De laatste jaren van Sint Jozef en zijn sterven

Standaard

Lijden, liefde en voltooiing in Gods nabijheid

1. Christus niet alleen als Verlosser, maar ook als Leraar

Een blijvende geestelijke les voor iedere gelovige is dat Christus niet alleen onze Verlosser is, maar ook onze Leraar. Hij verlost ons door zijn Kruis, maar Hij leert ons ook de weg van het Kruis te gaan. Het Evangelie herinnert ons eraan dat de Messias “moest lijden om zijn heerlijkheid binnen te gaan” (vgl. Lc 24,26).

Wij verlangen terecht naar de vruchten van de verlossing: genade, vergeving en eeuwig leven. Maar het christelijk leven is geen weg zonder deelname aan het lijden. Wie deelt in de glorie, deelt ook in de weg ernaartoe. Heiligheid is niet bewondering op afstand, maar navolging in vertrouwen.

Binnen dit licht wordt ook het sterven van Sint Jozef verstaan.


2. De verborgen heiligheid van Sint Jozef

Sint Jozef wordt in het Evangelie zwijgend voorgesteld. Geen enkel woord van hem is overgeleverd, maar zijn gehoorzaamheid spreekt luid. Hij beschermde Maria, zorgde voor het Kind Jezus, werkte in stilte en aanvaardde zijn roeping zonder voorbehoud.

Volgens de geestelijke traditie – vooral uitgewerkt in de mystieke geschriften van Maria van Ágreda (De Mystieke Stad Gods) – werden de laatste jaren van Jozefs leven gekenmerkt door lichamelijk lijden, maar nog meer door een steeds groeiende innerlijke liefde tot God.

Deze beschrijvingen behoren niet tot de historische kern van het Evangelie, maar vormen een contemplatieve uitwerking van wat de Kerk gelooft over zijn uitzonderlijke heiligheid.


3. Lijden als voltooiing van liefde

De traditie verhaalt dat Jozef in de laatste jaren van zijn leven werd bezocht door ziekte en zwakte. Niet als straf, maar als voltooiing. Zijn ziel werd, zo wordt gezegd, “gezuiverd in de smeltkroes van lijden en goddelijke liefde”.

Hierin weerspiegelt zich een diepe christelijke waarheid: het lijden is niet zinloos wanneer het wordt gedragen in liefde. In Jozef zien wij geen opstand, geen klacht, geen verbittering. Zijn heiligheid ligt niet in uitzonderlijke tekenen, maar in standvastigheid.

De christelijke traditie ziet in hem een man:

  • van geduld zonder bitterheid,
  • van gehoorzaamheid zonder berekening,
  • van liefde zonder zelfzucht.

Zijn lijden werd niet zijn ondergang, maar zijn rijping.


4. Maria en Jezus aan zijn zijde

De overlevering schildert een ontroerend beeld: Maria, de Moeder van de Heer, verzorgt haar echtgenoot met tederheid; Jezus, de Zoon van God, staat hem nabij in zijn laatste dagen.

Ofschoon deze details behoren tot de mystieke meditatie en niet tot het Evangelisch verslag, drukken zij een theologische waarheid uit die door de Kerk wordt beleden: Jozef stierf in de nabijheid van Jezus en Maria.

Daarom wordt hij in de katholieke traditie vereerd als patroon van een goede dood.

Hij stierf:

  • in het gezelschap van de Verlosser,
  • in de vrede van vervulde roeping,
  • in het licht van Gods nabijheid.

5. De dood als overgang in vrede

Volgens de contemplatieve traditie werd zijn sterven niet enkel veroorzaakt door lichamelijke zwakte, maar door een liefde die zijn aardse bestaan had voltooid. Deze uitdrukking – “sterven uit liefde” – moet niet biologisch worden verstaan, maar geestelijk: zijn leven had zijn doel bereikt.

In theologische zin betekent dit:

  • De dood is voor de rechtvaardige geen nederlaag.
  • Zij is overgang.
  • Zij is voltooiing van een levensweg in trouw.

De Kerk heeft dit intuïtief verstaan. Pausen hebben Jozef herhaaldelijk voorgesteld als voorbeeld van verborgen heiligheid. Zo onderstreepte Paus Pius IX zijn universele betekenis door hem in 1870 uit te roepen tot Patroon van de Universele Kerk.


6. Wat leert zijn sterven ons?

Het sterven van Sint Jozef leert ons drie dingen:

1. Heiligheid is verborgen trouw.
Geen grote woorden, maar dagelijkse gehoorzaamheid.

2. Lijden kan vruchtbaar worden in liefde.
Wie lijdt in verbondenheid met Christus, verliest niet, maar wordt gevormd.

3. Een goede dood is genade.
Niet afwezigheid van zwakte, maar aanwezigheid van God.

Jozef is geen figuur van dramatische wonderen. Hij is de man van de stilte, de arbeid, de zorg en het vertrouwen. Zijn laatste jaren openbaren geen spektakel, maar verdieping.


7. Besluit

In de laatste jaren van Sint Jozef zien wij geen heroïek in wereldse zin, maar het rijpen van een ziel die geheel aan God toebehoorde.

Zijn dood is geen episode van tragiek, maar een vredige voltooiing.

Hij stierf zoals hij leefde:
in stilte,
in gehoorzaamheid,
in liefde.

En daarom bidt de Kerk tot hem met vertrouwen:

“Heilige Jozef, patroon van een zalige dood, bid voor ons.”

Bron: Greeth’s Blog, greeth.wordpress.com

Uit Liefde geschapen, door Liefde verlosten

Standaard

Uit Liefde geschapen, door Liefde verlosten

Het geheim van de Drie-ene God, de zondeval en de verlossing in Jezus Christus


Samenvatting

Deze studie ontvouwt het innerlijk verband tussen het mysterie van de Heilige Drie-Eenheid, de zondeval en de verlossing. Uitgangspunt is het goddelijk inwendig leven zelf: God is kennen en beminnen.1 De Vader kent Zichzelf volkomen in het Woord, de Zoon,2 en de Vader en de Zoon beminnen elkaar in de Heilige Geest.3 Schepping is daarom geen noodzaak, maar vrije uitstroming van goddelijke liefde.4

De mens wordt geschapen in vriendschap met God,5 geroepen tot gehoorzaamheid als vrije erkenning van zijn afhankelijkheid.6 In de zondeval wordt deze bovennatuurlijke orde verbroken;7 door moedwillige ongehoorzaamheid verliest de mens de heiligmakende genade.8 De erfzonde wordt verstaan als een toestand van gemis — het ontbreken van deelname aan Gods leven — met gevolgen die de menselijke natuur verwonden, maar niet vernietigen.9

Het mysterie van de solidariteit in Adam opent echter het perspectief van een diepere solidariteit in Christus.10 Wat in één mens verloren ging, wordt in één mens hersteld.11 De menswording van het Woord openbaart een goddelijk raadsbesluit waarin rechtvaardigheid en barmhartigheid elkaar niet opheffen, maar elkaar verhelderen.12 Christus’ gehoorzaamheid tot in de kruisdood herstelt de weigering van Adam;13 zijn offer is innerlijke overgave.14 In Hem wordt de zonde overwonnen door liefde.15

De verlossing is daarom niet slechts juridisch herstel, maar nieuwe schepping.16 In geloof en sacrament wordt de mens opnieuw ingevoegd in het leven van de Drie-ene God.17 Het einddoel is deelname aan het goddelijk leven.18 Zo blijkt de hele heilsgeschiedenis één beweging van liefde.


Het geheim van de Heilige Drie-Eenheid, de zondeval en de verlossing

Het geheim van de Heilige Drie-eenheid is het geheim van Gods inwendig leven: goddelijke kennis en goddelijke liefde. In God is kennen en beminnen niet iets bijkomstigs, maar Zijn eigen goddelijke werkelijkheid: de Vader kent Zichzelf volkomen in het Woord, de Zoon; en de Vader en de Zoon beminnen elkaar in de Heilige Geest. God is niet alleen liefde in Zijn daden, maar liefde in Zijn wezen.

Deze liefde bleef echter niet opgesloten binnen Gods goddelijk Wezen. Zij drong als het ware naar buiten, niet uit nood, maar uit overvloed. God wilde scheppen: engelen, mensen en de wereld waarin de mens kon leven. Schepping is daarom niet een toevallige daad, maar een vrije uitdrukking van goddelijke goedheid: God deelt zijn bestaan mee, omdat Hij goed is.

De mens werd geschapen in vriendschap met God, in een staat van genade: als schepsel, maar tegelijk als kind dat mag delen in Gods leven. Toch stond deze vriendschap niet los van een roeping: de mens moest God gehoorzamen. Niet als slaaf, maar als vrije persoon die zijn plaats erkent tegenover de Schepper. Gehoorzaamheid was geen vernedering, maar de juiste bovennatuurlijke houding van de mens: leven in vertrouwen, ook wanneer niet alles begrepen wordt.

Maar de mens heeft tegen deze gehoorzaamheid gezondigd. Hij verloor daardoor Gods vriendschap, en met hem verloor het menselijk geslacht het bovennatuurlijke leven. Zo werden zijn nakomelingen geboren buiten de oorspronkelijke vriendschap met God. Dat is wat de Kerk erfzonde noemt.


§ 1. Zondeval en erfzonde

Het feit van de val van de mens wordt in Genesis 3 kort, sober en tegelijk psychologisch verteld. Er is een verleiding van buitenaf: de duivel zet aan tot zonde, want door hem — aldus de Schrift — kwamen geestelijke en natuurlijke dood in de wereld. Hij houdt de verboden vrucht voor aan de vrouw; zij plukt en eet, en geeft ook aan haar man, die bij haar stond. Ook hij eet.

Dan “gaan hun de ogen open”. Zij ervaren het bittere en smadelijke van hun daad: teleurstelling, schaamte, en vooral een innerlijke ontregeling. De oorspronkelijke harmonie is verstoord. Zij merken dat zij naakt zijn: niet alleen lichamelijk kwetsbaar, maar innerlijk ontmaskerd en ontredderd.

De eerste mens zondigde moedwillig en vrijwillig. Hij werd niet gedreven door een onbedwingbare zwakheid of louter hartstocht, maar hij weigerde God de fundamentele onderwerping die bij het geschapen-zijn hoort. Hij wist wat hij deed: hij weigerde precies datgene wat God vroeg, namelijk vertrouwen en gehoorzaamheid. Daarom is deze zonde in haar kern een zonde van hoogmoed: een principiële weigering van de bovennatuurlijke houding van de mens. Adam had in geloof moeten blijven aanvaarden wat hij niet inzag.

Onmiddellijk roept God de mens, die zich tussen de bomen verbergt. Hij vraagt rekenschap. In het gesprek blijkt reeds de kleinheid van de mens die uit zijn eerste adel gevallen is: hij schuift de schuld af. De mens en zijn vrouw verliezen door deze opstand de heiligmakende genade, dat wil zeggen: de vriendschap met God. Dit drukken wij uit door te zeggen dat zij het bovennatuurlijke leven verliezen: de deelname aan Gods inwendig leven.

Ook verschijnen de gevolgen en straffen: de vrouw draagt het lijden van het baren en de kwetsbaarheid in de verhouding tussen man en vrouw; de man draagt de moeizame arbeid “in het zweet van zijn aanschijn” tot hij terugkeert tot de aarde. De lichamelijke onsterfelijkheid verdwijnt. God verjaagt beiden uit de tuin: de oorspronkelijke gaafheid en het aardse geluk zijn weg. Gods liefde kan de mens, in deze toestand van opstand, niet bevestigen in de vriendschap zoals tevoren.

En toch laat God de mens niet aan zijn lot over. In raadselachtige woorden kondigt Hij een blijvende vijandschap aan tussen de slang en de vrouw, tussen de slang en haar nageslacht, en dat één uit dit nageslacht uiteindelijk de kop van de slang zal verpletteren. Ook daarin spreekt providentiële zorg: God maakt zelfs kleding van huiden voor de mens en zijn vrouw. Een klein detail, maar betekenisvol: het wijst op een plan dat niet vernietiging is, maar redding.


De erfzonde als toestand

Deze eerste zonde beslist over het lot van het menselijk geslacht. Wat Adam verloor, missen wij. Hij bracht niet alleen schade toe aan zichzelf, maar ook aan ons. Hij berooft zichzelf en ons van Gods vriendschap. Daarom zegt de Schrift in de taal van het geloof dat wij “in ongerechtigheid geboren” zijn en “in zonde ontvangen”.

Dat roept bij het menselijk rechtvaardigheidsgevoel verzet op: waarom zouden wij moeten dragen wat de eerste mens misdeed? Hoe kan God dit toelaten? Hier raken wij aan een mysterie dat het verstand niet kan bewijzen. De openbaring legt het vast, en het geloof aanvaardt het. Paulus verwoordt dit kernachtig in Romeinen 5: door één mens kwam de zonde in de wereld en door de zonde de dood, en zo ging de dood over alle mensen.

Paulus redeneert: de dood is algemeen; niet allen hebben persoonlijk een bewuste zonde begaan, maar allen sterven. Die gemeenschappelijke dood vraagt een gemeenschappelijke oorzaak: een gemeenschappelijke zonde, overgeërfd van Adam. Het belangrijkste is zijn klare vaststelling: door de ongehoorzaamheid van één zijn velen zondaars geworden.

Wat is erfzonde dan precies? Het is geen persoonlijke, door mij gewilde afwijking van Gods wet. Het is een toestand: het gemis aan de heiligmakende genade waarmee Adam geschapen was. Het is als het ware een “dood van de ziel”: geen vernietiging van de natuur, maar een breuk met God. Vanuit dat gemis vloeien de gevolgen voort: innerlijke wanorde, strijd, lijden en dood.

Daarom moeten we de gevolgen niet overdrijven. Ja: ons verstand is verduisterd, onze wil verzwakt, de hartstochten zijn onrustig, het lichaam is op weg naar de dood en wordt geteisterd door ziekte, arbeid en pijn. Ook menselijke gemeenschappen worden ondermijnd door egoïsme. Maar: de natuur is gewond, niet gestorven. Neiging tot zonde is niet totale bedorvenheid. Er blijft neiging tot het goede, er blijft vrijheid en verantwoordelijkheid, en er blijft een rusteloos zoeken naar God.

Waarom God de mensheid zo verbond met haar stamvader blijft een geheim. Maar dit geheim staat in verband met een ander feit: de gemeenschap van verlossing. Zoals wij “in Adam” in een reële solidariteit vallen, zo staan wij “in Christus” op. Gemeenschap van verlossing veronderstelt gemeenschap van schuld. Dat neemt het mysterie niet weg, maar het maakt duidelijk dat God de mensheid niet enkel als losse individuen ziet, maar ook als een samenhangend geheel.

Dit geheim tast Gods rechtvaardigheid en liefde niet aan. Hier is geen beroving van een recht: de deelname aan Gods leven was genade, geschenk, niet iets wat de mens kon opeisen. Wat de mens als mens kan eisen — zijn natuur, zijn menselijke waardigheid, zijn vrijheid — bleef. En juist in het oordeel over de zonde blijkt ook Gods liefde: Hij laat de mens voelen wat verloren is, opdat in hem het verlangen naar redding wakker wordt.

Voor de gelovige blijft Gods raadsbesluit uiteindelijk een geheim van liefde. Daarom durft de Kerk in de Paasnacht zingen: felix culpa, gelukkige schuld, omdat zij aanleiding werd tot zo’n grote Verlosser.


§ 2. Menswording en verlossing

1. Noodzakelijkheid van verlossing

Na de val zwierf de mens rond op aarde: met een verduisterd verstand, een verzwakte wil, een ontwrichte natuur en de onafwendbaarheid van de dood. Verlossing was bitter nodig. Maar alleen God kon verlossen. De mens kon zichzelf niet oprichten, want de zonde is in wezen een belediging van Gods Majesteit: en de zwaarte van een belediging wordt afgemeten aan de waardigheid van degene die beledigd wordt. Gods waardigheid is oneindig; daarom draagt de zonde, hoe eindig ook in haar menselijke daad, een ernst die de mens niet uit eigen kracht kan “goedmaken” door een voldoening die in verhouding staat tot God.

God had eenvoudig kunnen vergeven door een besluit van zijn wil. Maar Hij wilde het op een wijze die tegelijk barmhartigheid én rechtvaardigheid openbaart. In zijn raadsbesluit verlangde God een verzoening die in verhouding staat tot de belediging: een oneindige, goddelijke verdienste. Tegelijk moest die verzoening werkelijk “van de mens” komen, omdat de mens gezondigd had. Wat Gods rechtvaardigheid vraagt, geeft Gods liefde: God besluit dat zijn Zoon mens wordt. Als mens kan Hij namens de mens gehoorzamen en verzoenen; als God heeft zijn daad oneindige waarde.

Zo kan de mensheid, die in haar geheel in één mens gezondigd heeft, ook in haar geheel in één mens verlost worden.

2. Menswording

Het centrum van de christelijke belijdenis is het geheim van de menswording: “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Het Woord — de Zoon van God — wordt één Persoon met een menselijke natuur. Het christendom staat of valt hiermee: Jezus Christus is werkelijk God én volkomen mens. Zijn mensheid is geen schijn; zij is de weg waardoor God tot ons nadert en ons redt.

De Schrift toont beide: Christus eigent zich goddelijke voorrechten toe (zoals het vergeven van zonden), kent de Vader op unieke wijze, is één met Hem; tegelijk leeft Hij als echte mens: Hij werkt, wordt moe, heeft medelijden, bidt, lijdt, sterft en wordt begraven. De Kerk drukt dit uit in haar geloof: één goddelijke Persoon bezit twee naturen, de goddelijke en de menselijke, onvermengd in één Persoon.

De menswording geschiedt door de Heilige Geest, zoals Lucas verhaalt in de Annunciatie. Maria antwoordt: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.” En Paulus vat de weg van de Zoon samen in Filippiërs 2: Hij ontledigt zich, neemt de gestalte van een slaaf aan, wordt gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood aan het kruis; en daarom wordt Hij door God verheven.

3. De reden van de menswording

Waarom wordt God mens? In de eerste plaats om zijn goddelijke liefde te openbaren. De God-mens is het onweerstaanbare teken van de onzichtbare liefde. En omdat liefde rekening houdt met de concrete toestand van degene aan wie zij zich geeft, is in die liefde het onmiddellijke doel opgenomen: verlossing.

God had de mensheid anders kunnen redden. Maar Hij wilde méér: de Zoon verkondigt de waarheid, sticht een Rijk, openbaart Gods heiligheid en barmhartigheid zichtbaar, en wordt een voorbeeld voor alle tijden. In Christus wordt verlossing een “nieuwe schepping”, een herstel dat rijker is dan de eerste toestand: waar de zonde overvloedig werd, werd de genade nog overvloediger.


De Verlosser en zijn verlossing

De zonde is in haar kern een weigering om God te dienen: een afkeer van Gods wil. Christus herstelt dit door een leven van volkomen gerichtheid op de Vader: “Mijn spijs is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft.” Elke daad van Christus draagt verlossende waarde, want zij is de gehoorzaamheid van een mens die tegelijk God is.

Toch is het verlossingswerk niet voltooid zonder kruis en dood. Christus zelf zegt in het uur van de dood: “Het is volbracht.” De Schrift leert dat juist in zijn offerdood de verlossing voltrokken wordt. Johannes de Doper noemt Hem “het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt”. Paulus wil niets anders weten dan “Jezus Christus en Dien gekruisigd”. Petrus spreekt over het kostbaar bloed waardoor wij zijn vrijgekocht.

Het kruis is geen toevallig einde van een mooi leven. Het behoort tot de kern van de verlossing. Maar dit mag niet misverstaan worden alsof God “bloed moest zien” voordat Hij kon vergeven. Christus is niet tegen zijn wil in het lijden ingeduwd. Hij aanvaardt het vrijwillig. Hij ondergaat niet alleen, Hij offert: liefdevolle gehoorzaamheid maakt het kruis tot verlossende daad. Zoals de graankorrel moet sterven om vrucht te dragen, zo wordt zijn dood bron van leven.

Christus’ kruisoffer is een waarachtig offer, omdat het wezen van elk offer bestaat in innerlijke overgave aan God. Het uitwendige sterven drukt uit wat innerlijk gebeurt: Christus stelt zichzelf, zijn leven, zijn lichaam en bloed beschikbaar aan de Vader. Hij is tegelijk priester en offergave, offeraar en offerande. Zo plaatst Hij tegenover Adams ongehoorzaamheid een volstrekte gehoorzaamheid; tegenover weigering van liefde een totale zelfgave; en daardoor eert Hij God op de hoogste wijze en openbaart Hij tegelijk Gods liefde voor ons.

Daarom is verlossing uiteindelijk méér een geheim van liefde dan een wiskundig schema van recht.


De vrucht van de verlossing

Wat werkt Christus’ verlossing uit in de mens? Zij bevrijdt van schuld en opent de weg tot herstel van de genadestaat. In geloof en doopsel, door liefde bezield, wordt zijn dood vruchtbaar in ons: reiniging, verzoening, hernieuwde vereniging met de Vader. De boze machten kunnen ons slechts aanranden voor zover wij instemmen; en al blijft de spanning tussen geest en vlees bestaan, zijn voorbeeld en de genade die Hij verdiende staan ons terzijde.

Door zijn verrijzenis heeft Hij bovendien de dood overwonnen: wij zullen eenmaal met Hem verrijzen. Dan wordt de verlossing voltooid: lichaam en ziel bestemd voor onvergankelijk leven. “Waar de zonde overvloedig werd, werd de genade nog overvloediger.”

Niemand is uitgesloten. Hij is gestorven “als losgeld voor allen”. Voor de doden vóór zijn komst opent Hij de bevrijding; aan hen na zijn komst deelt Hij zijn verlossingskracht mee door geloof en sacramenten. Hij is de oorzaak van eeuwige zaligheid: de Zaligmaker van alle mensen.


Christus: Priester, Leraar en Koning

De Verlosser is Jezus Christus: “Jezus” betekent Heiland; “Christus” betekent Gezalfde. In Hem ontmoeten wij de Middelaar: Hij verkondigt Gods waarheid, deelt Gods leven mee, maakt ons kinderen van de Vader en schenkt de Heilige Geest.

Als God-mens is Hij Priester: door zijn unieke offer eenmaal en voorgoed. In de hemel blijft Hij het Lam voor Gods troon en onze Voorspreker: in zijn Naam mogen wij vragen en ontvangen, omdat zijn bloed de weg tot het heiligdom geopend heeft.

Als God-mens is Hij Leraar: het Licht der wereld. Hij spreekt met gezag, openbaart de Bergrede als levensprogram, en geeft het hoogste voorbeeld: zachtmoedigheid en nederigheid van hart. Hij onderwijst niet alleen met woorden, maar met zijn leven.

Als God-mens is Hij Koning: niet naar wereldse maat, maar als Heer van het innerlijk rijk der zielen. Zijn Rijk is niet van deze wereld, en toch is alles aan Hem onderworpen. Hij regeert uit liefde: als herder die zijn leven geeft voor de kudde. Op het einde der tijden zal Hij rechter zijn; wie de liefde afwees, zal de waarheid moeten erkennen, maar wie in het licht geleefd heeft, ontvangt de kroon: de aanschouwing van God, waarin de verlossing voltooid is.

Dan pas zijn wij in volle zin: verlost.


Slotbeschouwing

Wanneer wij het geheel overzien, wordt duidelijk dat het christelijk geloof geen verzameling losse leerstukken is, maar één organisch mysterie van liefde.

Het begint niet bij de zonde, maar bij God. Niet bij schuld, maar bij overvloed. De Drie-ene God is volkomen gelukzaligheid in Zichzelf. Schepping is gave. De mens wordt niet geschapen om een tekort in God te vullen, maar om te delen in zijn overvloed.

De zondeval is daarom des te tragischer: zij is geen kleine misstap, maar een weigering van vertrouwen. Toch blijft zelfs in het oordeel de liefde werkzaam. De geschiedenis wordt niet afgesloten in Genesis 3. Zij opent zich naar Christus.

In Jezus Christus verschijnt niet alleen een hersteller van orde, maar de openbaring van Gods hart. Het kruis is het diepste antwoord op de hoogmoed van Adam: waar de mens zei “niet Uw wil”, zegt Christus “Uw wil geschiede”. Hier wordt duidelijk dat verlossing méér is dan rechtzetting; zij is zelfgave. De gehoorzaamheid van de Zoon herstelt de mens niet alleen juridisch, maar existentieel.

Zo loopt de lijn van de Drie-eenheid naar de schepping, van schepping naar val, van val naar kruis, en van kruis naar verrijzenis en verheerlijking. Wat begon als uitstroming van liefde, eindigt in terugkeer tot liefde. De mens wordt niet slechts teruggebracht naar het begin, maar opgeheven tot een hogere deelname: kindschap in de Zoon.

Daarom durft de Kerk zingen: felix culpa. Niet omdat de zonde goed was, maar omdat Gods liefde groter bleek dan de breuk.

Het laatste woord is niet dood, maar leven.
Niet schuld, maar genade.
Niet breuk, maar gemeenschap.

En zo eindigt alles waar het begon: in het eeuwige leven van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest — waarin de verloste mens mag delen.


Voetnoten

  1. 1 Joh. 4,8 – “God is liefde.”
  2. Joh. 1,1 – “In het begin was het Woord.”
  3. Joh. 15,26; Rom. 5,5.
  4. Ps. 33,6-9; Gen. 1.
  5. Gen. 1,26-27.
  6. Deut. 30,19-20.
  7. Gen. 3,1-7.
  8. Rom. 5,12.
  9. Pred. 7,29; Rom. 7,18-23.
  10. Rom. 5,12-19.
  11. 1 Kor. 15,21-22.
  12. Rom. 3,25-26.
  13. Fil. 2,8.
  14. Hebr. 9,14.
  15. Joh. 3,16.
  16. 2 Kor. 5,17.
  17. Rom. 6,3-5.
  18. 2 Petr. 1,4.
  19. Wijsh. 2,24.

Pastoor Geudens, Smakt, 16 februari 2026

Dora Visser – Levensschets Deel 3

Standaard

Dora Visser – Levensschets Deel 3

door pastoor Geudens, webmaster doravisser.org

Samenvatting

Deze studie biedt een integrale theologisch-antropologische lezing van de levenshoofdstukken van Dorothea (Dora) Visser in het licht van haar kruistheologie en kruisspiritualiteit. Niet de buitengewone fenomenen vormen het interpretatieve centrum, maar de Gekruisigde Christus als hermeneutische norm voor waarheid, menswaardigheid en ecclesiale verbondenheid (vgl. 1 Kor. 1,18–25).

Het leven van Dora wordt gelezen als een consequente existentiële concentratie op het primaat van de Gekruisigde. Het kruis verschijnt bij haar niet als emotioneel symbool, noch als mystiek spektakel, maar als openbaringsplaats van Gods zelfgevende Liefde. Daar wordt zichtbaar dat waardigheid niet voortvloeit uit autonomie of nut, maar uit goddelijke gewildheid; dat liefde ontlediging is; en dat de Kerk leeft uit de geopende zijde van Christus.

De biografische hoofdstukken (1859 e.v.) tonen hoe deze kruistheologie concreet gestalte krijgt in historische gebeurtenissen. Het conflict rond een voorgenomen overplaatsing van haar geestelijk begeleider openbaart de spanning tussen menselijk gezag en goddelijke voorzienigheid. Dora’s herhaalde uitspraak — “nog niet de wil van Jezus” — functioneert niet als verzet tegen kerkelijk gezag, maar als onderscheiding binnen gehoorzaamheid. Het eerste besluit wordt uitgesteld; een latere overplaatsing blijkt zending. Zo wordt zichtbaar dat het kruis ook een ecclesiale toetssteen is: menselijke impuls en goddelijke leiding moeten onderscheiden worden zonder het gezag te ontkennen.

De waarschuwing tijdens de reis en de bescherming tegen een fataal ongeluk illustreren een tweede dimensie van haar spiritualiteit: voorzienigheid werkt via kleine gehoorzaamheid. Het kruis openbaart zich niet in spektakel, maar in stille bewaring. Bescherming wordt geen triomf, maar een verborgen bevestiging van zending.

Het hoofdstuk over de ontheiligde Hostie vormt het sacramentele zwaartepunt. Hier verschijnt de strijd rond het Allerheiligste als geestelijke kern van de gebeurtenissen. Bekering, eerherstel en verwondering rond de blijvende intactheid van de Hostie worden niet apologetisch uitgebuit, maar in eerbiedige terughoudendheid beschreven. Theologisch wordt dit gelezen binnen de eucharistische diepte van haar kruisspiritualiteit: het Paasmysterie blijft tegenwoordig in de Kerk. Het kruis is geen verleden feit, maar sacramentele tegenwoordigheid.

Dora’s lichamelijk lijden, inclusief de overgeleverde stigmata, wordt in deze studie niet geïsoleerd als fenomeen, maar verstaan als participatie aan Christus’ zelfgave. Het lichaam wordt geen object van sensatie, maar plaats van betekenis. Lijden wordt niet geromantiseerd en niet gezocht; het wordt gedragen. Deze nuance beschermt tegen spiritualisering van pijn. Het christelijk geloof verheerlijkt het lijden niet, maar verkondigt dat liefde sterker is dan lijden.

De aangekondigde genezing van haar ongeneeslijk geachte wond — met concrete termijn (Driekoningen) — wordt in samenhang gelezen met het conflict rond het kerkelijk besluit. Indien haar dood was ingetreden, zou haar reputatie onaangetast zijn gebleven; de genezing opent daarentegen een periode van beproeving en wantrouwen. Zo wordt zichtbaar dat het kruis ook de vorm van reputatieverlies en misverstand kan aannemen. Waarheid openbaart zich niet in publieke bevestiging, maar in volgehouden trouw.

Een bijzonder cruciaal hoofdstuk betreft de beperking van haar frequente Communie. Voor Dora, wier leven eucharistisch gecentreerd was, betekende dit een diep innerlijk lijden. Toch verwoordt zij een theologisch rijpe houding: liever zelden mét Gods wil dan vaak tégen Gods wil. Hier bereikt haar kruisspiritualiteit haar zuiverste vorm: gehoorzaamheid boven eigen troost. Het kruis wordt innerlijke vrijheid.

In haar gebed voor paus Pius IX en de Kerk verschijnt een uitgesproken ecclesiale gerichtheid. Politieke gebeurtenissen worden geestelijk geduid als strijd rond Petrus. Haar lijden wordt niet individualistisch verstaan, maar als participatie binnen het Lichaam van Christus (vgl. Kol. 1,24), zonder ooit het unieke verlossingswerk van Christus te relativeren. Participatie blijft afgeleid; het kruis blijft uniek.

De mariale dimensie verdiept deze ecclesiologische situering. Maria onder het kruis — blijvend, ontvangend, vertrouwend — vormt het type van Dora’s innerlijke gestalte. Maria wordt geen ornament, maar beeld van de Kerk die onder het kruis staat. Zo wordt Dora’s verborgen leven ecclesiale realiteit.

Het Paasmysterie vormt de horizon van het geheel. Het kruis wordt nooit losgemaakt van de verrijzenis. Zonder verrijzenis zou haar bestaan tragisch zijn; binnen de verrijzenis wordt het doorgang. Zwakheid wordt plaats van goddelijke kracht; verlies wordt vruchtbaarheid (vgl. Joh. 12,24). Haar sterven wordt voltooiing van een reeds geschonken leven.

Antropologisch mondt deze lezing uit in een cultuur van leven:
geen lichaam is waardeloos,
geen kwetsbaarheid ontneemt waardigheid,
geen verborgen bestaan is zonder betekenis.

In een cultuur die waarde koppelt aan autonomie en maakbaarheid, verschijnt Dora’s leven als profetische correctie. Menselijke waardigheid gaat vooraf aan prestatie. Het kruis openbaart dat God zich juist verbindt met het meest breekbare bestaan.

Samenvattend toont deze studie dat de kruistheologie en kruisspiritualiteit van Dora Visser bestaan uit een verborgen, eucharistisch en mariaal leven waarin de Gekruisigde Christus bron en norm is van menselijke waardigheid, gehoorzaamheid, ecclesiale trouw en hoop. Haar leven vormt geen mystiek spektakel, maar een stille profetie: het kruis als dagelijkse werkelijkheid, gedragen in vertrouwen, voltooid in de Verrijzenis.

Inhoudsopgave

Hoofdstuk I

Het aangekondigde besluit en de hemelse tegenspraak (1859)

In dit hoofdstuk staat het conflict centraal tussen een kerkelijk besluit tot overplaatsing en de herhaalde mededeling dat dit besluit “nog niet de wil van Jezus” was. Dora ontvangt in visioenen en extases boodschappen waarin zij te horen krijgt dat de aartsbisschop uit ongeduld en toorn heeft gehandeld. De verschijningen — later door haar herkend als de heilige Alphonsus de Liguori en Onze Lieve Vrouw — bevestigen dat het besluit voorlopig geen uitvoering zal krijgen.

De kern van dit hoofdstuk is niet louter een voorspelling die uitkomt, maar de spanning tussen menselijk gezag en goddelijke voorzienigheid. Het kerkelijk gezag blijft geldig en eerbiedwaardig, maar menselijke zwakheid — ongeduld, verkeerde informatie — kan een besluit vertroebelen. Volgens het relaas wordt het eerste besluit daarom door God verijdeld.

Wanneer uiteindelijk wél een overplaatsing volgt, blijkt deze anders van aard: zij maakt blijvende pastorale nabijheid mogelijk. Daarmee wordt de eerdere uitspraak bevestigd: het eerste besluit was “nog niet” Gods wil.

Het hoofdstuk benadrukt:

  • de onderscheiding tussen menselijke impuls en goddelijke leiding;
  • Dora’s innerlijke zekerheid te midden van uiterlijke onzekerheid;
  • de geleidelijke openbaring van Gods bedoeling in de tijd.

Hoofdstuk II

De waarschuwing onderweg: bescherming tegen het ongeluk

Kort voor het definitieve vertrek ontvangt Dora in extase een ogenschijnlijk eenvoudige aanwijzing: de priester moet onderweg zoveel mogelijk achterover zitten. Pas tijdens de reis wordt duidelijk waarom.

Een gewelddadige botsing met een dolle turfwagen had gemakkelijk fataal kunnen aflopen. Doordat hij Dora’s raad opvolgde, werd de priester niet uit de wagen geslingerd. Het paard bleef op onverklaarbare wijze kalm; ernstige verwondingen bleven uit.

Later blijkt dat de bestuurder bekendstond om zijn gewelddadige aard en zelfs opschepte over het moedwillig omverrijden van een wagen. Een jaar later komt hij zelf onder zijn wagen om.

Dora duidt het gebeuren geestelijk: het was een poging van het kwaad om de komst van de priester naar een moreel ontwrichte parochie te verhinderen. Maria zou bescherming hebben verleend.

De samenvattende kern van dit hoofdstuk:

  • Voorzienigheid werkt soms via kleine gehoorzaamheid (een simpele houding in de wagen).
  • Bescherming is geen spektakel, maar stille bewaring.
  • De overplaatsing blijkt niet straf, maar zending.

Hoofdstuk III

De ontheiligde Hostie en haar terugkeer

Dit omvangrijke hoofdstuk beschrijft een heiligschennis en het herstel ervan.

Een jonge vrouw, beïnvloed door spot en ongeloof, ontvreemdt bewust een geconsacreerde Hostie om deze te tonen aan protestantse kennissen. De Hostie wordt bewaard in een zakdoek, bespot, gedeeltelijk aangeraakt en geproefd. Maandenlang blijft zij onaangetast.

Na innerlijke onrust bekent de vrouw haar daad. De Hostie wordt eerbiedig in water en azijn gelegd om volgens kerkelijk advies te worden ontbonden. Tegen de verwachting in lost zij maandenlang niet op. Vervolgens verdwijnt plotseling alle vloeistof uit het glas, terwijl de Hostie droog achterblijft. Vier jaar blijft zij onveranderd bewaard, tot uiteindelijk natuurlijke ontbinding optreedt.

De theologische kernpunten:

  • Ernst van heiligschennis.
  • Bekering als weg van herstel.
  • Mysterie van de werkelijke tegenwoordigheid.
  • Voorzichtigheid in interpretatie: er worden geen stellige conclusies getrokken, slechts verwondering en eerbied uitgesproken.

Dit hoofdstuk vormt het spirituele hart van het verhaal: de strijd om het Allerheiligste en de herstelling van eerbied.


Hoofdstuk IV

Dora’s gebed voor Kerk en paus

Dora, ongeletterd en zonder politieke kennis, spreekt herhaaldelijk over paus Pius IX, over Napoleon III en over de toestand van de Kerk. Zij duidt politieke verwikkelingen als geestelijke strijd.

Zij benadrukt:

  • het lijden van Pius IX;
  • bedreigingen tegen de paus;
  • noodzaak van gebed voor priesters;
  • gevaar van lauwheid en moedeloosheid.

Haar woorden vallen vóór en rond de vrede van Villafranca (1859) en de latere vervolgingen in Italië. Zij beschouwt Pius IX als een “Petrus in geloof en Johannes in liefde.”

De langere samenvatting toont:

  • Dora’s betrokkenheid bij de universele Kerk;
  • de nadruk op gebed als bescherming van Petrus;
  • een mariale dimensie: Maria beschermt haar “Petrus”.

Het accent ligt niet op politieke analyse, maar op geestelijke interpretatie.


Hoofdstuk V

De ongeneeslijke wond en de aangekondigde genezing

Dora leed sinds haar jeugd aan een ernstig aangetaste wond aan het been. Artsen verklaarden genezing onmogelijk. De pezen waren aangetast; natuurlijke herstelling uitgesloten.

Toch wordt weken tevoren aangekondigd:

  • volledige genezing van het been;
  • geleidelijk ophouden van het bloeden uit de wondtekenen;
  • een uiterste termijn: het feest van Driekoningen.

De genezing wordt verbonden met de eerdere voorspelling dat de overplaatsing nog niet Gods wil was. Was Dora destijds gestorven, dan zou haar reputatie onaangetast zijn gebleven. Door haar herstel begon echter een periode van beproeving.

De samenvatting onderstreept:

  • langdurige medische ongeneeslijkheid als achtergrond;
  • de aankondiging van exacte timing;
  • genezing als mogelijk teken ter bevestiging.

Hoofdstuk VI

De strijd rond de heilige Communie

De frequente Communie van Dora wordt door sommigen als verdacht voorgesteld. Jaloezie en verkeerde voorstelling leiden ertoe dat de aartsbisschop het bezoek van haar biechtvader beperkt en de Communie reduceert tot eens per veertien dagen.

Voor Dora is dit een zwaar kruis. Zij kan door haar been nauwelijks naar de kerk gaan; de Communie is haar grootste vreugde. Toch zegt zij:

“Liever eenmaal per maand mét zijn heilige wil dan elke dag tégen zijn heilige wil.”

Deze houding toont haar geestelijke rijpheid: gehoorzaamheid boven eigen troost.

De kern van dit hoofdstuk:

  • Misverstand binnen kerkelijke structuren;
  • Gehoorzaamheid als innerlijke vrijheid;
  • Communie als centrum van haar leven en gebed voor de Kerk.

Hoofdstuk VII

Het beslissende onderhoud met de aartsbisschop

Het gesprek tussen de priester en de aartsbisschop verloopt aanvankelijk vriendelijk, maar wordt door ongeduld en tijdsdruk verstoord. Het besluit tot overplaatsing wordt uitgesproken.

Dora weet dit reeds vóórdat het haar wordt verteld. Zij ontvangt de mededeling in visioen: de aartsbisschop handelde in drift; het is “nog niet de wil van Jezus”.

Hier komt een centraal motief samen:

  • Menselijke emotie in gezag.
  • Hemelse tussenkomst die niet dwingt, maar het besluit tijdelijk opschort.
  • Belofte van genezing als teken.

Het uitblijven van de onmiddellijke uitvoering sterkt het vertrouwen in Dora’s woorden.


Hoofdstuk VIII

De vastgestelde termijn: naar Driekoningen

Ongeveer twee weken na 7 oktober 1859 wordt de uiterste datum van genezing meegedeeld: Driekoningen. Tevens wordt aangekondigd dat het bloeden nog enkele keren zal terugkeren en daarna zal ophouden.

Hier eindigt deze fase van het relaas met:

  • een concreet tijdskader;
  • een bevestiging van vertrouwen;
  • een spanning tussen verwachting en vervulling.

De gebeurtenissen vormen samen één groot geheel: overplaatsing, bescherming, herstel van eerbied voor het Sacrament, gebed voor de paus, genezing en bevestiging.


Overkoepelende langere samenvatting van het geheel

Het volledige verhaal beschrijft een periode (1859 e.v.) waarin:

  • kerkelijk gezag en mystieke ervaring elkaar raken;
  • menselijke zwakheid en goddelijke voorzienigheid samen optreden;
  • strijd rond het Allerheiligste centraal staat;
  • gebed voor paus en priesters een sleutelrol speelt;
  • lijden, gehoorzaamheid en genezing elkaar doorkruisen.

De kernboodschap is niet sensatie, maar voorzienigheid:
God leidt — soms door uitstel, soms door bescherming, soms door beproeving, soms door troost.

En steeds klinkt dezelfde zin als toetssteen:

“Dit is nog niet de wil van Jezus.”

Levensschets

Hij sprak mij aan en herhaalde de woorden die de Geestelijke Overheid eerder tot mij had gericht. Hij vertelde dat de Geestelijke Overheid ongeduldig was geworden, in drift was geraakt en daarop had besloten mij te verplaatsen.

Hoewel Dora dit niet geheel vertrouwde en dacht dat het wellicht een poging was geweest om haar angst aan te jagen, voelde zij toch diepe droefheid. Toen ik bij haar kwam, was zij in tranen. Meteen vertelde zij mij wat er was gebeurd en wat die man had gezegd. Ik moest erkennen dat het inderdaad dezelfde woorden waren die de Geestelijke Overheid tot mij had gesproken.

Kort daarop waren beide verschijningen even geheimzinnig verdwenen als zij gekomen waren. Later, toen Dora in extase verkeerde, verklaarde zij mij dat het de heilige Alphonsus de Liguori en Onze Lieve Vrouw waren geweest. Zij herhaalde toen even nadrukkelijk als de Geestelijke Overheid had gedaan, dat ik weldra verplaatst zou worden. Maar zij voegde eraan toe:

“Vader, dit is nog niet de wil van Jezus,” zegt Onze Moeder.

Natuurlijk verwachtte ik dagelijks een brief waarin mijn overplaatsing werd meegedeeld. Wat de oorzaak ook geweest moge zijn, er kwam geen brief. Een jaar later werd het besluit opnieuw uitdrukkelijk herhaald. Maar even uitdrukkelijk verzekerde Dora mij wederom dat dit nog niet de wil van Jezus was — en opnieuw bleef de overplaatsing uit.

Twee jaar en twee maanden gingen voorbij. Toen ontving ik uiteindelijk een brief van overplaatsing, maar naar een naburige parochie, zodat ik haar van daaruit geregeld kon blijven bezoeken. Opnieuw bleek waar te zijn wat Dora had gezegd: “Vader, dit is nog niet de wil van Jezus.” Hoe nadrukkelijk de Geestelijke Overheid het eerdere besluit ook had uitgesproken, het werd niet uitgevoerd.

Men zou kunnen tegenwerpen dat Gods wil toch samenvalt met eerbied voor het gezag, ook wanneer dit niet geheel met Gods plannen overeenstemt. Toch moet worden opgemerkt dat het eerste besluit was genomen in een ogenblik van ongeduld of toorn, zonder voldoende bezinning of grondige motivering. Bovendien berustte het op onjuiste inlichtingen. Het is aannemelijk dat God dit daarom heeft verijdeld. De latere overplaatsing stond los van deze omstandigheden en had een geheel andere achtergrond.

Het was uiteindelijk dan toch besloten dat ik zou vertrekken. De zendbrief was ontvangen en alles was gereed voor mijn vertrek.

Hoewel het volgende niet strikt in chronologische volgorde past, wil ik hier toch een gebeurtenis vermelden die wellicht licht werpt op deze overplaatsing.

Kort voor mijn vertrek bevond ik mij bij Dora. Zij was enkele ogenblikken in extase geweest en zei toen:

“Vader, wanneer u onderweg bent, moet u zoveel mogelijk achterover gaan zitten.”

“Achterover zitten? Wat bedoel je daarmee, Dora? Waarom zou ik dat moeten doen?”

“Ik weet het niet, Vader. Onze Moeder zegt het. Zij is hier en zegt dat ik u dit moet doorgeven.”

Een goede vriend bracht mij met zijn lichte wagen, getrokken door een jong en krachtig paard, naar mijn nieuwe bestemming. Het was een heldere decemberavond met lichte vorst en maanlicht. Tegen zes uur ’s avonds hoorden wij plotseling een luid gerammel naderen. Wij dachten eerst aan een diligence, maar daar reed geen diligence langs die weg.

Het bleek een turfwagen te zijn die in dolle vaart slingerend naderde, met kettingen die hevig rammelden. Ons paard spitste de oren, maar bleef kalm. De voerman stuurde zo ver mogelijk naar de kant en hield stil.

Plotseling slingerde de turfwagen tegen ons wiel met zulk een geweld dat paard en wagen dwars over de weg werden geslingerd. De bestuurder van de turfwagen viel van zijn wagen en kwam op de weg terecht. Onze wagen kantelde voorover; het tuig brak gedeeltelijk. Mijn voerman werd bijna naar voren geslingerd.

Ik had onderweg Dora’s raad opgevolgd en zat zoveel mogelijk achterover. Juist daardoor werd ik niet uit de wagen geworpen. Zonder dat voorzorgsgebaar zouden wij beiden onder het paard terecht zijn gekomen, met mogelijk zeer ernstige gevolgen.

Opmerkelijk was dat ons jonge paard, ondanks de hevige schok, geen stap verzette en bleef staan alsof het vastgehouden werd. De man van de turfwagen stond op, vloekte hevig en dreigde, maar toen hij zag dat wij niet bevreesd waren, vertrok hij. Zijn paard en wagen waren inmiddels verder gereden; een kind dat op de wagen had gezeten, bleef ongedeerd.

Wij herstelden het tuig zo goed mogelijk en vervolgden onze weg.

Een jaar later hoorde ik dat diezelfde man onder zijn eigen wagen om het leven was gekomen. Een inwoner van die plaats vertelde — zonder te weten wat ons was overkomen — dat hij zich er ooit op had beroemd opzettelijk een wagen met heren te hebben omvergereden. Hij stond bekend om zijn gewelddadige aard.

Toen ik dit aan Dora vertelde, en zij opnieuw in extase was, zei zij:

“Vader, Onze Moeder wist dit. Het was de duivel die niet kon verdragen dat u naar die plaats ging, waar hij in de laatste tijd veel invloed had gekregen. Hij wilde u een ongeluk bezorgen om uw komst te verhinderen. Maar Onze Moeder liet dat niet toe. Daarom heeft zij u laten waarschuwen.”

Het is moeilijk dit anders te zien dan als een bijzondere bescherming. Dat wij zonder ernstig letsel bleven, dat het paard zo kalm bleef staan en dat de dreigende man zich terugtrok — het alles wijst op een hogere voorzienigheid.

Later bleek inderdaad dat in die parochie ernstige misstanden hadden plaatsgevonden, waaronder openlijk verzet tegen kerkelijk gezag en zelfs een heiligschennis, waarbij een geconsacreerde Hostie was ontvreemd om haar te bespotten. Door Gods genade mocht ik eraan meewerken dat deze Hostie werd teruggevonden.

Alles tezamen bevestigde mij in de overtuiging dat mijn overplaatsing niet louter menselijke oorzaak had, maar deel uitmaakte van Gods leiding.Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Verhaal van het terugkrijgen van een heiligschennend ontvreemde Hostie

Een jonge vrouw van ruim twintig jaar verkeerde in dienst op een plaats waar zij helaas intensief omging met meisjes van protestantse overtuiging. In hun bijeenkomsten werd regelmatig gespot met de katholieke godsdienst en met de heilige Sacramenten. Vooral het heilig Misoffer en de heilige Communie werden belachelijk gemaakt.

Geleidelijk verloor zij daardoor haar eerbied voor haar geloof. Ook de predikant van die plaats bemoeide zich met haar, met de bedoeling haar tot het protestantisme over te halen. Zij was al zo ver afgedwaald dat zij het voornemen had zich daadwerkelijk aan te sluiten, mede omdat zij meende zich dan gemakkelijker aan een losbandiger levenswijze te kunnen overgeven.

Toch bleef zij uiterlijk haar godsdienstige praktijken voortzetten: zij ging nog biechten en communiceerde, al was het voornamelijk om de schijn op te houden.

Later veranderde zij van dienst en kwam zij in de parochie waarheen ik was overgeplaatst. Hoewel zij van plaats was veranderd, bleef zij contact onderhouden met haar vroegere vriendinnen. Op een dag, tijdens een bezoek aan hen, werd opnieuw spottend gesproken over het Allerheiligste Sacrament. Zij gaven te kennen dat zij wel eens zo’n “zogenaamde heilige Hostie” wilden zien.

Zij toonde zich bereid hun dat te bezorgen.

Op een weekdag begaf zij zich naar het dorp waar zij vroeger had gediend en woonde daar de heilige Mis bij. Terwijl enkele oudere parochianen ter Communie gingen, trad ook zij naar voren. Zij ontving de heilige Communie, hoewel zij niet nuchter was. De Hostie nuttigde zij echter niet. Zij hield deze op haar tong, ging terug naar haar plaats achter in de kerk, nam een witte zakdoek en verwijderde daarmee de Hostie uit haar mond. Zij rolde de zakdoek op en stak die in haar zak.

Een deel van de Hostie was aan haar tong blijven kleven. Omdat zij niet nuchter was, durfde zij dit restant niet te nuttigen. In haar verwarring spuugde zij het uit op de kerkvloer en wreef het met haar klomp uit, totdat het niet meer zichtbaar was. Later verklaarde zij dat zij tijdens deze daad volledig van streek was geweest en innerlijk grote onrust had gevoeld.

Na de Mis ging zij naar huis en bewaarde de zakdoek met de Hostie erin. Op de daaropvolgende zondag nam zij deze mee naar haar protestantse kennissen. Daar werd ermee gespot; men betastte de Hostie en volgens haar eigen getuigenis namen sommigen er stukjes van en proefden die. Ongeveer driekwart bleef in de zakdoek achter.

Zij nam de zakdoek weer mee naar huis. Bijna een half jaar lang bleef de Hostie daarin bewaard, zonder merkbare verandering.

Thuis had zij de zakdoek in haar kist gelegd. Hoewel zij dagelijks aan de inhoud dacht en innerlijke onrust voelde, durfde zij zich er niet van te ontdoen. Uiteindelijk bekende zij rond het kerstfeest wat er was gebeurd.

Ik was diep geschokt bij het horen van dit verhaal. Met geduld en zachtmoedigheid vroeg ik haar de volledige toedracht buiten de biecht om uiteen te zetten. Na enige aarzeling overhandigde zij mij uiteindelijk de zakdoek, onaangeroerd, zoals zij die had bewaard.

Met grote eerbied ontvouwde ik de doek. De Hostie bevond zich daarin nog in haar wezenlijke vorm, zonder zichtbare aantasting.

Ik raadpleegde de deken over wat te doen. Hij adviseerde de Hostie in water en azijn te laten oplossen, zodat na ontbinding de resten eerbiedig in het sacrarium konden worden bewaard. Dat advies besloot ik op te volgen.

Ik nam de Hostie voorzichtig uit de doek en legde haar in een glas met water en azijn. Ook de losse partikels voegde ik daaraan toe. In een tweede glas bewaarde ik het water waarmee ik de zakdoek had uitgespoeld. Beide glazen plaatste ik afgesloten in mijn kamer, afgedekt met een witte doek. Dagelijks bad ik om Gods leiding.

Volgens de natuur der dingen had de Hostie spoedig moeten oplossen. Maar zij bleef maandenlang zichtbaar aanwezig, tot in de kleinste partikels, zonder merkbare verandering — slechts met een lichte verkleuring die ik aan de azijn toeschreef.

Na ongeveer drieënhalve maand ontdekte ik tot mijn verbazing dat het glas met de Hostie volledig leeg was: geen spoor van vocht was nog aanwezig. Het andere glas, dat ernaast stond, was nog steeds halfvol. Er waren geen sporen van lekkage, omvallen of verdamping te zien. De Hostie en de partikels lagen droog in het lege glas, onveranderd en in dezelfde positie als tevoren.

Dit verschijnsel was voor mij onverklaarbaar. Niemand had toegang tot de afgesloten plaats gehad. Er was geen zichtbare oorzaak aan te wijzen.

Ik besloot het andere glas nog een maand te laten staan, maar daar deed zich geen verandering voor. De Hostie bleef ik eerbiedig bewaren, vertrouwend dat God zijn wil verder zou openbaren.

Bij een eerstvolgende gelegenheid vertelde ik dit aan Dora en vroeg haar gebed. Zij zei dat zij moeite had gehad met het idee dat de Hostie in water en azijn moest worden opgelost. Indien de Heer had gewild dat zij zou vergaan, zo zei zij, dan zou Hij niet zo lang in de zakdoek bewaard zijn gebleven zonder te bederven.

Later, in een toestand van extase, verklaarde zij dat het glas niet was omgevallen en dat de Heer niet langer in dat mengsel had willen verblijven. Zij sprak in beeldende taal over een hemelse tussenkomst en bevestigde haar overtuiging dat de werkelijke tegenwoordigheid van Christus onder de gedaante van de Hostie was blijven voortbestaan.

Voor mij bleef deze gebeurtenis een diepe en aangrijpende ervaring, die mij sterkte in de eerbied voor het Allerheiligste en in het besef dat Gods leiding soms op verborgen wijze werkzaam is.

Vier jaar lang heb ik dit glas met eerbied bewaard. Toen ik van die parochie vertrok om elders pastoor te worden, nam ik deze heilige schat met mij mee, in het vertrouwen dat Jezus mij ook in mijn nieuwe werkkring zou bijstaan en ondersteunen.

Gedurende die vier jaar bleef de heilige Hostie in het glas zonder enige zichtbare verandering. Of ik in die tijd anders had moeten handelen dan ik gedaan heb, weet ik niet. Waarom Jezus op zo wonderlijke wijze onder deze omstandigheden tegenwoordig wilde blijven, zal ongetwijfeld een bedoeling hebben gehad.

Was het enkel tot mijn troost? Tot bemoediging in mijn arbeid en in de beproevingen die mij wachtten? Of om mij de zekerheid te schenken dat hier geen sprake was van bedrog of inbeelding, maar dat ik werkelijk een heilige Hostie uit kwaadwillige handen had mogen redden? Ik weet het niet. Misschien had God in zijn ondoorgrondelijke wijsheid nog een ander doel, dat mij ontging of dat ik, door niets verder te ondernemen, niet heb verwezenlijkt. Dat blijft voor mij verborgen.

Na vier jaar merkte ik plotseling een begin van ontbinding. Korte tijd later waren de Hostie en alle partikels zichtbaar gecorrumpeerd. Na dit nog enkele dagen te hebben laten rusten, heb ik alles eerbiedig in het sacrarium geborgen.

Hoewel wij hieruit geen stellige conclusies mogen trekken, lijkt het niet onredelijk te veronderstellen dat, indien God het goed vond door mijn — hoe onwaardige ook — bemiddeling misstanden te herstellen die daar hadden plaatsgevonden, de tegenstand waarmee ik werd geconfronteerd niet zonder betekenis was. In de twee jaar en negen maanden dat ik daar werkte, keerde de rust terug. Wat bij mijn komst oproerig en verward was, was bij mijn vertrek ordelijk en vredig geworden.

Het is dan ook niet vermetel te denken dat mijn overplaatsing niet voortkwam uit vroegere incidenten, maar eerder uit Gods leiding. Evenmin hoeven wij te twijfelen dat Dorothea Visser door haar gebed hieraan heeft bijgedragen.

Toen de tijd naderde dat ik tot pastoor zou worden benoemd — al wist ik daarvan nog niets anders dan dat enkele van mijn medestudenten reeds waren aangesteld — bezocht ik opnieuw Dora. In extase zei zij:

“Vader, wanneer u tot pastoor wordt benoemd, moet u tevreden zijn, waar dat ook is en hoe ver het ook verwijderd ligt.”

Ik vroeg haar of zij dacht dat dit spoedig zou gebeuren en wellicht op een verre plaats. Zij antwoordde:
“Ik weet het niet, Vader, maar Onze Moeder zegt het.”

En inderdaad, enkele dagen later ontving ik onverwacht mijn benoeming tot pastoor in Kloosterburen, in het uiterste noorden van de provincie Groningen, op aanzienlijke afstand van mijn vorige standplaats.


Over de toestand van Kerk en wereld

In dit verband wil ik enkele korte opmerkingen maken over de toestand van de Kerk vanaf het jaar 1859, in het bijzonder met betrekking tot paus Pius IX. Mogelijk zal ik dit later uitvoeriger beschrijven, indien mij daartoe tijd en gelegenheid worden gegeven.

Vooraf zij opgemerkt dat Dorothea Visser een uiterst eenvoudige vrouw was, zonder enige kennis van politiek of wereldgeschiedenis. Zij las geen kranten en volgde geen nieuws. Wat zij wist, had betrekking op geestelijke zaken, vooral op de Kerk en haar heilig Opperhoofd, paus Pius IX.

Toch sprak zij dikwijls over gebeurtenissen die de Kerk aangingen, alsof zij daarvan beter op de hoogte was dan velen die dagelijks het nieuws volgden. Wat zij zei, betrof voornamelijk de noden van de Kerk en het lijden van de paus.


Over Napoleon III en de Kerk

Zij sprak onder meer over Napoleon III, keizer van Frankrijk. Volgens haar was hij mede door steun van vrijdenkers op de troon gekomen en had hij zich verbonden hun plannen ten aanzien van de Kerk te bevorderen. Hoewel hij innerlijk niet met al hun bedoelingen instemde, had hij zich uit ambitie en trots aan hen verbonden.

Daaruit vloeide een zekere tweeslachtigheid voort: soms zette hij stappen die gunstig waren voor de Kerk, maar onder druk van zijn bondgenoten deed hij daarna weer het tegenovergestelde. Deze innerlijke verdeeldheid bracht verwarring en leed teweeg, vooral voor paus Pius IX.

Toen Napoleon in Italië ten strijde trok tegen Oostenrijk, werd hij volgens Dora nog sterker in politieke en ideologische netwerken verstrikt. Zij had vóór het uitbreken van de oorlog al gezegd dat deze moeilijk te voorkomen zou zijn. De oorlog kwam inderdaad, en eindigde voorlopig met de vrede van Villafranca.

Over deze vrede zei zij dat het bloedvergieten weliswaar tijdelijk was gestopt, maar dat de verwarring groot zou blijven. De Kerk, en vooral de paus en de priesters, zouden veel te lijden hebben.

Zij sprak ook over bedreigingen tegen paus Pius IX. Volgens haar was er grote vijandschap tegen hem, mede vanwege de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Toch verzekerde zij dat Maria haar “Petrus” zou beschermen, mits hij standvastig bleef en Rome niet verliet.

Dat paus Pius IX een groot vereerder was van armoede, liefde en boetvaardigheid, en een bijzondere devotie had tot de heilige Franciscus van Assisi, beschouwde zij als tekenen van zijn geestelijke grootheid. Zij typeerde hem als een Petrus in geloof en een Johannes in liefde en zuiverheid.

Zij sprak ook over gevaren die Napoleon zelf bedreigden. Zijn innerlijke verdeeldheid en zijn politieke keuzes zouden uiteindelijk gevolgen hebben voor zijn eigen lot. De slag die hij de paus had willen toebrengen, zou hem uiteindelijk zelf treffen.


Wat van deze uitspraken historisch of politiek moet worden beoordeeld, laat ik in het midden. Voor mij stond vast dat Dora geen politieke kennis bezat en dat haar woorden voortkwamen uit een geestelijke betrokkenheid bij het lot van de Kerk en haar paus.

Zo heb ik deze dingen beleefd en zo geef ik ze weer, zonder er meer uit te willen afleiden dan wat met voorzichtigheid kan worden aanvaard.

Pius IX daarentegen moest nog veel, ja zeer veel voor de Kerk doen. (Wat heeft hij na 1859 niet tot heil van de Kerk verricht, terwijl de wereld daarvan toen nog nauwelijks iets wist!) Als Pius IX nog zoveel moest volbrengen, dan moesten zijn levensjaren ook hoog worden.

Meermalen heeft men een moordaanslag op Pius IX beraamd en zelfs beproefd. Daarbij wilde men tegelijk ook een kardinaal treffen, van wie men meende dat hij na de dood van Pius IX zeker tot opvolger gekozen zou worden. Omdat deze kardinaal — naar hun oordeel — door dezelfde geest bezield was als Pius IX, wilden de goddelozen ook dit verhinderen door middel van sluipmoord.

Die kardinaal was volgens het verhaal de laatst benoemde kardinaal: pater Panebianco, uit de Orde van de heilige Franciscus van Assisi, waartoe Pius IX in zekere zin ook verwant was. Dit zou hebben gespeeld in 1862, toen een grote menigte bisschoppen en andere hoge geestelijken te Rome bijeen was ter gelegenheid van het plechtige feest van de heiligverklaring van de zesentwintig Japanse martelaren: drieëntwintig uit de franciscaanse orde en drie uit de orde van de heilige Ignatius.

De pas benoemde kardinaal was inderdaad een nog jonge religieus uit de franciscaanse orde, Panebianco geheten. Hij was zeer aan Pius IX gehecht en werd door hem bijzonder bemind.

Men zou geneigd zijn te denken dat deze jonge kardinaal Panebianco — de naam betekent letterlijk “wit brood” — eenmaal de opvolger van de geliefde Pius IX zou kunnen worden.

Volgens deze mededelingen zou sluipmoord in Italië een grote rol spelen, vooral tegen priesters, met name tegen goede priesters. Onder de velen die zouden vallen, zouden echter ook vrijzinnige priesters veel te lijden krijgen en omkomen. Daardoor zouden sommigen onterecht als martelaren worden beschouwd, terwijl zij in strikte zin geen martelaren waren.

Het vurige verlangen en het hoofddoel van deze waarschuwingen was vooral dit: dat men zou bidden — veel bidden — en vooral dat priesters zouden bidden voor het behoud van Petrus, dat wil zeggen: voor het Opperhoofd van de heilige Kerk. Dat hij behouden mocht blijven, dat hij moed mocht houden. Priesters moesten Onze Goede Moeder bijzonder helpen door hun gebed. Er werd, zo werd gezegd, in het algemeen te weinig gebeden; en Onze Moeder kon nauwelijks nog de straffende hand van haar goddelijke Zoon tegenhouden. Daarom moest men de gelovigen aansporen om met de priesters mee te bidden, ook voor de priesters zelf, die aan grote gevaren blootstonden, opdat zij naar het voorbeeld van Pius IX de moed niet zouden verliezen. Juist lauwheid, gebrek aan moed en onverschilligheid bij priesters bezorgden Pius IX veel zorg: hij verlangde dat allen vol moed, vertrouwen en liefde zouden zijn.

Tot gebed werd telkens opnieuw aangespoord: bidden om Onze Moeder te helpen in het beschermen en verdedigen van de Kerk in die kwade dagen — daarom werd er voortdurend om gevraagd, bijna smekend.

Bij al deze mededelingen over de Heilige Vader en de Kerk, over Napoleon en andere omstandigheden, moet men bovendien opmerken dat zij grotendeels gedaan werden vóór of kort na de vrede van Villafranca, dus nog vóórdat de vervolging tegen de Kerk in Italië daadwerkelijk op gang kwam — met uitzondering van enkele uitspraken die duidelijk betrekking hebben op het moment zelf en gemakkelijk te onderscheiden zijn.

Zoals reeds is vermeld — de voorspelling van de wonderlijke en volledige genezing van de ongeneeslijk verklaarde wond aan haar been en van de vermindering van het bloeden uit haar wondtekenen — had Dora een wond aan haar rechterbeen van zodanige aard, dat zij dit been geheel niet kon gebruiken. Wanneer zij zich moest verplaatsen, moest zij altijd geholpen of ondersteund worden, meestal door haar thuiswonende zuster Johanna.

Het been was hoog in het dijgebied, in de buiging, zo ernstig ontstoken en aangetast dat de pezen als het ware waren weggevreten. Het been hing in zekere zin verlamd en was bovendien korter geworden dan het andere. De wond werd opengehouden — zoals eerder verteld — door uitbranding met lapis infernalis (helsteen). De daardoor ontstane wond was omvangrijk en was lange tijd door een arts behandeld. Maar geen middel kon genezing brengen. De arts verklaarde ronduit dat de wond ongeneeslijk was: de pezen waren aangetast en afgeteerd, en natuurlijke herstelling was uitgesloten. Ook andere geraadpleegde doktoren verklaarden dat herstel op natuurlijke wijze niet meer mogelijk was. Zij had al lang vóór de stigmata de pijnen van deze wond gedragen; zij was nog geen zeventien jaar oud, ja zelfs rond haar dertiende jaar was deze kwaal begonnen.

Wat echter op natuurlijke wijze niet te genezen is, kan — zo redeneert men — op bovennatuurlijke wijze wel geschieden. En hoe langer en duidelijker het bewijs van ongeneeslijkheid, des te zichtbaarder zou dan de onmiddellijke werking van God zijn. Bijna vijfentwintig jaar lang had deze wond haar ongeneeslijk karakter bewezen, zonder dat enig middel ook maar de geringste verbetering bracht. En toch werd weken van tevoren aangekondigd dat zij plotseling, zonder menselijke hulp, radicaal zou genezen en blijvend hersteld zou blijven — en inderdaad gebeurde het, op dag, uur en wijze zoals vooraf gezegd werd.

Laten wij nu overgaan tot de voorspelling van deze genezing en tot het feit van de genezing zelf.

Om dit beter te begrijpen is het goed terug te denken aan wat eerder (op de genoemde plaatsen) is verteld over de voorspelling van haar sterfuur en over haar plotselinge genezing uit die levensbedreigende ziekte. Men herinnere zich ook de woorden: “dat u om mij nog veel zult moeten lijden”, en vervolgens de voorspelling dat een vast besluit van de Geestelijke Overheid nog niet zou worden uitgevoerd, omdat het “de wil van Jezus nog niet” was.

Als Dora toen werkelijk gestorven was — toen haar was gezegd dat zij de volgende dag naar Jezus in de hemel zou gaan — dan zou onder het volk en onder allen die haar kenden waarschijnlijk één gedachte hebben overheerst: dat “de heilige” gestorven was en naar de hemel was gegaan. Voor Dora zelf zou dat een grote vreugde zijn geweest en zou zij van vele moeilijkheden bespaard zijn gebleven. En toch twijfelen wij er niet aan dat ook waar zou zijn geworden wat zij toen zei: “O ja, dan zal Jezus mij later de hemel toch niet weigeren.”

Maar nu brak voor haar en voor mij een tijd aan van veel moeilijkheden en onaangenaamheden. Enerzijds waren die geschikt om de goede naam die men van haar had te keren, omdat de diepere oorzaak van deze moeilijkheden niet bekend was en men slechts de uiterlijke feiten zag. Anderzijds gaven juist dezelfde gebeurtenissen, voor wie van nabij keek, een krachtige aanwijzing dat God door zijn dienares werkte en bevestigden zij de overtuiging die tot dan toe over haar bestond.

Niet lang na haar wonderlijke herstel uit de levensbedreigende ziekte namen wij beiden openlijk de Derde Orde van de heilige Franciscus van Assisi aan. Dit kan de aanleiding zijn geweest — of althans een belangrijke oorzaak — van de storm die ons tegemoetkwam. Ook mijn groeiende invloed onder de mensen, zelfs buiten de parochie, en andere factoren wekten bij sommige eerwaarde heren jaloezie of afgunst. Later bleek dat men mij daar wilde weghalen.

Men had daartoe heimelijk bij de Geestelijke Overheid aangedrongen en als reden opgegeven: mijn veelvuldig bezoek aan Dorothea Visser en de frequente Communie die zij onder mijn zielzorg ontving.

Ach, die frequens communio voor een ziel voor wie de heilige Communie het leven was — wat had zij misdaan? Waarom misgunde men haar de heilige Communie, die zij met zo’n zuivere en vurige liefde ontving? Zeker wanneer men bedenkt dat zij door haar verlamde been vrijwel nooit in staat was de kerk te bezoeken en het heilig Misoffer bij te wonen, of Jezus in zijn heiligdom te aanbidden. Elke Communiedag was voor haar een dag van onuitsprekelijk geluk.

Wat een gebeden stortte zij bij dat heilige moment uit: voor de bekering van zondaars, voor de arme zielen in het vagevuur, maar vooral — in die tijd — voor Onze Moeder, de heilige Kerk, en haar geestelijk Opperhoofd, de zwaar beproefde paus Pius IX; voor de priesters die aan grote gevaren blootstonden; en voor de zwakke priesters die Pius IX zoveel zorgen baarden.

Zelden zullen er in die dagen zielen zijn geweest die zo intens voor de Kerk en haar Opperhoofd hebben gebeden, zoveel lijden hebben opgedragen, zoveel boete en versterving aan God hebben aangeboden als zij. En zij geloofde dat Jezus deze Communies, die zij aanbood voor dat grote doel, welgevallig waren. Vele malen, zo wordt verteld, zouden Jezus en Maria haar dit hebben laten voelen door gunsten en door mededelingen over de droeve toestand van de Kerk en over de paus.

En juist deze heilige Communie — waarvan de waarde niet te meten is — deze Communie die Jezus en Maria welgevallig was en haar zoveel innerlijke vreugde bracht, zou haar nu herhaaldelijk moeten worden onthouden. Wat een bitter kruis voor zo’n ziel!

Wat een droef verlangen voor Jezus en Maria, en wat een verlies voor de Kerk, die in die dagen zozeer de gebeden en de Communie van de gelovigen nodig had — en dat alles zonder duidelijke grond, of liever: met een voorwendsel dat bedoeld was om een ander doel te bereiken.

Tot dan toe had de aartsbisschop altijd groot vertrouwen gehad in de zaak rond Dora’s stigmatisatie. Daarvan getuigde ook een brief van een vooraanstaand geestelijke uit het aartsbisdom. Op aanraden van de aartsbisschop, zo schreef hij, verzocht hij mij beleefd — omdat ik met haar zielzorg belast was en omdat hij wist dat ik haar vertrouwen genoot — om Dora’s gebed voor hem te vragen in een persoonlijke aangelegenheid. Hij vertrouwde erop dat hij door haar gebed zou verkrijgen wat heilzaam voor hem was, en hij was bereid te doen wat haar als voorschrift zou worden gegeven.

Het antwoord dat ik hem — overeenkomstig wat aan Dora werd meegedeeld — terugschreef, luidde dat hetgeen hij vroeg niet zou worden weggenomen, maar dat hij in opgewektheid moest voortgaan alsof die zaak niet bestond. En inderdaad: genezing kwam er nooit.

Hieruit blijkt althans dat de aartsbisschop tot dan toe vertrouwen had in Dora; anders had hij een geestelijke die hij voor een bepaalde taak wilde inzetten, niet kunnen aanraden zich tot Dora’s gebed te wenden.

Toen men echter later, buiten mijn weten om, met de aartsbisschop over deze kwestie kwam spreken, stelde men de zaak voor op een wijze die niet geheel rechtzinnig genoemd kan worden. Dat kon ook bijna niet anders: het betrof een voorgewende reden om iets anders te bereiken. Men had bovendien niets op ons gedrag kunnen aanwijzen; was dat wel zo geweest, dan had men de zaak eenvoudiger kunnen spelen en had men mijn bezoeken en Dora’s frequente Communie niet als argument hoeven gebruiken.

Dit was het resultaat: enkele eerwaarde heren meenden dat, als het bloeden uit haar wonden verdacht werd vanwege de biechtvader of zijn bezoeken, de zielzorger dan maar verwijderd moest worden. Maar daarin kon de aartsbisschop niet meegaan. Hij zei: nee, de biechtvader moet blijven en de zorg over haar behouden. Wel besloot hij dat de Communie nog slechts eens per maand gegeven mocht worden, en dat ook de biechtvader slechts eenmaal per maand daarheen zou gaan.

Een opmerkelijk besluit. Zelfs degenen die met hun doel bij de aartsbisschop waren gekomen, schrokken ervan. Men zei: “Monseigneur, nee, dat kan niet; dat is voor die anders zo brave ziel te hard, vooral omdat zij niet kan lopen en dus nooit naar de kerk kan gaan.”

“Goed,” zei de aartsbisschop toen, “laat het dan om de veertien dagen zijn, en deel dit besluit aan de kapelaan, haar biechtvader, mee.”

Ik ontving hierover een brief, waarin stond:
“Omdat het zielenheil van Dorothea Visser enige bezorgdheid heeft gewekt, verlangt Monseigneur de aartsbisschop dat het bezoek aldaar wordt beperkt; ik kom er u eerwaarde mondeling over spreken.”

Bij het lezen meende ik dat men het bezoek van vreemden bedoelde — vroeger zeer talrijk, in de loop der jaren bij duizenden te tellen, al was het inmiddels verminderd. Maar ik vergiste mij: men bedoelde mijn eigen bezoek.

Ik vond dit besluit vreemd en was er niet tevreden mee, wat ik ook in vrij scherpe woorden liet blijken. Toen pas werd duidelijk waar het vandaan kwam en welke middelen men had gebruikt. Ik vroeg of er dan iets op mijn gedrag of dat van Dora aan te merken viel. “Nee, niets,” was het antwoord. “Ik houd haar voor een heilig persoon, ik ben overtuigd van haar braafheid, maar Monseigneur wil het zo.”

“Goed,” zei ik, “dan zal ik Monseigneur zelf schrijven of spreken.” Ik schreef hem, en daarop ontbood hij mij.

Intussen ging ik naar Dora en vertelde haar wat er was gebeurd. Zij zei, met pijn in de stem:
“Ach, Onze Moeder Maria heeft dit wel geweten… En ik communiceer zo graag; ik verlang zozeer naar het ogenblik van de Communie! En nu slechts om de veertien dagen — misschien zelfs maar eenmaal per maand… Hoe lang zal de tussentijd mij dan vallen! Maar in Gods naam: God kan mij het gemis van de heilige Communie wel op een andere wijze vergoeden. Liever communiceer ik eenmaal per maand mét zijn heilige wil dan elke dag tégen zijn heilige wil. Ach, wat valt het mij zwaar! Men weet dat ik nooit naar de kerk kan gaan, zoals anderen, om de Mis bij te wonen of Jezus in het Sacrament van zijn liefde te bezoeken. Mijn hele geluk bestaat in de heilige Communie.”

Mijn Jezus, mijn lieve Jezus, U te mogen ontvangen en bezitten — en nu wil men mij zelfs de heilige Communie onthouden!

“Ja, Dora,” herhaalde ik, “maar ik zal de aartsbisschop schrijven; en ik hoop dat dit anders zal worden.”

“Ach ja, Vader,” — zo noemde zij mij — “doet u dat maar. Laten wij bidden dat Onze Goede Moeder Maria ons hierin te hulp komt.”

Toen ik bericht ontving dat de aartsbisschop mij op een bepaalde dag wenste te spreken, ging ik opnieuw naar Dora. Ik trof haar in extase. Zij zei:

“Vader, Onze Moeder is hier. Zij zegt dat, als het nodig is, Jezus bereid is het bloeden te doen ophouden, de uiterlijke tekenen weg te nemen en zelfs het been — dat zo vaak ongeneeslijk is verklaard — opnieuw volkomen te genezen, als bewijs van de waarheid.”

“Mag ik dit, als het nodig is, aan de aartsbisschop meedelen?” vroeg ik.

“Ja, Vader,” antwoordde zij. “Onze Moeder zegt dat u dit gerust mag zeggen, als het tot bewijs moet dienen.”

Op de afgesproken dag ging ik naar de aartsbisschop. Hij ontving mij aanvankelijk vriendelijk en zei: “Kom, laten we wat in de tuin wandelen.”

“Welnu,” zei Monseigneur — wellicht in de veronderstelling dat ik wat terughoudend zou zijn — “vertel mij nu maar eens openhartig wat er aan de hand is met Dorothea Visser en met dat bloeden. Denk niet dat u met ‘de aartsbisschop’ spreekt; zeg gewoon hoe het is. Wat is dat toch?”

Ik begon vrijmoedig te spreken, misschien zelfs te vrijmoedig, vooral over de manier waarop men met zijn doorluchtige hoogwaardigheid over deze zaak had gesproken en wat naar mijn oordeel de achtergrond ervan was. Ik wist niet precies wat Monseigneur van mij wilde weten.

Aanvankelijk luisterde hij aandachtig. Maar het weer was niet gunstig om buiten te blijven; daarom gingen wij een zijkamer binnen en zetten het gesprek daar voort. Het duurde echter niet lang of de knecht kwam melden dat de maaltijd gereed stond en dat Monseigneur werd verwacht.

We hadden nog maar weinig kunnen zeggen over Dora’s toestand — juist waar het eigenlijk om ging. Monseigneur leek haast te krijgen, terwijl ik dit niet zo snel helder kon uiteenzetten. De knecht kwam opnieuw. Monseigneur werd ongeduldig — zelfs knorrig — en zei dat we er dan maar een einde aan moesten maken. Ik merkte op dat hij mij zelf juist had uitgenodigd om vrijuit te spreken.

Toen de knecht voor de derde keer verscheen, werd Monseigneur zichtbaar geërgerd. Hij sprak mij streng toe, verweet mij onder meer dat ik de deken brutaal had geantwoord en besloot uiteindelijk dat hij mij van die plaats zou wegnemen.

Toen bracht ik naar voren — met zoveel eerbied als ik kon — dat ik durfde geloven dat, als Monseigneur dit als bewijs zou verlangen, Jezus bereid was het bloeden te doen ophouden en zelfs het been, dat ongeneeslijk was verklaard, op wonderlijke wijze te genezen. Ik zei dat ik genoeg vertrouwen had in de bijstand van Onze Goede Moeder Maria om, als het echt nodig was, dit in gebed van Haar te vragen.

Maar Monseigneur was niet meer te bewegen. Het besluit stond vast: hij zou mij spoedig een andere plaats aanwijzen.

Er viel een ogenblik stilte. Toen zei Monseigneur: “U blijft vanmiddag hier eten.”

“Ach, Monseigneur,” antwoordde ik, “mij is de eetlust vergaan.” Toch scheen hij erop aan te dringen. Ik gaf toe en bleef.

Tijdens de maaltijd werd er niet meer over gesproken; alles leek weer ordelijk. Na tafel haastte ik mij naar huis. Mijn hart was vol, maar ik was niet zonder vertrouwen. (Toen Monseigneur zo uitdrukkelijk zei: “U gaat daar weg, ik zal u wegnemen,” had ik nog gezegd: “Ik geloof niet, Monseigneur, dat uw doorluchtige hoogwaardigheid dat doen zal — ik kan het niet geloven.”)

Bij thuiskomst duurde het niet lang of ik ging naar Dora om haar te vertellen wat er was gebeurd en welk besluit de aartsbisschop had genomen. Maar in zekere zin was dat overbodig: Onze Goede en bezorgde Moeder Maria was mij al vóór geweest.

Dora kende het besluit namelijk al, door een mededeling — zo vertelde zij — van de heilige Alphonsus Maria de Liguori, in gezelschap van Onze Moeder Maria. (Zie hierover het eerdere verhaal van de voorspelling dat een vast besluit van de Geestelijke Overheid niet zou worden uitgevoerd, omdat het “de wil van Jezus nog niet” was.)

Ik kwam bij Dora en hield mij zo opgewekt mogelijk, maar zij leek terneergeslagen en vroeg meteen:

“Is het waar… moet u van hier weg?”

“Hoe komt u daarbij?” vroeg ik.

“Ja,” zei Dora, “ik geloof het toch… Zeg het maar: is het waar?”

Ik vroeg opnieuw hoe zij dat wist.

“Ach,” zei zij, “ik heb de hele dag gebeden. Vanmiddag kwamen hier ineens een vreemde man en een vrouw. Ik kende hen niet en weet niet hoe zij binnenkwamen, maar opeens stonden zij in de kamer, daar tegenover mij aan de andere kant van de tafel. Die man was gekleed als een bisschop; de vrouw droeg een blauwe mantel en had een verheven gestalte.

Eerst schrok ik, toen ik hen zo onverwacht zag, maar bang was ik niet. De man begon te spreken en zei: ‘Uw Vader wordt weggenomen en moet vertrekken. De aartsbisschop werd ongeduldig, werd toornig en was niet meer te bewegen; in zijn drift heeft hij dit besluit genomen. Uw been zal genezen; u zult weer kunnen lopen; ook het bloeden uit de wonden zal ophouden.’

Toen hij dit gezegd had, waren zij beiden verdwenen.”

“Maar Dora,” vroeg ik, “herkende u hen dan niet? Of hebt u niet gevraagd wie zij waren?”

“Nee,” zei ze, “ik weet het niet en ik heb het ook niet gevraagd. Ik dacht eerst nog: misschien is het de duivel om mij bang te maken. Maar ik was niet bang. Zeg het me: is het zo?”

Ik moest bekennen dat het zo was.

Enkele ogenblikken later, toen Dora opnieuw in extase kwam, vertelde zij mij:

“Vader, dat was geen bedrog. Die man was de heilige Alphonsus de Liguori, bisschop, samen met Onze Moeder Maria. Hij is ook bij het gesprek tussen u en de aartsbisschop tegenwoordig geweest, maar hij kon de aartsbisschop niet bewegen, omdat deze door omstandigheden ongeduldig was geworden en in drift was geraakt. Maar Onze Moeder zegt: dit is de wil van Jezus nog niet.”

“En wanneer zal die genezing dan plaatsvinden?” vroeg ik.

“Dat zegt Onze Moeder niet,” antwoordde Dora, “maar wel dat het geen verre tijd zal zijn. En u zult het vroeg genoeg weten.”

Hoewel ik erop vertrouwde dat de overplaatsing niet spoedig zou volgen — omdat Onze Moeder zo nadrukkelijk had gezegd dat dit nog niet de wil van Jezus was — bracht ik mijn pastoor toch op de hoogte en leefde ik intussen tussen hoop en vrees.

Er kwam echter geen bericht. Toen er enkele dagen verstreken zonder aanschrijving, sterkte mij dat in mijn hoop. Het gaf mij ook een vaster vertrouwen in deze hele zaak, en een zekere innerlijke rust, vooral ten aanzien van de stigmatisatie. Want als deze twee buitengewone zaken — het uitblijven van de uitvoering van het besluit én de wonderlijke genezing van de ongeneeslijke wond aan het been (en, zo mag ik toevoegen, het ophouden van het bloeden) — zonder andere verklaring dan deze voorspelling, het woord van Onze Moeder, de Onbevlekte Maagd en Moeder Gods, werkelijk in vervulling zouden gaan, dan zou dat een sterke bevestiging zijn.

Dit alles speelde op 7 oktober 1859.

Er verstreken ongeveer veertien dagen voordat Onze Moeder Maria iets nader liet weten over de genezing. Ik was bij Dora en had haar de heilige Communie gebracht. Dora was in extase, en Onze Moeder verscheen haar. Dora zei:

“Vader — zo noemde ik u toen meestal — Onze Moeder is hier en zegt: ‘De uiterste termijn voor de genezing van het been is het feest van Driekoningen. En nog enkele keren na de genezing van het been zullen de wonden bloeden; daarna zal ook het bloeden ophouden.’”


Einde Deel 3   (wordt vervolgd)