Maurice Zundel – Kennis van persoon tot persoon

Standaard

Probleemopstelling – inleidende situering

  • In een cultuur en theologische praktijk die sterk wordt bepaald door objectiverend denken, methodische analyse en functionele communicatie, dreigt het persoonlijke karakter van geloof en Godsontmoeting naar de achtergrond te verdwijnen. God wordt gemakkelijk benaderd als een idee, een leerstuk of een moreel beginsel, terwijl ook de mens vaak wordt herleid tot object van kennis, zorg of pastoraal handelen. Hierdoor ontstaat een spanningsveld tussen kennen en ontmoeten, tussen weten over God en leven met God.
  • Tegen deze achtergrond stelt zich de fundamentele vraag: is er een vorm van kennen mogelijk die de mens niet van buitenaf benadert, maar hem van binnenuit raakt, en die tegelijk een werkelijke ontmoeting met God mogelijk maakt zonder de vrijheid en onaantastbaarheid van de persoon te schenden? Met andere woorden: hoe kan kennis zelf relationeel worden, existentieel, en dragend voor geloof, spiritualiteit en bemiddeling?
  • Het denken van Maurice Zundel biedt op deze vraag een radicaal en uitdagend antwoord. Vanuit een personalistische en dialogische visie ontwikkelt hij het begrip kennis van persoon tot persoon: een kennen dat niet objectiverend is, maar geboren wordt uit eerbied, innerlijkheid en liefde. Deze benadering heeft verstrekkende gevolgen voor de visie op Godsontmoeting, menselijke relaties, sacramentele bemiddeling en het priesterschap zelf.
  • De volgende tekst onderzoekt deze vorm van kennen bij Zundel, haar spirituele en theologische fundamenten, en haar betekenis voor wie geroepen is tot dienst aan God en aan de mens.

Maurice Zundel benadrukt dat de mens, door een juist en evenwichtig gebruik van zijn verschillende ken-middelen (in het kader van de kenleer), kan komen tot een geleefde, dat wil zeggen werkelijke en existentiële, ontmoeting met God. Een verantwoord en zuiver gebruik van deze ken-middelen brengt de mens niet alleen tot inzicht, maar voert hem daadwerkelijk nader tot God. – M. Zundel, Die God, deze mens, Hilversum, 1978

I. Kennis van persoon tot persoon

In wat Zundel de bewustwording van de onaantastbaarheid noemt, ontdekt de mens dat er in hem een innerlijk domein bestaat waar niemand kan binnentreden: een gebied dat hem exclusief toebehoort en waarover hij alleen kan beschikken. Het gaat hier om de door zelfervaring ontdekte onaantastbare innerlijkheid. Deze ervaring raakt aan het diepste en meest kwetsbare punt van de menselijke persoon; zij vormt het centrum van diens unieke eigenheid en onderscheidt hem wezenlijk van ieder ander levend wezen.

Juist hier kan de mens, aldus Zundel, “op heel concrete wijze bewijzen dat hij mens is”: enerzijds door te protesteren wanneer deze innerlijkheid wordt miskend, anderzijds door zich te openen voor vriendschap wanneer zij ten volle wordt erkend. Geen gave is kostbaarder dan het eerbiedigen van deze innerlijke ruimte.

Voor de vorming van mensen en voor elke authentieke communicatie geldt daarom dat men steeds rekening moet houden met het feit dat de eigenheid van iedere persoon van binnenuit ontvangen is. De bijzondere autoriteit die van Jezus uitging, houdt rechtstreeks verband met dit unieke vermogen: Hij wist mensen te raken in de wortel van hun bestaan door hun een nieuwe blik op zichzelf te schenken.

Dit wordt treffend geïllustreerd in het evangelieverhaal van de ontmoeting tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de put (Joh. 4,1-42). Jezus is daar vastbesloten de vrouw te redden door haar te confronteren met haar eigen innerlijkheid. Zijn eerste vraag — “Geef Mij te drinken” — drukt in feite Zijn dorst uit naar haar geest. Wanneer Hij vervolgens zegt: “Ga uw man roepen en kom hier terug”, wordt zij onontkoombaar met zichzelf geconfronteerd. Vanuit deze zelfontdekking kan zij uiteindelijk belijden: “Ik zie dat Gij een profeet zijt.”

Vanaf dat moment is zij bereid in zichzelf de bron te ontdekken waarheen Jezus haar wilde leiden. Het ware heiligdom — de plaats waar God wil wonen — blijkt in haarzelf gelegen te zijn. Dit heiligdom moet worden opgebouwd door het hart volledig te openen voor die oneindige Bron die inniger is aan de mens dan hij zichzelf is. De vrouw kwam om water te putten; zij gaat weg met lege kruik, maar met een hart waarin een bron is gaan opborrelen tot eeuwig leven.

Van nu af worden mensen geroepen om in zichzelf het heiligdom te ontdekken van de Levende God. Dat is geen kleine stap. Het vraagt een radicale verandering, een nieuwe geboorte die ons in staat stelt ons eigen innerlijk werkelijk te bereiken. Hier loopt een onuitwisbare scheidslijn: tussen elke vorm van bijgeloof of zelfbedrog enerzijds, en een waarachtige benadering van het goddelijke anderzijds.

De geboorte van God in de mens is namelijk de voorwaarde voor de geboorte van de mens in zichzelf. Alleen wanneer wij de Aanwezigheid in ons ontmoeten, kunnen wij de egocentrische monoloog van onze fundamentele eenzaamheid overstijgen en binnengaan in een dialoog van liefde, mogelijk gemaakt door de genade. Pas dan verandert het hebberige, naar zichzelf gekeerde ik in een onbaatzuchtig ik.

Dat wordt op indrukwekkende wijze verwoord in een gebed van Augustinus in zijn Belijdenissen:
“Laat heb ik U bemind, Schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik U bemind. Want Gij waart binnen en ik was buiten. Daar was het dat ik U zocht: mij stortend op de mooie dingen die Gij hebt gemaakt. Gij waart bij mij, maar ik was niet bij U.”

Augustinus schreef dit vijftien jaar na zijn bekering. Het gebed draait om twee woorden: ‘binnen’ (intus) en ‘buiten’ (foris). Ze verduidelijken elkaar door hun scherpe tegenstelling. Men is binnen of buiten — er is geen tussenweg. Het gaat hier niet om het binnengaan van een huis, maar om het binnentreden in zichzelf.

Hoe komt een mens tot dat ‘zelf’? Dat is precies de worsteling die Augustinus tot in de diepte heeft doorleefd. Na een lange zoektocht, met vallen en opstaan, en met de pijn van onbeheerste verlangens, komt hij tot het pijnlijke inzicht: ik was buiten. Met andere woorden: ik was niet in staat om werkelijk bij mijzelf binnen te gaan. Dat ene woord ‘buiten’ zegt meer dan een hele reeks psychologische analyses.

In het ‘binnen’ ontmoet Augustinus God. Dit intus blijkt een wezenlijke eigenschap van de goddelijke Schoonheid. De ervaring is gericht op Gods innerlijkheid. Het beslissende inzicht is dit: niet de mens wekt uit eigen kracht zijn innerlijk, maar God wekt het ‘intus’ in de mens. God is het die ons wakker schudt voor ons eigen innerlijk. Uiteindelijk vindt de mens zichzelf in deze geheimzinnige Gast die zich in hem openbaart.

Daarom kan Augustinus hierover alleen spreken in de taal van bewondering en gebed. In die aanbidding wordt de identiteit van zijn liefde zichtbaar. Die identiteit ligt allereerst in de mens zelf: ons bestaan wordt pas werkelijk doorzichtig wanneer het zelfgave wordt aan het oneindige Goed dat in ons verborgen is. Dat is de enige weg naar ons ware wezen.

Voor ons, als priesterstudenten, is dit een fundamentele les. De totale zelfgave kan alleen groeien in het contact met het volmaakte Goed, omdat alleen God het is aan wie de mens zich volledig kan toevertrouwen. God leidt ons van binnenuit naar ons ware ik, doorheen een metanoia — een omkering, een omvorming van heel ons bestaan tot liefde. En juist die liefde is de kern van onze vrijheid én van ons priesterlijk leven.

Na wat tot nu toe is gezegd, wordt duidelijker wat Zundel bedoelt met ‘kennis van persoon tot persoon’. Voor hem is dit de hoogste vorm van kennen binnen de natuurlijke orde. De menswetenschappen benaderen de mens noodzakelijkerwijs als object: zij onderzoeken menselijk gedrag en verschijnselen binnen de grenzen van hun methode. Maar kennis van persoon tot persoon gaat daarbovenuit. Zij richt zich juist op datgene in de mens wat zich niet laat objectiveren.

In deze vorm van kennen erkennen wij de mens in zijn eigen, unieke waarde, in de onaantastbaarheid van zijn bewustzijn. De mens is geroepen steeds meer persoon te worden. Die roeping vindt haar fundament in het respect dat ieder opeist voor de menselijkheid die hij in zichzelf draagt. Dit veronderstelt een scherp en levendig bewustzijn van het diepste innerlijk van de mens, een waakzame aandacht voor wat zich vanbinnen afspeelt, én een voortdurende betrokkenheid daarop in zelfreflectie. Daarom openbaart kennis van persoon tot persoon zich uiteindelijk als een kennen dat doortrokken is van liefde.

Wie het ware gelaat van de ander wil ontdekken, moet daar een prijs voor betalen. Dat gebeurt niet door louter te observeren, maar door de ander innerlijk toe te laten, door hem in zich op te nemen. Alleen zo kan echte betrokkenheid groeien. Wanneer men de ander werkelijk laat zijn wie hij is, in zijn anders-zijn, kan wederkerigheid ontstaan. Die wederkerigheid, gedragen door liefde, kan uitgroeien tot volmaakte liefde. Volmaakt is zij wanneer de innerlijkheid van de één doorschijnt in die van de ander, als een uitwisseling van een oneindige Aanwezigheid waarin bezit wordt uitgesloten.

In deze visie zijn kennis en liefde onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor Zundel is dit het hoogste weten. Hij zegt: men kent op dit niveau slechts in de mate waarin men bemint, en men kent niet méér dan men bemint. De reden is dat het hier gaat om een kennen dat identiek is aan liefde. Juist deze eenheid vormt het wezen van elke ware persoonlijkheid en is de bron van haar uitstraling.

Liefde heeft het vermogen ons binnen te voeren in het innerlijk van de ander, door een proces van wederzijdse verinnerlijking. In echte communicatie ontstaat zo een doorzichtigheid van de één voor de ander. Werkelijk menselijke relaties groeien vanuit dit respect voor het innerlijk van de persoon. We herkennen dit in de relatie tussen moeder en kind, tussen echtgenoten die werkelijk één zijn, en tussen trouwe vrienden. Daar voltrekt zich een communicatie die het diepste van de persoon raakt, zich van het ene innerlijk aan het andere meedeelt, en beiden gevoelig maakt voor de Aanwezigheid waarin zij hun eenheid ontdekken. Zo’n communicatie is niet afhankelijk van taal als instrument of methode, zoals in wetenschap of filosofie.

Kennis van persoon tot persoon ligt daarom aan de basis van alle werkelijk menselijke relaties: tussen echtgenoten, tussen ouders en kinderen, tussen mensen die elkaar in trouw en eerbied nabij zijn. Zij rust op de absolute eis van respect voor de mens in al zijn relaties.

Toepassing

De kennis van persoon tot persoon, zo wordt gezegd, betreft de wederzijdse doordringing van innerlijkheid tussen wezens die in zichzelf onaantastbaar zijn. Mensen kunnen elkaar slechts werkelijk bereiken door een wederzijdse communicatie die berust op vrije instemming. Deze vorm van kennen is dus wezenlijk relationeel. De aard en diepte van die relatie verschillen naargelang de mate waarin mensen samen delen in de Aanwezigheid die hen overstijgt.

Kennis van persoon tot persoon is onlosmakelijk verbonden met welwillende liefde. Die liefde zoekt het goede van de ander, en juist daarin schenkt zij diepe vrede en vreugde. Tegelijk brengt zij ook innerlijke vervulling voor degene die liefheeft. Daarnaast heeft deze kennis betrekking op de liefde van vriendschap, omdat zij wezenlijk wederkerig is. De theologische deugd van de liefde wordt ons door de goddelijke genade geschonken, en zowel de liefde van welwillendheid als de liefde van vriendschap bepalen, zoals Thomas benadrukt, in hoge mate de innerlijke houding van de mens.

Romano Guardini staat hier in de lijn van Augustinus wanneer hij stelt: “Iets wordt gekend in de mate waarin het wordt bemind.” Kennis en liefde vormen dan één enkele act. Jacques Maritain daarentegen meent dat kennis aan de liefde voorafgaat. Daarmee sluit hij aan bij Thomas van Aquino, voor wie het kennen het primaat heeft boven de liefde.

Men kan zich echter afvragen of dit onderscheid niet vooral geldt binnen de tijdsorde. Chronologisch gezien kan kennis inderdaad voorafgaan aan liefde. Maar in het proces van metanoia – de omkeer tot God en de omvorming in God – lijkt het erop dat kennen en liefhebben samenvloeien tot één enkele, ondeelbare act. In dat perspectief krijgt de mens toegang tot de waarheid juist door de liefde.

Bij Augustinus is kennis geen louter intellectuele handeling, maar een gerichtheid van de hele mens, een zich uitstrekken naar de waarheid. Deze actieve inzet van zichzelf noemt hij voluntas, de wil, wat soms tot de term ‘voluntarisme’ leidt. Ten diepste gaat het echter om de liefde: daarin wordt de verwantschap zichtbaar tussen de mens en de uiteindelijke werkelijkheid. Hier raakt kennis haar voltooiing in de liefde.

II. De plaats van Godsontmoeting en bemiddeling in de dialogische visie van Zundel

In deze paragraaf onderzoeken we in hoeverre binnen dialogische benaderingen sprake kan zijn van werkelijke Godsontmoeting en bemiddeling. Daarbij richten we ons in het bijzonder op de visie van Maurice Zundel, en plaatsen we die binnen een bredere theologische en filosofische context.

Volgens Zundel spreekt God de mens aan door zijn Openbaring. Iedere mens wordt daardoor uitgenodigd tot bekering en innerlijke groei, tot een steeds fijnere gevoeligheid voor de relatie met God. Dit is wezenlijk dialogisch: het gaat om een leven in gesprek met God. Christelijke vrijheid betekent in dit perspectief meer dan uiterlijke keuzevrijheid; zij veronderstelt een innerlijke bevrijding waardoor de mens radicaal wordt omgevormd en binnengeleid in een onbegrensde innerlijke ruimte. Daar verliest het egocentrische ‘ik’ zijn heerschappij over het bestaan.

Die bevrijding van het ‘ik’ kan, aldus Zundel, alleen het werk zijn van een oneindige Liefde. Zij ontstaat niet uit zelfdiscipline of morele inspanning alleen, maar uit een ontmoeting: een ontmoeting in het diepste van onszelf met een Aanwezigheid die zelfgave mogelijk maakt en motiveert. De mens wordt, zo zou men kunnen zeggen, geboren in een stille dialoog met een genadevolle Bezoeker. Deze Bezoeker opent hem voor zichzelf en doet hem overgaan van een bestaan waarin hij het leven slechts ondergaat, naar een leven dat hij als gave ontvangt en waarin hij zichzelf vervult.

Hier sluit Zundel nauw aan bij Augustinus. Bij Augustinus vertrekt de ontmoeting met de eeuwige Schoonheid vanuit een ervaring: een ervaring die in zichzelf grenzeloos is en die zich uitdrukt in de taal van de liefde. Dat is ook het model dat Zundel voor ogen heeft. Wanneer het evangelie wordt verkondigd, is het noodzakelijk dat de mens zich geraakt weet in het meest intieme van zichzelf. Juist daar ontdekt hij de uiteindelijke zin van zijn vrijheid: als een innerlijke ruimte zonder grenzen. Daar ontmoet hij Iemand die al zijn vermogen tot bewondering en liefde niet alleen aanspreekt, maar ook kan dragen en omvatten.

Openbaring is in deze visie geen loutere overdracht van leerstellingen, maar een communicatie van geest tot geest. Deze communicatie draagt vrucht in geloof, hoop en liefde, en voltrekt zich in het licht van de Heilige Geest. Het charisma van het beleven én het doorgeven van de Blijde Boodschap maakt profeten, priesters en gelovigen tot instrumenten van genade, tot bemiddelaars van deze communicatie.

Belangrijk is dat Zundel benadrukt dat het instrument ook dan zijn waarde behoudt wanneer degene die het hanteert of ontvangt de volle draagwijdte van de boodschap nog niet begrijpt of beleeft. De genade werkt immers verder dan het bewustzijn van de mens. Zo blijft de Kerk, in haar verkondiging en sacramentele leven, een plaats van ontmoeting en bemiddeling, waarin God zelf in dialoog treedt met de mens en hem binnenleidt in de ruimte van ware vrijheid.

Het hoogtepunt van de Openbaring is het mysterie van de Heilige Drie-eenheid. Het geloof in dit mysterie vormt het wezenlijke kenmerk van het christendom. Het is, zoals wordt gezegd, het diepste en tegelijk het meest verhelderende antwoord op de vragen van ons verstand en op de verlangens van ons hart. In het licht van de Drie-eenheid krijgt het menselijk bestaan een diepte en samenhang die nergens anders zo radicaal worden onthuld.

Van nature groeien wij op met een ‘ik’ dat zich toe-eigent en afbakent. Al vanaf onze kinderjaren identificeren wij ons met dit gemaakte ‘ik’. Nog vóór we daarover kunnen nadenken, zeggen we er als het ware “ja” tegen en trekken we onaantastbaarheid, waardigheid en vrijheid naar onszelf toe. De zoektocht naar onze identiteit is daardoor onvermijdelijk: zij kan niet worden onderdrukt, maar moet op de een of andere manier worden doorleefd en gevonden.

Juist in die zoektocht opent de Openbaring van de Drie-eenheid een totaal onverwachte weg. Die weg wordt samengevat in de korte maar alleszeggende uitspraak uit de Eerste brief van Johannes: “God is Liefde.” God is Liefde in zijn verhouding tot ons, zijn schepselen, en tot heel de schepping. Maar Hij is allereerst Liefde in Zichzelf: in zijn eigen innerlijk, wezenlijk, grenzeloos en eeuwig. Dit noemen we de immanente Drie-eenheid.

Tegelijk is God ook Liefde-in-relatie, gericht op de ander, zoals Hij zich openbaart in de heilsgeschiedenis. Deze relationele gerichtheid behoort niet toevallig tot God, maar constitueert Hem juist als Liefde. Zeggen dat God Liefde is, betekent dat zijn innerlijk wezen wordt bepaald door een beweging naar de Ander. Zonder deze beweging zou er geen sprake zijn van liefde.

Daarmee wordt ook bevestigd dat God de Ander niet buiten Zich hoeft te zoeken, maar Hem in Zichzelf vindt en bezit door Zichzelf. In die eeuwige wederkerigheid, waarin geven en ontvangen samenvallen, komt de volheid van Liefde tot stand die God zelf is. Voor de priesterstudent opent dit mysterie niet alleen een dogmatisch inzicht, maar ook een spirituele weg: de uitnodiging om het eigen ‘ik’ los te laten en binnen te treden in de ruimte van relationele liefde, waarin God zelf ons voorgaat.

Binnen het zijn van God ontspringen drie wezenlijke relaties die elk de rang van Persoon hebben: Vader, Zoon en Heilige Geest. God is één, maar niet eenzaam of geïsoleerd. Juist omdat Hij niet alleen is, maar eeuwig in Zichzelf de Ander vindt aan wie Hij Zich kan geven, is Hij op geestelijk niveau werkelijk Eén. Zijn eenheid bestaat in totale zelfgave: dát is het wezen en de volmaaktheid van de goddelijke liefde.

Deze innerlijke zelfgave bepaalt ook Gods oneindige vrijheid. In God is het goddelijke ‘Ik’ geen gesloten zelfbezit, maar zuivere relatie tot de Ander. De gave van de Vader bestaat hierin dat Hij zijn oneindig volmaakte natuur volledig meedeelt aan de Zoon, zonder iets voor Zichzelf achter te houden behalve zijn vaderschap. De gave van de Zoon en de Heilige Geest bestaat erin dat Zij Zich geheel aan elkaar en aan de Vader schenken en zich in liefde met Hem verbinden. Zo is de Heilige Drie-eenheid een leven van volstrekte wederkerigheid en zelfgave.

De godheid van Jezus Christus is diep geworteld in deze Drievuldigheid, doordat Hij de Persoon is van het Woord. Dit Woord vormt het persoonlijke fundament van zijn mens-zijn. Het Woord deelt aan de menselijke natuur van Jezus niet zijn goddelijke natuur mee – want daarin is het formeel God – maar zijn persoonlijke zijnswijze: Hij bestaat als mens in de goddelijke Persoon van het Woord. Met andere woorden: het goddelijke ‘Ik’ treedt onze geschiedenis binnen in de gestalte van relatie en zelfontlediging, zonder zich iets toe te eigenen in het mens-zijn van Jezus.

De menselijkheid van Jezus, gedragen door de Persoon van het Woord, is daardoor geheel ‘vervuld’ van onthechting en zelfontlediging. Deze oneindige onteigening is het wezen van de relaties in God zelf en maakt Christus tot Getuige en Bemiddelaar. In Hem wordt zichtbaar wie God is en hoe God liefheeft.

De zin van de schepping vanaf het allereerste begin is dan ook communicatie met God. De voltooiing van de schepping is de geboorte van het mensgeworden Woord in de tijd. In het mysterie van Jezus, gezien tegen de achtergrond van de Drie-eenheid, openbaart zich een eeuwige mededeling van liefde. God is Liefde die zichzelf wegschenkt in en door Jezus. Liefde richt zich noodzakelijk op de Ander om liefde te kunnen zijn – dáár ligt de kern.

Deze liefde, die brandt in het hart van de Drie-eenheid, neemt het mens-zijn van Jezus geheel in zich op en onteigent het totaal van zichzelf door het deelgenoot te maken van haar eigen beweging: de eeuwige betrekking van Zoonschap als kern van zijn Persoon-zijn. Deze volkomen onbaatzuchtige gave van God aan Christus is tegelijk gericht op de mensheid en op de hele schepping.

Daarbij geldt: iedere genade draagt ook een zending in zich. Hoe overvloediger de genade, des te ruimer de zending. Wanneer de genade oneindig is, kent ook de zending geen grenzen. Juist omdat de menselijke natuur van Christus volledig in beslag is genomen door het Woord waarin zij haar wezen vindt, is Hij totale openheid naar de schepping die zijn werk is. Zijn zending bestaat erin mensen tot kinderen van God te maken, zoals verwoord in het Evangelie volgens Johannes (vgl. Joh. 1,12).

Christus is gave, en Hij wil ook óns tot gave maken. Daarom geldt voor ons: we moeten eerst zelf kinderen van God zijn of worden, om dit leven in anderen te kunnen wekken. Hier ligt een kernopgave voor ieder die zich voorbereidt op het priesterschap: leven vanuit ontvangen genade, om van daaruit gezonden te worden tot dienst aan de wereld.

Omdat God in Zichzelf Drie-eenheid is, is Hij volledig onafhankelijk van mens en wereld. In zijn eigen innerlijk laat Hij de Ander reeds bestaan in volkomen vrijheid. Zoals God ad intra (in Zichzelf) is, zo is Hij ook ad extra (naar buiten toe). Daarom kan er in de verhouding tussen God en mens nooit sprake zijn van verdrukking of onderdrukking van de menselijke vrijheid. Juist omdat God in Zichzelf oneindige Liefde is, laat Hij de mens bestaan in vrijheid. Strikt genomen heeft God de liefde van de mens niet nodig.

Dat God de mens toch heeft geschapen, is een zuiver geheim van liefde: Hij wil de mens laten delen in het inner-trinitaire leven van God Zelf. Gods Geest richt Zich tot onze geest, die vaak slechts langzaam tot geestelijk leven ontwaakt. In de mate waarin wij ons egocentrisme loslaten en ervan bevrijd worden, openbaart zich het persoonlijke karakter van de genadevolle Aanwezigheid. Deze Aanwezigheid wordt geleidelijk het centrum van onze intimiteit en steeds meer de drijvende kracht naar onze bestemming: onze bevrijding. Zo voltrekt zich een dialoog waarin het bezitterige ‘ik’ wordt omgevormd tot een schenkend ‘ik’.

Wij worden open voor de Vriend die in ons binnenste woont; open door en voor de nabijheid van zijn genezende Aanwezigheid op de bodem van ons hart. Maurice Zundel betreurt het dat veel gelovigen de grootheid van de Openbaring van het mysterie van de Drie-eenheid niet werkelijk doorzien en doorleven. Juist dit inzicht zou hen helpen om Geest-georiënteerd in het leven te staan en menselijke problemen van binnenuit te doorlichten, om zo tot hun ware oplossing te komen.

“Kennen,” zo wordt gezegd, “is een bepaalde wijze om met de werkelijkheid te vergroeien.” Met andere woorden: men wordt op zekere wijze wat men kent, door een vorm van identificatie. De kennende neemt immaterieel de gestalte aan van het gekende, draagt het in zich, beleeft het van binnenuit en integreert het in het eigen leven. De kennis van persoon tot persoon betreft daarom de wederzijdse doordringing van innerlijkheid tussen wezens die in zichzelf onaantastbaar zijn en die elkaar slechts kunnen bereiken door een communicatie die berust op vrije instemming. Deze kennis is wezenlijk relationeel en verschilt naar de aard van de relatie.

Bij de kennis van God – de hoogste vorm van kennis van persoon tot persoon – staat voorop dat Hij ons intiemer nabij is dan wij onszelf zijn, en dat Hij tegelijk de enige weg is naar onszelf. In Hem leren wij onszelf kennen, zoals wij de intimiteit van een ander slechts bereiken door een gemeenschappelijk ‘ademen’ in zijn Aanwezigheid, door de genade.

Hieruit volgt een belangrijke consequentie voor de (priesterlijke) bediening en bemiddeling: zij is het meest vruchtbaar wanneer zij erop gericht is in de ander het contact te wekken met de Bron die opborrelt tot eeuwig leven. Dat kan alleen wanneer de bemiddelaar zelf in een levende eenheid met diezelfde Bron blijft. Dan wordt communicatie met medemensen een werkelijke uitwisseling van liefde, waarin God Zelf aanwezig en werkzaam is.

Jezus Christus nodigt ons uit om van onszelf een naaste te maken voor alle anderen. Dat doet Hij op indringende wijze in de parabel van de barmhartige Samaritaan. Deze oproep plaatst ons onontkoombaar in relatie tot anderen. Het heil van de ander kan dan niet langer los worden gezien van ons eigen heil. De aanwezigheid van God in de ander is even kostbaar als zijn aanwezigheid in onszelf. Zo wordt het absolute engagement met de waarheid uiteindelijk een engagement van persoon tot persoon: in relatie tot God en, vanuit Hem, in relatie tot de naaste.

De christen ervaart God niet als een abstract beginsel, maar als een Persoon. Het persoonsbegrip waar het hier om gaat, wortelt in de christelijke mystiek en legt het accent op relatie en gemeenschap. ‘Persoon’ betekent dan: liefdevolle gerichtheid op de ander, wezenlijk in-relatie-zijn. De liefde die men beleeft — zowel de liefde die men schenkt als die men ontvangt — vormt de persoon. De relatie is als een brug: zij maakt de persoon.

De mens is geroepen om te groeien van individu — letterlijk: degene die verdeelt — naar persoon: iemand die in relatie treedt, die zich verbindt in liefde. Dat vraagt een belangeloze liefde voor de naaste en de bereidheid zichzelf te laten veranderen. Het veronderstelt een afsterven aan het eigen ik ten bate van de ander, een weg van groei in heiligheid.

De personalistische en dialogische visie van Maurice Zundel was geen loutere theorie, maar één met zijn persoon en zijn geestelijk leven. Juist daarom kon hij een meester zijn in persoonlijke relaties. Zijn boodschap bestond hierin: zich losmaken van zichzelf en doorzichtig worden voor de goddelijke Werkelijkheid — een Werkelijkheid die niet los te maken is van degene die haar bemiddelt. Hij kon deze boodschap dragen omdat hij haar, op uitzonderlijke wijze, zelf was geworden.

Voor wie zich voorbereidt op het priesterschap ligt hier een duidelijke weg: alleen wie zelf leeft vanuit relationele liefde, kan anderen binnenleiden in de ontmoeting met God en met elkaar.

Pastoor Geudens