We overwegen het lijdensverhaal van Jezus

Standaard

Door pater Daniel, nieuwsbrief XVII.15+16, 8 april 2022

In de aanloop naar de Goede Week overwegen we het lijdensverhaal van Jezus.

Volgens René Girard heeft Jezus Christus, door het geweld ten einde toe te ondergaan en hieraan zelf op geen enkele wijze deel te nemen, de structuur van iedere menselijke godsdienst ontworteld (Des choses cachées… blz. 201). Alle beschavingen zijn als een godsdienst met een ‘sacraal offer’, nl. de uitschakeling van de schuldige van het kwaad. En dit wordt gezien als een heilige plicht. De ‘hogepriester’/het gezag neemt hiertoe de beslissing (‘decisie’ van het Latijnse ‘decidere’, van “caedere” = snijden, de hals oversnijden). En de Evangeliën laten geen greintje van deze heidense ‘sacraliteit’ noch van enige goedkeuring van geweld over. Geweld en moord zijn het werk van mensen en hun slechte begeerten. Het heeft niets van een “heilige plicht”. Velen begrijpen deze boodschap niet: “In plaats van de mythen te lezen in het licht van de Evangeliën, heeft men steeds de Evangeliën gelezen in het licht van de mythen” (a.w. blz.  202).

De religieuze leiders zijn jaloers op de grote populariteit van Jezus en “zochten hoe ze Hem uit de weg zouden ruimen” (Lucas 22, 2). Met de hulp van Judas wordt Hij als een gevaarlijke misdadiger aangehouden terwijl hij met zijn leerlingen aan het bidden is in de hof van Olijven. Jezus zegt: “Als tegen een rover zijn jullie uitgegaan…; dagelijks zat Ik in de tempel terwijl Ik leerde en je hebt Mij niet gegrepen” (Mattheüs 26, 55).  Jezus wordt naar het sanhedrin gebracht, het hoogste, joodse, religieuze gerechtshof. De hogepriesters “zochten een vals getuigenis tegen Jezus opdat ze Hem ter dood konden brengen, maar ze vonden er geen, hoewel veel valse getuigen genaderd waren” (Mattheus 26, 59-60). Jezus doet geen enkele moeite om zich te verdedigen of om deze valse getuigenissen te weerleggen. Op de vraag echter of Hij de Christus is, de Zoon van God, getuigt Hij ondubbelzinnig, al leidt het naar zijn veroordeling: “Ik ben het” (Marcus 14, 62). Voor het sanhedrin is dit een doodvonnis waard, zonder verder onderzoek. Ze beginnen alvast Jezus te bespotten, te bespugen en te slaan. En Petrus, die zopas voor de andere apostelen moedig getuigde, verliest door Jezus’ publieke aanhouding zijn weerstand. Hij wil weten hoe het zal aflopen en voegt zich in het binnenhof bij een groepje mensen die zich warmen aan het vuur. Hij wordt één met hen. Een pienter dienstmeisje van de hogepriester merkt hem op en zegt tweemaal dat hij ook één van de leerlingen was van Jezus de Nazarener, maar hij ontkent het heftig. Later merkt iemand anders op dat hij ook een van die Galliërs rond Jezus was. Hij begint te vloeken en te zweren dat hij die man niet kent.

Bij het horen kraaien van een haan herinnert Petrus zich dat Jezus zijn verloochening voorspeld heeft. “Hij ging naar buiten, sloeg de handen voor zijn gezicht en weende bitter” (Mattheüs 26, 75; Marcus 14, 72). Wat een uitwerking heeft deze haan als “Bijbelse figuur” op Petrus! Het diepe berouw brengt Petrus terug tot leven. Ook Judas heeft spijt over zijn verraad en zegt: “Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren…hij ging heen en hing zich op” (Mattheüs 27, 4v). Hij komt tot wanhoop, wat leidt tot de dood. Hij trekt als het ware de hemel boven zich dicht. Ondertussen hebben de religieuze leiders Jezus ’s nachts opgesloten in een put en brengen Hem ’s morgens terug voor het sanhedrin, dat geen moeite heeft om Hem ter dood te veroordelen omwille van godslastering. Jezus verdedigt zich niet en herbevestigt de Zoon van God te zijn. Ze brengen hem naar Pilatus, de landvoogd.

Er volgt weer een stortvloed van aanklachten. Jezus zwijgt en bevestigt alleen maar dat Hij werkelijk de Koning van de Joden is. Omdat Pilatus begrijpt dat Jezus een Galileeër is en koning Herodes van Galilea juist in Jeruzalem verblijft, stuurt hij Hem naar Herodes, die eerst erg benieuwd is en daarna zwaar ontgoocheld omdat Jezus voor hem geen wonder doet. De religieuze leiders “…stonden hem heftig aan te klagen” (Lucas 23, 10). Om met Jezus te spotten gaf Herodes Hem een schitterend kleed en stuurt Hem terug naar Pilatus. Herodes en Pilatus, die voorheen vijanden waren “…werden op deze dag vrienden van elkaar” (Lucas 23, 12). In geweld worden allen gelijk en de grootste vijanden worden elkaars vrienden, zoals ook de joodse leiders en de Romeinse bezetters. Nu verklaart Pilatus Jezus onschuldig: “… niets dat de dood verdient is door Hem gedaan” (Lucas 23, 15). Pilatus doet nog een poging voor zijn vrijlating door het volk te laten kiezen om een van de twee vrij te laten, Jezus of Barrabas, een beruchte moordenaar. “De hogepriesters echter ruiden de volksmenigte op dat hij hun veeleer Barrabas zou vrijlaten” (Marcus 15, 11). Voor Jezus schreeuwden ze “Kruisig hem”. Terwijl hij op de rechterstoel zit laat zijn vrouw nog een boodschap brengen dat hij zich niet schuldig mag maken aan deze rechtvaardige, want in een droom heeft ze veel om Hem geleden. Pilatus wil het volk genoegdoening geven, wast zijn handen zeggend; “Ik ben onschuldig aan dit bloed” (Mattheüs 27, 24) “… en leverde Jezus over nadat hij hem had laten geselen om gekruisigd te worden” (Marcus 15, 15). De soldaten bespotten Hem en geven Hem een doornenkroon. Voor de kruisweg dwingen ze een zekere Simon van Cyrene om zijn kruis op te nemen en “achter Jezus aan te dragen” (Lucas 23, 26). Op Golgotha wordt Hij naakt gekruisigd en zijn kleren worden onder de soldaten verdeeld. Er wordt een opschrift aan het kruis bevestigd in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks: “Dit is Jezus, de Nazareeër, de koning van de Joden” (Johannes 19, 19). Samen met Hem worden twee rovers gekruisigd, waarvan een zich vol eerbied tot Jezus richt en dit antwoord krijgt: “vandaag zul je met mij in het paradijs zijn” (Lucas 23, 43).  Terwijl Mattheüs, Marcus en Lucas getuigen van een indrukwekkende soberheid, geeft de heilige Johannes als ooggetuige in zijn Evangelie vele details. Jezus’ kleed was uit één stuk geweven en daarom in zijn geheel onder de soldaten verloot. Onder het kruis staan: Maria, moeder van Jezus, Maria, vrouw van Klopas, Maria Magdalena en Johannes. De zeven woorden die Jezus op het kruis uitspreekt (“kruiswoorden”) zijn een eigen overweging waard. Jezus geeft een luide schreeuw “boog het hoofd en gaf de geest” (Johannes 19, 30; Grieks: paradoken to pneuma = Hij gaf de geest door).

Een van de soldaten stak een lans in zijn zijde “terstond kwam er bloed en water uit” (Johannes 19, 34). Het voorhangsel van de tempel scheurt, de aarde beeft, rotsen splijten en doden worden opgewekt. De honderdman getuigt als eerste en roept uit: ”Waarlijk deze mens was zoon van God!” (Marcus 15, 39). Zijn sterven was onverwacht en voor zijn begrafenis was niets voorzien. Jozef van Arimathea, een rijk man en lid van het sanhedrin krijgt van Pilatus de toestemming om het lichaam weg te nemen en in zijn eigen nieuw graf, dat vlakbij gelegen was te leggen. De farizeeër Nicodemus, ook lid van het sanhedrin, komt nog met “een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd ‘litras’” (ruim 30 kg?)” (Johannes 19, 39) maar er is geen tijd meer voor een balseming wegens de sabbatsrust. Jezus wordt met welriekende kruiden in doeken gewikkeld en begraven.  

P. Daniel