De levende erfenis van Anna Terruwe en Conrad Baars in de Verenigde Staten – update

Standaard

Hoe hun antropologie en bevestigingsleer wortel schieten in pastorale praktijk en geestelijke begeleiding

English Abstract

From Personal Vocation to Living Tradition

The Contemporary Reception of the Work of Anna Terruwe and Conrad Baars in the United States

This article examines the contemporary continuation of the psychological and anthropological vision of Anna Terruwe and Conrad Baars not through a purely academic reconstruction, but through the living institutions that currently transmit and embody their work in the United States. Institutes such as the Baars Institute, the Institute for Personalist Psychology, and the Anna Terruwe Museum demonstrate that their approach remains deeply relevant in contemporary therapeutic and pastoral contexts. Rooted in the concept of affirmation as a form of healing love, this tradition offers a personalist alternative to technocratic and reductionist models of psychotherapy and resonates deeply with a Christian understanding of mercy, freedom, and intrinsic human dignity. Interpreted under the criterion of the Cross, affirmation appears not as self-validation, but as participation in the redemptive love of Christ, who confirms the human person precisely in vulnerability and suffering.


Affirmation under the Criterion of the Cross

A Christological Norm for the Psychology of Terruwe and Baars

The psychological vision developed by Anna Terruwe and Conrad Baars is best understood not merely as a therapeutic method, but as an anthropology implicitly ordered toward a Christian understanding of the human person. At its core lies the concept of affirmation: the experiential assurance that one may exist, feel, desire, and grow as a person within a relational horizon of benevolent love. Affirmation, in this sense, is not a technique, but a formative encounter in which the person is received as intrinsically worthy.

When read through the lens of a theological criterion of the Cross, this notion of affirmation acquires its full normative depth. Within the Christian tradition, the dignity of the human person is not grounded in autonomy, functionality, or self-realization, but in God’s unconditional love revealed in Jesus Christ and definitively manifested in the Crucified One. The Cross reveals a God who confirms the human person precisely in vulnerability, dependence, and suffering — not despite these realities, but through them.

This christological grounding resonates profoundly with the personalist anthropology articulated by the Second Vatican Council. Gaudium et Spes affirms that “man can fully discover his true self only in a sincere gift of himself.”¹ Such self-gift, however, presupposes a prior reception: the experience of being affirmed, loved, and held in existence. Terruwe’s psychology implicitly presupposes this ontological priority of being-loved-before-acting, corresponding to the theological primacy of grace over moral or psychological achievement.

From a Thomistic perspective, this convergence becomes even clearer. In the Summa Theologiae, Thomas Aquinas describes love (amor benevolentiae) as willing the good of the other — a movement that orders the will and heals disordered affectivity.² Terruwe and Baars, though not writing as scholastic theologians, describe precisely this dynamic on the psychological level: affective healing occurs when the person is encountered by a love that seeks their good without appropriation or control. Such love liberates the emotional life and restores inner freedom.

Within this framework, affirmation reaches its ultimate norm in the mystery of the Cross. The Crucified Christ embodies the definitive form of benevolent love: a love that does not withdraw in the face of weakness, failure, or sin, but remains present and faithful. Affirmation, therefore, is not a humanistic ideal detached from theology, but a participatory experience in the redemptive love of Christ. The Cross becomes the criterion that distinguishes genuine affirmation from mere validation or psychological indulgence.

Detached from this criterion, affirmation risks being absorbed into therapeutic self-affirmation or subjective well-being. Under the sign of the Cross, however, affirmation is revealed as a path toward truth, freedom, and responsibility. As emphasized in Veritatis Splendor, authentic freedom is inseparable from truth and self-gift and cannot be reduced to self-determination alone.³

Seen in this light, the contemporary reception of Terruwe and Baars — particularly in the United States — represents more than a historical continuation. It constitutes a living tradition in which psychology, anthropology, and Christian theology converge. Under the criterion of the Cross, affirmation becomes a mode of healing presence that reflects the merciful love of God Himself, who confirms the human person not by bypassing suffering, but by entering it and transforming it from within.

Footnotes

  1. Second Vatican Council, Gaudium et Spes (7 December 1965), no. 24: AAS 58 (1966), 1044–1045.
  2. St. Thomas Aquinas, Summa Theologiae, I–II, q. 26, a. 4; q. 28, a. 1.
  3. John Paul II, Veritatis Splendor (6 August 1993), nos. 35–41.

Abstract (samenvatting)

Van persoonlijke roeping naar levende traditie

De hedendaagse receptie van het werk van Anna Terruwe en Conrad Baars in de Verenigde Staten

Dit artikel onderzoekt de hedendaagse voortzetting van de psychologische en antropologische visie van Anna Terruwe en Conrad Baars, niet via een louter academische reconstructie, maar via de levende instituties die hun werk in de Verenigde Staten vandaag overdragen en belichamen. Instituten zoals het Baars Institute, het Institute for Personalist Psychology en het Anna Terruwe Museum tonen aan dat hun benadering blijvend relevant is binnen actuele therapeutische en pastorale contexten. Geworteld in het begrip bevestiging als een vorm van genezende liefde, biedt deze traditie een personalistisch alternatief voor technocratische en reductionistische modellen van psychotherapie en sluit zij nauw aan bij een christelijk verstaan van barmhartigheid, vrijheid en intrinsieke menselijke waardigheid. Geïnterpreteerd onder het criterium van het Kruis verschijnt bevestiging niet als zelfvalidatie, maar als deelname aan de verlossende liefde van Christus, die de menselijke persoon juist bevestigt in kwetsbaarheid en lijden.

Bevestiging onder het criterium van het Kruis

Een christologische norm voor de psychologie van Terruwe en Baars

De psychologische visie die door Anna Terruwe en Conrad Baars werd ontwikkeld, kan het best worden verstaan niet enkel als een therapeutische methode, maar als een antropologie die impliciet geordend is op een christelijk begrip van de menselijke persoon. In het hart ervan ligt het begrip bevestiging: de ervaringsmatige zekerheid dat men mag bestaan, voelen, verlangen en groeien als persoon binnen een relationele horizon van welwillende liefde. Bevestiging is in deze zin geen techniek, maar een vormende ontmoeting waarin de persoon wordt ontvangen als intrinsiek waardig.

Wanneer dit begrip wordt gelezen door de lens van een theologisch criterium van het Kruis, krijgt bevestiging haar volle normatieve diepte. Binnen de christelijke traditie is de waardigheid van de menselijke persoon niet gegrond in autonomie, functionaliteit of zelfverwerkelijking, maar in Gods onvoorwaardelijke liefde die geopenbaard is in Jezus Christus en definitief zichtbaar wordt in de Gekruisigde Jezus. Het Kruis openbaart een God die de menselijke persoon bevestigt juist in kwetsbaarheid, afhankelijkheid en lijden — niet ondanks deze realiteit, maar doorheen deze realiteit.

Deze christologische grondslag resoneert diep met de personalistische antropologie zoals die door het Tweede Vaticaans Concilie werd verwoord. Gaudium et Spes stelt dat “de mens zichzelf slechts volledig kan vinden door de oprechte gave van zichzelf”.¹ Zo’n zelfgave veronderstelt echter een voorafgaande ontvankelijkheid: de ervaring bevestigd, geliefd en in het bestaan gedragen te worden. De psychologie van Terruwe veronderstelt impliciet deze ontologische prioriteit van het bemind-zijn vóór het handelen, overeenkomstig met de theologische primordiale plaats van de genade boven morele of psychologische prestatie.

Vanuit thomistisch perspectief wordt deze samenhang nog duidelijker. In de Summa Theologiae beschrijft Thomas van Aquino de liefde (amor benevolentiae) als het willen van het goede van de ander — een beweging die de wil ordent en ontregelde affectiviteit geneest.² Terruwe en Baars, hoewel zij niet schrijven als scholastieke theologen, beschrijven precies deze dynamiek op psychologisch niveau: affectieve genezing treedt op wanneer de persoon wordt ontmoet door een liefde die zijn of haar welzijn zoekt zonder toe-eigening of controle. Zo’n liefde bevrijdt het gevoelsleven en herstelt de innerlijke vrijheid.

Binnen dit kader bereikt bevestiging haar uiteindelijke norm in het mysterie van het Kruis. De Gekruisigde Christus belichaamt de definitieve vorm van welwillende liefde: een liefde die zich niet terugtrekt bij zwakheid, falen of zonde, maar aanwezig en trouw blijft. Bevestiging is daarom geen humanistisch ideaal losgemaakt van theologie, maar een participerende ervaring in de verlossende liefde van Christus. Het Kruis wordt het criterium dat ware bevestiging onderscheidt van loutere validatie of psychologische toegeeflijkheid.

Losgemaakt van dit criterium dreigt bevestiging te worden opgeslorpt door therapeutische zelfbevestiging of subjectief welbevinden. Onder het teken van het Kruis wordt bevestiging echter zichtbaar als een weg naar waarheid, vrijheid en verantwoordelijkheid. Zoals Veritatis Splendor benadrukt, is authentieke vrijheid onafscheidelijk van waarheid en zelfgave en kan zij niet worden gereduceerd tot loutere zelfbeschikking.³

In dit licht bezien vertegenwoordigt de hedendaagse receptie van Terruwe en Baars — met name in de Verenigde Staten — meer dan een historische voortzetting. Zij vormt een levende traditie waarin psychologie, antropologie en christelijke theologie samenkomen. Onder het criterium van het Kruis wordt bevestiging een wijze van genezende aanwezigheid die de barmhartige liefde van God zelf weerspiegelt, die de menselijke persoon niet bevestigt door het lijden te omzeilen, maar door het binnen te gaan en van binnenuit te transformeren.

Voetnoten

  1. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 24: AAS 58 (1966), 1044–1045.
  2. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I–II, q. 26, a. 4; q. 28, a. 1.
  3. Johannes Paulus II, Veritatis Splendor (6 augustus 1993), nrs. 35–41.

Inleiding

De reflectie die hier volgt vertrekt niet vanuit een louter academische herlezing van het oeuvre van Anna Terruwe en Conrad Baars, maar vanuit de concrete hedendaagse context waarin hun werk vandaag wordt gedragen, geïnterpreteerd en doorgegeven. Juist deze actuele doorwerking maakt zichtbaar dat hun benadering geen afgesloten hoofdstuk vormt binnen de geschiedenis van de katholieke psychologie, maar een levende traditie is gebleven — ontstaan uit een intensieve ontmoeting met de lijdende mens en gevoed door klinische, pastorale en morele ervaring.

Genezing als relationele werkelijkheid

Het oorspronkelijke vertrekpunt van Terruwe en Baars lag in hun langdurige klinische en pastorale omgang met mensen bij wie de emotionele ontwikkeling was vastgelopen. Hun fundamentele inzicht luidde dat psychisch en moreel herstel niet tot stand komt door analyse, techniek of gedragsmatige correctie alleen, maar door bevestigende liefde: een wijze van relationele aanwezigheid waardoor de mens opnieuw leert ervaren dat hij of zij mag bestaan, voelen en verlangen.

Deze bevestiging is geen sentimentaliteit, maar een moreel en relationeel handelen. Zij vraagt om wat Terruwe en Baars aanduiden als weerhoudende liefde: nabijheid zonder toe-eigening, betrokkenheid zonder manipulatie, zorg zonder beheersing. Hier raakt hun psychologie aan een diep christelijk verstaan van barmhartigheid, waarin de ander niet wordt “gerepareerd”, maar wordt ontvangen als persoon.

Hedendaagse institutionele dragers in de Verenigde Staten

In de eenentwintigste eeuw wordt dit gedachtegoed vooral in de Verenigde Staten levend gehouden. Het Baars Institute fungeert als een laagdrempelige toegangspoort tot het werk van Terruwe en Baars, terwijl het Institute for Personalist Psychology expliciet inzet op vorming binnen een integrale personalistische antropologie. Het Anna Terruwe Museum bewaart en ontsluit het intellectuele en spirituele erfgoed van Terruwe en onderstreept dat het hier niet gaat om een therapietechniek, maar om een mensvisie.

Bevestiging onder het teken van het Kruis

Binnen deze bredere context krijgt de christologische verdieping beslissend gewicht. Bevestiging wordt niet normatief bepaald door psychologisch welbevinden, maar door de openbaring van Gods liefde in de Gekruisigde. De mens wordt bevestigd niet op grond van prestatie of autonomie, maar omdat hij bemind is — juist in zijn kwetsbaarheid.

Hier raakt de psychologie van Terruwe en Baars aan een Kruis-criteriologie: ware genezing ontstaat waar liefde aanwezig blijft onder het teken van lijden en waarheid. Affirmatie wordt zo deelname aan het gebroken-maar-verrijzen-Lichaam van Christus.

Ecclesiologische implicaties

Deze visie heeft directe implicaties voor pastoraat en kerkelijk handelen. Innerlijk gezag ontstaat niet uit beheersing of methodiek, maar uit bevestigende aanwezigheid. In een cultuur van protocollen herinnert deze traditie eraan dat genezing ontstaat waar menselijke liefde, innerlijke vrijheid en vertrouwen in Gods barmhartigheid elkaar ontmoeten.

Voetnoten

  1. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 24: AAS 58 (1966), 1044–1045.
  2. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 4; q. 28, a. 1.
  3. Johannes Paulus II, Veritatis Splendor (6 augustus 1993), nr. 35–41; 95.

Waar wordt de katholieke psychologie van Anna Terruwe en Conrad Baars vandaag toegepast?

1. Nederland – historische wortels en beperkte institutionele voortzetting

In Nederland liggen de historische wortels van de katholieke psychologie van Anna Terruwe en Conrad Baars. Hun werk heeft hier diepe sporen nagelaten binnen psychiatrie, zielzorg en pastorale begeleiding. Tegelijk moet worden vastgesteld dat de institutionele voortzetting vandaag beperkt is.

De Stichting Anna Terruwe heeft als doel het bewaren en verspreiden van Terruwe’s gedachtegoed, met name haar bevestigingsleer. In de huidige situatie vervult de stichting echter vooral een archiverende functie. Er bestaan geen structurele opleidingstrajecten, noch is er sprake van een zichtbare klinische of academische opvolging. Daarmee ontbreekt een levende institutionele overdracht, en dreigt het gedachtegoed in Nederland vooral historisch bewaard te blijven.

Een belangrijke klinisch-pastorale vertegenwoordiger van Terruwe’s benadering was Harrie Schijns (†), psychiater en zielzorger te Breda. Hij belichaamde lange tijd de vruchtbare verbinding tussen psychiatrie en pastorale zorg. Met zijn overlijden is een van de laatste directe schakels tussen Terruwe’s psychologie en de Nederlandse zorgpraktijk weggevallen.

Daarnaast bestonden er in het verleden informele netwerken, met name internationale Yahoo Groups, waarin psychiaters, psychologen en priesters ervaringen uitwisselden rond de Terruwe–Baars-therapie en bijbehorende casuïstiek. Deze netwerken zijn inmiddels grotendeels verdwenen of inactief geraakt, waardoor ook hier geen structurele opvolging meer plaatsvindt.

2. Verenigde Staten – levende traditie en institutionele overdracht

In tegenstelling tot de Nederlandse situatie vindt in de Verenigde Staten de meest consequente en levende voortzetting van het werk van Terruwe en Baars plaats. Hier is hun psychologie niet alleen bewaard, maar ook verder ontwikkeld en doorgegeven binnen therapeutische, pastorale en vormende contexten.

Een centrale figuur hierin is Sue Baars, dochter van Conrad Baars. Zij is psychiater en psychotherapeut, opgeleid in de lijn van Terruwe en Baars, en vervult een sleutelrol in de overdracht van hun visie. In haar werk staat bevestiging centraal als genezende liefde, ingebed in een niet-reductionistische katholieke mensvisie. Zij weet klinische praktijk te verbinden met de spirituele en morele dimensie van de menselijke persoon.

Daarnaast functioneren verschillende Amerikaanse instituten als dragers van deze levende traditie. Het Baars Institute, het Institute for Personalist Psychology en het Anna Terruwe Museum vervullen elk op hun eigen wijze een vormende en ontsluitende rol. Hier wordt het werk van Terruwe niet museaal, maar functioneel voortgezet: in opleiding, therapie, publicaties en supervisie. Deze instellingen tonen dat haar psychologie geen afgesloten hoofdstuk is, maar een overdraagbare en actuele benadering.

3. Theologische en spirituele receptie

Naast de klinische en institutionele voortzetting is er ook sprake van een theologische en spirituele receptie van Terruwe’s mensvisie. Een belangrijke resonantie is te vinden bij Maurice Zundel, met name in zijn boek Die God, deze mens. Zundel beschrijft de menswording van God als een radicaal relationeel gebeuren, waarin genezing tot stand komt door bevestigende liefde.

Hoewel Zundel geen psycholoog is en geen therapeutische methode ontwikkelt, vormt zijn denken een diep theologisch raakvlak dat Terruwe’s antropologie verdiept. Zijn visie onderstreept dat menselijke genezing uiteindelijk geworteld is in relationele ontvankelijkheid en goddelijke nabijheid.

4. Pastorale toepassing vandaag

Ten slotte leeft de psychologie van Terruwe vandaag op een bijzondere wijze voort in het pastorale veld. In het pastoraat, zoals dat onder meer door pastoor Jack Geudens wordt vormgegeven, wordt Terruwe’s bevestigingsleer toegepast als grondhouding van begeleiding. De relatie fungeert hier als instrument van genezing, gedragen door vertrouwen in Gods barmhartige liefde.

In deze context leeft Terruwe’s psychologie niet academisch, maar pastoraal-sacramenteel. Zij wordt concreet in begeleiding, gebed en nabijheid, met bijzondere aandacht voor gekwetst leven en morele kwetsbaarheid.

Deze pastorale toepassing wordt verder ontsloten in diverse publicaties, waaronder Scriptie vanuit werkervaringen met de lijdende mens, vertrouwend op Gods barmhartige liefde en Relatie als instrument van genezing. In deze werken wordt Terruwe’s psychologie doorvertaald naar een bredere theologische horizon, waarin kruisspiritualiteit, barmhartigheidstheologie en pro-life-pastoraat samenkomen.


Slotzin

Zo blijkt dat de katholieke psychologie van Anna Terruwe vandaag niet primair voortleeft in academische structuren, maar in levende relaties waarin bevestiging, barmhartigheid en genezing elkaar ontmoeten.


Slotmeditatie

Ware genezing voltrekt zich niet waar de mens wordt verbeterd,
maar waar hij wordt bevestigd.

Dat wij leren liefhebben zoals God liefheeft:
niet bezittend, niet dwingend,
maar dragend, weerhoudend en bevrijdend.

Dat wie lijdt opnieuw mag ervaren:
ik mag er zijn —
en dat dit genoeg is om te beginnen te leven.


Theoretisch kader: personalistische antropologie en bevestiging

De psychologie van Anna Terruwe en Conrad Baars laat zich niet adequaat begrijpen binnen een zuiver empirisch of behavioristisch kader. Hun benadering wortelt expliciet in een personalistische antropologie, waarin de mens wordt verstaan als een eenheid van lichaam en ziel, affectiviteit en rationaliteit, vrijheid en relationele ontvankelijkheid. In deze zin sluiten zij aan bij de bredere personalistische stroming zoals die in de twintigste eeuw is uitgewerkt door auteurs als Emmanuel Mounier, Martin Buber en paus Johannes Paulus II, zonder hun werk tot een gesloten filosofisch systeem te reduceren.¹

Centraal staat het inzicht dat de menselijke persoon niet louter zichzelf constitueert door autonomie of prestatie, maar tot zichzelf wordt gebracht in en door bevestigende relatie. Bevestiging is hierbij geen psychologisch hulpmiddel, maar een antropologisch grondgegeven: de persoon heeft relationele erkenning nodig om zijn natuurlijke neigingen ordelijk te integreren en tot innerlijke vrijheid te komen.²


Thomas van Aquino: liefde als oorzaak van groei

Hoewel Terruwe en Baars zelden expliciet scholastiek citeren, vertoont hun denken een diepe structurele verwantschap met de antropologie van Thomas van Aquino. Bij Thomas is liefde (amor) niet primair affect, maar een actus van de wil die het goede van de ander beoogt (velle bonum alteri).³ Deze liefde werkt vormend: zij stelt de ander in staat zijn potenties te actualiseren overeenkomstig zijn natuur.

In dit licht kan bevestigende liefde worden verstaan als een participatie aan de scheppende en onderhoudende liefde van God, waardoor de mens innerlijk wordt geordend. Waar deze liefde ontbreekt of wordt vervangen door conditionele waardering, ontstaat wat Terruwe aanduidt als affectieve onrijpheid. Thomas zelf benadrukt dat de deugden slechts duurzaam kunnen groeien waar de affectiviteit ordelijk is gevormd.⁴

De weerhoudende liefde waar Terruwe en Baars op wijzen, sluit nauw aan bij Thomas’ onderscheid tussen amor concupiscentiae en amor benevolentiae. Bevestiging is geen toe-eigening, maar welwillendheid die de ander vrijlaat.⁵


Vaticanum II: waardigheid, relationaliteit en barmhartigheid

De antropologische grondintuïties van Terruwe en Baars vinden een duidelijke resonantie in het leergezag van het Tweede Vaticaans Concilie, met name in Gaudium et Spes. Het concilie benadrukt dat menselijke waardigheid niet functioneel of maatschappelijk wordt toegekend, maar intrinsiek is, geworteld in de schepping naar Gods beeld.⁶

In nr. 24 van Gaudium et Spes wordt de mens beschreven als een wezen dat zichzelf slechts kan vinden “door de oprechte gave van zichzelf”. Deze formulering biedt een theologisch-antropologische sleutel tot het begrip bevestiging: pas waar de mens zich ontvangen weet, kan hij zichzelf schenken zonder zichzelf te verliezen.⁷

Daarnaast sluit de benadering van Terruwe en Baars nauw aan bij het conciliaire verstaan van barmhartigheid als constitutief voor de zending van de Kerk. Pastoraat en zorg zijn geen technische interventies, maar deelname aan Gods genezende nabijheid tot de gekwetste mens.⁸


Bevestiging, vrijheid en morele rijping

Terruwe en Baars plaatsen bevestiging niet tegenover moraal, maar situeren haar voorafgaand aan morele verantwoordelijkheid. Waar affectieve rijping ontbreekt, wordt morele aanspraak ervaren als overweldigend of destructief. Dit inzicht voorkomt zowel moralisme als permissiviteit.

Hier raakt hun psychologie aan het fundamentele thomistische principe gratia supponit naturam. Genade — en ook morele vorming — kan slechts vrucht dragen waar de natuur voldoende is geordend.⁹ Bevestiging herstelt deze orde niet door dwang, maar door liefdevolle nabijheid.


Bevestiging als deelname aan de Gekruisigde en Verrezen Liefde Jezus Christus (Kruis-criterium)

Een wezenlijk element dat zowel het denken van Terruwe en Baars als de apostolische traditie van de Kerk verbindt, is de centrale plaats die bevestiging inneemt binnen een christologisch geordende antropologie. In hun psychologie is bevestiging geen louter psychologisch hulpmiddel, maar een fundamenteel antropologisch en relationeel gegeven voor iedere vorm van menselijke genezing. Affirmatie betekent hier: het ervaren van eigen waarde, betekenis en ontvankelijkheid binnen een relationele werkelijkheid waarin iemand mag bestaan zoals hij of zij is.

Deze visie is diepgeworteld in een personalistische mensopvatting, waarin het menselijk leven wordt verstaan als een samenhangende eenheid van affectiviteit, verstand, wil en relationele openheid. Deze mensvisie staat op haar beurt in nauwe verwantschap met de thomistische antropologie, waarin redelijkheid en affectieve ordening elkaar wederzijds dragen. In tegenstelling tot reductionistische of technocratische psychologische modellen is bevestiging bij Terruwe en Baars daarom niet primair een techniek, maar een ontvangen woord van waardigheid: de bevestigde mens ervaart dat hij mag bestaan, voelen en verlangen — niet als project, maar als persoon.

Hier ligt het beslissende raakvlak met de Kruis-criteriologie. Binnen de christelijke traditie wordt de waarde en erkenning van de menselijke persoon niet bepaald door prestatie, autonomie of zelfverwerkelijking, maar door de onvoorwaardelijke liefde van God zelf, die zich openbaart en medelijdend nabij komt in Christus aan het kruis. De gekruisigde Christus bevestigt de waardigheid van iedere mens niet omdat deze succesvol, autonoom of krachtig is, maar omdat hij of zij is aanvaard in de barmhartige liefde van de Vader — juist ook in lijden en kwetsbaarheid.

In Gaudium et Spes wordt de mens beschreven als iemand die zichzelf slechts kan vinden “door de oprechte gave van zichzelf”. Deze zelfgave is echter geen vorm van voluntaristische zelfbevestiging, maar veronderstelt een voorafgaande ontvankelijkheid voor liefde die relatie schept. Binnen deze christelijke antropologie weerklinkt de kernintuïtie van Terruwe en Baars: het menselijke hart wordt niet in de eerste plaats genezen door zelfdiscipline of psychologische techniek, maar door de ervaring dat ik — ook in mijn kwetsbaarheid — door God bemind word en tot leven word geroepen. In die zin is affirmatie geen seculiere zelfhulp, maar een ervaringsmatige deelname aan het mysterie van het Kruis, waar God mens werd en zich onherroepelijk met de lijdende mens heeft verbonden.

Hoewel Terruwe en Baars zelden expliciet scholastische teksten citeren, vertonen hun inzichten over liefde, affectiviteit en emotionele rijping een duidelijke resonantie met het thomistische begrip van liefde als amor benevolentiae: liefde die de wil ordent naar het goede van de ander. In christologische vertaling mondt hun psychologie dan ook uit in een participatie aan de liefde van Christus zelf — liefde als oorsprong van groei, genezing en vrijheid. Binnen deze horizon wordt bevestiging normatief bepaald door het Kruis: niet als psychologisch ideaal, maar als de relationele aanwezigheid van God, die de mens bevestigt als beminde persoon, ook — en juist — in zijn gebrokenheid.

Ecclesiologische implicaties

Vanuit kerkelijk perspectief impliceert deze benadering dat ook het pastorale handelen van de Kerk moet worden getoetst aan de vraag of zij bevestigend aanwezig is. In een cultuur waarin zowel therapie als pastoraat dreigen te verworden tot methodiek en protocol, herinnert deze traditie eraan dat innerlijk gezag voortkomt uit liefdevolle waarachtigheid, niet uit beheersing.¹⁰


Bronnenlijst

  • Terruwe, A. & Baars, C., Psychic Wholeness and Healing.
  • Baars Institute – officiële website en therapie-informatie.
  • Institute for Personalist Psychology / House of Hope International (New York).
  • Anna Terruwe Museum – publicaties en virtuele bibliotheek.
  • Artikelen en interviews van Denise M. Mari op http://www.terruwe.wordpress.com

Voetnoten

  1. E. Mounier, Le personnalisme, Paris 1949; K. Wojtyła, Osoba i czyn, Kraków 1969.
  2. A. Terruwe & C. Baars, Psychic Wholeness and Healing, New York 1972, 45–67.
  3. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 4.
  4. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 59, a. 5.
  5. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 1–2.
  6. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 12.
  7. Gaudium et Spes, nr. 24.
  8. Gaudium et Spes, nr. 22 en 27.
  9. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I, q. 1, a. 8 ad 2.
  10. Johannes Paulus II, Veritatis Splendor (1993), nr. 95.

Pastoor Geudens, Smakt, 30-1-2026

De actuele doorwerking van Anna Terruwe en Conrad Baars in de Verenigde Staten

Standaard

 · door Beheerder Website pastoor Geudens

Van persoonlijke roeping naar levende traditie


English Abstract

From Personal Vocation to Living Tradition
The Contemporary Reception of Anna Terruwe and Conrad Baars in the United States

This article examines the contemporary continuation of the psychological and anthropological vision of Anna Terruwe and Conrad Baars, not through a purely academic reconstruction, but through the living institutions that currently transmit and embody their work in the United States. Institutes such as the Baars Institute, the Institute for Personalist Psychology, and the Anna Terruwe Museum demonstrate that their approach remains deeply relevant in contemporary therapeutic and pastoral contexts. Rooted in the concept of affirmation as a form of healing love, this tradition offers a personalist alternative to technocratic and reductionist models of psychotherapy and resonates strongly with a Christian understanding of mercy, freedom, and intrinsic human dignity.


Inleiding

De reflectie die hier volgt vertrekt niet vanuit een louter academische herlezing van het oeuvre van Anna Terruwe en Conrad Baars, maar vanuit de concrete hedendaagse context waarin hun werk vandaag wordt gedragen, geïnterpreteerd en doorgegeven. Juist deze actuele doorwerking maakt zichtbaar dat hun benadering geen afgesloten hoofdstuk vormt binnen de geschiedenis van de katholieke psychologie, maar een levende traditie is gebleven — ontstaan uit een intensieve ontmoeting met de lijdende mens en gevoed door klinische, pastorale en morele ervaring.

Deze traditie wordt vandaag niet primair bewaakt door universiteiten, maar door instellingen die hun inspiratie ontlenen aan de oorspronkelijke roeping van Terruwe en Baars: het dienen van de menselijke persoon in diens gekwetstheid, morele kwetsbaarheid en verlangen naar innerlijke vrijheid.


Genezing als relationele werkelijkheid

Het oorspronkelijke vertrekpunt van Terruwe en Baars lag in hun langdurige klinische en pastorale omgang met mensen bij wie de emotionele ontwikkeling was vastgelopen. Hun fundamentele inzicht luidde dat psychisch en moreel herstel niet tot stand komt door analyse, techniek of gedragsmatige correctie alleen, maar door bevestigende liefde: een wijze van relationele aanwezigheid waardoor de mens opnieuw leert ervaren dat hij of zij mag bestaan, voelen en verlangen.

Deze bevestiging is geen vorm van sentimentaliteit of vrijblijvende empathie. Zij is een moreel en relationeel handelen, dat vraagt om wat Terruwe en Baars aanduiden als weerhoudende liefde: nabijheid zonder toe-eigening, betrokkenheid zonder manipulatie, zorg zonder beheersing. In deze zin raakt hun psychologie aan een diep christelijk verstaan van barmhartigheid, waarin de ander niet wordt ‘gemaakt’ of ‘gerepareerd’, maar wordt ontvangen als persoon.


Hedendaagse institutionele dragers in de Verenigde Staten

In de eenentwintigste eeuw wordt dit gedachtegoed in het bijzonder in de Verenigde Staten levend gehouden. Het Baars Institute fungeert als een laagdrempelige toegangspoort tot het werk van Conrad Baars en Anna Terruwe. Via publicaties, audio-opnamen en inleidend materiaal richt het instituut zich op therapeuten, geestelijken en geïnteresseerde leken. Tegelijkertijd wordt gezocht naar verdere professionalisering en verdieping, onder meer door het ontwikkelen van opleidingen en studiedagen.

Daarnaast is er het Institute for Personalist Psychology, verbonden met House of Hope International in de regio New York. Dit instituut positioneert zich expliciet binnen een personalistische antropologie, waarin psychische heelheid, morele vorming en spirituele rijping niet als gescheiden domeinen worden behandeld, maar als onderling verbonden dimensies van mens-zijn. De vorming van counselors staat hier in dienst van een integrale mensvisie.

Een bijzondere plaats neemt het Anna Terruwe Museum in. Dit museum bewaart en ontsluit het intellectuele en spirituele erfgoed van Anna Terruwe en fungeert als plaats van herinnering, studie en publieke overdracht. Het onderstreept dat het hier niet gaat om een afgebakende therapievorm, maar om een mens- en menslievendheidsvisie die het verdient om bewaard en doorgegeven te worden.


Dr. Denise M. Mari en de actuele betekenis van een levende traditie

Een centrale rol in de hedendaagse doorwerking van het denken van Terruwe en Baars wordt vervuld door Denise M. Mari, mede-oprichtster van het Anna Terruwe Museum. In haar publicaties en interviews benadrukt zij consequent dat bevestiging wezenlijk verschilt van de dominante hedendaagse cultuur van zelfbevestiging, prestatie en autonomie. Waar deze cultuur de mens voortdurend aanspoort zichzelf te realiseren en te bewijzen, veronderstelt bevestiging juist ontvankelijkheid: het erkennen en eerbiedigen van het goede dat in de ander reeds aanwezig is, ook wanneer dit door kwetsuur, falen of innerlijke blokkade aan het zicht is onttrokken.

In deze zin treedt Mari op als bewaker én vertaler van de oorspronkelijke inzichten van Terruwe en Baars. Zij actualiseert hun antropologische en therapeutische intuïties voor een context waarin zowel psychotherapie als pastoraat onder druk staan van methodisering, efficiëntiedenken en meetbaarheid. Tegenover deze tendensen herinnert zij eraan dat genezing niet primair het resultaat is van techniek of interventie, maar van een relationele houding die de persoon in zijn waardigheid bevestigt en vrijlaat.

Binnen deze bredere context krijgt de Amerikaanse situatie een bijzondere betekenis. De daar ontstane initiatieven functioneren niet louter als lokale voortzettingen van het werk van Terruwe en Baars, maar treden naar voren als internationale dragers en behoeders van een personalistisch-christelijke mensvisie. Daarmee vervullen zij een referentiële rol in het bewaren én actualiseren van een traditie waarin psychologische genezing, morele rijping en het theologisch verstaan van barmhartigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden blijven.

In een tijd waarin zorg en begeleiding dreigen te verworden tot protocol en techniek, herinnert deze traditie eraan dat ware genezing ontstaat waar menselijke liefde, innerlijke vrijheid en vertrouwen in Gods barmhartigheid elkaar ontmoeten. Niet de optimalisering van de mens staat daarbij centraal, maar zijn bevestiging — als geschapen en beminde persoon.


Slotmeditatie

Ware genezing voltrekt zich niet waar de mens wordt verbeterd,
maar waar hij wordt bevestigd.

Dat wij leren liefhebben zoals God liefheeft:
niet bezittend, niet dwingend,
maar dragend, weerhoudend en bevrijdend.

Dat wie lijdt opnieuw mag ervaren:
ik mag er zijn —
en dat dit genoeg is om te beginnen te leven.


Theoretisch kader: personalistische antropologie en bevestiging

De psychologie van Anna Terruwe en Conrad Baars laat zich niet adequaat begrijpen binnen een zuiver empirisch of behavioristisch kader. Hun benadering wortelt expliciet in een personalistische antropologie, waarin de mens wordt verstaan als een eenheid van lichaam en ziel, affectiviteit en rationaliteit, vrijheid en relationele ontvankelijkheid. In deze zin sluiten zij aan bij de bredere personalistische stroming zoals die in de twintigste eeuw is uitgewerkt door auteurs als Emmanuel Mounier, Martin Buber en Karol Wojtyła, zonder hun werk tot een gesloten filosofisch systeem te reduceren.¹

Centraal staat het inzicht dat de menselijke persoon niet louter zichzelf constitueert door autonomie of prestatie, maar tot zichzelf wordt gebracht in en door bevestigende relatie. Bevestiging is hierbij geen psychologisch hulpmiddel, maar een antropologisch grondgegeven: de persoon heeft relationele erkenning nodig om zijn natuurlijke neigingen ordelijk te integreren en tot innerlijke vrijheid te komen.²


Thomas van Aquino: liefde als oorzaak van groei

Hoewel Terruwe en Baars zelden expliciet scholastiek citeren, vertoont hun denken een diepe structurele verwantschap met de antropologie van Thomas van Aquino. Bij Thomas is liefde (amor) niet primair affect, maar een actus van de wil die het goede van de ander beoogt (velle bonum alteri).³ Deze liefde werkt vormend: zij stelt de ander in staat zijn potenties te actualiseren overeenkomstig zijn natuur.

In dit licht kan bevestigende liefde worden verstaan als een participatie aan de scheppende en onderhoudende liefde van God, waardoor de mens innerlijk wordt geordend. Waar deze liefde ontbreekt of wordt vervangen door conditionele waardering, ontstaat wat Terruwe aanduidt als affectieve onrijpheid. Thomas zelf benadrukt dat de deugden slechts duurzaam kunnen groeien waar de affectiviteit ordelijk is gevormd.⁴

De weerhoudende liefde waar Terruwe en Baars op wijzen, sluit nauw aan bij Thomas’ onderscheid tussen amor concupiscentiae en amor benevolentiae. Bevestiging is geen toe-eigening, maar welwillendheid die de ander vrijlaat.⁵


Vaticanum II: waardigheid, relationaliteit en barmhartigheid

De antropologische grondintuïties van Terruwe en Baars vinden een duidelijke resonantie in het leergezag van het Tweede Vaticaans Concilie, met name in Gaudium et Spes. Het concilie benadrukt dat menselijke waardigheid niet functioneel of maatschappelijk wordt toegekend, maar intrinsiek is, geworteld in de schepping naar Gods beeld.⁶

In nr. 24 van Gaudium et Spes wordt de mens beschreven als een wezen dat zichzelf slechts kan vinden “door de oprechte gave van zichzelf”. Deze formulering biedt een theologisch-antropologische sleutel tot het begrip bevestiging: pas waar de mens zich ontvangen weet, kan hij zichzelf schenken zonder zichzelf te verliezen.⁷

Daarnaast sluit de benadering van Terruwe en Baars nauw aan bij het conciliaire verstaan van barmhartigheid als constitutief voor de zending van de Kerk. Pastoraat en zorg zijn geen technische interventies, maar deelname aan Gods genezende nabijheid tot de gekwetste mens.⁸


Bevestiging, vrijheid en morele rijping

Terruwe en Baars plaatsen bevestiging niet tegenover moraal, maar situeren haar voorafgaand aan morele verantwoordelijkheid. Waar affectieve rijping ontbreekt, wordt morele aanspraak ervaren als overweldigend of destructief. Dit inzicht voorkomt zowel moralisme als permissiviteit.

Hier raakt hun psychologie aan het fundamentele thomistische principe gratia supponit naturam. Genade — en ook morele vorming — kan slechts vrucht dragen waar de natuur voldoende is geordend.⁹ Bevestiging herstelt deze orde niet door dwang, maar door liefdevolle nabijheid.


Ecclesiologische implicaties

Vanuit kerkelijk perspectief impliceert deze benadering dat ook het pastorale handelen van de Kerk moet worden getoetst aan de vraag of zij bevestigend aanwezig is. In een cultuur waarin zowel therapie als pastoraat dreigen te verworden tot methodiek en protocol, herinnert deze traditie eraan dat innerlijk gezag voortkomt uit liefdevolle waarachtigheid, niet uit beheersing.¹⁰


Bronnenlijst

  • Terruwe, A. & Baars, C., Psychic Wholeness and Healing.
  • Baars Institute – officiële website en therapie-informatie.
  • Institute for Personalist Psychology / House of Hope International (New York).
  • Anna Terruwe Museum – publicaties en virtuele bibliotheek.
  • Artikelen en interviews van Denise M. Mari op terruwe.wordpress.com.

Voetnoten

  1. E. Mounier, Le personnalisme, Paris 1949; K. Wojtyła, Osoba i czyn, Kraków 1969.
  2. A. Terruwe & C. Baars, Psychic Wholeness and Healing, New York 1972, 45–67.
  3. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 4.
  4. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 59, a. 5.
  5. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 1–2.
  6. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 12.
  7. Gaudium et Spes, nr. 24.
  8. Gaudium et Spes, nr. 22 en 27.
  9. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I, q. 1, a. 8 ad 2.
  10. Johannes Paulus II, Veritatis Splendor (1993), nr. 95.

Pro-life, gekwetst leven en het priesterschap onder het teken van het Kruis

Standaard

Pro-life, gekwetst leven en het priesterschap onder het teken van het Kruis

Waarheid, barmhartigheid en weerhoudende liefde als kern van pastorale theologie


Pastoor Jack Geudens (priester en arbeidstherapeut)

Smakt, januari 2026


Abstract

Deze verhandeling onderzoekt de intrinsieke samenhang tussen pro-life als geloofsbelijdenis, de zorg voor het gekwetste leven en het priesterschap als sacramenteel merkteken van Gods barmhartige liefde. Tegen de achtergrond van het Tweede Vaticaans Concilie en het magisterium wordt betoogd dat deze drie dimensies geen afzonderlijke pastorale thema’s vormen, maar uitdrukking zijn van één fundamentele geestelijke houding: weerhoudende liefde onder het teken van het Kruis.

Vanuit een christelijk-personalistische antropologie wordt menselijke waardigheid ontologisch gefundeerd en begrepen als voorafgaand aan prestatie, keuze of functionaliteit. Deze mensvisie wordt verdiept door arbeidstherapeutische en psychosociale inzichten, in het bijzonder door de bevestigingsleer van Anna Terruwe en Conrad W. Baars, zoals toegepast in het eigen werk Relatie als instrument van genezing. Relatie verschijnt daarin niet louter als context, maar als actief instrument van genezing, waarin bevestigende en weerhoudende liefde samen werkzaam zijn.

Maria en Jozef worden theologisch uitgewerkt als normatieve relationele gestalten van ecclesiale onderscheiding: Maria als ontvangende en dragende gestalte van de Kerk tot onder het Kruis, Jozef als bewaker van het toevertrouwde leven zonder beheersing. In het licht van de Passionistische kruisspiritualiteit wordt het Kruis verstaan als het ultieme criterium van waarheid en barmhartigheid: God redt het leven niet door het te elimineren, maar door het te dragen.

De studie concludeert dat pro-life binnen de pastorale theologie niet kan worden gereduceerd tot een ethisch standpunt, maar moet worden verstaan als een constitutieve dimensie van genezende pastorale praxis. Het priesterschap verschijnt daarbij als relationeel-sacramentele dienst waarin het gekwetste leven niet alleen gedragen hoeft te worden, maar wordt opgenomen in een weg van waarheid, barmhartigheid en verrijzenishoop.

Trefwoorden: pastorale theologie; pro-life; gekwetst leven; priesterschap; weerhoudende liefde; relatie en genezing; Kruis; Maria en Jozef; menselijke waardigheid; Vaticanum II.


Abstract (English)

This treatise is situated within pastoral theology and examines the intrinsic coherence between pro-life as a confession of faith, pastoral care for wounded life, and the priesthood as a sacramental sign of God’s merciful love. Drawing on the Second Vatican Council and the contemporary magisterium, it argues that these dimensions are not separate pastoral themes but expressions of one fundamental spiritual attitude: restraining love (weerhoudende liefde) lived under the sign of the Cross.

Grounded in a Christian personalist anthropology, human dignity is understood ontologically—as prior to performance, choice, or functionality. This vision is deepened through occupational-therapeutic and psychosocial insights, particularly the affirmation theory of Anna Terruwe and Conrad W. Baars, as appropriated in the author’s work Relationship as an Instrument of Healing. Within this framework, relationship is not merely the context of care but an active instrument of healing in which affirming and restraining love operate together.

Mary and Joseph are theologically developed as normative relational figures for ecclesial discernment: Mary as the receptive and bearing figure of the Church who remains faithful unto the Cross, and Joseph as the guardian of entrusted life without domination. In the light of Passionist spirituality, the Cross is interpreted as the ultimate criterion of truth and mercy: God saves life not by eliminating it, but by bearing it.

The study concludes that, within pastoral theology, pro-life cannot be reduced to an ethical position but must be understood as a constitutive dimension of healing pastoral praxis. The priesthood thus emerges as a relational-sacramental ministry in which wounded life is not left to be borne alone, but is taken up into a path of truth, mercy, and hope in the Resurrection.

Keywords: pastoral theology; pro-life; wounded life; priesthood; restraining love; relationship and healing; Cross; Mary and Joseph; human dignity; Second Vatican Council.


Inleiding

Deze scriptie situeert zich expliciet binnen de pastorale theologie en onderzoekt hoe pro-life als geloofsbelijdenis, de zorg voor het gekwetste leven en het priesterschap als merkteken van Gods barmhartige liefde elkaar wederzijds verhelderen in de concrete pastorale praxis van de Kerk. Pastoraal-theologie wordt hier niet opgevat als een louter toegepaste discipline, maar als een reflectie op de wijze waarop de waarheid van het Evangelie gestalte krijgt in begeleidend handelen, onderscheiding en genezende aanwezigheid.

Vertrekpunt is de overtuiging dat deze drie dimensies geen afzonderlijke pastorale thema’s vormen, maar uitdrukking zijn van één geestelijke kern: het innerlijk gezag dat ontspringt aan gehoorzaamheid onder het teken van het Kruis. In een context waarin pro-life vaak wordt gereduceerd tot ethisch debat, het priesterschap tot functionele rol en pastorale zorg tot louter nabijheid zonder normatief kader, betoogt deze studie dat juist hun samenhang beslissend is voor een authentieke pastorale praktijk.

De methode is fundamenteel pastoraal-theologisch: zij vertrekt vanuit de geloofstraditie (Vaticanum II, magisterium), wordt hermeneutisch verdiept door de kruisspiritualiteit en wordt getoetst aan arbeidstherapeutische en psychosociale ervaringen in de pastorale praktijk. De centrale these luidt dat weerhoudende liefde — een liefde die bewaart zonder te beheersen — een sleutelcategorie vormt voor hedendaagse pastorale theologie (vooral in Amerika en Canada!).


Hoofdstuk I – Menselijke waardigheid als ontologisch gegeven

Het Tweede Vaticaans Concilie verankert menselijke waardigheid niet functioneel, maar ontologisch. In Gaudium et Spes wordt de mens begrepen als geschapen, gekend en geroepen door God, nog vóór enige prestatie of keuze.[^1] Deze fundamentele voorafgaandheid van waardigheid impliceert dat het leven zelf niet tot object van beschikking mag worden gemaakt.

Vanuit deze grondintuïtie wordt abortus expliciet benoemd als strijdig met de morele orde, niet uit juridisme, maar omdat waar het leven afhankelijk wordt van keuze, vrijheid omslaat in macht.[^2] Deze conciliaire antropologie vormt het fundament van een pro-life-houding die niet ideologisch, maar existentieel is.


Hoofdstuk II – Relatie als instrument van genezing binnen de pastorale theologie

1. Inleiding: van pastorale nabijheid naar relationele genezing

Binnen de pastorale theologie wordt nabijheid vaak genoemd als sleutelwoord. Toch volstaat nabijheid op zichzelf niet. Deze studie betoogt dat pastorale nabijheid pas werkelijk genezend wordt wanneer zij relationeel wordt doordacht en geleefd.^10 Hier biedt het werk Relatie als instrument van genezing van Pastoor Jack Geudens een wezenlijke verdieping. Relatie wordt daarin niet slechts opgevat als context van zorg, maar als actief instrument waardoor genezing kan plaatsvinden.^11

Deze benadering sluit aan bij een christelijk-personalistische antropologie waarin de mens niet alleen als individu, maar als relationeel wezen wordt verstaan.^12 De pastorale vraag verschuift daarmee van: “Wat moet er moreel gezegd worden?” naar: “Hoe kan de relatie zélf drager worden van waarheid, bevestiging en genezing?” Deze verschuiving is van fundamenteel belang voor een pastorale theologie die pro-life, zorg voor gekwetste levens en priesterschap integraal wil verbinden.

2. Antropologische grondslag: de mens als relationeel en bevestigingsbehoeftig wezen

De mens bezit een aangeboren behoefte aan liefde en bevestiging. Deze behoefte is geen zwakte, maar behoort tot de constitutieve structuur van het mens-zijn.^13 In de bevestigingsleer van Anna Terruwe en Conrad W. Baars wordt gesteld dat de mens slechts tot innerlijke volwassenheid kan komen wanneer hij zich existentieel bevestigd weet in zijn zijn.^14

Wanneer deze bevestiging ontbreekt, ontstaan vormen van innerlijke stagnatie die zich kunnen uiten in angst, schuldgevoelens, relationele verstoringen en morele verwarring.^15 Vanuit pastoraal-theologisch perspectief betekent dit dat morele breukmomenten — waaronder abortus — zelden los te zien zijn van relationele kwetsuren. De pastorale zorg kan zich daarom niet beperken tot normstelling, maar moet aandacht hebben voor het relationele tekort dat aan veel existentiële beslissingen voorafgaat.

3. Relatie als instrument: bevestigende en weerhoudende liefde

In Relatie als instrument van genezing wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van liefde.^16 Centraal staat de bevestigende liefde, die de ander helpt zich gekend en gewaardeerd te weten, en de weerhoudende liefde, die grenzen stelt ter bescherming van de persoon.^17

Bevestigende liefde zegt: “Het is goed dat jij er bent.” Weerhoudende liefde zegt: “Niet alles is goed voor jou.” In pastorale theologie zijn deze twee niet tegengesteld, maar complementair.^18 Zonder bevestiging wordt weerhouding hard; zonder weerhouding wordt bevestiging leeg. In deze dynamiek verschijnt relatie als genezend instrument: zij herstelt innerlijke orde door liefde en waarheid samen te laten werken.

4. Pastorale implicaties voor het gekwetste leven

Het gekwetste leven — gekenmerkt door schuld, schaamte, rouw en existentiële breuk — vraagt om relaties die dragen zonder te beheersen.^19 De pastorale praktijk laat zien dat mensen pas ontvankelijk worden voor waarheid wanneer zij zich veilig weten in een relatie.^20

Hier krijgt de eerder ontwikkelde notie van pro-life een verbreding: niet alleen het ongeboren leven vraagt bescherming, maar ook het innerlijk leven van wie gewond is geraakt.^21 Pastorale theologie die relationele genezing ernstig neemt, zal daarom investeren in langdurige begeleidende relaties, sacramentele beschikbaarheid en gemeenschapsvorming.^22

 5. Maria en Jozef als relationele gestalten

Maria en Jozef belichamen relationele genezing op exemplarische wijze. Maria ontvangt en draagt leven zonder voorwaarden; Jozef beschermt en bewaakt zonder te beschikken.^23 Hun handelen is relationeel, niet instrumenteel. Zij tonen dat genezing begint bij trouw in relatie, niet bij controle.

Deze mariale en josefijnse houding vormt een normatieve spiegel voor pastorale relaties: ontvangen, bewaren, dragen en beschermen.^24 In deze zin functioneren zij niet slechts als vrome voorbeelden, maar als theologisch-pastorale criteria.

 6. Het Kruis als ultieme relationele openbaring

Het Kruis van Christus is de plaats waar relatie en genezing hun diepste betekenis krijgen.^25 Christus draagt de mens niet op afstand, maar betreedt diens lijden. Het Kruis openbaart een God die relationeel aanwezig blijft, zelfs waar schuld en breuk realiteit zijn.^26

Binnen de Passionistische spiritualiteit wordt het Kruis verstaan als school van liefde.^27 Het leert dat ware genezing niet ontstaat door eliminatie van pijn, maar door het dragen ervan in liefde. Pastorale relaties die uit dit Kruis leven, worden plaatsen van hoop en verrijzenis.

 7. Pastorale theologie en pro-life: een geïntegreerde benadering

Wanneer relatie als instrument van genezing wordt erkend, verschijnt pro-life in nieuw licht. Het is geen strijd tegen mensen, maar een keuze voor relationele trouw aan het leven.^28 Het beschermt leven door relaties te versterken waarin leven kan groeien.

Deze geïntegreerde benadering vraagt van priesters en pastorale werkers dat zij zichzelf verstaan als relationele bemiddelaars van Gods barmhartigheid.^29 Hun aanwezigheid, luisterhouding en trouw worden zo sacramentele tekenen van hoop.

 8. Conclusie

Dit hoofdstuk heeft aangetoond dat relatie, wanneer zij wordt gedragen door bevestigende en weerhoudende liefde, een krachtig instrument van genezing vormt binnen de pastorale theologie.^30 Pro-life, zorg voor het gekwetste leven en priesterschap vinden hier hun gemeenschappelijke grond: een relationele spiritualiteit onder het teken van het Kruis. 


Hoofdstuk III – Maria en Jozef als normatieve gestalten

In Lumen Gentium verschijnt Maria niet als devotionele toevoeging, maar als persoonlijke gestalte van de Kerk.[^4] Haar fiat is geen autonome zelfbeschikking, maar radicale ontvankelijkheid voor een leven dat haar wordt toevertrouwd. Zij bewaart dit leven tot onder het Kruis en wordt zo normatief voor ecclesiale onderscheiding.

Naast Maria staat Jozef als bewaker van het mysterie. Zijn handelen is niet gebaseerd op zekerheid of controle, maar op toevertrouwd-zijn.[^5] In hem verschijnt een vorm van verantwoordelijkheid die voorafgaat aan overzicht. Deze josefijnse houding vormt een tegenbeeld van een cultuur van maakbaarheid en conditionele aanvaarding. 


Hoofdstuk IV – Het Kruis en de Passionistische spiritualiteit

De Passionistische spiritualiteit, zoals verwoord door Paulus van het Kruis, plaatst het Kruis in het centrum van waarheid en onderscheiding.[^6] Het Kruis openbaart dat God het leven niet redt door leven te vernietigen, maar door het lijden zelf te dragen.

Deze kruisspiritualiteit corrigeert zowel een harde moraal als een grenzeloze barmhartigheid. Het Kruis stelt een onopgeefbare grens: het leven van de ander mag nooit worden opgeofferd om het eigen lijden te vermijden. Tegelijk opent het Kruis de weg naar verrijzenis en genezing. 


Hoofdstuk V – Pro-life en het gekwetste leven

In Evangelium Vitae wordt de crisis rond het menselijk leven geduid als een spirituele en antropologische crisis waarin vrijheid losraakt van waarheid.[^7] Abortus wordt benoemd als intrinsiek kwaad, niet om te veroordelen, maar om een fundamentele grens te bewaren.

Tegelijk spreekt Johannes Paulus II met grote pastorale bewogenheid tot wie betrokken was bij abortus en benadrukt hij dat Gods barmhartigheid geen grens kent.[^8]

Pro-life verschijnt hier niet als strijdpunt, maar als weg van genezing. Het gekwetste leven hoeft niet alleen gedragen te worden; het mag worden binnengebracht in een gemeenschap die waarheid en barmhartigheid samenhoudt. 


Hoofdstuk VI – Het priesterschap als merkteken van barmhartige liefde

Het priesterschap is geen functionele rol, maar een sacramenteel merkteken van Gods barmhartige liefde.[^9] De priester vertegenwoordigt Christus niet door macht, maar door beschikbaarheid en offer. In deze zin is het priesterschap intrinsiek pro-life: het staat in dienst van het leven dat aan de Kerk is toevertrouwd, in al zijn kwetsbaarheid.

Het priesterlijk handelen vindt zijn norm niet in succes of beheersing, maar in trouw aan het Kruis. De priester is geroepen nabij te zijn bij het gekwetste leven, zonder waarheid te relativeren en zonder mensen te breken.


Conclusie

Vanuit pastoraal-theologisch perspectief tonen de voorafgaande hoofdstukken aan dat pro-life, zorg voor het gekwetste leven en het priesterschap geen afzonderlijke werkvelden zijn, maar elkaar doordringen als uitdrukking van één evangelische houding. Pastoraal handelen verliest zijn geloofwaardigheid wanneer het losraakt van de waarheid over de mens; waarheid verliest haar heilzame kracht wanneer zij niet barmhartig wordt gedragen.

De kerncategorie van deze studie — weerhoudende liefde onder het teken van het Kruis — biedt een vruchtbaar kader voor hedendaagse pastorale theologie. Zij maakt het mogelijk het leven te beschermen zonder te instrumentaliseren, mensen te begeleiden zonder te neutraliseren, en waarheid te verkondigen zonder te breken. In deze zin verschijnt pro-life niet als ethisch specialisme, maar als een constitutieve dimensie van pastorale zorg.

Het priesterschap wordt binnen deze benadering verstaan als sacramenteel merkteken van Gods barmhartige liefde: een teken dat zichtbaar maakt dat het gekwetste leven niet alleen gedragen hoeft te worden. De pastorale theologie die hieruit voortvloeit, is geen strategie, maar een spiritualiteit van aanwezigheid, onderscheiding en trouw.

Deze studie besluit daarom dat een pastoraal-theologische herbronning rond het Kruis noodzakelijk is om in een cultuur van maakbaarheid en kwetsbaarheid het Evangelie van het leven geloofwaardig te blijven verkondigen en belichamen.


Voetnoten

  1. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 12: AAS 58 (1966) 1032–1033.
  2. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 16: AAS 58 (1966) 1037–1038.
  3. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 27: AAS 58 (1966) 1047–1048.
  4. Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium (21 november 1964), nr. 58: AAS 57 (1965) 60–61.
  5. Johannes Paulus II, Apostolische Exhortatie Redemptoris Custos (15 augustus 1989), nr. 7–8: AAS 82 (1990) 9–11.
  6. Paulus van het Kruis, Lettere, ed. F. Giorgini (Roma: Curia Generalizia C.P., 1924), passim; vgl. idem, Il Diario Spirituale, ed. G. Zaccaria (Roma: C.P., 1955).
  7. Johannes Paulus II, Encycliek Evangelium Vitae (25 maart 1995), nr. 19–20: AAS 87 (1995) 418–420.
  8. Johannes Paulus II, Evangelium Vitae, nr. 99: AAS 87 (1995) 507–508.
  9. A. Ory, Le prêtre, signe de l’amour miséricordieux de Dieu (Paris: Desclée de Brouwer, 1958), 11–29.
  10. J.A. van der Ven, Practical Theology: An Empirical Approach (Kampen: Kok Pharos, 1998), 45–52.
  11. J. Geudens, Relatie als instrument van genezing (ongepubliceerde scriptie, Kerkrade, ca. 1999), hfst. 1–2.
  12. M. Buber, Ich und Du (Heidelberg: Lambert Schneider, 1958), 15–28.
  13. A. Terruwe, De bevestiging (Baarn: Ambo, 1976), 23–31.
  14. A. Terruwe & C.W. Baars, Psychic Wholeness and Healing (New York: Sheed & Ward, 1972), 64–89.
  15. C.W. Baars, Born Only Once: The Miracle of Affirmation (New York: Alba House, 1974), 101–118.
  16. J. Geudens, Relatie als instrument van genezing, hfst. 3.
  17. Ibid., hfst. 4.
  18. J. Pieper, Über die Liebe (München: Kösel, 1972), 57–66.
  19. J. Geudens, “Het gekwetste leven hoeft niet alleen gedragen te worden,” pastoraal artikel, 29 januari 2026, https://pastoorgeudens.com.
  20. H. Nouwen, The Wounded Healer (New York: Doubleday, 1972), 81–92.
  21. Johannes Paulus II, Evangelium Vitae, nr. 58–63.
  22. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 27.
  23. Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, nr. 58.
  24. Johannes Paulus II, Redemptoris Custos, nr. 7–8.
  25. Paulus van het Kruis, Lettere, ed. F. Giorgini, passim.
  26. H.U. von Balthasar, Mysterium Paschale (Einsiedeln: Johannes Verlag, 1967), 45–72.
  27. Congregatie van de Passionisten, La spiritualità della Croce (Rome, 1980), 12–27.
  28. Johannes Paulus II, Evangelium Vitae, nr. 19–20.
  29. A. Ory, Le prêtre, signe de l’amour miséricordieux de Dieu, 33–47.
  30. Samenvattend: J. Geudens, Relatie als instrument van genezing, slotbeschouwing.

Bibliografie

Baars, Conrad W. Born Only Once: The Miracle of Affirmation. New York: Alba House, 1974.

Balthasar, Hans Urs von. Mysterium Paschale. Einsiedeln: Johannes Verlag, 1967.

Buber, Martin. Ich und Du. Heidelberg: Lambert Schneider, 1958.

Congregatie van de Passionisten. La spiritualità della Croce. Rome, 1980.

Geudens, Jack. Relatie als instrument van genezing. Ongepubliceerde scriptie. Kerkrade, 1999.

———. “Het gekwetste leven hoeft niet alleen gedragen te worden.” Pastoraal artikel, 29 januari 2026. www.pastoorgeudens.com

Johannes Paulus II. Evangelium Vitae. Encycliek, 25 maart 1995. Acta Apostolicae Sedis 87 (1995).

———. Redemptoris Custos. Apostolische Exhortatie, 15 augustus 1989. Acta Apostolicae Sedis 82 (1990).

Nouwen, Henri J.M. The Wounded Healer. New York: Doubleday, 1972.

Ory, Armand. Le prêtre, signe de l’amour miséricordieux de Dieu. Paris: Desclée de Brouwer, 1958.

Paulus van het Kruis. Lettere. Ed. F. Giorgini. Roma: Curia Generalizia C.P., 1924.

———. Il Diario Spirituale. Ed. G. Zaccaria. Roma: C.P., 1955.

Pieper, Josef. Über die Liebe. München: Kösel, 1972.

Terruwe, Anna. De bevestiging. Baarn: Ambo, 1976.

Terruwe, Anna, en Conrad W. Baars. Psychic Wholeness and Healing. New York: Sheed & Ward, 1972.

Tweede Vaticaans Concilie. Gaudium et Spes. Pastorale Constitutie, 7 december 1965. Acta Apostolicae Sedis 58 (1966).

———. Lumen Gentium. Dogmatische Constitutie, 21 november 1964. Acta Apostolicae Sedis 57 (1965).Van der Ven, Johannes A.Practical Theology: An Empirical Approach. Kampen: Kok Ph