus Christus” is (Rom. 8,9/ Fil.1,19). Hij is de derde Persoon binnen de heilige Drie-eenheid, tegelijk gave en Gever, die “uitdeelt zoals Hij wil” (1. Kor.12,11). Hij spreekt en bidt in ons (Ro. 8,26) en men kan Hem bedroeven (Ef. 4,30). Door Hem ontvangen wij gemeenschap met God! Want met Pinksteren is Hij neergedaald over de hele Kerk, in de harten van alle gelovige christenen, om ook hen tot getuigen en zelfgave te maken, wat zonder Hem gewoonweg onmogelijk is. Dit is duidelijk te zien aan de apostelen, die “uit vrees voor de Joden de deuren van hun verblijfplaats gesloten hadden” (Hand.) en die na de komst van de heilige Geest tot moedige verkondigers van “Gods grote daden” werden, ja zelfs tot martelaren werden. Want de heilige Geest doet ons her-ademen door de verlossende liefde van Christus en doet ons in een relatie van kindschap tot God roepen: “Abba, Vader!” (Rom. 8,15) Van daaruit doet Hij ons ook Christus belijden als Heer (1. Kor. 12,3). Aan de christen schenkt Hij zowel gaven (1. Kor.12) alsook vruchten (Gal. 5,22).

De godheid van de heilige Geest werd op het concilie van Constantinopel in 381 plechtig gedefinieerd en in het Credo vastgelegd, dat wij tot heden bidden.

3. Wat betekent God is Liefde in zichzelf en naar buiten toe?

De heilige apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief: “God is liefde.” Dat betekent, dat Hij in zichzelf liefde is. Het is Zijn wezen. Want Hij heeft zichzelf door en in Jezus Christus geopenbaard als Drieëne God, Vader, Zoon en heilige Geest, als bijvoorbeeld Jezus zijn leerlingen oproept, om alle mensen in deze naam te dopen (Mt. 28,19). In de tweede brief aan de Korintiërs formuleert Paulus zijn groet aan de gemeente evenzo met de naam van de Drieëne God (2. Kor. 13,13). Deze groet wordt ook nu in onze tijd aan het begin van de eucharistieviering gericht aan de gelovigen, die bij elkaar zijn gekomen. Ook zegenen wij onszelf met het kruisteken en worden wij door de priester gezegend in deze naam, verbonden met het kruisteken. Omdat Hij dus Liefde is, is het voor God vanzelfsprekend dat Hij een Gemeenschap is, en wel een van drie Personen. Hij bestaat dus enkel in relatie tot elkaar, zich aan elkaar in een ononderbroken stroom van liefde wegschenkend. Zijn liefdevolle relatie bestaat op zichzelf, is dus subsistent, maar evenzo naar buiten toe gericht; vanuit Zijn immanente liefde heeft Hij de schepping voortgebracht. De “heilseconomie” van Zijn trinitaire liefde openbaarde zich dan in de verlossingsdaad van Christus, waarin Hij het heil vanuit Zijn liefde toont én voltrekt, en wel naar de mens en de hele schepping toe.

De relaties tussen de Vader, Zoon en heilige Geest kunnen ook “substantieel” genoemd worden, omdat zij “persoonsvormend” zijn, wat betekent, dat de Vader door de “geboorte” van Zijn Zoon zo te zeggen pas Vader wordt. De Zoon is alleen in verhouding met de Vader Zoon. Maar Jezus heeft hier een bijzondere plaats terwijl bij het nadenken en spreken over God in ieder geval altijd bewust moet zijn, dat alle formuleringen oneindig gebrekkig zijn tegenover de waarheid die zij pogen te beschrijven. Dit zal dan ook enkel daartoe dienen, om de grote liefde van God, waarom het hier voortdurend gaat, bekend te maken, omdat bij Hem van twee geboortes gesproken kan worden; de eerste uit God-Vader “van eeuwigheid” als “Zoon van God”; de tweede uit Maria als “Mensenzoon” in de tijd. Ook zijn er twee ‘voort-komsten’ binnen de Drie-eenheid, namelijk die van de Zoon uit de Vader en die van de heilige Geest uit de Vader en de Zoon samen. Dezen zetten zich voort in twee zendingen: ten eerste in de zending van de Zoon vanuit de Vader naar de wereld toe als de Redder en Verlosser waarna Deze bij het terugkeren naar de Vader de zending van de heilige Geest in de harten van de mensen bemiddelt. Deze tweede zending heeft de bedoeling om de verloren mens niet alleen te redden, maar ook dezelfde zelfontlediging (kinosis) als bij de goddelijke Zoon te bewerken, waartoe hij anders niet in staat zou zijn. Zo wordt hij in die liefdesstroom van de Drieëne God opgenomen en bekwaam om zelf ook te beminnen. Dit is dan ook uiteindelijk het diepste verlangen van elke mens: bemind te worden en te beminnen. God, die leven en liefde is, kan dit dus ook voor ons zijn en zo de bron van alle liefde zijn. Nu ligt het alleen nog aan de mens zelf, dat hij naar deze bron toe gaat en daaruit put.

Zo is het belijden van ons geloof dan zowel een samenvatting ervan, maar ook een antwoord erop natuurlijk op basis van de waarachtigheid in het alledaagse leven.

door M.G.