Relatie als instrument van genezing
Over het concept van bevestigende en weerhoudende liefde bij Anna Terruwe
Deze studie onderzoekt de bevestigingsleer van de zenuwarts dr. Anna Terruwe, geplaatst binnen het theologisch-personalistische denken van Maurice Zundel. Centraal staat het inzicht dat bevestigende en weerhoudende liefde een genezende werking kan hebben in de relatie met de ander. Waar een mens nood ervaart, kan door een (plaatsvervangende) affectieve verbondenheid een helende dynamiek ontstaan. Het is de positieve, relationeel ervaren bevestiging die genezing mogelijk maakt. In die zin kan relatie zelf een instrument van genezing worden.
In een houding van geëngageerde betrokkenheid ontstaan mogelijkheden die heilzaam zijn voor de medemens. Het gevoel van eigenwaarde bij emotioneel gekwetste mensen kan niet worden afgedwongen of aangeleerd, maar wordt geschonken door andere mensen: door aandacht, waardering en de erkenning van iemands intrinsieke waarde. Het gaat om een relatie waarin iemand zich door een ander gezien en bemind weet als naaste, als iemand die erbij hoort. Wanneer een mens in de blik en de liefde van de ander het welbehagen ervaart, kan hij dit met zijn hele wezen aanvoelen.
Door deze hartelijke, liefdevolle omgang kan geleidelijk een brug ontstaan naar een dieper ervaren van geborgenheid: een ervaring van liefde die bevrijdt en innerlijk heelt. In de relatie zelf ligt een innerlijke motivatie besloten om, vanuit openheid van hart, edelmoedigheid, onbaatzuchtigheid en offerbereidheid, de kwetsbare en noodlijdende mens bij te staan. De diepste grond van het helpen van de naaste ligt in de vrijheid van roepen en antwoorden; liefde wordt concreet in daden.
Met de titel Relatie als instrument van genezing wordt uitgedrukt dat de wijze waarop ik mij als gelovende en liefhebbende mens tot de ander verhoud, daadwerkelijk genezend kan zijn. Die relatie kan ertoe bijdragen dat de ander psychisch én geestelijk tot groei komt, doordat Gods genade ook werkzaam wordt via mijn persoon-zijn. Ik ben geroepen om, in liefde, instrument te zijn van weerhoudende en bevestigende nabijheid, tot heil en genezing van de naaste.
Anders gezegd: ik ben geroepen persoon te zijn in een schenkende liefde, een instrument waardoor Gods genade kan doorwerken tot opbouw van de ander in diens psychische en geestelijke menswording. In de omgang met mijn naaste, gedragen door geëngageerde betrokkenheid en in de kracht van Gods genade, worden wegen geopend die genezend zijn voor de medemens. Uiteindelijk is het God Zelf die de mens naast mij opent en aanraakt. Hij is het die geneest, terwijl Hij mij gebruikt als instrument van Zijn genade en zegen.
Update 4 januari 2026, Smakt, Pastoor Geudens
INHOUD
VOORWOORD
INLEIDING
1. Verlangen naar relatie
2. Relatie als instrument van genezing
HOOFDSTUK I: COMMUNICATIE EN HEIL
1. Communicatie
2. Intermenselijke relaties
3. Communicatie en relatie op het kennisniveau van de empirisch georiënteerde psychologie
4. Geloof en relatie
HOOFDSTUK II: COMMUNICATIE ALS HEILSDIALOOG
1. Vormen van liefde en vriendschap
1) Liefde van begeerte of verlangende liefde
2) Liefde van welwillendheid of welwillende liefde
3) Liefde van vriendschap
2. Niveaus van kennis
1) Innerlijke en uiterlijke gevoelskennis
2) Wetenschappelijke kennis
3) Kennis van persoon tot persoon
3. Toepassing
4. De plaats van Godsontmoeting en bemiddeling in een aantal dialogische visies
1) Kierkegaard, Barth en Brunner
2) Buber
3) Zundel
HOOFDSTUK III: HEILSDIALOOG ALS GENEZING
1. Waardering en bevestiging op de wijze van de ‘weerhoudende liefde’; in de vorm die de ander eigen is
2. Relatie als instrument van waardering, bevestiging én genezing
3. Casus: ‘Renée’
4. Het gebod van de liefde geformuleerd als norm
BESLUIT
EINDNOTEN
VOORWOORD
Deze studie draagt de titel Relatie als instrument van genezing en vertrekt vanuit de volgende vraag: kan de aard van de relatie die ik als gelovige en liefhebbende mens heb met een psychisch gekwetste medemens zó werkzaam zijn dat de ander er psychisch en/of geestelijk door groeit – en dit juist door de werking van Gods genade, ook via mijn eigen persoon-zijn?
De wijze waarop Maurice Zundel zijn theologische inzichten verwoordt in Die God, deze mens heeft mij ertoe aangezet mij met deze thematiek bezig te houden. Zijn theologische visie vormt de rode draad doorheen deze studie.
In de Inleiding wordt vastgesteld dat veel mensen verlangen naar echte, dragende relaties. Velen ervaren eenzaamheid of voelen zich opgesloten in zichzelf. Relaties blijken vaak niet te beantwoorden aan de verwachtingen die men ervan heeft.
In hoofdstuk I richt ik mij op communicatie en intermenselijke relaties op het binnenwereldse niveau. Psychologie en sociologie, als empirische wetenschappen, bieden inzicht in de wijze waarop communicatie en menselijke relaties functioneren. Deze inzichten kunnen worden vertaald in richtlijnen voor zorgvuldige communicatie en toegepast in het dagelijks omgaan met anderen.
Hoofdstuk II behandelt verschillende vormen van liefde en vriendschap. De centrale vraag is in hoeverre liefde en vriendschap een genezende werking kunnen hebben binnen menselijke relaties. Psychische ervaringen en uitingen van liefde ontlenen hun betekenis immers aan het wezen van de liefde zelf en maken deel uit van het totale mens-zijn. Liefde is bovendien niet louter een menselijke ervaring, maar ook een goddelijke deugd.
Vervolgens komt het begrip wijsheid aan bod, verstaan als geïntegreerde kennis die in liefde zoekt naar waarheid en goedheid. Deze vorm van kennen opent de weg naar God én naar de medemens als naaste. Voor Zundel is de ‘kennis van persoon tot persoon’ de hoogste vorm van kennen binnen de natuurlijke orde. Kennis en liefde zijn daarbij onlosmakelijk met elkaar verbonden: men kent in de mate waarin men liefheeft, en men kent niet meer dan men bemint. Deze persoonsgerichte kennis vormt het fundament van alle werkelijk menselijke relaties en rust op de absolute eis van respect voor de mens in al zijn relaties.
Daarnaast worden verschillende dialogische visies besproken. De ontmoeting tussen mens en God en de relatie tussen God en mens worden theologisch doordacht. Deze relatie blijkt wezenlijk dialogisch van aard.
In het afsluitende hoofdstuk III wordt gestreefd naar een synthese. Binnen een theologisch-personalistische visie is ruimte voor de begenadigde mens als bemiddelaar, die kan bijdragen aan de psychische menswording van de ander. Vanuit waardering en respect voor de medemens als naaste krijgt communicatie haar juiste plaats. Inzichten uit de empirische communicatiewetenschappen helpen om psychische processen bij emotioneel en psychisch gekwetste mensen beter te verstaan. Communicatieve ‘wetten’ maken duidelijk hoe noodzakelijk het is dat ook beschadigde mensen liefdevolle bevestiging ontvangen in het besef dat hun mens-zijn gewenst en waardevol is.
INLEIDING
1. Verlangen naar relatie
Veel mensen hebben moeite om duurzame relaties aan te gaan. Velen zijn emotioneel (nog) niet tot volle rijpheid gekomen. Als kind hebben zij mogelijk een warm en veilig gevoelsklimaat gemist, en vooral een vertrouwde, liefdevolle omgang met hun ouders. In hun zoektocht naar genegenheid zijn zij vaak in verwarring geraakt en hebben zij zich verloren gevoeld. Zij verlangen naar een ‘veilig nest’, een nieuw thuis, van waaruit zij kunnen groeien naar grotere innerlijke rijpheid, genezing en harmonie. Daarvoor is een warme, affectieve omgeving nodig waarin zij zonder angst opnieuw relaties kunnen aangaan, en mensen die bereid zijn tijd en aandacht voor hen vrij te maken.
Door ingrijpende conflicten met ouders, of door hun onverschilligheid of afwezigheid in de vroege jeugd, hebben sommige mensen zich diep van binnen afgesloten. Rond hun hart zijn als het ware beschermende muren opgetrokken om de pijn van hun innerlijke gebrokenheid niet langer te hoeven voelen. Zo konden zij zich beschermen tegen lijden, angst, isolement, schuldgevoel, verwarring en woede — gevoelens die hen hadden kunnen overweldigen als zij bewust aanwezig waren gebleven.
De menselijke natuur is zo ingericht dat een kind, om te kunnen leven of zelfs te overleven, soms zijn pijn diep wegdrukt in het onbewuste. Maar dat begraven verdriet en die opgehoopte duisternis blijven onbewust het gedrag en de houding van de volwassene beïnvloeden. Dat kan zich uiten in opgekropte woede, een sterk verlangen om exclusief gezien en bemind te worden, of een diepe eenzaamheid die omslaat in schuldgevoel en een gebrek aan zelfvertrouwen.
Gezonde relaties kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan innerlijke genezing. Tegelijk is er soms ook behoefte aan professionele psychologische en/of aangepaste geestelijke begeleiding: iemand bij wie men het volledige lijden kan uitspreken, zelfs de pijn die men dacht vergeten te zijn, maar die diep vanbinnen blijft sluimeren.
Liefde alleen is echter niet voldoende bij de begeleiding van mensen die ernstig hulp nodig hebben. Wie iemand wil bijstaan die vol angst is, ontredderd of verward, moet ook over deskundigheid beschikken. Het is noodzakelijk te weten hoe om te gaan met crises, agressie en depressie, en te leren verstaan wat mensen via hun gedrag en verwarring proberen uit te drukken. Men moet in staat zijn de verborgen boodschap in hun soms bizarre houding te herkennen en daar authentiek op te reageren. Dat vraagt inzicht in enkele fundamentele wetmatigheden van de menselijke natuur en begrip van hoe mensen kunnen groeien door arbeid en relaties.
Om mensen te begeleiden op weg naar innerlijke genezing is het niet noodzakelijk psychiater of psycholoog te zijn, maar wel essentieel om gevoelig te zijn voor de diepere noden van de ander, ervaring op te doen en niet terug te deinzen voor samenwerking met professionals zoals artsen, psychiaters en therapeuten. Geloof en psychiatrie sluiten elkaar niet uit; het conflict ontstaat alleen wanneer men de waarde van een van beide ontkent. Wel is het vaak moeilijk scherp af te bakenen wat tot het terrein van de spiritualiteit behoort en wat tot dat van de psychiatrie, omdat beide domeinen elkaar geregeld overlappen.
2. Relatie als instrument van genezing
In de Ark-gemeenschappen van Jean Vanier wordt een eigen benadering van genezing ontwikkeld, die sterk verschilt van de klassieke ziekenhuiszorg en van therapieën die uitsluitend steunen op medicatie of psychoanalyse.
- De ‘therapie’ van de Ark is gebaseerd op authentieke relaties, beleefd binnen het gemeenschapsleven, in het dagelijkse werk en in het samenleven. Deze relaties wekken hoop, levensenergie en inzet, bevorderen zelfaanvaarding en openen nieuwe perspectieven op de zin van het leven. Over het leven in de Ark zegt Jean Vanier dat men er probeert werkelijk menselijk te leven: men neemt de tijd om samen te eten, naar elkaar te luisteren en ruimte te maken voor warmte en genegenheid. Juist die menselijkheid raakt bezoekers diep, omdat ieder mens verlangt naar liefde en geborgenheid. Velen ontdekken er ook het geloof, en daarmee een hernieuwd vertrouwen in zichzelf, in anderen, in het leven en in God.
- Het christelijk gemeenschapsleven is bovendien geworteld in vergeving en in concrete tekenen van vergeving. In de biecht en het biechtgesprek kan de priester mensen helpen ervaren dat Jezus hen vergeeft. Dat is van groot belang voor de innerlijke genezing van ontredderde mensen, omdat het verlost van verlammend schuldgevoel. De ontdekking dat Jezus alle mensen liefheeft, en in het bijzonder wie kwetsbaar en gebroken zijn, helpt hen hun eigen waardigheid te herontdekken als kinderen van God.
- Ook het gemeenschappelijk gebed draagt bij aan genezing. Het laat mensen ervaren dat zij broeders en zusters zijn van Jezus en van elkaar, en dat er uiteindelijk geen fundamenteel onderscheid bestaat tussen ‘gezonden’ en ‘zieken’. Voor Jezus zijn wij allen mensen met beperkingen, gevangen in ons egoïsme. Juist daarom is Hij gekomen: om te genezen, te redden en te bevrijden door de gave van zijn Geest. Dat is de Blijde Boodschap die Hij verkondigt aan de armen.
HOOFDSTUK I – COMMUNICATIE EN HEIL
1. Communicatie
Samenleven betekent dat mensen elkaar voortdurend ontmoeten. Die ontmoetingen kunnen zeer verschillend van aard zijn, maar zelfs bij vluchtige contacten blijkt hoe sterk mensen rekening met elkaar houden en hun gedrag op anderen afstemmen. Met hun handelen proberen zij bepaalde doelen te bereiken of waarden te realiseren. Naast bewust en rationeel handelen onderscheidde Max Weber ook vormen van niet-rationeel handelen: handelen vanuit emotie en handelen vanuit gewoonte of traditie.
Bij interactie – de wederzijdse beïnvloeding tussen mensen – maken mensen elkaar duidelijk wat zij van elkaar verwachten. Deze wisselwerking is alleen mogelijk dankzij communicatie. Communicatie betekent letterlijk: iets delen, de ander laten delen in wat men denkt, voelt of bedoelt. Alles wat mensen doen en laten, denken en voelen, heeft daarom een communicatieve dimensie. Communicatie omvat alle manieren waarop mensen informatie uitwisselen: gesproken woorden, gebaren, blikken, intonatie van de stem, lichaamshouding – kortom elk gedrag van de één dat voor de ander betekenis draagt.
Op het eerste gezicht lijkt communicatie eenvoudig: persoon A stuurt een boodschap naar persoon B met de bedoeling dat B iets begrijpt of doet. In die zin wordt communicatie wel omschreven als ‘interactie door middel van boodschappen’. Het gaat om het aanbieden van boodschappen – via taal, bewegingen en non-verbale signalen – zodat de ander er informatie aan kan ontlenen, iets kan weten of leren. Wanneer de ontvanger hierop reageert of zelf een boodschap terugzendt, spreken we van feedback.
Het communicatieproces kan in verschillende stappen worden beschreven:
- Iemand heeft een gedachte of een idee dat hij aan een ander wil overbrengen.
- Hij zet deze gedachte om in taalsymbolen: hij codeert zijn boodschap. Zo zegt iemand bijvoorbeeld: ‘Het is koud, laten we naar binnen gaan.’
- De ontvanger vangt deze symbolen op via zijn zintuigen, bijvoorbeeld door te horen of te zien. Wanneer iemand doof of slecht horend is, wordt deze vorm van communicatie bemoeilijkt.
- De ontvanger vertaalt vervolgens de symbolen: hij decodeert de boodschap en vormt zich opnieuw een idee. Dat idee komt vaak, maar niet altijd, overeen met wat de zender bedoelde.
- Pas wanneer de symbolen begrepen worden, is er sprake van informatie. Kan de ontvanger de symbolen niet decoderen – bijvoorbeeld omdat hij de taal niet verstaat – dan ontstaat er geen communicatie. Gebaren of andere symbolen kunnen dan alsnog uitkomst bieden.
Mensen maken gebruik van uiteenlopende symboolsystemen, zoals verkeersborden, letters, lichaamstaal, gezichtsuitdrukkingen, gesproken taal en gebarentaal. Zender en ontvanger hechten echter niet altijd dezelfde betekenis aan dezelfde symbolen, ook al gaan zij daar vaak stilzwijgend van uit. Wanneer men in een gesprek voortdurend zou vragen wat de ander precies bedoelt met bepaalde woorden, zou dit al snel irritatie oproepen. Toch is voor echte communicatie een zekere gedeelde betekenis noodzakelijk.
Vaak wordt daarom gezegd dat communicatie alleen mogelijk is tussen mensen met een vergelijkbaar referentiekader: het geheel van waarden, normen, opvattingen en vanzelfsprekendheden dat is gevormd door eerdere ervaringen en door de groep waartoe men behoort. Deze opvatting is echter te beperkt. Betekenissen ontstaan en veranderen namelijk juist in en door interactie. Zolang er geen echte overeenstemming is, kan er sprake zijn van schijnbegrip of pseudo-communicatie: mensen menen elkaar te verstaan, terwijl zij elkaar feitelijk verkeerd begrijpen. Zo komt het bijvoorbeeld regelmatig voor dat patiënten iets anders verstaan onder medische termen dan hun arts bedoelt.
Wat woorden betekenen, leiden mensen bovendien niet alleen af uit de woorden zelf, maar ook uit toon, gebaren en gezichtsuitdrukking. Het ontbreken van zulke non-verbale signalen, bijvoorbeeld bij telefonische of schriftelijke communicatie, vergroot de kans op misverstanden. Een glimlach of een knipoog kan de betekenis van woorden verzachten, terwijl men soms juist gemakkelijker een moeilijke boodschap overbrengt wanneer men onzichtbaar blijft. In bepaalde situaties durft men iets nauwelijks onder woorden te brengen en verloopt de communicatie vrijwel geheel non-verbaal. Daarnaast vindt er vrijwel altijd ook onbewuste non-verbale communicatie plaats: woordkeuze, accent en uitspraak verraden ongewild iets over iemands achtergrond en positie, en kunnen het verloop van de interactie beïnvloeden.
Taal speelt een centrale rol in de meeste vormen van communicatie, maar niet elk spreken is gericht op het overdragen van informatie. In sommige situaties gaat het meer om ‘praten om het praten’: het onderwerp is dan minder belangrijk dan het feit dat men met elkaar spreekt. Het gesprek dient dan vooral om contact te leggen, verbondenheid te ervaren of een wij-gevoel tot uitdrukking te brengen. Communicatie is daarmee een essentieel middel om intermenselijke relaties op te bouwen, te onderhouden en te verdiepen.
Communicatie leidt bovendien tot groepsvorming en houdt groepen bijeen. Sociaal leven zonder communicatie is nauwelijks voorstelbaar. Communicatie beperkt zich dan ook niet tot interactie tussen twee individuen. Mensen die door omstandigheden op elkaar zijn aangewezen, proberen via communicatie tot een gedeelde definitie van de situatie te komen: een gezamenlijke betekenisgeving die de basis vormt voor verdere interactie en samenwerking.
2. Intermenselijke relaties
Vanaf het moment dat een mens wordt geboren, begint hij relaties aan te gaan met anderen. In de eerste levensfase zijn de ouders daarbij het belangrijkst. Gedurende zijn hele leven blijft de mens in relatie met medemensen. Hij ontmoet duizenden mensen, met wie hij soms langdurig – zoals een echtgenoot of partner – en soms heel kort – zoals een verkeersagent – in contact staat. Deze contacten nemen uiteenlopende vormen aan: vriendschap of vijandschap, liefde of onverschilligheid.
Intermenselijke relaties zijn complex. In elke ontmoeting en elke handeling spelen meerdere factoren tegelijk een rol. Menselijk gedrag wordt onder meer beïnvloed door het eigen karakter, de opvoeding, de sociale groepen waartoe men behoort, de manier waarop men een situatie beleeft, de lichamelijke toestand, religieuze of politieke overtuigingen, de cultuur en levensstijl van het land waarin men leeft, de verwachtingen en meningen van anderen, de eigen vaardigheden en de rol die men vervult. Al deze factoren grijpen voortdurend in elkaar en beïnvloeden elkaar wederzijds. Elke menselijke handeling is daarom het resultaat van een keuze en een beslissing.
De mens heeft anderen nodig om zich tot mens te kunnen ontwikkelen. Hij is een sociaal wezen en wordt pas werkelijk mens in de ontmoeting en de wisselwerking met anderen. Intermenselijke relaties vervullen daarbij verschillende functies:
- Vooral in de jeugd zijn relaties onmisbaar, omdat het kind daardoor leert spreken, waarden en normen ontwikkelt en zich sociaal vormt. Zonder voorbeelden – zonder anderen – is leren moeilijk of zelfs onmogelijk. Relaties bieden bovendien veiligheid en helpen angst en faalangst te verminderen.
- Door relaties met anderen kan iemand zijn eigen identiteit plaatsen en begrijpen. Men leert zichzelf kennen door vergelijking met anderen.
- Intermenselijke relaties bieden ruimte om meningen en gevoelens te toetsen en te verhelderen.
- Zij schenken vriendschap, troost en steun in situaties van angst, pijn en onzekerheid.
Tegelijk zijn intermenselijke relaties niet altijd eenvoudig of aangenaam. Zij kennen ook schaduwzijden:
- Mensen oefenen op elkaar sociale controle uit en beoordelen of het gedrag van de ander passend is.
- Relaties kunnen veel pijn veroorzaken, bijvoorbeeld door onbeantwoorde liefde, verbroken vriendschappen of huwelijken, en het wegvallen van dierbaren.
- Mensen kunnen elkaar ook in een verkeerde richting beïnvloeden, bijvoorbeeld door een tekortschietende of verkeerde opvoeding.
- Door relaties kan men te afhankelijk worden van anderen, wat de persoonlijke vrijheid en groei belemmert.
- Soms ervaren mensen relaties als beklemmend, omdat zij gepaard gaan met verplichtingen en verwachtingen tegenover anderen.
Intermenselijke relaties zijn daarmee zowel een bron van groei en steun als een terrein van kwetsbaarheid en spanning. Juist in deze ambivalentie tonen zij hun grote betekenis voor het mens-zijn.
3. Communicatie en relatie op het kennisniveau van de empirisch georiënteerde psychologie
Tot nu toe spraken wij over communicatie en relaties op een binnenwerelds, menselijk niveau. De hedendaagse psychologie presenteert zich als een wetenschap die zich onder meer bezighoudt met menselijk gedrag. In de Oudheid en de Middeleeuwen maakte de psychologie deel uit van de filosofie, ook nog lange tijd nadat de filosofie zich had losgemaakt van wat wij vandaag de vakwetenschappen noemen. Pas in de negentiende eeuw ontstond geleidelijk een psychologie die zichzelf verstond als empirische wetenschap.
De wetenschappelijke methode van de moderne psychologie is rationeel en analytisch van aard. De onderzoeker benadert zijn onderzoeksveld op een logische en systematische wijze en verwerft kennis door observatie en ervaring. Men kan daarom spreken van een rationeel-empirische methode. Deze methode veronderstelt dat de onderzoeker zich richt op de objectieve bestudering van verschijnselen, volgens vastgelegde experimentele procedures. Wanneer deze consequent worden toegepast, leiden zij – in principe – voor alle bevoegde onderzoekers tot dezelfde resultaten.
Maurice Zundel benadrukt dat deze vorm van kennis noodzakelijk beperkt is. De wetenschappelijke methode vereist immers een strikte objectiviteit. Om die objectiviteit en universaliteit te waarborgen, moet de onderzoeker zijn persoonlijke overtuigingen, gevoelens en levensbeschouwelijke opvattingen buiten het onderzoeksproces houden. Wetenschappelijke kennis nadert de objectieve waarheid juist in de mate waarin de persoon, het karakter en de concrete situatie van de onderzoeker zo weinig mogelijk invloed uitoefenen. De empirische wetenschap maakt daarom noodzakelijk abstractie van het kennend subject.
Deze vrijwillige beperking is tegelijk de kracht én de grens van de wetenschap. Zij maakt universele communicatie mogelijk, maar sluit uit dat de wetenschap uitspraken kan doen over vragen die wezenlijk en specifiek menselijk zijn: vragen naar zin, bestemming, liefde, lijden en geloof. Wanneer wetenschappers zich toch uitspreken over dergelijke thema’s, doen zij dat niet vanuit hun wetenschappelijke autoriteit, maar vanuit hun persoonlijke betrokkenheid als mens.
Wanneer communicatie en relatie uitsluitend benaderd worden vanuit dit rationeel-empirische kennisniveau, dringt zich uiteindelijk een ervaring van fundamentele eenzaamheid op. De mens ervaart zijn eigen eindigheid en beperktheid. In intermenselijke relaties wordt de betrekkelijkheid van elke relatie voelbaar, vooral in het onvermogen om zichzelf volledig aan de ander te geven en de ander volledig te ontvangen.
Juist in liefdesrelaties wordt deze ervaring scherp. Hoe zuiverder, hechter en duurzamer een liefdesband wordt beleefd, des te sterker groeit het besef dat volledige eenheid onmogelijk blijft. Hoe inniger de verbondenheid, hoe pijnlijker het besef van blijvende afstand. Het gaat hier niet om toevallige tekortkomingen, maar om een fundamentele menselijke begrenzing: mensen kunnen zichzelf slechts beperkt geven, omdat zij eindige wezens zijn. Het sterven van een geliefde maakt deze ervaring zichtbaar, maar zij is in feite altijd al aanwezig. Daarom ervaren juist mensen die intens liefhebben het sterkst hun eigen eindigheid en eenzaamheid.
4. Geloof en relatie
Binnen de wetenschappelijke psychologie is geen plaats voor het geloof in God. Geloven is immers geen rationeel-empirische kennisvorm, maar een sprong die voortkomt uit de ervaring van eindigheid en die zich richt op God. Het is het vertrouwvol volgen van de genade binnen de ervaring, naar een werkelijkheid die de ervaring overstijgt: een Transcendentie die vóór, boven en buiten de mens is. Deze Transcendentie wordt niet ervaren op de manier waarop empirische ervaring wordt verstaan.
In de hedendaagse geloofsbeleving is de theologie van de genade grotendeels naar de achtergrond verdwenen. Dat de mens volledig gedragen wordt door de gratis geschonken genade van God, vormt voor velen een struikelblok. Men vreest dat genade de menselijke vrijheid aantast, terwijl zij haar juist mogelijk maakt en fundeert. Geloven betekent zich in vrijheid toevertrouwen aan een zich openbarende God die met de mens een relatie aangaat. Het is leven in relatie met de Ander.
God woont in de gelovige mens, zonder op te houden tegenover hem te staan als Schepper, Heer en Verlosser. De relatie tussen God en mens is die van een Ik en een Jij: vrij, persoonlijk en wederkerig, als partners in liefde. De liefde zelf fundeert deze tweevoudigheid.
Het wezen van het christelijk en bijbels geloof ligt daarom niet in een bepaalde vorm van kennen, maar in een wijze van zijn en handelen in de wereld. Geloven is een levenshouding: een gerichtheid op God die het hele bestaan omvat, een omkeer van leven (metanoia). In het geloof wordt de mens door de genade vernieuwd. Het geloof in Christus schenkt de mens een nieuwe existentie: hij wordt een nieuwe schepping. Zo opent het geloof de weg naar het eeuwige leven.
De mens kan deze overstap naar het geloof niet uit eigen kracht maken. Geloven is uiteindelijk genade; het is de Heilige Geest die de mens tot geloof brengt. Psychologisch gezien verandert de mens daardoor ook werkelijk. Door de werking van de Heilige Geest ontvangt hij een nieuw bewustzijn. Wat hij reeds wist, wordt in een nieuw licht geplaatst en opnieuw actueel, waardoor zijn leven anders wordt ervaren. Zo maakt de Geest de mens innerlijk nieuw.
HOOFDSTUK II – COMMUNICATIE ALS HEILSDIALOOG
In dit hoofdstuk richten wij ons enerzijds op (naasten)liefde en vriendschap: in hoeverre hebben liefde en vriendschap een helende en gezondmakende werking op de mens? Anderzijds onderzoeken wij de samenhang tussen liefde en kennis. Bestaat er een diepere onderliggende band tussen beide, en zo ja, hoe moet die worden verstaan?
1. Vormen van liefde en vriendschap
Wie Jezus in liefde en geloof aanvaardt en zijn geloofsleven wil doordenken binnen een samenhangend mens- en wereldbeeld, wordt uitgenodigd om hierover na te denken en te reflecteren. Dat kan gebeuren om innerlijk tot helderheid te komen, maar ook om tegenover anderen het eigen standpunt te kunnen verwoorden. Een filosofie die de natuurlijke fundamentele waarheden erkent waarop de christelijke openbaring voortbouwt, biedt hiervoor een passend kader. Binnen de kerkelijke traditie zijn vooral twee filosofische stromingen van betekenis: de lijn van Plato, Augustinus, Anselmus en Bonaventura, en het thomistisch aristotelisme.
Volgens Van Boekel en Vinken is de scholastieke benadering van liefde en vriendschap binnen het thomisme lange tijd te sterk intellectualistisch geweest. Het bleek moeilijk om de inzichten van de moderne positieve wetenschappen, met name biologie, psychologie en andere menswetenschappen, vruchtbaar te integreren in het thomistisch systeem. Daardoor raakte de filosofie en theologie van Thomas steeds verder verwijderd van de concrete menselijke werkelijkheid. Een belangrijk gevolg hiervan was dat het geheel van het mens-zijn onvoldoende werd verstaan, waarbij vooral de lichamelijkheid een te negatieve waardering kreeg.
Toch raakt liefde het diepste wezen van de mens, omdat in de liefde de zin van het bestaan tot vervulling komt: het bestaan in relatie tot God én tot de medemens. Psychische verschijnselen en ervaringen van liefde ontlenen hun betekenis aan het wezen van de liefde zelf en maken deel uit van het totale mens-zijn. Liefde is bovendien een goddelijke deugd. Zij wordt omschreven als de deugd waardoor wij God boven alles liefhebben omwille van Hemzelf, en de naaste liefhebben als onszelf, uit liefde tot God.
De liefde tot God sluit de liefde tot de naaste in. Wie God liefheeft, is geroepen ook allen lief te hebben die naar zijn beeld en gelijkenis zijn geschapen: de medemens én zichzelf. De vruchten van de liefde zijn vreugde, vrede en barmhartigheid. Liefde vraagt om weldadigheid en broederlijke vermaning; zij is welwillend, wekt wederkerigheid, blijft onbaatzuchtig en verdraagzaam. Liefde schept vriendschap en gemeenschap. Uiteindelijk is de liefde de voltooiing van al onze werken.
Binnen deze brede werkelijkheid van de liefde kunnen verschillende vormen worden onderscheiden.
1. Liefde van begeerte of verlangende liefde
De mens kan iets of iemand beminnen omdat het hemzelf voordeel of voldoening schenkt. Men houdt van de ander om wat hij te bieden heeft. Dit is de vorm van liefde die vaak zichtbaar is in de fase van verliefdheid. Ook in de hulpverlening kan deze vorm voorkomen, bijvoorbeeld wanneer een arts of hulpverlener helpt omwille van eigen reputatie, carrière of om een gevoel van persoonlijke tekortkoming te compenseren. Liefde dreigt dan bezit te worden: een liefde die de ander vooral ziet als middel tot een doel.
2. Liefde van welwillendheid of welwillende liefde
Bij deze vorm van liefde bemint men het goede omwille van zichzelf, los van eigen voordeel. Het object van deze liefde kan een deugd zijn, kennis, maar ook een persoon. Men heeft dan het welzijn van de ander op het oog, zonder berekening of eigenbelang.
De welwillende, zichzelf schenkende liefde richt zich in haar hoogste vorm op God, niet omdat Hij ons goeddoet, maar omdat Hij het hoogste en volmaaktste goed in Zichzelf is. Volgens Thomas kan de mens slechts streven naar zijn eigen voltooiing en geluk, en naar een liefdevolle gemeenschap met anderen, omdat hij daarmee nadert tot God, het hoogste goed en het uiteindelijke doel van al ons verlangen. Alleen in Hem komt dit verlangen volledig tot rust. De liefde tot God is daarom de weg naar het eeuwig geluk.
Welwillende liefde kan samengaan met verlangende liefde. Toch bestaat het gevaar dat mensen ‘goed handelen’ onbewust vereenzelvigen met efficiënt of nuttig handelen. In dat geval blijven zij steken op het niveau van de verlangende liefde, waardoor hun liefde gemakkelijk bezitterig wordt. In intieme menselijke relaties, zoals het huwelijk, kan dit een zware belasting vormen.
3. Liefde van vriendschap
Van liefde van vriendschap is sprake wanneer de liefde van welwillendheid tussen twee personen wederkerig is. De leer van Jezus is in wezen een leer van liefde. Deze liefde wordt niet als theorie doorgegeven, maar geleefd in een levende dialoog tussen God en mens, in een ontmoeting van persoon tot persoon. Jezus werd in alles wat Hij deed gedragen en bewogen door liefde. Hij wees niemand af en schonk vergeving aan allen. Slechts één houding bleef buiten zijn vergeving: de weigering om zich te laten beminnen, het vasthouden aan haat.
Tijdens zijn afscheid gaf Jezus zijn leerlingen het nieuwe gebod: elkaar lief te hebben. Hij gaf daarbij ook de maat van die liefde: “Heb elkaar lief zoals Ik jullie heb liefgehad. Daaraan zal men zien dat jullie mijn leerlingen zijn” (Joh. 13,34-35). De Kerk kan alleen leven vanuit deze liefde, en in het bijzonder vanuit de liefde van haar bedienaren. Zonder onderlinge liefde en zonder liefde voor alle mensen in de naam van Jezus kan de Kerk niet vruchtbaar zijn en wordt de wedergeboorte van mensen tot kinderen van de Vader belemmerd.
God is liefde. Wie met Hem verbonden wil zijn, wordt geroepen iedereen lief te hebben, zelfs wie vervolgt of afwijst. Maria heeft zich zonder voorbehoud aan God toevertrouwd; zo worden ook wij geroepen ons zonder voorbehoud te geven aan allen die wij ontmoeten, zieken en zondaars inbegrepen. Verkondigers van het Evangelie moeten allen beminnen, opdat allen tot liefde kunnen komen en gered worden. Niet zelden worden mensen verbitterd of ontspoord omdat zij nooit werkelijk bemind zijn, of verkeerd bemind. Juist daarom moeten verkondigers hen liefhebben, zodat de Heilige Geest opnieuw ruimte kan krijgen in hun leven.
Jezus is op zijn weg vele gebroken mensen tegengekomen, mensen die in het slijk waren gevallen. Hij vertrapte hen niet, maar raapte hen met liefde op en maakte hen tot uitverkorenen van het Koninkrijk. Zo moeten ook wij handelen, in de kracht van Gods liefde die in ons woont. De liefde die God ons schenkt en die wij door zijn genade tot onze liefde mogen maken, is een geheel onverdiend, bovennatuurlijk deelhebben aan zijn eigen eeuwige liefde. “Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb Ik u liefgehad” (Joh. 15,9). Wie de Blijde Boodschap verkondigt, wordt uitgenodigd te blijven in de vriendschap met Jezus, zoals Jezus blijft in de liefde van de Vader. De liefde van vriendschap is zo een deelnemen aan de innerlijke liefdesbeweging van de Drie-ene God.
Een bijzondere vorm van naastenliefde is solidariteit. In ruime zin betreft zij de relaties tussen individuen; in strikte zin gaat zij over de verhouding tussen het individu en de gemeenschap als geheel. Solidariteit wordt verstaan als een deugd: een vaste morele houding die gericht is op het algemeen welzijn, op het goede van allen en ieder afzonderlijk, vanuit het besef dat wij werkelijk verantwoordelijk zijn voor elkaar. Het solidariteitsbeginsel wordt daarom ook wel ‘vriendschap’ of ‘sociale naastenliefde’ genoemd en geldt als een directe eis van menselijke en christelijke broederlijkheid.
Volgens Thomas van Aquino moet men de naaste liefhebben als zichzelf: als mede-mens en mede-subject. De mens is niet alleen een redelijk wezen, maar ook een sociaal wezen. Zijn bestaan is wezenlijk een bestaan mét anderen, zowel vanwege zijn kwetsbaarheid en hulpbehoevendheid als om zijn mens-zijn volledig te kunnen ontplooien. Zelfs wie uiterlijk niets tekortkomt, heeft vrienden nodig: mensen die hij liefheeft en voor wie hij goed kan zijn. Samenleven betekent bewust worden van het mede-bestaan van anderen naast mij en vindt plaats in een voortdurende uitwisseling van gedachten en ervaringen. Werkelijke vriendschap ontstaat slechts door herhaald en gedeeld samenzijn.
2. Niveaus van kennis
Tussen (naasten)liefde, kennis en wijsheid bestaat een diepe samenhang. Het verstand behoort tot de waardigheid van de mens als beeld van God. Toch kent menselijke kennis verschillende niveaus. Naast wetenschappelijke kennis is er het niveau van de doordachte, metafysische kennis, die zich richt op de werkelijkheid als ‘zijn’. Daarboven staat het niveau van de wijsheid. Wijsheid is niet louter intellectueel weten, maar een geïntegreerde kennis die ontstaat in het zoeken naar waarheid en goedheid in de liefde. Deze wijsheid voert de mens naar God en is onmisbaar voor een werkelijk menswaardige samenleving.
Maurice Zundel stelt dat de mens door een juist gebruik van zijn verschillende vormen van kennen kan komen tot een geleefde, werkelijke ontmoeting met God. Hij onderscheidt drie vormen van kennis:
- innerlijke en uiterlijke gevoelskennis
- wetenschappelijke kennis
- kennis van persoon tot persoon
1. Innerlijke en uiterlijke gevoelskennis
Volgens Zundel leven wij als het ware in een bad van innerlijke en uiterlijke gevoelskennis. Wij nemen ons milieu waar met een affectieve, subjectieve kleuring, die talloze nuances kent. Deze kennis wordt gevormd door onze lichamelijke toestand, onze gevoeligheden, vooroordelen, onderbewuste impulsen en onze ontwikkeling als kind. Ook geslacht, leeftijd, klimaat, seizoenen, relaties met anderen, sympathieën en antipathieën, verbeelding, succes en mislukking spelen hierin een rol.
Al deze elementen vormen een enorm potentieel aan gevoelens. Het zwaartepunt daarvan is een gegeven ‘ik’ dat zich wil bevestigen binnen een netwerk van lichamelijke en psychische afhankelijkheden. Daarbij past het zich, vrijwillig of gedwongen, aan het universum van anderen aan. Dit brengt een voortdurend risico van conflict en rivaliteit met zich mee, dat in extreme gevallen kan uitmonden in geweld of oorlog.
2. Wetenschappelijke kennis
Dit kennisniveau richt zich op objectiviteit. Verschijnselen worden onderzocht volgens vastgelegde, experimentele methoden. De voorwaarde voor wetenschappelijke objectiviteit is de universaliteit van de gebruikte taal. Persoonlijke overtuigingen en subjectieve ervaringen moeten buiten beschouwing blijven.
3. Kennis van persoon tot persoon
In de ervaring van de onaantastbaarheid ontdekt de mens in zichzelf een innerlijk gebied waar niemand anders kan binnentreden. Deze innerlijkheid behoort hem alleen toe en vormt het diepste en meest kwetsbare centrum van zijn persoon-zijn. Juist hierin onderscheidt de mens zich als mens. Hij kan zijn mens-zijn bevestigen door te protesteren wanneer deze onaantastbaarheid wordt geschonden, maar ook door zich te openen voor vriendschap wanneer zij wordt geëerbiedigd. Geen geschenk is kostbaarder dan eerbied voor deze innerlijkheid.
Bij opvoeding en begeleiding moet men erkennen dat de eigenheid van iedere mens van binnenuit ontvangen is. De bijzondere autoriteit die Jezus uitstraalde, had hiermee te maken: Hij raakte mensen in de kern van hun bestaan en opende voor hen een nieuwe blik op zichzelf. In de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw bij de put confronteert Jezus haar met haar innerlijk. Door die confrontatie ontdekt zij de bron in zichzelf, die opwelt tot eeuwig leven. Zij kwam om water te halen, maar vertrok met een nieuwe innerlijke werkelijkheid.
Van nu af zijn mensen geroepen in zichzelf het heiligdom van de levende God te ontdekken. Dat vraagt een radicale omkeer, een nieuwe geboorte. De geboorte van God in de mens is de voorwaarde voor de geboorte van de mens in zichzelf. De ontmoeting met de Aanwezigheid in ons bevrijdt ons van de egocentrische monoloog en opent ons voor een dialoog van liefde. Zo verandert het hebberige ik in een onbaatzuchtig ik.
Augustinus verwoordt deze ontdekking in zijn Belijdenissen: God was binnen, en hijzelf was buiten. Het gaat hier niet om een plaats, maar om het binnengaan in zichzelf. In dat ‘binnen’ heeft Augustinus God ontmoet. God wekt het innerlijk, schudt de mens wakker voor zichzelf en openbaart zich als de geheimzinnige Gast die hem tot zichzelf brengt. In deze ontmoeting wordt het bestaan doorzichtig en wordt zelfgave aan het oneindige Goede de weg naar het ware zelf.
Tegen deze achtergrond wordt duidelijk wat Zundel bedoelt met ‘kennis van persoon tot persoon’. Dit is volgens hem de hoogste vorm van kennen binnen de natuurlijke orde. Zij overstijgt het objectiverende kennen van de menswetenschappen en richt zich op wat in de mens niet tot object kan worden gemaakt: zijn innerlijke waardigheid en onaantastbaarheid. Deze kennis veronderstelt eerbied, betrokkenheid en liefde. Zij ademt liefde en openbaart zich alleen in wederkerigheid.
Om het ware gelaat van de ander te ontdekken, volstaat observeren niet. Men moet de ander innerlijk toelaten. Wederkerigheid groeit wanneer men de ander aanvaardt in zijn anders-zijn. Zo kan liefde uitgroeien tot volmaakte liefde: een wederzijdse doorzichtigheid waarin geen bezit meer is, maar een uitwisseling van aanwezigheid.
Voor Zundel vallen kennis en liefde hier samen. Men kent in de mate waarin men bemint en men kent niet meer dan men bemint. Deze eenheid is het wezen van ware persoonlijkheid en de bron van haar uitstraling. Werkelijk menselijke relaties – tussen echtgenoten, ouders en kinderen, vrienden – wortelen in deze kennis van persoon tot persoon. Zij berusten op de absolute eis van eerbied voor de mens in al zijn relaties.
3. Toepassing
De kennis van persoon tot persoon gaat over “de wederzijdse doordringing van innigheid tussen wezens die in zichzelf onaantastbaar zijn en elkaar alleen kunnen bereiken via een wederzijdse communicatie die berust op vrijwillige instemming”. Deze vorm van kennen is dus wezenlijk relationeel. De relatie kan daarbij verschillende gestalten aannemen, afhankelijk van de mate waarin beide personen delen in dezelfde Aanwezigheid.
Deze kennis sluit nauw aan bij de liefde van welwillendheid. Welwillende liefde zoekt het goede van de ander en schenkt daardoor niet alleen de ander vrede en geluk, maar brengt ook degene die liefheeft tot innerlijke vervulling. Tegelijk raakt dit kennen aan de liefde van vriendschap, omdat zij op wederkerigheid berust. De theologische deugd van de liefde wordt door Gods genade geschonken. Volgens Thomas bepalen zowel de liefde van welwillendheid als de liefde van vriendschap in hoge mate de innerlijke houding van de mens.
Romano Guardini staat in de traditie van Augustinus wanneer hij zegt: “Men kent iets in zover men het bemint.” Kennis en liefde vormen dan één en dezelfde act. Jacques Maritain stelt daarentegen dat kennis aan liefde voorafgaat, en sluit daarmee aan bij Thomas, voor wie het kennen een zekere voorrang heeft boven de liefde. Het is denkbaar dat in de tijdsorde kennis inderdaad voorafgaat aan liefde, terwijl in de metanoia — de omkeer naar God en de omvorming in Hem — kennen en liefhebben samensmelten tot één beweging. De mens vindt toegang tot de waarheid via de liefde. Bij Augustinus is kennen geen louter intellectueel proces, maar een gerichtheid van de hele mens: een zich uitstrekken met heel zijn bestaan. Hij duidt deze actieve inzet ook aan met voluntas (wil). In de kern gaat het echter om liefde: daarin komt de verwantschap van mens en uiteindelijke werkelijkheid aan het licht.
4. De plaats van Godsontmoeting en bemiddeling in enkele dialogische visies
In deze paragraaf onderzoeken we in hoeverre binnen verschillende dialogische visies in theologie en filosofie sprake kan zijn van Godsontmoeting en van bemiddeling.
1) Kierkegaard, Barth en Brunner
Het existentialisme (onder meer Kierkegaard, Heidegger, Jaspers, Sartre en Camus), dat de aandacht richt op de mens in zijn concrete, individuele bestaan, heeft sterke invloed gehad op de theologie. Metafysische vragen werden daarbij vaak minder belangrijk geacht en soms terzijde geschoven als te speculatief of te weinig existentieel.
Kierkegaard benadrukte dat geloof niet bestaat uit het louter aanvaarden van leerstellingen of het gehoorzamen aan van bovenaf opgelegde normen. Voor hem is geloof eerder een persoonlijke verbintenis, vergelijkbaar met verliefdheid: men verbindt zich niet om objectieve redenen, maar op grond van innerlijk doorleefde ervaring. Existeren betekent keuzes maken die het hele bestaan raken, zich met “huid en haar” toevertrouwen. Geloof is zo’n fundamentele keuze. De Bijbel is een liefdesbrief en God is een “Gij” met wie de mens in een directe verhouding staat.
Vanuit deze gevoeligheid leerden met name Karl Barth en Emil Brunner dat men over God slechts gebrekkig en benaderend kan spreken, in een taal vol spanningen en paradoxen: dialectisch. Daarbij speelt ook de betekenis van dialoog mee. Dialectische (en dialogische) theologie verzet zich tegen een louter beschouwende theologie die God als object wil vastleggen. God openbaart zich veeleer in de ontmoeting: wanneer theologische bezinning een soort tweegesprek met God wordt. De theoloog moet niet proberen God te “begrijpen” of vast te zetten, maar laten zien dat God hem omvat en aanspreekt. God is geen object, maar subject: een handelende Persoon. Leerstukken en normen krijgen pas betekenis wanneer zij geen starre waarheden zijn, maar de neerslag van existentiële beslissingen van de gelovige.
2) Buber
In de dialogische filosofie van Martin Buber staat de menselijke ontmoeting centraal: de concrete ontmoeting in het dagelijks leven, die kan slagen of mislukken. De ontmoeting met de ander als persoon voltrekt zich in het nu. Soms ontmoeten mensen elkaar werkelijk als subject tot subject (de Ik-Jij-relatie), maar vaak ook in rollen en functies (de Ik-Het-relatie). In een echte Ik-Jij-ontmoeting is de ander uniek en niet vervangbaar.
Het vermogen tot persoonlijke relaties is wel in de menselijke natuur aanwezig, maar moet worden ontwikkeld. In Bubers denken wordt Godsontmoeting mogelijk waar mensen werkelijk openstaan voor God en voor elkaar. Met name relaties van bondgenootschap en lotgenootschap kunnen dragers worden van openbaring. Bovendien ziet Buber de medemens als een onvoorwaardelijke opdracht: mensen zijn aan elkaar gegeven. Daarmee heeft hij het dialogische karakter van het menselijk bestaan scherp zichtbaar gemaakt en wezenlijk bijgedragen aan het mensbeeld van onze tijd.
3) Zundel
Volgens Zundel spreekt God de mens aan in de openbaring. Iedere mens wordt uitgedaagd tot bekering en groei: tot een toenemende gevoeligheid voor God in een levende dialoog met Hem. Christelijke vrijheid veronderstelt een innerlijke bevrijding, waardoor wij binnengeleid worden in een onbegrensde ruimte waar het egocentrische ik niet langer de toon aangeeft. Bevrijding van dit ik kan alleen het werk zijn van een oneindige liefde. Zij ontstaat uit een ontmoeting, in het meest intieme van onszelf, met een Aanwezigheid die deze zelfgave in ons wekt. De mens wordt als het ware geboren in de stille dialoog met de genadevolle Bezoeker, die hem opent voor zichzelf en hem voert van het louter “ondergaan” van het leven naar het leven als gave waarin hij zich vervult.
Zundel wijst erop dat verkondiging pas werkelijk vruchtbaar wordt wanneer de mens geraakt wordt in het diepst van zichzelf. Daar ontdekt hij de ware zin van zijn vrijheid: een innerlijke ruimte zonder grenzen. Daar ontmoet hij Iemand die zijn vermogen tot bewondering en liefde kan dragen en vervullen. Openbaring is daarom “communicatie van geest tot geest”, die vrucht draagt in geloof, hoop en liefde, in het licht van de Heilige Geest. Het charisma van het beleven én doorgeven van de Blijde Boodschap maakt profeten, priesters en gelovigen tot instrumenten van genade: tot instrumenten van communicatie. Ook wanneer iemand de boodschap nog niet volledig kan begrijpen, kan het instrument toch werkzaam blijven.
Het hoogtepunt van de openbaring is het mysterie van de Heilige Drie-eenheid. Dit geloof is het wezenlijke kenmerk van het christendom en biedt, volgens Zundel, het meest diepgaande en verhelderende antwoord op de vragen van de menselijke geest en de verlangens van het hart. De openbaring van de Drie-eenheid opent immers een verrassende weg voorbij het bezitterige ik, samengevat in de woorden: “God is liefde” (1 Joh.). God is liefde in zichzelf (immanente Drie-eenheid) én liefde in relatie tot de schepping (heilseconomische Drie-eenheid). Liefde veronderstelt immers een Ander: in God is die Ander eeuwig aanwezig. Daarom is God wel één, maar nooit eenzaam.
Vanuit deze trinitaire werkelijkheid wordt ook Christus verstaan. Het Woord treedt onze geschiedenis binnen als Goddelijk “Ik” dat zich niets toe-eigent, maar zichzelf wegschenkt. De menselijkheid van Jezus is vervuld van deze onthechting en onteigening, waardoor Hij bij uitstek Getuige en Bemiddelaar wordt. De zin van de schepping is vanaf het begin communicatie met God: de voltooiing ervan is de menswording van het Woord in de tijd. In Jezus schenkt God zichzelf weg als liefde.
Elke genade houdt ook een zending in. Hoe overvloediger de genade, hoe ruimer de zending. Omdat Christus’ menselijke natuur volledig door het Woord wordt gedragen, is Hij totale openheid naar de schepping. Zijn zending is mensen tot kinderen van God te maken. En Christus wil ook ons tot gave maken: wij kunnen het kindschap in een ander slechts wekken, wanneer het in onszelf leeft.
Zundel benadrukt dat Gods Drie-eenheid juist garandeert dat God de menselijke vrijheid niet verdrukt. In God is de Ander al in vrijheid aanwezig; daarom laat Hij ook de mens in vrijheid bestaan. God heeft de liefde van de mens niet nodig, maar wil de mens uit pure liefde laten delen in zijn eigen trinitaire leven.
Gods Geest richt zich tot onze geest, die vaak slechts langzaam ontwaakt. Naarmate wij loskomen van het egocentrisme, wordt de persoonlijke Aanwezigheid van de genade voelbaar: zij wordt geleidelijk het centrum van onze intimiteit en de drijvende kracht van onze bestemming. Zo groeit de dialoog waarin het bezitterige ik wordt omgevormd tot een schenkend ik. Dan worden wij ontvankelijk voor de Vriend die in ons innerlijk woont, en voor zijn genezende nabijheid op de bodem van het hart.
HOOFDSTUK III – HEILSDIALOOG ALS GENEZING
Mystici spreken over een werkelijkheid die voor de gemiddelde gelovige soms ver weg of onwaarschijnlijk lijkt. In werkelijkheid is die werkelijkheid vaak veel dichterbij dan men vermoedt. De mysticus ervaart — psychisch en geestelijk — wat de doorsnee gelovige vooral gelooft. Mystiek heeft te maken met ervaring: wat de theoloog rationeel en begrippelijk beschrijft, beleeft de mysticus existentieel.
1. Waardering en bevestiging in de ‘weerhoudende liefde’
In het vervolg proberen we elementen van mystieke ervaring, zoals Zundel die onder woorden brengt in het begrip ‘kennis van persoon tot persoon’, te beschrijven in het begrippenkader van een empirisch georiënteerde psychologie. Omdat christelijke mystiek een mystiek van liefde is, vraagt zij om een taal die deze realiteit kan uitdrukken.
Anna Terruwe heeft christelijke ervaringen van liefde en naastenliefde beschreven met behulp van de empirische antropologie, in haar visie op menselijk samenleven in Kerk en wereld. De mens wordt bereid de zin voor het heilige te herontdekken zodra hij iemand ontmoet die zich werkelijk interesseert voor wie hij is en wat hij doormaakt. In de meest wanhopige omstandigheden kan menselijke aanwezigheid voldoende zijn om angst die psychotisch maakt te verdrijven. Eén mens die in je gelooft en je bevestigt, kan genoeg zijn om het leven weer aan te kunnen.
Ieder mens verlangt ernaar iemand te ontmoeten bij wie hij werkelijk kan uitspreken wat hem bezighoudt, iemand die luistert en begrijpt. In ieder mens leeft het verlangen om aanvaard te worden: niet alleen bij succes, maar ook bij falen, vallen en weer opstaan. Nog dieper dan aanvaarding is het verlangen naar bevestiging: waardering en erkenning, niet alleen voor wat je doet, maar voor wie je bent.
Terruwe omschrijft bevestiging als waarde- en zin-onthullend zijn voor de ander, en daardoor ook voor zichzelf. Het is met heel je wezen tegenover de ander uitdrukken: “jij mag zijn zoals je bent, om te kunnen worden wie je in aanleg bent — op jouw wijze en in jouw uur.” Bevestiging is de sleutel tot groei in eigenwaarde en menswording.
Deze bevestiging krijgt concreet gestalte in wat Terruwe ‘weerhoudende liefde’ noemt. Onbaatzuchtige, bevestigende liefde kan alleen worden aangeboden op de wijze die past bij de ontvangende ander. De liefde schenkt zichzelf, maar zij houdt haar eigen vorm in: zij dringt zich niet op, maar drukt zich uit in de vorm die de ander kan ontvangen. Soms betekent dit zelfs dat men zich geheel inhoudt in het uiten van liefde, juist uit liefde voor de ander. Het weerhoudende is daarom de maatstaf van de liefde: haar belangeloosheid.
Waardering is een wezenlijke voorwaarde om de ander met zijn eigen dynamiek en creativiteit tot zijn recht te laten komen. Zij onthult de waarde van de ander niet als bezit, maar als een voortdurende uitnodiging om zichzelf te worden. In een klimaat van belangeloze genegenheid groeit de mens naar zelfaanvaarding en naar openheid voor anderen. Binnen zo’n menselijk klimaat kan iemand ook beginnen te vermoeden wat het betekent dat God de mens blijvend waardeert en bevestigt.
De christelijke mensvisie die in Terruwes bevestigingsleer aanwezig is, sluit nauw aan bij Zundels theologisch-personalistische visie. De mens is geroepen tot innerlijk leven naar God toe en tot gemeenschap met Hem in liefde. Vanuit deze eerste liefde wordt de mens geroepen ook met anderen verbonden te leven in wederkerigheid: in de kennis van persoon tot persoon.
Bevestiging is de sleutel tot waardegroei. Zij haalt niet alleen verborgen waarden in de persoon naar boven, maar maakt ook iemands levensproject werkelijk levenskrachtig. Parallel daaraan legt Zundel de nadruk op het verwerven van innerlijke vrijheid. Vrijheid groeit in de mate dat de mens zich in liefde kan weggeven. Wie vanuit innerlijke vrijheid kan schenken, wordt paradoxaal genoeg zelfstandiger. Daarom laat een omgang met mensen volgens de bevestigingsleer de ander ervaren dat hij benaderd wordt vanuit een houding van echte genegenheid en zorg. Echte waardering vindt haar fundament in belangeloos serieus genomen worden. In de ervaring van echte menselijke bejegening groeit het besef van eigenwaarde en de blijde zekerheid dat je bestaan ook door anderen gewenst is.
2. Relatie als instrument van waardering, bevestiging en genezing
De mens is erop aangelegd anderen innerlijk te waarderen en een warm welbehagen tegenover hen te beleven. Dit vermogen wordt in de mens gewekt wanneer hij vanaf de eerste levensdagen wordt opgenomen in een liefdevol welbehagen dat door ouders of verzorgers wordt doorgegeven. Een baby heeft een aangeboren behoefte aan liefdevol lichamelijk contact: eerst tastbaar en voelbaar, later ook hoorbaar in liefdevolle woorden en zichtbaar in een glimlach. Daardoor voelt het kind zich welkom, aanvaard, gezegend en bevestigd in zijn diepste bestaan.
Dit gevoel van eigenwaarde kan de mens niet uit zichzelf voortbrengen; het wordt hem geschonken door anderen. Het is bemiddeld: door een relatie waarin iemand door een ander wordt gezien en gevoeld als iemand die erbij hoort, zodat hij het welbehagen van de ander als het ware met heel zijn wezen ontvangt. Zo groeit in het kind het ervaren van eigen goed-zijn, van zelfliefde en eigenwaarde. Vanuit die ervaring kan het later ook zelf liefdevolle waardering en bevestiging aan anderen schenken.
Contact met medemensen — en ook met God — kan echter ernstig belemmerd worden door emotionele ontwikkelingsstoornissen. Wanneer ouders hun kinderen niet werkelijk hebben aanvaard en bevestigd, wordt het voor hen moeilijk te geloven dat God dit wél zou doen. Als de weg naar God door diepe gevoelsfrustraties geblokkeerd is, is daarom vaak eerst menselijk nabij-zijn en begeleiding nodig, zonder de ander meteen “naar God toe” te willen duwen. Zo’n begeleiding kan plaatsvinden binnen een warm nest: een hartelijke relatie met een man of vrouw, een zielzorger of psycholoog, een plaatsvervangend gezin of een gemeenschap. Op termijn kan de ervaring van een liefdevolle medemens een brug worden naar de ervaring van God als liefdevolle Vader. Want de mens blijft verlangen naar Hem die ons bij name kent en ons de diepste geborgenheid en definitieve bevestiging schenkt.
3. Casus: ‘Renée’
Tijdens mijn opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige heb ik, in het kader van het vak verpleegkunde, de verfilming gezien van Dagboek van een schizofreen. De hoofdpersoon, die in de film ‘Renée’ heet, wordt genezen dankzij de behandeling van haar psychiater Marguerite Sechehaye. De film toont wat er gebeurt vanuit het perspectief van Renées innerlijke belevingswereld. Daardoor komt hij op het eerste gezicht wat vreemd over. Pas bij de klassikale nabespreking werd duidelijker wat er precies gaande was. Zonder (voor)kennis van de aandoening en de manier waarop die beleefd kan worden, is het bijna onmogelijk om de zieke mens in zijn ziekte werkelijk te begrijpen. Inzicht in iemands ziektegeschiedenis — inclusief de communicatie- en relatiestoornissen in de directe omgeving — maakt het mogelijk om een begeleidingsplan op te stellen.
Sechehaye slaagde erin met Renée tot echte communicatie te komen door een gemeenschappelijke taal te vinden, namelijk via de methode van de symbolische verwerkelijking. Uiteindelijk kon het genezingsproces op gang komen dankzij veel geduld, een scherpe intuïtie en een onuitputtelijke liefde. De psychiater moest als het ware een ‘plaatsvervangende’ liefhebbende moeder worden, die een taal sprak die in warme symbolen vlees en bloed had gekregen: een taal die geladen was met affectieve echo’s.
Via gewone, abstracte taal kon Sechehaye Renée niet bereiken. Het innerlijke conflict lag immers al vóór de gesproken taal. Renée was als baby verwaarloosd en kreeg te weinig voeding omdat men dacht dat haar maag niet in orde was. In haar beleving werd dit vastgelegd als een fundamentele verwerping: haar moeder liet haar verhongeren. Daarom moest de wijze van communiceren primitiever zijn en aansluiten bij het ontwikkelingsniveau waarop het trauma was ontstaan. De enige werkbare weg bleek de methode van de symbolische realisatie: communiceren via symbolen, gebaren en bewegingen.
Renée moest vervolgens een proces van ‘psychische menswording’ doormaken, nadat eerst de gevolgen van de vroege trauma’s waren opgevangen en ontkracht. Dat kon alleen via overdracht: door de komst van een nieuwe, ‘moederlijke’ figuur die in plaats van ontbering de gaven van liefde bracht. Met andere woorden: door een gevende, beminnende en bevestigende moeder in de plaats van een berovende, ontkennende moeder. Door haar verantwoordelijkheid voor Renée groeiden bij Sechehaye — zoals zij zelf aangeeft — gevoelens van oprechte genegenheid en sympathie. Juist die betrokkenheid gaf haar de kracht en motivatie om voor Renée een plaatsvervangende, liefdevolle moeder te zijn.
Dankzij deze geëngageerde aanwezigheid in Renées leven, en door een zorgvuldige inzet van verbale én non-verbale communicatie — deels gedragen door intuïtie, deels gevoed door rationeel-empirische kennis — kon een genezingsproces plaatsvinden.
Zundel gebruikt het voorbeeld van Renée om te laten zien dat (1) communicatie in een gemeenschappelijke ‘ontmoetingstaal’ én (2) de bemiddeling door een plaatsvervangende moederfiguur de weg kunnen openen uit een totale opgeslotenheid in zichzelf (absoluut autisme). Sechehaye had drie jaar nodig om deze taal van symbolische verwerkelijking te ontdekken, en ook van binnenuit te leren verstaan. Zij zette daarbij haar hele innerlijke en uiterlijke gevoelskennis in, en gebruikte tegelijk al haar wetenschappelijke kennis. Gaandeweg, vanuit verantwoordelijkheidsgevoel en groeiende genegenheid, vond zij de ‘taal’ waarmee Renée zich werkelijk uitdrukte.
Renées symbolen waren verankerd in haar grondervaringen. Zij gaven haar diepste innerlijke bewegingen weer als beelden van psychische processen. Deze symbolen brachten contact tot stand tussen de empirisch waarneembare werkelijkheid en een dieper niveau van haar bestaan: even reëel als het zichtbare, maar onzichtbaar. Symbolen werden zo dragers van haar innerlijk leven. Door de communicatie met Sechehaye werd de betekenis van het symbool — bijvoorbeeld ‘appel’ — ontsloten. Woord en symbool kwamen samen in de symbolische realisatie.
De (taal)symbolen die Renée gebruikte, hadden binnen haar ziektegeschiedenis een vaste betekenis. Sechehaye moest deze ongewone symbolentaal leren decoderen, dat wil zeggen: vertalen. Pas toen de symbolen verstaan konden worden, ontstond informatie en dus echte communicatie. De sleutel tot die vertaling vond zij pas na drie jaar intensieve begeleiding. Daarbij hielpen ook de non-verbale signalen: toon, gebaren en gezichtsuitdrukkingen. Het zorgvuldig lezen van die signalen droeg bij aan een beter verstaan van Renée en haar ziektebeeld.
Vanaf het moment dat Sechehaye Renées symboliek begon te begrijpen, werd deze vorm van communicatie het middel waarmee een wederzijdse relatie kon groeien. Dit nieuwe intermenselijke ‘gedrag’ — gedragen door symbolische verwerkelijking — werd het instrument waardoor genezing mogelijk werd. Sechehaye schonk Renée een weerhoudende liefde: niet in haar eigen vorm, maar in de vorm die Renée kon ontvangen, namelijk via de symbooltaal van Renée. Zo werd Sechehaye zelf, juist door die weerhoudende liefde, een instrument van genezing binnen Renées proces van psychische menswording.
De liefde voor Renée was de drijvende kracht achter deze persoonlijke inzet. Zij motiveerde Sechehaye om de weg naar communicatie te zoeken en te vinden — een weg die uiteindelijk tot genezing leidde. Door de weerhoudende liefde en de gedeelde ontmoetingstaal mocht zij doordringen tot Renées innerlijk, tot de kern van haar persoon. De liefdevolle aandacht stelde Sechehaye in staat Renées wezenlijke mogelijkheden te zien: niet alleen wat Renée was, maar ook wat zij kon worden. Door deze liefde werd Renée geholpen haar eigen mogelijkheden werkelijk te verwezenlijken.
Na haar genezing ging Renée biologie studeren. Zij verrichtte onderzoek naar een botanisch onderwerp en ontving daarvoor een universitaire prijs. Ze publiceerde twee studies. Daarnaast had zij belangstelling voor schilderkunst en kunst in het algemeen. Na haar studie ging zij in de omgeving van Genève wonen, samen met een vriendin die eveneens biologe was en met wie zij is gaan samenwerken.
4. Het gebod van de liefde als norm
Waardering onthult de ander als een blijvende oproep: een uitnodiging om in erkenning persoon te mogen worden en te mogen zijn. In de interpersoonlijke ontmoeting staan wij immers tegenover een persoonlijk ‘jij’, net als wijzelf — iemand over wie wij niet kunnen beschikken zoals wij over dingen beschikken. De ander, in zijn waardigheid als persoon, stelt ons voor een absoluut “nee”: hij laat zich niet gebruiken of reduceren. Dat “nee” kan alleen worden overbrugd door het “ja” van aanvaarding: de ander erkennen in de waarde die hij in zichzelf is. Waardering, gedragen door belangeloze genegenheid, zet de mens op weg naar aanvaarding van zichzelf en van anderen als persoon. Binnen zo’n klimaat van echte menselijke erkenning kan iemand ook beginnen te vermoeden wat het betekent dat God ons als eerste waardeert en bevestigt.
In de taal van de wijsgerige ethiek wordt het gebod van de liefde verwoord als de personalistische norm: “De persoon is een wezen voor wie de enige passende benadering de liefde is.” Ons handelen is pas werkelijk juist tegenover de ander wanneer het gedragen wordt door liefde — en dat geldt zowel in relatie tot God als in relatie tot de mens. Het gebod van de liefde vraagt daarom om bevestiging van de persoon als persoon.
Een kernachtige personalistische interpretatie klinkt door in Jezus’ gebed tot de Vader: “Dat allen één mogen zijn, zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U… opdat zij één zijn zoals Wij één zijn” (Joh. 17,21-22). Hier opent Jezus een horizon die verder reikt dan het menselijk begrijpen: Hij suggereert een gelijkenis tussen de eenheid van de goddelijke Personen en de eenheid van de kinderen van God in waarheid en liefde. Dat wijst op een diep inzicht: de mens — het enige schepsel op aarde dat door God om zichzelf gewild is — kan zichzelf pas volledig vinden in de oprechte gave van zichzelf. Hier wordt het bevestigingsprincipe zichtbaar: de persoon is om zichzelf gewild, maar realiseert zichzelf juist door zelfgave. “De mens bevestigt zichzelf het meest volmaakt door zich te geven. Dat is de volle vervulling van het gebod van de liefde.”
Hoe meer de gelovige groeit in mystieke liefde en zich in vertrouwen overgeeft aan Gods werkzame Aanwezigheid, des te meer ervaart hij dat zijn eigen leven wordt verrijkt door Gods leven. Hij wordt innerlijk een ander mens: mogelijkheden en talenten die al aanwezig waren, komen tot bloei; er groeit weerbaarheid en kracht; hij ziet de wereld met nieuwe ogen en benadert mensen met mildheid en liefde. Zijn innerlijk leven wordt steeds meer een overgave aan het werk dat een Ander in hem voltrekt.
Vanuit deze overgave groeit ook een oneindig respect voor iedere persoon. De mysticus wordt voorbidder en middelaar: iemand die tot heil en genezing wil zijn voor wie zijn weg kruist en zo zijn naaste wordt. Godsontmoeting mondt uit in een verantwoordelijkheidsgevoel en in een verlangen om mee te werken aan Gods heilsplan: dat ieder mens — ook wie gekwetst en noodlijdend is — ten volle persoon mag worden. Persoonlijk bestaan is immers een geschenk: een leven dat ons gegeven is om liefde te ontvangen en liefde door te geven. Wie eerst leefde onder het teken van een autonoom “ik”, komt nu te leven onder het teken van de goddelijke Ander: uit God geboren en bestemd voor de ontmoeting met God. Dan begrijpt hij pas ten volle zijn persoonlijke waardigheid: dat hij door God gewild is om Hem te beminnen. Zo krijgt de ethiek, vanuit de mystieke Godsontmoeting, een uitgesproken personalistische en interpersoonlijke dynamiek.
Aspecten voor het verwezenlijken van weerhoudende liefde in de omgang met emotioneel beschadigde en noodlijdende mensen
1. Zorgvuldig communiceren
Communicatie is een voortdurend proces waarin iemand, via taal en non-verbale signalen, met een bedoeling informatie geeft aan een ander, die deze informatie waarneemt en vertaalt in gedrag. Alles wat we doen heeft communicatieve betekenis; het is onmogelijk niet te communiceren. Een basisregel is dat deelnemers symbolen gebruiken waaraan zij zoveel mogelijk dezelfde betekenis toekennen: elkaar werkelijk verstaan.
Elke communicatie heeft twee lagen:
- het inhoudsaspect (wat wordt gezegd), en
- het betrekkings- of relatie-aspect (hoe de relatie tussen de sprekers is).
Juist dat tweede aspect is vaak doorslaggevend. Een boodschap komt pas aan wanneer de relatie veilig en helder is. Mensen luisteren niet wanneer zij bang zijn, zich onveilig voelen, of de ander niet vertrouwen. Dan staat niet de boodschap, maar de persoon van de zender centraal. Het relationele aspect is daarom vaak de zwakke plek in verstoorde relaties. Ernstig gestoorde communicatie kan zelfs ziekmakend worden, vooral wanneer iemand langdurig wordt blootgesteld aan diskwalificerende en verwarrende reacties, waardoor uiteindelijk machteloosheid en innerlijke verwarring ontstaan.
De stappen in het communicatieproces zijn in grote lijnen:
- een idee of gedachte ontstaat;
- de zender codeert die gedachte in woorden of symbolen;
- de ontvanger neemt de signalen waar;
- de ontvanger decodeert en vormt zich een begrip;
- pas bij juiste decodering ontstaat informatie en dus werkelijk verstaan.
De casus van Renée illustreert hoe lang het soms kan duren voordat de juiste “vertaalsleutel” wordt gevonden.
2. Taal, denken en symboliek
Taal en denken zijn nauw verbonden. Een taalteken verwijst vaak naar iets in de buitenwereld; een symbool drukt dikwijls iets uit dat in de innerlijke wereld leeft. Symbolen ontlenen hun betekenis aan het zichtbaar maken van innerlijke processen die niet empirisch meetbaar zijn. In die zin zijn symbolen vaak door het individu zelf gevormde beelden die zin geven aan innerlijk ervaren werkelijkheid.
3. Bevestiging vraagt een grondhouding
Bevestigen betekent het goede in de ander opsporen en dit aan de ander teruggeven. Om werkelijk te kunnen bevestigen — en om bevestiging te kunnen ontvangen — is een basisdispositie nodig: ontvankelijkheid en onbevangenheid. Dat is openheid naar de ander toe en het vermogen geraakt te worden. Bij emotioneel beschadigde mensen vraagt dit van de helper vaak een terughoudende manier van duidelijk laten merken dat men geeft. De helper ontvangt dan niet altijd de “vreugde van de liefde” (het warme antwoord), maar ervaart soms juist “het lijden van de liefde” door het uitblijven van wederkerigheid. Toch is juist deze weerhoudende liefde vruchtbaar: zij draagt diepe bevestiging en kan een levenschenkende ontmoeting mogelijk maken.
4. Juiste attitudes in de begeleiding
Bij attitude gaat het om de houding en uitstraling van de begeleider. In omgang met zwaar emotioneel beschadigde mensen zijn onder meer deze houdingen belangrijk:
- Bewogenheid – vaak het enige gevoel dat de ander kan toelaten.
- Openheid – bevordert contact en maakt spreken mogelijk.
- Niet moraliserend beleren – niet veroordelen, niet etiketteren, niet ‘oplossen’ met redeneringen; dat vergroot vaak alleen de afstand.
- Niet te veel regelen – aanwezigheid en nabijheid zijn vaak heilzamer dan advies of actie. Stilte kunnen uithouden is soms de meest genezende nabijheid.
- Bereidheid om te luisteren – actief luisterend aanwezig zijn, ruimte geven, uitnodigen tot spreken.
- Niet te veel begrijpen – overmatige empathie kan wantrouwen oproepen; de ander helpen zijn eigen gevoelens te verwoorden is vaak beter.
- Agressie ruimte geven – latente boosheid niet afweren, maar erkennen en hanteren.
- Reële verwachtingen – geen valse beloften, duidelijke afspraken.
- Doodsverlangen bespreekbaar maken – tactvol, maar eerlijk vragen naar suïcidaliteit kan de klem doorbreken en ruimte scheppen.
- Letten op non-verbale houding – lichaamstaal beïnvloedt sterk; ook eigen lichamelijke reacties kunnen richting geven aan wat gezegd moet worden.
- Pastorale houding – soms is het nodig de “bril” van theorie af te zetten en eenvoudig aanwezig te zijn in openheid en kwetsbaarheid, zodat communicatie in het licht van genade mogelijk wordt.
Attitudes die vaak negatief uitwerken
- Een te non-directieve, “counselende” houding die de klachtensfeer alleen maar bevestigt.
- Een te analytische benadering die bedreigend en uitputtend kan zijn.
- Benaderingen die sterk drukken op zelfredzaamheid (“doorzetten!”, “je moest beter weten!”). In zware depressie zijn wil en verstand juist verlamd; zulke appèls zijn dan wreed en vruchteloos.
BESLUIT
De titel Relatie als instrument van genezing drukt uit dat de aard van de relatie die ik als gelovig en liefhebbend mens met een ander heb, genezend kan werken: de ander kan er psychisch — en uiteindelijk ook geestelijk — door groeien, juist doordat Gods genade ook via mijn persoon-zijn werkzaam wordt. Ik ben geroepen een instrument te zijn van weerhoudende liefde: persoon te zijn in een schenkende liefde, waardoorheen Gods genade de ander kan opbouwen in zijn psychische (en eventueel ook geestelijke) menswording.
In een geëngageerde omgang met de naaste, gedragen door Gods genade, ontstaan mogelijkheden die werkelijk helend kunnen zijn. Uiteindelijk is het God die aanraakt en geneest — maar Hij wil daarbij mensen inschakelen als instrumenten van zegen.
Voor de emotioneel beschadigde mens kan eigenwaarde vaak alleen groeien door bevestigende aandacht en waardering van een ander: door gezien te worden als iemand die erbij hoort, als naaste, zodat hij met heel zijn wezen het welbehagen van de ander ervaart. Zo kan een hartelijke relatie met een medemens op termijn een brug worden naar de ervaring van God als liefdevolle Vader, die bevrijdende geborgenheid schenkt.
Volgens de Blijde Boodschap zijn wij broeders en zusters, omdat Christus ons tot kinderen van de Vader heeft gemaakt. Daardoor krijgt de menselijke persoon het karakter van een absolute onaantastbaarheid en verdient hij onvoorwaardelijk respect. Christus zelf wordt de diepste motivatie om de naaste lief te hebben in de relatie van persoon tot persoon, in de kennis van persoon tot persoon. Vanuit die innerlijke openstelling van het hart, edelmoedigheid en offerbereidheid worden wij gemotiveerd de kwetsbare naaste bij te staan. Helpen vindt zijn diepste grond in de relatie van persoon tot persoon, in de vrijheid om te roepen en edelmoedig te antwoorden.
Wie “aan de voet van het kruis” gebroken is, kan zacht en nederig van hart worden. Dat is misschien wel de enige houding waarmee men de gewonde mens werkelijk kan benaderen. Jezus en zijn Evangelie maken ons tot zo’n houding in staat, zodat wij de gewonde naaste niet alleen begrijpen, maar vooral liefhebben in concrete daden. Hoe meer zulke daden ons kosten, hoe zuiverder het bewijs van liefde.
Tot slot
Moeder Teresa – het gaat niet om de hoeveelheid die wij geven, maar om de liefde die wij in die gave leggen. Voor zuster Teresa is iedere persoon Christus, en daarom is elke ontmoeting uniek. Zij kijkt niet eerst naar “de armen”, maar naar Jezus die lijdt in hen. Zoals Hij zelf zegt: wat wij doen voor de geringsten, doen wij voor Hem.
BRONNEN A-Z
Achter, V. van. Kinderen willen iemand worden. Over persoonsvorming. Antwerpen/Amsterdam, 1984.
Arts, H. Met heel uw ziel. Over de christelijke godservaring. Amsterdam, 1978.
Aschkenasy, Y., Beek, M., & Sperna Weiland, J. (red.). Martin Buber. Baarn, 1978. (met bijdrage van D. Tiemersma)
Augustinus. Belijdenissen.
Bach, G. Doe uzelf geen kwaad. Beschouwingen over suïcidaliteit, depressiviteit en (pastorale) hulpverlening. Den Haag, 1984.
Bavel, T. van. Augustinus. Van liefde en vriendschap. Baarn, 1970.
Boekel, C. van, & Vinken, A. Pleidooi voor een dwaasheid. Een positief-kritische reactie op Humanae Vitae. Tilburg, 1971.
Bonny, J. “Mystiek en een persoonlijke God.” Collationes. Vlaams Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal 26 (1996) nr. 2.
Breemen, O. van. Wie is dr. Anna Terruwe? Een beschrijving van leven en levenswerk van dr. Anna Terruwe. Deurne, 1997.
Burggraeve, R. “De interpersoonlijke God van de Bijbel en de ethiek.” Collationes. Vlaams Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal 26 (1996) nr. 2.
Burkard, F., Kunzmann, P., & Wiedmann, F. Sesam atlas van de filosofie. Amsterdam, 1996.
Catechismus van de Katholieke Kerk. Brussel/Utrecht, 1995.
Danneels, G. Christus of de waterman? Mechelen, 1990.
Dörner, K., & Plog, U. Ver-dwalen is menselijk. Studieboek voor psychiatrie/geestelijke gezondheidszorg. Alphen aan den Rijn/Brussel, 1983. (Nederlandse editie met voorwoord door H. Kraan, S. Radstake & M. Richartz)
Dyck, L. van. “Aanzet tot een pedagogisch-antropologische analyse van de bevestigingsleer.” In: Vekeman, H. (red.), Bevestigend samenleven. Keulen, 1987.
Eijk, W. Traktaat Speciale Moraaltheologie. Kerkrade, 1998.
Elders, L., & Tukker, C. Thomas van Aquino: zijn leven, leer en invloed. Leiden/Brugge, 1992.
Ephraïm, Frère. Najaarsregen. De geboorte van een nieuwe gemeenschap. Brugge, 1987.
Fast, J. De taal van het lichaam. Amsterdam, 1971.
Frijns, M. Bevestiging en maatschappelijk werk. Utrecht, 1971.
Gaudium et Spes (Pastorale Constitutie van Vaticanum II).
Greshake, G. Geschenkte Freiheit. Einführung in die Gnadenlehre. Freiburg/Basel/Wien, 1977.
Guardini, R. De naastenliefde in gevaar. Tielt/Den Haag, 1960.
Günthör, A. Chiamata e risposta. Una nuova teologia morale. Vol. III. Milaan, 1988.
Häring, B. De wet van Christus. Een katholieke moraaltheologie voor priesters en leken. Deel II. Utrecht, 1960.
Haes, P. de. Op aarde als in de hemel. Brugge, 1959.
Heggen, F. Omgaan met schuld in de christelijke geloofsgemeenschap. Hilversum, 1988.
Heering, H. Inleiding tot de godsdienstwijsbegeerte. Amsterdam, 1976.
Hendriks, J. Vaticanum II en verder. De leer van het Concilie en de ontwikkeling daarvan in de tijd erna. Oegstgeest, 1993.
Hartensveld, F. De mystiek van de ontmoeting. De betekenis van het dialogisch principe in het denken van Martin Buber. Baarn, 1993.
Holzhauer, F., & Van Minden, J. Psychologie. Theorie en praktijk. Amsterdam, 1978.
Jager, H. de, & Mok, A. Grondbeginselen der sociologie. Gezichtspunten en begrippen. Leiden/Antwerpen, 1983.
Jansen, C., Maat, K., & Van de Staak, J. Leren communiceren. Procedures voor mondelinge en schriftelijke communicatie. Groningen, 1979.
Jansen, M. “Een biddende psychiater. Interview met dr. Schijns.” Getuigenis van Gods Liefde 9 (1994) nr. 5.
Joly, M. le. Mère Teresa: Messagère de l’amour de Dieu. Parijs, 1985.
Jong, R. de, & Oudemans, Th. Over de natuur van mensen. Inleiding in de filosofische antropologie. Alphen aan den Rijn/Brussel, 1989.
Kaptein, A., & Smit, L. (red.). Gedrag, gezondheid en ziekte. Baarn, 1995. (met bijdrage van E. Klip)
Kardinaal Danneels, G. “De bevestigingsleer en het pastoraat.” ABRI. Tijdschrift voor bevestigend samenleven (1994) nr. 39–40.
Kemme, B. Psychohygiëne en zielzorg. Persoonlijke beschouwingen op grond van het werk van dr. A.A.A. Terruwe. Lochem, 1974.
Kraan, K. Genezing der herinneringen. Kampen, 1983.
Lambrichts, J. “Liefde voor de medemens.” Boodschap voor alle naties. Tijdschrift voor het Banneuxwerk 60 (1989) nr. 2.
Melsen, A. van. Geloof, wetenschap en maatschappelijke omwentelingen. Wijsgerige beschouwingen over de crisis in de cultuur. Baarn, 1977.
Michels, J., & Sporken, P. De laatste levensfase. Bilthoven, 1972.
Muggeridge, M. Iets moois voor God. Londen, 1971.
Mühlen, H. Een weg naar Godservaring. Deel I: Charismatische katechese. Wageningen, 1979.
Noordam, N. Het mensbeeld in de opvoeding. Deel 3: Models of Man. Groningen, 1973.
Nouwen, H. In de naam van Jezus. Over pastoraat in de toekomst. Tielt, 1989.
Noyen, C. Innerlijkheid. Gent, 1994.
Noyen, C. “Naar de bron.” Nieuw Leven. Tijdschrift van de Karmel 52 (1998) nr. 1.
Ouweneel, W. Psychologie. Een christelijke kijk op het mentale leven. Amsterdam, 1984.
Paulus VI. Sollicitudo rei socialis. 1987.
Peursen, C. van. Filosofische oriëntatie. Een inleiding in de wijsgerige problematiek. Kampen, 1958.
Peursen, C. van. “De wereld van de geest.” In: Hoeven, M. van de (red.), Fasen en facetten. Amsterdam, 1977.
Peters, H. Moeder Teresa: haar leven en haar werk. Kerkrade, 1993.
Prick, J. De betekenis van het werk van dr. A.A.A. Terruwe voor de psychiatrie. Lochem, 1973.
Rebel, G. De juiste lichaamstaal. Aartselaar, 1998.
Reedijk, J. Psychiatrie. Terreinverkenning ten behoeve van de opleiding van verpleegkundigen. Lochem/Poperinge, 1983.
Romani, A. “Van individu tot persoon; een tocht om ‘echte mens’ te worden.” Reflecties 6, 2 (1988) nr. 3.
Rombouts, S. Nieuwe banen in de psychologie. Tilburg, 1946.
Sales, F. van. Verhandeling over de liefde tot God. Deel II. Voorhout, 1937.
Schijns, W. “De bevestigingsleer als brug tussen psychiatrie en christelijke spiritualiteit.” In: Eijk, W. (red.), Psychiatrie, ethiek en christelijke spiritualiteit. Oegstgeest, 1998.
Schrama, M. Augustinus. De binnenkant van zijn denken. Zoetermeer, 1999.
Sechehaye, M. Dagboek van een schizofreen. Rotterdam, 1971.
Sechehaye, M. Terug naar het nulpunt. Symbolische realisatie als geneeswijze voor de schizofreen. Rotterdam, 1972.
Smet, R. “Bevestiging en opvoeding.” In: Vekeman, H. (red.), Bevestigend samenleven. Keulen, 1987.
SOVA-groep (Van Besouw, L., Brand, W., & Hoppenbrouwers, T.). Samen werken, samen leren. Werkboek sociale vaardigheden: theorie en oefeningen. Bloemendaal, 1980.
Steemers-van Winkoop, M. Eenzaamheid: voorrecht voor een enkeling, noodlot voor velen. Een moraaltheologische studie. Assen/Maastricht, 1996.
Strasser, S. Bouwstenen voor een filosofische antropologie. Hilversum/Antwerpen, 1965.
Stroud, M. Vriendschap: een geschenk. Den Haag, 1988.
Struyker Boudier, H. De rede van het hart. Correspondentie van F.J.J. Buytendijk met Romano Guardini. Zeist, 1987.
Struyker Boudier, K. Vragen staat vrij. Over vragen in denken, helpen en geloven. Baarn, 1978.
Terruwe, A.A.A. Geloven zonder angst en vrees. Roermond, 1973.
Terruwe, A.A.A. Kom uit de boom Zacheüs, Ik kom bij je eten. Empirisch-antropologische visie op menselijk samenzijn in Kerk en wereld. Lochem, 1974.
Terruwe, A.A.A. Mens-geworden zijn en bevestiging. Lochem, 1973.
Tercic, H. “God heelt meer dan mensen kunnen breken.” Boodschap voor alle naties. Tijdschrift voor het Banneuxwerk 59 (1997) nr. 1.
Tiemersma, D. “Bubers visie op de mens.” In: Aschkenasy, Y., Beek, M., & Sperna Weiland, J. (red.), Martin Buber. Baarn, 1978.
Tournier, P. (geciteerd in) Stroud, M. Vriendschap: een geschenk. Den Haag, 1988.
Uleyn, A. “Pastoraat voor de depressieve mens?” Praktische Theologie 19 (1992) nr. 1.
Vanier, J. De spiritualiteit van de Ark. Averbode, 1999.
Vanier, J. In broosheid dragen. Gemeenschap beleven vanuit de spiritualiteit van de Ark. Averbode, 1994.
Verhulst, J. Algemene psychologie voor de gezondheidszorg. Groningen, 1985.
Vergote, A. Religie, geloof en ongeloof. Psychologische studie. Kapellen/Kampen, 1987.
Vicariale Dienst voor Catechese & Dienst Gezinspastoraal Brussel. Van doopsel naar eerste communie. Geloofsbegeleiding van kinderen tussen 0 en 7 jaar. Een gezinsboek rond geloofsopvoeding. Mechelen/Brussel, z.j.
Vekeman, H. (red.). Bevestigend samenleven. Een boek voor dr. A.A.A. Terruwe bij haar 75ste verjaardag. Keulen, 1987.
Waes, M. “Een gemeenschap van gehandicapten: Jean Vanier brengt mensen in zijn Ark.” Manna. Katholiek maandblad voor de familie 2 (1989) nr. 4.
Waes, M. “Pleegouders Johanna en Jozef Willems: een gezin van 75 kinderen.” Manna. Katholiek maandblad voor de familie 2 (1989) nr. 2.
Weber, M. Een keuze uit het werk van. Deventer, 1975.
Wit, G. de. De wetenschap van de menselijke bezieling. Een oriëntatie in de ontwikkeling en verworvenheden van de psychologie. Nijmegen, 1980.
Woldring, H. Vriendschap door de eeuwen door. Wijsgerige beschouwingen over vriendschap als gave en opgave. Baarn, 1994.
Zundel, M. Quel homme et quel Dieu (Nederlandse vertaling: Die God, deze mens). Hilversum, 1978.