Het Romeinse wantrouwen, de conciliaire ommekeer en de blijvende kracht van affirmatie
Inleiding
De geschiedenis van Anna Terruwe (1911–2004) en de Romeinse weerstand tegen haar werk behoort tot de meest sprekende voorbeelden van de spanningen tussen psychologie, moraaltheologie en kerkelijk gezag in de twintigste eeuw. Wat in de jaren veertig en vijftig werd ervaren als theologisch verdacht, blijkt in het licht van het Tweede Vaticaans Concilie niet alleen verdedigbaar, maar zelfs vooruitlopend op een personalistische heroriëntatie van de katholieke antropologie. Deze geschiedenis kent drie beslissende momenten: veroordeling, rehabilitatie en rijping, met vandaag een actuele vraag naar hernieuwde ontvangst in Nederland.
1. Sebastian Tromp SJ en het Romeinse theologische klimaat
Een sleutelrol in de Romeinse weerstand tegen Terruwe werd gespeeld door de jezuïet Sebastian Tromp (1889–1975). Tromp was hoogleraar dogmatiek en kerkelijk recht aan de Pauselijke Gregoriaanse Universiteit en van 1936 tot 1967 secretaris van het Heilig Officie (de latere Dicasterie voor de Geloofsleer). Hij fungeerde bovendien als invloedrijk theologisch adviseur van Pius XII.¹
Tromp vertegenwoordigde een strikt neoscholastisch en juridisch-dogmatisch kerkbeeld, waarin:
- zonde en schuld primair normatief werden benaderd;
- affectiviteit en gevoelsleven theologisch onderbelicht of verdacht bleven;
- psychologische benaderingen van moraal als riskant werden beschouwd.²
Binnen dit paradigma werd moraal hoofdzakelijk begrepen als een zaak van wil, norm en gehoorzaamheid, terwijl emotionele ontwikkeling en relationele ontvankelijkheid nauwelijks als zelfstandige antropologische categorieën werden erkend.
2. Waarom Tromp zich verzette tegen Terruwe
De weerstand tegen Terruwe was niet in de eerste plaats persoonlijk, maar systemisch. Tromp stond symbool voor een theologisch klimaat dat moeite had met drie kernintuïties van Terruwe.
2.1 De mens is in zijn diepste kern goed
Terruwe vertrok vanuit de overtuiging dat de mens in zijn diepste wezen goed is en tot rijping komt door bevestigende liefde. Tromp vreesde dat deze formulering (a) de leer van de erfzonde zou relativeren en (b) morele verantwoordelijkheid zou ondermijnen. Wat in deze kritiek onvoldoende werd onderscheiden, was het verschil tussen ontologische goedheid van de mens en morele gebrokenheid ten gevolge van de erfzonde. Terruwe ontkende de zondeleer niet, maar ontkende wél dat emotionele beschadiging automatisch persoonlijke schuld impliceert.³
2.2 Psychologie als antropologische sleutel
Terruwe benaderde moreel problematisch gedrag vaak als gevolg van emotionele onderontwikkeling, veroorzaakt door een tekort aan affirmatie. Voor Tromp betekende dit een verschuiving van moraal naar antropologie, die hij interpreteerde als psychologisering van zonde en een ondermijning van ascese, boete en discipline. Deze spanning betrof geen methodische details, maar een fundamenteel verschil in mensbeeld.⁴
2.3 Kritiek op repressieve ascese
Terruwe toonde klinisch aan dat overdreven ascese, streng gewetensonderzoek en dwangmatige kuisheidspraktijken ernstige psychische schade konden veroorzaken, zoals scrupulositeit en dwangneurose. Waar zij deze verschijnselen diagnostisch en therapeutisch benaderde, golden zij in het toenmalige Romeinse klimaat eerder als tekenen van morele ernst dan als klinische problematiek.⁵
3. De “zaak-Terruwe”: disciplinair ingrijpen zonder leerveroordeling
In 1956 leidde dit spanningsveld tot een Romeins ingrijpen tegen Terruwe en haar nauwe medewerker Conrad W. Baars. Hun therapeutische praktijk en publicaties werden beperkt; er volgde feitelijk een therapieverbod.⁶
Van doorslaggevend belang is dat dit ingrijpen:
- geen leerstellige veroordeling betrof;
- geen heresie vaststelde;
- het karakter had van een disciplinair voorzorgsbesluit.⁷
Het ging dus minder om een inhoudelijk theologisch debat dan om een ingreep vanuit wantrouwen jegens een vernieuwende antropologische benadering—met bestuursrechtelijke middelen.
4. Rehabilitatie: Alfrink, Paulus VI en de conciliaire ommekeer
Vanaf het begin van de jaren zestig veranderde het kerkelijk klimaat ingrijpend. Mede door de inzet van Bernardus Johannes Alfrink werd de zaak-Terruwe opnieuw onder de aandacht gebracht. Alfrink benadrukte dat Terruwe’s werk geen ondermijning van de katholieke leer inhield, maar een noodzakelijke pastorale verdieping bood.⁸
Onder Paulus VI werden de eerdere beperkingen feitelijk opgeheven. Zonder publieke rectificatie kreeg Terruwe opnieuw ruimte om te publiceren en te werken. Deze stille rehabilitatie weerspiegelt eerder een theologische verschuiving dan een louter persoonlijke rehabilitatie.
5. Intermezzo – Wat stond er werkelijk op het spel?
De Romeinse weerstand tegen Terruwe laat zich niet verklaren door één enkel motief. Zij krijgt pas reliëf wanneer men de samenloop van machtsstructuren, mensbeeldconflicten en disciplinair bestuur onder ogen ziet. Dat Terruwe een vrouw was, speelde daarin geen louter bijkomstige rol. Haar vrouw-zijn—én tegelijk haar positie als lekenpsychiater—fungeerde binnen een uitgesproken clericaal systeem als een strategisch kwetsbaarheidspunt, precies omdat zij in haar praktijk talrijke priesters, religieuzen en seminaristen begeleidde.
5.1 De snelste administratieve knop: vrouw + clerus
In reconstructies van de affaire keert niet eerst een dogmatische veroordeling terug, maar een disciplinair ingrijpen: geen verwijzing van clerici naar een “psychiatrice”, geen behandeling van (semi)clerici door vrouwelijke psychiaters/psychotherapeuten.⁹
Dat zegt niet: “de inhoud is weerlegd”, maar wel: “dit kanaal wordt afgesloten”.Daarmee is het vrouw-zijn geen goedkope bijzaak, maar een concrete machtsvector. In een kerkelijke cultuur waarin (a) seksualiteit en biecht/pastoraat hypergevoelig lagen, en (b) de vorming van seminaristen als kwetsbaar en te beschermen werd gezien, bood “vrouwelijke behandelaar” een klaarstaand alarmwoord. De maatregel was tegelijk moralistisch verdedigbaar en bestuurlijk effectief.
5.2 Het diepere conflict: moraaltheologie versus psychologische causaliteit
Onder deze administratieve laag lag een fundamenteler conflict. De hardste verdenking draaide niet om “bevestiging” als zodanig, maar om de vrees voor situatie-ethiek en psychologisering van zonde. Wanneer bij neurose, scrupulositeit of dwangproblematiek de strikte toepassing van de moraalleer tijdelijk “tussen haakjes” wordt gezet om angst en schuld te ontregelen en innerlijke vrijheid te herstellen, lijkt dat voor bewakers van de norm al snel een ondermijning van de universele geldigheid van de moraal.⁶
Geruchten over “immorele adviezen” functioneerden in dit klimaat als morele detonator—ook wanneer zij eerder brandstof dan bewijs waren.Hier ligt het zenuwpunt: Terruwe herlabelt bepaald ‘zondig’ gedrag niet primair als moreel falen, maar als symptoom van angst, emotionele onderontwikkeling en gemis aan bevestiging. Genezing betekent herstel van innerlijke vrijheid, zodat rede en wil opnieuw werkelijk kunnen sturen. Voor een streng voluntaristisch en juridisch moreelkader vormt dit een bedreiging, omdat het de prioriteit verschuift: van normhandhaving naar mensbeeld en genezing.⁴
5.3 Welk gevecht voerde Tromp?
Op basis van publiek toegankelijke bronnen tekent zich een drievoudige strijd af:
- Anti-relativisme / anti-“situatie-ethiek”: in biografische reconstructies wordt vermeld dat Tromp Terruwe en Baars beoordeelde alsof zij verkapt freudiaans dachten en een situatie-ethiek hanteerden—precies het soort etiket waarmee het Heilig Officie in die periode grenzen bewaakte.⁶
- Curiale gezagsstrijd: controle over vernieuwing: Tromp was consultor/qualificator van het Heilig Officie en nauw verbonden met Alfredo Ottaviani; op Vaticanum II speelde hij een centrale rol in voorbereidende schema’s en commissiewerk.¹⁰ Dat tekent een habitus van wantrouwen tegenover “nieuwe talen” (psychologie, klinische causaliteit, pastorale casuïstiek) wanneer die niet strak onder doctrinaire controle vallen.
- Vorming/sexualiteits-angst in priestercontext: de casus ging juist over priesters, religieuzen en seminaristen; daarmee wordt het voor Rome niet louter psychotherapie, maar priesterlijke identiteit + celibaat + biechtcultuur + schandaalrisico. In zo’n veld is een verbod op vrouwelijke behandelaars tegelijk moralistisch plausibel en bestuurlijk efficiënt.⁹
5.4 Dus: “omdat zij een vrouw was”?
Gedeeltelijk: ja—maar als middel, niet als volledige oorzaak.
- Als middel is het motief van de “vrouwelijke psychiater” aantoonbaar aanwezig in taal en maatregelen.⁹
- Als oorzaak blijft de motor het mensbeeldconflict: zonde en norm tegenover angst en genezing, met de vrees dat pastorale soepelheid zou uitlopen op normerosie.⁴
De scherpste formulering, zonder karikatuur, luidt daarom:
Het systeem kon haar aanpakken omdat zij een vrouw was; het systeem wilde haar aanpakken omdat haar therapie de macht over schuld, ascese en geweten herschikte.5.5 Disciplinair, niet doctrinair—en daarom conciliair leesbaar
Dat er geen leerveroordeling, maar een disciplinair voorzorgsbesluit werd genomen, bevestigt deze analyse: monitum, waarschuwing en afsluiting van kanalen, eerder dan formele definitie “ketterij”.⁷ Precies dit maakt een conciliaire herlezing overtuigend: Vaticanum II maakt zichtbaar dat het conflict in wezen ging over welke menskunde de moraal draagt—en wie daarin het primaat heeft.
6. Vaticanum II als sleutel tot herlezing
De rehabilitatie van Terruwe kan niet los worden gezien van de antropologische heroriëntatie van Vaticanum II. Gaudium et Spes 22 stelt dat de mens zichzelf slechts ten volle verstaat in het licht van Christus, de nieuwe Adam, die de mens niet veroordeelt maar aan zichzelf openbaart. In Gaudium et Spes 24 wordt deze waardigheid relationeel verdiept: de mens vindt zichzelf door de gave van zichzelf.
Ook Lumen Gentium 56–63 biedt een mariologische correctie op een voluntaristische mensvisie. Maria verschijnt daar niet als moreel prestatiemodel, maar als de mens die in radicale ontvankelijkheid het Woord ontvangt: haar fiat is ontvangen genade vóór het morele handelen.
In dit conciliaire licht kan Terruwe’s affirmatieleer worden verstaan als antropologische voorloper van Vaticanum II.¹¹
7. De rijpe periode: Nederland en vooral de Verenigde Staten
Na haar rehabilitatie kende Terruwe een rijpe en vruchtbare periode, waarin haar werk in Nederland en België opnieuw werd gewaardeerd, maar vooral in de Verenigde Staten een blijvende institutionele verankering vond. Daar werd haar gedachtegoed niet museaal bewaard, maar praktisch doorgegeven in klinische en pastorale contexten. De voortzetting daar toont dat affirmatie geen voorbijgaande theorie is, maar een levende traditie, gedragen door opleidingen en praktijken die de personalistische antropologie van Terruwe en Baars verder hebben uitgewerkt.¹²
8. Van Amerikaanse vitaliteit naar Nederlandse herneming: pro-life als locus
Tegen deze achtergrond situeert zich het actuele theologisch-pastorale project van Jack Geudens, priester en arbeidstherapeut: de levende Amerikaanse traditie van Terruwe en Baars bewust verbinden met een heropleving van hun gedachtegoed in Nederland, met name binnen pro-life-denken en -pastoraat. In deze benadering wordt pro-life niet gereduceerd tot ethisch debat, maar verstaan als relationele en genezende praxis, waarin het gekwetste leven—vóór en ná de geboorte—opnieuw wordt bevestigd in zijn intrinsieke waardigheid. Affirmatie verschijnt dan niet als psychologische zelfvalidatie, maar als deelname aan weerhoudende en dragende liefde onder het teken van het Kruis.
Zo markeert de beweging van veroordeling naar conciliaire bevestiging niet alleen een historisch traject, maar een actuele opdracht: de integratie van psychologie, theologie en pastoraat in dienst van het kwetsbare leven.
Voetnoten
- A. Melloni, Il Sant’Uffizio nella prima metà del Novecento, Bologna 2000, 145–168.
- J. Grootaers, “Sebastian Tromp S.J. en het antimodernistische paradigma,” Ephemerides Theologicae Lovanienses 64 (1988), 257–289.
- A.A. Terruwe, De menselijke persoon en zijn gevoelens, Utrecht 1965, m.n. 91–134.
- B. Häring, Das Gesetz Christi, Freiburg i.Br. 1954, inleiding en hfst. I (context: moraaltheologie en Romeinse gevoeligheden).
- A.A. Terruwe, De menselijke persoon en zijn gevoelens, Utrecht 1965, 91–134 (scrupulositeit/dwangproblematiek in ascetische context).
- M. Monteiro, Leven voor een leer. Anna Terruwe (1911–2004), Nijmegen 2013, 203–245.
- Zie voor het onderscheid disciplinair/leerstellige veroordeling en de curiale praktijk: A. Melloni, Il Sant’Uffizio, 145–168; vgl. ook de analyse van ingrepen als voorzorgsmaatregel in Monteiro, Leven voor een leer, 203–245.
- J. Bank, Katholieken in Nederland 1945–2000, Amsterdam 2002, 112–118 (kerkelijk klimaat en rol van Alfrink).
- Anna Terruwe-Stichting, “Leven en werk van Anna Terruwe,” publieke documentatie (melding van verbod voor clerici om door vrouwelijke behandelaren behandeld te worden; disciplinair afsluiten van verwijzingskanaal).
- G. Alberigo (red.), History of Vatican II, vol. I, Maryknoll 1995, 199–225 (Tromp en de voorbereidingsfase); vgl. biografische gegevens over Tromp en curiale positie.
- Joseph Ratzinger, Theologische Prinzipienlehre, München 1982, 389–392; daarnaast: Gaudium et Spes 22, 24; Lumen Gentium 56–63.
- C.W. Baars, Born Only Once, New York 1977, hfst. 2 (doorwerking van affirmatie in Engelstalige synthese en praktijk).
