H. Evangelie: Mt. 5, 13–16
Vertrekpunt
Deze homiletische tekst staat in het teken van de personalistische liefde tot God. Zij vertrekt vanuit de liefdevolle zelfgave van Jezus, die ons uitnodigt Hem te zoeken en na te volgen uit liefde tot de Vader, bron en norm van elke ware vrijheid.
Inleiding
Broeders en zusters,
Wij leven in een tijd waarin veel vanzelfsprekend lijkt, maar weinig nog werkelijk vaststaat. Opvattingen veranderen snel. Wat gisteren werd afgekeurd, geldt vandaag als normaal; wat ooit richting gaf, wordt nu als achterhaald beschouwd. Velen laten zich daarin meevoeren, vaak zonder het te merken, omdat de stem van de meerderheid en de sfeer van de tijd een sterke invloed uitoefenen.¹
Toch heeft deze voortdurende verschuiving zelden te maken met een werkelijke groei in wijsheid of waarheid. Vaak gaat het om golven die elkaar afwisselen, gevoed door wat luid klinkt in media en cultuur. De vraag dringt zich dan op: waar staat de mens zelf nog? Waar vindt hij houvast, wanneer alles om hem heen in beweging is?
Het evangelie dat wij vandaag horen, nodigt ons uit om dieper te kijken. Niet naar wat gangbaar is, maar naar wie ons roept. Jezus vraagt ons niet Hem te volgen omdat “het zo hoort”, maar omdat Hij ons heeft liefgehad tot het uiterste.² Zijn leven, zijn weg van zelfgave, opent voor ons de weg naar de Vader, die ieder van ons persoonlijk kent en bemint.
Vanuit die liefde worden wij uitgedaagd om niet mee te drijven met elke stroom, maar te leven als mensen die hun houvast vinden in God zelf. Dat is de weg waarop ons leven licht kan worden voor anderen.
Verdieping
Het merkwaardige is dat mensen zich vaak overtuigd voelen van hun eigen vrijheid, terwijl zij ongemerkt overnemen wat op dat moment overtuigend wordt voorgesteld. Wie geen innerlijk houvast heeft, wordt gemakkelijk meegezogen door wat anderen denken en verwachten. Zo raakt de mens niet werkelijk vrij, maar steeds afhankelijker van goedkeuring, meningen en de blik van de omgeving.³
Het christelijk geloof vertrekt vanuit een radicaal ander uitgangspunt. De mens is geen toeval, geen product van trends of meerderheden, maar een geliefd schepsel van God de Vader.⁴ Hij is niet in de eerste plaats geroepen om te presteren of zich aan te passen, maar om in relatie te leven: gekend, bemind en aangesproken. Die relatie vraagt geen blinde gehoorzaamheid, maar een vrij en liefdevol antwoord.
Daarom ligt voor christenen het vaste anker niet in wisselende overtuigingen, maar in het evangelie en in de weg die de Kerk daarin bewaart. Deze weg is niet altijd gemakkelijk en vraagt soms om tegen de stroom in te gaan. Maar zij is lichtgevend, omdat zij niet voortkomt uit menselijke berekening of macht, maar uit Gods liefdevolle initiatief.⁵
In Jezus wordt deze liefde zichtbaar en tastbaar. Zijn leven laat zien dat ware menselijkheid niet ontstaat door zelfbehoud of door zich veilig aan te passen, maar door zichzelf te schenken. Hij openbaart dat gehoorzaamheid geen verlies van waardigheid is, maar een antwoord op liefde: liefde tot de Vader, die de mens wil redden en tot zijn volle bestemming brengen.⁶ Wie Jezus volgt, doet dat niet uit angst of dwang, maar omdat hij geraakt is door deze liefde en haar wil beantwoorden.
Vanuit die roeping zegt Jezus: “Gij zijt het zout der aarde. Gij zijt het licht der wereld.” Zout en licht ontlenen hun betekenis niet aan populariteit, maar aan hun eigen aard. Zo worden christenen geroepen om midden in een wereld van wisselende normen te leven vanuit de maat van Gods liefde. Door trouw te blijven aan wat hun is toevertrouwd, brengen zij smaak waar alles vlak wordt en licht waar richting ontbreekt.
Dat wordt concreet zichtbaar in de manier waarop wij met elkaar omgaan. Trouw is geen zinloze last, maar een vorm van liefdevolle gave, waarin de ander niet wordt gebruikt maar ontvangen. Waar christenen deze weg loslaten en dezelfde keuzes maken als de wereld om hen heen, verliezen zij hun herkenbaarheid. Het licht wordt diffuus, het zout verliest zijn kracht.⁷
Hetzelfde geldt voor onze omgang met het menselijk leven. In een cultuur die steeds meer rekent in termen van nut, autonomie en economische waarde, belijdt het christelijk geloof dat elk menselijk leven onvoorwaardelijk kostbaar is, vanaf het eerste begin tot het natuurlijke einde.⁸ Die waardigheid rust niet op prestaties of zelfbeschikking, maar op het feit dat ieder mens door de Vader gewild en bemind is. Vanuit deze liefde kunnen abortus en euthanasie niet worden aanvaard. Waar men deze praktijken uit naam van barmhartigheid verdedigt, raakt men juist de bron van echte barmhartigheid kwijt.⁹
In het hart van het christelijk leven staat daarom niet menselijke slimheid of overtuigingskracht, maar Jezus zelf, die zich in liefde heeft gegeven. Zijn weg leert ons dat overwinning niet ligt in een zo comfortabel mogelijk bestaan, maar in liefde die zichzelf wegschenkt: in trouw binnen huwelijk en gezin, in volharding bij ziekte en tegenslag, in het dragen van verantwoordelijkheid voor elkaar.
Wanneer christenen zo leven — niet uit plichtsgevoel, maar als antwoord op de liefde van de Vader — wordt hun leven licht voor anderen. Niet om zichzelf te verheffen, maar opdat zichtbaar wordt wie God is: de goede Vader in de Hemel, die zijn geliefde schepsel zoekt en uitnodigt tot een leven in waarheid en liefde.
Amen.
Voetnoten
- Vgl. R. Guardini, Het einde van de nieuwe tijd, Tielt 1950, 37–45.
- Vgl. Joh. 13,1.
- Vgl. H. Arendt, Between Past and Future, New York 1961, 5–11.
- Vgl. Gaudium et Spes, 12 en 22.
- Vgl. Benedictus XVI, Deus Caritas Est, 1–5.
- Vgl. Fil. 2,6–8.
- Vgl. Mt. 5,13.
- Vgl. Evangelium Vitae, 57.
- Vgl. Evangelium Vitae, 65–66.
