Pater Daniel: God als oorsprong en einddoel

Standaard

Nieuwsbrief XVI.28, 9 juli 2021

Goede Vrienden

Vanuit een religieus oerinstinct hebben  mensen altijd gezocht naar hun oorsprong en einddoel, hun diepste identiteit met het pantheïsme (alles is God) of het dualisme of manicheïsme ( goed en kwaad zijn  de twee eeuwige beginselen) en in de moderne tijd met het materialisme (alles is louter materie). De joods-christelijke openbaring onthult op onovertroffen wijze: “En God schiep de mens (adam) als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen (Genesis 1, 27). Dit is als een bazuinstoot die  een hele symfonie in zich draagt.

De oorsprong, het einddoel en de waardigheid van de mens liggen in het feit dat God ons naar “zijn beeld” geschapen heeft. Dit geldt voor heel de mens. Al zijn hoofd en hart voor de lichamelijke gezondheid belangrijker dan onze voeten, de waardigheid van het “beeld Gods”  kan niet herleid worden tot een bepaald orgaan maar omvat heel ons wezen. We zijn helemaal “beeld Gods”. En dit geldt op gelijke wijze voor alle mensen. Al worden koningen, ministers en grote geleerden in de maatschappij belangrijker geacht dan anderen, toch  bezit de  armste, ongeletterde, zieke  burger dezelfde menselijke waardigheid  als zij.

Dit betekent ook dat al de rest aan deze menselijke waardigheid niets kan bijdragen of verminderen.  God heeft ons bij de schepping een goddelijk stempel meegegeven waardoor we voor altijd zijn beeld zijn. Gezondheid, rijkdom, bezit, eer, macht… vermeerderen in  niets deze menselijke waardigheid. Bijgevolg kunnen ziekte, lijden, armoede, oneer ook niets van onze ware grootheid wegnemen. Een mens die lichamelijk én psychisch totaal afgetakeld is of door iedereen verworpen en uitgejouwd wordt, blijft de volle heerlijkheid van het beeld Gods  in zich bewaren en dus ook de gehele menselijke waardigheid. Zelfs de grootste zonden kunnen wel het beeld Gods in ons bezoedelen maar niet vernietigen. God blijft zijn schepping trouw. Vanaf het moment van onze schepping, nl. vanaf de ontvangenis, wanneer 23 chromosomen van vader en 23 chromosomen van moeder zich met elkaar verenigen, zijn we Gods beeld. Prof. J. Lejeune (+ 1994) kon een eindeloze lofzang aanheffen op deze eerste cel, minuscuul klein als het puntje van een speld. Zelfs vijf encyclopedieën zijn volgens hem niet in staat  alle informatie, hierin vervat, uit te schrijven. Vanaf dat moment zijn we beeld Gods en dat blijven we over de dood heen, voor eeuwig. Ons bestaan heeft een historisch bepaald begin maar geen einde. Daarom spreken we niet van een louter biologisch proces maar van een ”conceptie”, dat het mysterie van het geestelijk gebeuren uitdrukt. De moderne genetica leert ons dat vanaf dat moment alles aanwezig is, er  komt niets wezenlijks meer bij: de lichamelijke eigenschappen, de kleur van de haren, van de ogen… Er is alleen nog bescherming, voeding en tijd nodig om alles tot volle ontwikkeling te laten uitgroeien.

Als mens zijn we een twee-eenheid van lichaam en ziel, een belichaamde ziel of een bezield lichaam. We wijzen een bepaald Platonisch dualisme af waarbij het lichamelijke, het materiele  beschouwd wordt als slecht en de ziel als geestelijk en uitsluitend goed. Een uitloper hiervan treffen we soms nog aan in het gebruik van de woorden als “zielenheil”, “zielenherder” of in de vraag “”hoeveel zielen” een parochie telt, alsof de lichamen niet mee tellen. Bovendien zal Jezus ons duidelijk maken dat het kwaad zoals hoogmoed en afgunst eigenlijk juist vanuit onze geestelijke vermogens voortkomen (Mattheus 15, 11.19). De echte tegenstelling tussen goed en kwaad ligt  in het feit dat heel de mens, lichaam én ziel, geleid wordt door de geest van deze wereld of door de heilige Geest. Dat is de oproep om  over te gaan van de “oude” naar de “nieuwe” mens.

Dit komt overeen met de visie van de heilige Paulus als een eenheid in een drie-eenheid: “Heel uw wezen, geest, ziel en lichaam, moge ongerept bewaard blijven bij de komst van onze Heer Jezus Christus” (1 Thessalonicenzen 5, 23).  In de ziel onderscheiden we onze gedachten, gevoelens, herinneringen, emoties, onze wil, kortom dat kostbare heiligdom dat we geweten noemen, waardoor wij goed en kwaad kunnen  onderscheiden. Toch is er in de ziel nog een soort innerlijke kern waarin alleen God woont. Het is als het ware het “puntje van de ziel”, de “landingsplaats van de heilige Geest”, de geest, onderscheiden maar niet gescheiden van de ziel. Het is ons “heilige der heiligen”, onaantastbaar, onverwoestbaar als “inwoning Gods”, “de afglans van het eeuwig licht, de onbeslagen spiegel van Gods werkzaamheid en het beeld van zijn goedheid” (Wijsheid 7, 26). Naargelang men de Latijnse of Griekse woorden gebruikt, spreken we van “corpus” (lichaam), “anima” (ziel), “animus” (geest) of van “sôma” (lichaam), “psychè” (ziel), “pneuma” (geest). (Pneuma betekende in  de christelijke oudheid de creatieve kracht van de heilige Geest. Wij hebben dit woord in de auto-industrie gedumpt en gereduceerd tot luchtdruk voor “pneumatische systemen”). Zo verstaan we hoe mensen louter in hun geest door God kunnen geraakt worden. André Froissard (+ 1995), zoon van de stichter van de Communistische Partij in Frankrijk, heeft als agnost nooit enige religieuze opvoeding gekend. ”Per ongeluk” gaat hij in Parijs een openstaande deur binnen en komt in een kapel waar zusters het uitgestelde allerheiligste Sacrament aanbidden. Twee minuten daarna staat hij weer op straat en zegt: “Ik ben gelovig, ik ben katholiek”. Later  schrijft hij zijn verbluffend getuigenis: “God bestaat, ik heb Hem ontmoet”!

Ontdekken en aanvaarden dat wij samen met alle mensen van goddelijke adel zijn, een heiligdom van de onverwoestbare “inwoning Gods”, dat is onze eerste stap.  Grote heiligen hebben deze goddelijke werkelijkheid vanuit hun eigen ervaring beschreven. Origines (+ 253/4) spreekt van een “dynamisch élan”. De heilige Basilius de Grote (+ 379) spreekt van “een goddelijke kiem”. De heilige Teresia van Avila (+ 1582) onderscheidt zeven ruimtes en de diepste kern in ons noemt zij de “innerlijke burcht”.

Sommigen zoeken in onze tijd naar het “onbewuste” of “onderbewuste” om  bv.  verdrongen seksuele verlangens op te sporen. De drang naar seksualiteit, naar macht, naar bevestiging … zijn inderdaad wezenlijke krachten.  Zij zijn echter niet ons diepste onderbewuste, doch slechts tussenstadia. Onze drang naar  God, die ons naar zijn beeld schiep is de diepste drang in ieder mens (wat in een volgende stap verder wordt uitgelegd).  Weet of geloof je dit niet, dan is dit je diepste onbewuste. Viktor Frankl (+1997) overleefde het concentratiekamp. Daar leerde hij dat er in de mens een veel diepere kracht schuilt dan hij van S. Freud (+ 1939) leerde. Hij stichtte  de “logotherapie”, een therapie om “de zin van het leven” te helpen ontdekken, in plaats van de zin van een therapie op te dringen. Hij heeft sindsdien menige “freudiaanse illusie” ontmaskerd en beweert terecht dat de  “dieptepsychologie” vooral hoogte nodig heeft!