Hoe hun antropologie en bevestigingsleer wortel schieten in pastorale praktijk en geestelijke begeleiding
English Abstract
From Personal Vocation to Living Tradition
The Contemporary Reception of the Work of Anna Terruwe and Conrad Baars in the United States
This article examines the contemporary continuation of the psychological and anthropological vision of Anna Terruwe and Conrad Baars not through a purely academic reconstruction, but through the living institutions that currently transmit and embody their work in the United States. Institutes such as the Baars Institute, the Institute for Personalist Psychology, and the Anna Terruwe Museum demonstrate that their approach remains deeply relevant in contemporary therapeutic and pastoral contexts. Rooted in the concept of affirmation as a form of healing love, this tradition offers a personalist alternative to technocratic and reductionist models of psychotherapy and resonates deeply with a Christian understanding of mercy, freedom, and intrinsic human dignity. Interpreted under the criterion of the Cross, affirmation appears not as self-validation, but as participation in the redemptive love of Christ, who confirms the human person precisely in vulnerability and suffering.
Affirmation under the Criterion of the Cross
A Christological Norm for the Psychology of Terruwe and Baars
The psychological vision developed by Anna Terruwe and Conrad Baars is best understood not merely as a therapeutic method, but as an anthropology implicitly ordered toward a Christian understanding of the human person. At its core lies the concept of affirmation: the experiential assurance that one may exist, feel, desire, and grow as a person within a relational horizon of benevolent love. Affirmation, in this sense, is not a technique, but a formative encounter in which the person is received as intrinsically worthy.
When read through the lens of a theological criterion of the Cross, this notion of affirmation acquires its full normative depth. Within the Christian tradition, the dignity of the human person is not grounded in autonomy, functionality, or self-realization, but in God’s unconditional love revealed in Jesus Christ and definitively manifested in the Crucified One. The Cross reveals a God who confirms the human person precisely in vulnerability, dependence, and suffering — not despite these realities, but through them.
This christological grounding resonates profoundly with the personalist anthropology articulated by the Second Vatican Council. Gaudium et Spes affirms that “man can fully discover his true self only in a sincere gift of himself.”¹ Such self-gift, however, presupposes a prior reception: the experience of being affirmed, loved, and held in existence. Terruwe’s psychology implicitly presupposes this ontological priority of being-loved-before-acting, corresponding to the theological primacy of grace over moral or psychological achievement.
From a Thomistic perspective, this convergence becomes even clearer. In the Summa Theologiae, Thomas Aquinas describes love (amor benevolentiae) as willing the good of the other — a movement that orders the will and heals disordered affectivity.² Terruwe and Baars, though not writing as scholastic theologians, describe precisely this dynamic on the psychological level: affective healing occurs when the person is encountered by a love that seeks their good without appropriation or control. Such love liberates the emotional life and restores inner freedom.
Within this framework, affirmation reaches its ultimate norm in the mystery of the Cross. The Crucified Christ embodies the definitive form of benevolent love: a love that does not withdraw in the face of weakness, failure, or sin, but remains present and faithful. Affirmation, therefore, is not a humanistic ideal detached from theology, but a participatory experience in the redemptive love of Christ. The Cross becomes the criterion that distinguishes genuine affirmation from mere validation or psychological indulgence.
Detached from this criterion, affirmation risks being absorbed into therapeutic self-affirmation or subjective well-being. Under the sign of the Cross, however, affirmation is revealed as a path toward truth, freedom, and responsibility. As emphasized in Veritatis Splendor, authentic freedom is inseparable from truth and self-gift and cannot be reduced to self-determination alone.³
Seen in this light, the contemporary reception of Terruwe and Baars — particularly in the United States — represents more than a historical continuation. It constitutes a living tradition in which psychology, anthropology, and Christian theology converge. Under the criterion of the Cross, affirmation becomes a mode of healing presence that reflects the merciful love of God Himself, who confirms the human person not by bypassing suffering, but by entering it and transforming it from within.
Footnotes
- Second Vatican Council, Gaudium et Spes (7 December 1965), no. 24: AAS 58 (1966), 1044–1045.
- St. Thomas Aquinas, Summa Theologiae, I–II, q. 26, a. 4; q. 28, a. 1.
- John Paul II, Veritatis Splendor (6 August 1993), nos. 35–41.
Inleiding
De reflectie die hier volgt vertrekt niet vanuit een louter academische herlezing van het oeuvre van Anna Terruwe en Conrad Baars, maar vanuit de concrete hedendaagse context waarin hun werk vandaag wordt gedragen, geïnterpreteerd en doorgegeven. Juist deze actuele doorwerking maakt zichtbaar dat hun benadering geen afgesloten hoofdstuk vormt binnen de geschiedenis van de katholieke psychologie, maar een levende traditie is gebleven — ontstaan uit een intensieve ontmoeting met de lijdende mens en gevoed door klinische, pastorale en morele ervaring.
Genezing als relationele werkelijkheid
Het oorspronkelijke vertrekpunt van Terruwe en Baars lag in hun langdurige klinische en pastorale omgang met mensen bij wie de emotionele ontwikkeling was vastgelopen. Hun fundamentele inzicht luidde dat psychisch en moreel herstel niet tot stand komt door analyse, techniek of gedragsmatige correctie alleen, maar door bevestigende liefde: een wijze van relationele aanwezigheid waardoor de mens opnieuw leert ervaren dat hij of zij mag bestaan, voelen en verlangen.
Deze bevestiging is geen sentimentaliteit, maar een moreel en relationeel handelen. Zij vraagt om wat Terruwe en Baars aanduiden als weerhoudende liefde: nabijheid zonder toe-eigening, betrokkenheid zonder manipulatie, zorg zonder beheersing. Hier raakt hun psychologie aan een diep christelijk verstaan van barmhartigheid, waarin de ander niet wordt “gerepareerd”, maar wordt ontvangen als persoon.
Hedendaagse institutionele dragers in de Verenigde Staten
In de eenentwintigste eeuw wordt dit gedachtegoed vooral in de Verenigde Staten levend gehouden. Het Baars Institute fungeert als een laagdrempelige toegangspoort tot het werk van Terruwe en Baars, terwijl het Institute for Personalist Psychology expliciet inzet op vorming binnen een integrale personalistische antropologie. Het Anna Terruwe Museum bewaart en ontsluit het intellectuele en spirituele erfgoed van Terruwe en onderstreept dat het hier niet gaat om een therapietechniek, maar om een mensvisie.
Bevestiging onder het teken van het Kruis
Binnen deze bredere context krijgt de christologische verdieping beslissend gewicht. Bevestiging wordt niet normatief bepaald door psychologisch welbevinden, maar door de openbaring van Gods liefde in de Gekruisigde. De mens wordt bevestigd niet op grond van prestatie of autonomie, maar omdat hij bemind is — juist in zijn kwetsbaarheid.
Hier raakt de psychologie van Terruwe en Baars aan een Kruis-criteriologie: ware genezing ontstaat waar liefde aanwezig blijft onder het teken van lijden en waarheid. Affirmatie wordt zo deelname aan het gebroken-maar-verrijzen-Lichaam van Christus.
Ecclesiologische implicaties
Deze visie heeft directe implicaties voor pastoraat en kerkelijk handelen. Innerlijk gezag ontstaat niet uit beheersing of methodiek, maar uit bevestigende aanwezigheid. In een cultuur van protocollen herinnert deze traditie eraan dat genezing ontstaat waar menselijke liefde, innerlijke vrijheid en vertrouwen in Gods barmhartigheid elkaar ontmoeten.
Voetnoten
- Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 24: AAS 58 (1966), 1044–1045.
- Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 4; q. 28, a. 1.
- Johannes Paulus II, Veritatis Splendor (6 augustus 1993), nr. 35–41; 95.
Waar wordt de katholieke psychologie van Anna Terruwe en Conrad Baars vandaag toegepast?
1. Nederland – historische wortels en beperkte institutionele voortzetting
In Nederland liggen de historische wortels van de katholieke psychologie van Anna Terruwe en Conrad Baars. Hun werk heeft hier diepe sporen nagelaten binnen psychiatrie, zielzorg en pastorale begeleiding. Tegelijk moet worden vastgesteld dat de institutionele voortzetting vandaag beperkt is.
De Stichting Anna Terruwe heeft als doel het bewaren en verspreiden van Terruwe’s gedachtegoed, met name haar bevestigingsleer. In de huidige situatie vervult de stichting echter vooral een archiverende functie. Er bestaan geen structurele opleidingstrajecten, noch is er sprake van een zichtbare klinische of academische opvolging. Daarmee ontbreekt een levende institutionele overdracht, en dreigt het gedachtegoed in Nederland vooral historisch bewaard te blijven.
Een belangrijke klinisch-pastorale vertegenwoordiger van Terruwe’s benadering was Harrie Schijns (†), psychiater en zielzorger te Breda. Hij belichaamde lange tijd de vruchtbare verbinding tussen psychiatrie en pastorale zorg. Met zijn overlijden is een van de laatste directe schakels tussen Terruwe’s psychologie en de Nederlandse zorgpraktijk weggevallen.
Daarnaast bestonden er in het verleden informele netwerken, met name internationale Yahoo Groups, waarin psychiaters, psychologen en priesters ervaringen uitwisselden rond de Terruwe–Baars-therapie en bijbehorende casuïstiek. Deze netwerken zijn inmiddels grotendeels verdwenen of inactief geraakt, waardoor ook hier geen structurele opvolging meer plaatsvindt.
2. Verenigde Staten – levende traditie en institutionele overdracht
In tegenstelling tot de Nederlandse situatie vindt in de Verenigde Staten de meest consequente en levende voortzetting van het werk van Terruwe en Baars plaats. Hier is hun psychologie niet alleen bewaard, maar ook verder ontwikkeld en doorgegeven binnen therapeutische, pastorale en vormende contexten.
Een centrale figuur hierin is Sue Baars, dochter van Conrad Baars. Zij is psychiater en psychotherapeut, opgeleid in de lijn van Terruwe en Baars, en vervult een sleutelrol in de overdracht van hun visie. In haar werk staat bevestiging centraal als genezende liefde, ingebed in een niet-reductionistische katholieke mensvisie. Zij weet klinische praktijk te verbinden met de spirituele en morele dimensie van de menselijke persoon.
Daarnaast functioneren verschillende Amerikaanse instituten als dragers van deze levende traditie. Het Baars Institute, het Institute for Personalist Psychology en het Anna Terruwe Museum vervullen elk op hun eigen wijze een vormende en ontsluitende rol. Hier wordt het werk van Terruwe niet museaal, maar functioneel voortgezet: in opleiding, therapie, publicaties en supervisie. Deze instellingen tonen dat haar psychologie geen afgesloten hoofdstuk is, maar een overdraagbare en actuele benadering.
3. Theologische en spirituele receptie
Naast de klinische en institutionele voortzetting is er ook sprake van een theologische en spirituele receptie van Terruwe’s mensvisie. Een belangrijke resonantie is te vinden bij Maurice Zundel, met name in zijn boek Die God, deze mens. Zundel beschrijft de menswording van God als een radicaal relationeel gebeuren, waarin genezing tot stand komt door bevestigende liefde.
Hoewel Zundel geen psycholoog is en geen therapeutische methode ontwikkelt, vormt zijn denken een diep theologisch raakvlak dat Terruwe’s antropologie verdiept. Zijn visie onderstreept dat menselijke genezing uiteindelijk geworteld is in relationele ontvankelijkheid en goddelijke nabijheid.
4. Pastorale toepassing vandaag
Ten slotte leeft de psychologie van Terruwe vandaag op een bijzondere wijze voort in het pastorale veld. In het pastoraat, zoals dat onder meer door pastoor Jack Geudens wordt vormgegeven, wordt Terruwe’s bevestigingsleer toegepast als grondhouding van begeleiding. De relatie fungeert hier als instrument van genezing, gedragen door vertrouwen in Gods barmhartige liefde.
In deze context leeft Terruwe’s psychologie niet academisch, maar pastoraal-sacramenteel. Zij wordt concreet in begeleiding, gebed en nabijheid, met bijzondere aandacht voor gekwetst leven en morele kwetsbaarheid.
Deze pastorale toepassing wordt verder ontsloten in diverse publicaties, waaronder Scriptie vanuit werkervaringen met de lijdende mens, vertrouwend op Gods barmhartige liefde en Relatie als instrument van genezing. In deze werken wordt Terruwe’s psychologie doorvertaald naar een bredere theologische horizon, waarin kruisspiritualiteit, barmhartigheidstheologie en pro-life-pastoraat samenkomen.
Slotzin
Zo blijkt dat de katholieke psychologie van Anna Terruwe vandaag niet primair voortleeft in academische structuren, maar in levende relaties waarin bevestiging, barmhartigheid en genezing elkaar ontmoeten.
Slotmeditatie
Ware genezing voltrekt zich niet waar de mens wordt verbeterd,
maar waar hij wordt bevestigd.
Dat wij leren liefhebben zoals God liefheeft:
niet bezittend, niet dwingend,
maar dragend, weerhoudend en bevrijdend.
Dat wie lijdt opnieuw mag ervaren:
ik mag er zijn —
en dat dit genoeg is om te beginnen te leven.
Theoretisch kader: personalistische antropologie en bevestiging
De psychologie van Anna Terruwe en Conrad Baars laat zich niet adequaat begrijpen binnen een zuiver empirisch of behavioristisch kader. Hun benadering wortelt expliciet in een personalistische antropologie, waarin de mens wordt verstaan als een eenheid van lichaam en ziel, affectiviteit en rationaliteit, vrijheid en relationele ontvankelijkheid. In deze zin sluiten zij aan bij de bredere personalistische stroming zoals die in de twintigste eeuw is uitgewerkt door auteurs als Emmanuel Mounier, Martin Buber en paus Johannes Paulus II, zonder hun werk tot een gesloten filosofisch systeem te reduceren.¹
Centraal staat het inzicht dat de menselijke persoon niet louter zichzelf constitueert door autonomie of prestatie, maar tot zichzelf wordt gebracht in en door bevestigende relatie. Bevestiging is hierbij geen psychologisch hulpmiddel, maar een antropologisch grondgegeven: de persoon heeft relationele erkenning nodig om zijn natuurlijke neigingen ordelijk te integreren en tot innerlijke vrijheid te komen.²
Thomas van Aquino: liefde als oorzaak van groei
Hoewel Terruwe en Baars zelden expliciet scholastiek citeren, vertoont hun denken een diepe structurele verwantschap met de antropologie van Thomas van Aquino. Bij Thomas is liefde (amor) niet primair affect, maar een actus van de wil die het goede van de ander beoogt (velle bonum alteri).³ Deze liefde werkt vormend: zij stelt de ander in staat zijn potenties te actualiseren overeenkomstig zijn natuur.
In dit licht kan bevestigende liefde worden verstaan als een participatie aan de scheppende en onderhoudende liefde van God, waardoor de mens innerlijk wordt geordend. Waar deze liefde ontbreekt of wordt vervangen door conditionele waardering, ontstaat wat Terruwe aanduidt als affectieve onrijpheid. Thomas zelf benadrukt dat de deugden slechts duurzaam kunnen groeien waar de affectiviteit ordelijk is gevormd.⁴
De weerhoudende liefde waar Terruwe en Baars op wijzen, sluit nauw aan bij Thomas’ onderscheid tussen amor concupiscentiae en amor benevolentiae. Bevestiging is geen toe-eigening, maar welwillendheid die de ander vrijlaat.⁵
Vaticanum II: waardigheid, relationaliteit en barmhartigheid
De antropologische grondintuïties van Terruwe en Baars vinden een duidelijke resonantie in het leergezag van het Tweede Vaticaans Concilie, met name in Gaudium et Spes. Het concilie benadrukt dat menselijke waardigheid niet functioneel of maatschappelijk wordt toegekend, maar intrinsiek is, geworteld in de schepping naar Gods beeld.⁶
In nr. 24 van Gaudium et Spes wordt de mens beschreven als een wezen dat zichzelf slechts kan vinden “door de oprechte gave van zichzelf”. Deze formulering biedt een theologisch-antropologische sleutel tot het begrip bevestiging: pas waar de mens zich ontvangen weet, kan hij zichzelf schenken zonder zichzelf te verliezen.⁷
Daarnaast sluit de benadering van Terruwe en Baars nauw aan bij het conciliaire verstaan van barmhartigheid als constitutief voor de zending van de Kerk. Pastoraat en zorg zijn geen technische interventies, maar deelname aan Gods genezende nabijheid tot de gekwetste mens.⁸
Bevestiging, vrijheid en morele rijping
Terruwe en Baars plaatsen bevestiging niet tegenover moraal, maar situeren haar voorafgaand aan morele verantwoordelijkheid. Waar affectieve rijping ontbreekt, wordt morele aanspraak ervaren als overweldigend of destructief. Dit inzicht voorkomt zowel moralisme als permissiviteit.
Hier raakt hun psychologie aan het fundamentele thomistische principe gratia supponit naturam. Genade — en ook morele vorming — kan slechts vrucht dragen waar de natuur voldoende is geordend.⁹ Bevestiging herstelt deze orde niet door dwang, maar door liefdevolle nabijheid.
Bevestiging als deelname aan de Gekruisigde en Verrezen Liefde Jezus Christus (Kruis-criterium)
Een wezenlijk element dat zowel het denken van Terruwe en Baars als de apostolische traditie van de Kerk verbindt, is de centrale plaats die bevestiging inneemt binnen een christologisch geordende antropologie. In hun psychologie is bevestiging geen louter psychologisch hulpmiddel, maar een fundamenteel antropologisch en relationeel gegeven voor iedere vorm van menselijke genezing. Affirmatie betekent hier: het ervaren van eigen waarde, betekenis en ontvankelijkheid binnen een relationele werkelijkheid waarin iemand mag bestaan zoals hij of zij is.
Deze visie is diepgeworteld in een personalistische mensopvatting, waarin het menselijk leven wordt verstaan als een samenhangende eenheid van affectiviteit, verstand, wil en relationele openheid. Deze mensvisie staat op haar beurt in nauwe verwantschap met de thomistische antropologie, waarin redelijkheid en affectieve ordening elkaar wederzijds dragen. In tegenstelling tot reductionistische of technocratische psychologische modellen is bevestiging bij Terruwe en Baars daarom niet primair een techniek, maar een ontvangen woord van waardigheid: de bevestigde mens ervaart dat hij mag bestaan, voelen en verlangen — niet als project, maar als persoon.
Hier ligt het beslissende raakvlak met de Kruis-criteriologie. Binnen de christelijke traditie wordt de waarde en erkenning van de menselijke persoon niet bepaald door prestatie, autonomie of zelfverwerkelijking, maar door de onvoorwaardelijke liefde van God zelf, die zich openbaart en medelijdend nabij komt in Christus aan het kruis. De gekruisigde Christus bevestigt de waardigheid van iedere mens niet omdat deze succesvol, autonoom of krachtig is, maar omdat hij of zij is aanvaard in de barmhartige liefde van de Vader — juist ook in lijden en kwetsbaarheid.
In Gaudium et Spes wordt de mens beschreven als iemand die zichzelf slechts kan vinden “door de oprechte gave van zichzelf”. Deze zelfgave is echter geen vorm van voluntaristische zelfbevestiging, maar veronderstelt een voorafgaande ontvankelijkheid voor liefde die relatie schept. Binnen deze christelijke antropologie weerklinkt de kernintuïtie van Terruwe en Baars: het menselijke hart wordt niet in de eerste plaats genezen door zelfdiscipline of psychologische techniek, maar door de ervaring dat ik — ook in mijn kwetsbaarheid — door God bemind word en tot leven word geroepen. In die zin is affirmatie geen seculiere zelfhulp, maar een ervaringsmatige deelname aan het mysterie van het Kruis, waar God mens werd en zich onherroepelijk met de lijdende mens heeft verbonden.
Hoewel Terruwe en Baars zelden expliciet scholastische teksten citeren, vertonen hun inzichten over liefde, affectiviteit en emotionele rijping een duidelijke resonantie met het thomistische begrip van liefde als amor benevolentiae: liefde die de wil ordent naar het goede van de ander. In christologische vertaling mondt hun psychologie dan ook uit in een participatie aan de liefde van Christus zelf — liefde als oorsprong van groei, genezing en vrijheid. Binnen deze horizon wordt bevestiging normatief bepaald door het Kruis: niet als psychologisch ideaal, maar als de relationele aanwezigheid van God, die de mens bevestigt als beminde persoon, ook — en juist — in zijn gebrokenheid.
Ecclesiologische implicaties
Vanuit kerkelijk perspectief impliceert deze benadering dat ook het pastorale handelen van de Kerk moet worden getoetst aan de vraag of zij bevestigend aanwezig is. In een cultuur waarin zowel therapie als pastoraat dreigen te verworden tot methodiek en protocol, herinnert deze traditie eraan dat innerlijk gezag voortkomt uit liefdevolle waarachtigheid, niet uit beheersing.¹⁰
Bronnenlijst
- Terruwe, A. & Baars, C., Psychic Wholeness and Healing.
- Baars Institute – officiële website en therapie-informatie.
- Institute for Personalist Psychology / House of Hope International (New York).
- Anna Terruwe Museum – publicaties en virtuele bibliotheek.
- Artikelen en interviews van Denise M. Mari op http://www.terruwe.wordpress.com
Voetnoten
- E. Mounier, Le personnalisme, Paris 1949; K. Wojtyła, Osoba i czyn, Kraków 1969.
- A. Terruwe & C. Baars, Psychic Wholeness and Healing, New York 1972, 45–67.
- Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 4.
- Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 59, a. 5.
- Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 1–2.
- Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 12.
- Gaudium et Spes, nr. 24.
- Gaudium et Spes, nr. 22 en 27.
- Thomas van Aquino, Summa Theologiae I, q. 1, a. 8 ad 2.
- Johannes Paulus II, Veritatis Splendor (1993), nr. 95.
Pastoor Geudens, Smakt, 30-1-2026