Innerlijk Gezag van de Kerk

Het innerlijk gezag van de Kerk onder het teken van het Kruis

Het innerlijk gezag van de Kerk onder het teken van het Kruis

Een bijdrage vanuit de spiritualiteit van de Passionisten aan hedendaagse synodale onderscheiding

Pastoor J. Geudens


I. Inleiding – Gezag in een tijd van synodale heroriëntatie

De hedendaagse Kerk spreekt veelvuldig over synodaliteit, onderscheiding en gezamenlijke verantwoordelijkheid. Deze termen wijzen op een reële nood: het verlangen om de Kerk opnieuw te verstaan als een luisterende gemeenschap, onderweg met en naar Christus. Tegelijk wordt steeds duidelijker dat de crisis waarin de Kerk zich bevindt niet in de eerste plaats organisatorisch of methodologisch is, maar geestelijk en theologisch. Wat op het spel staat, is het gezag van de Kerk: niet zozeer haar juridische bevoegdheid of institutionele legitimiteit, maar haar innerlijk gezag — het gezag dat voortkomt uit deelname aan de waarheid van Christus zelf.

Dit innerlijk gezag is geen vaag charisma en evenmin het resultaat van consensusvorming. Het wortelt in de openbaring van God in de gekruisigde Christus. Waar dit fundament vervaagt, dreigt synodaliteit te verschuiven van geestelijke onderscheiding naar procedureel overleg; van communio naar consensus; van gehoorzaamheid aan de waarheid naar legitimatie door meerderheid. Juist hier kan de spiritualiteit van de Congregatie van de Passionisten een beslissende bijdrage leveren.

Sinds haar ontstaan draagt deze Orde het charisma van de memoria Passionis: het levend gedenken van het lijden en sterven van Christus als bron van heil, waarheid en vernieuwing. Voor Paulus van het Kruis, de stichter van de orde, was het Kruis geen devotioneel accent, maar het hermeneutisch middelpunt van het christelijk leven. In het Kruis openbaart zich Gods wijsheid, die het menselijk denken niet uitschakelt, maar reinigt en ordent. Waar de Kerk haar beslissingen, haar ambt en haar onderscheiding niet langer aan deze wijsheid toetst, verliest zij haar geestelijk gewicht en wordt gezag ervaren als dwang of functie.

Het spreken over innerlijk gezag raakt direct aan het actuele synodale debat. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft met nadruk gewezen op het mysterie van de Kerk als Lichaam van Christus en tempel van de heilige Geest, waarin ambt, charisma en geweten hun plaats vinden binnen één heilseconomie.1 Toch blijft de vraag hoe dit conciliaire kader concreet werkzaam wordt in een context waarin het kruisdragen wordt gemarginaliseerd en gehoorzaamheid vaak wordt herleid tot uitvoeringsbereidheid of psychologisch welzijn. De Passionistische spiritualiteit herinnert eraan dat ware onderscheiding slechts mogelijk is waar men bereid is de waarheid te laten wegen — ook wanneer zij confronteert.

Deze bijdrage vertrekt vanuit de these dat het gezag van de Kerk primair innerlijk is: het ontstaat waar mensen, en in het bijzonder ambtsdragers, innerlijk gevormd worden door Christus’ zelfgave. Dit gezag kan niet worden geproduceerd door structuren, noch vervangen door processen. Het wordt ontvangen in de mate waarin men deelt in het lijden, de gehoorzaamheid en de wijsheid van de Gekruisigde. In die zin staat het Kruis niet naast synodaliteit, maar fungeert het als haar normatieve criterium.

De Passionistische traditie sluit hier nauw aan bij andere spirituele en theologische lijnen die in de Kerk vaak parallel lopen, maar zelden expliciet met elkaar worden verbonden. Zo vertoont zij een diepe verwantschap met de theologie van het priesterschap zoals uitgewerkt door Armand Ory, die het ambt verstaat als existentieel teken van Gods barmhartige liefde, geworteld in offer en waarheid.2 Evenzeer is er een innerlijke samenhang met de godsvrucht tot het Heilig Hoofd van Jezus, zoals deze via de mystieke roeping van Teresa Helena Higginson werd aangereikt: een spiritualiteit waarin het menselijk verstand wordt genezen door deelname aan Christus’ lijden en gehoorzaamheid.3

Door deze lijnen samen te brengen, wil dit artikel een bijdrage leveren aan het actuele gesprek over synodaliteit en kerkelijk gezag. Niet door nieuwe modellen of terminologie te introduceren, maar door terug te keren naar een beproefde geestelijke intuïtie: dat de Kerk slechts gezag heeft waar zij leeft uit het Kruis. De Passionisten bewaren dit inzicht als een profetisch geheugen binnen de Kerk. Hun spiritualiteit herinnert eraan dat waarheid niet wordt geconstrueerd, maar ontvangen; dat gehoorzaamheid geen vernedering is, maar deelname; en dat echte vernieuwing nooit buiten het lijden van Christus om tot stand komt.

In een tijd waarin de Kerk zoekt naar richting en geloofwaardigheid, kan deze Passionistische wijsheid helpen om synodaliteit te zuiveren van haar eenzijdigheden en opnieuw te verankeren in haar diepste bron. Het innerlijk gezag van de Kerk wordt niet veiliggesteld door meer stemmen, maar door dieper luisteren — tot op de plaats waar Christus zijn leven gaf “tot het uiterste”.


II. Christus’ innerlijk gezag: oorsprong en maatstaf van kerkelijk gezag

Het gezag van Christus is in de H. Schrift onafscheidelijk verbonden met waarheid en zelfgave. Wanneer Jezus tegenover Pilatus spreekt over zijn koningschap, verwijst Hij niet naar macht, maar naar getuigenis van de waarheid (Joh. 18,37). Deze waarheid dwingt niet van buitenaf, maar oefent gezag uit door innerlijke evidentie. Zij wordt herkend door wie “uit de waarheid is”.

Dit fundamentele bijbels gegeven vormt het vertrekpunt voor elk authentiek verstaan van kerkelijk gezag. Het Tweede Vaticaans Concilie bevestigt deze afgeleide aard van kerkelijk gezag expliciet door te stellen dat bisschoppen en priesters niet uit zichzelf spreken, maar in persona Christi Capitis.1 Dat betekent: hun gezag is sacramenteel gefundeerd, maar existentieel geloofwaardig slechts in de mate waarin zij innerlijk delen in Christus’ gehoorzaamheid.

De Passionistische spiritualiteit articuleert dit inzicht met bijzondere radicaliteit. Bij Paulus van het Kruis is het Kruis de plaats waar het gezag van Christus zich het zuiverst manifesteert: niet als macht over anderen, maar als absolute beschikbaarheid voor de wil van de Vader.2 Het gezag van Christus is daar geen juridisch gegeven, maar een innerlijke noodzakelijkheid die voortvloeit uit liefde.

Deze visie voorkomt twee tegengestelde ontsporingen: enerzijds autoritarisme, waarin gezag wordt losgemaakt van waarheid en offer; anderzijds relativisme, waarin waarheid wordt onderworpen aan subjectieve ervaring of consensus. Innerlijk gezag is geen middenweg tussen beide, maar een andere orde: het is gezag dat wordt herkend, niet opgelegd.


III. Memoria Passionis: het Kruis als hermeneutisch en criteriologisch principe

De Passionistische kernintuïtie van de memoria Passionis verdient een nadere theologische duiding. Zij verwijst niet louter naar een vrome herinnering, maar naar een actieve presentstelling van Christus’ lijden in het leven van de Kerk.3 Deze presentie werkt normatief: zij fungeert als criterium voor waarheid, onderscheiding en gezag.

In patristisch perspectief sluit dit nauw aan bij de soteriologie van Irenaeus van Lyon, voor wie de gehoorzaamheid van Christus tot in de dood de beslissende wending in de heilsgeschiedenis vormt.4 Het Kruis is geen contingente gebeurtenis, maar de noodzakelijke vorm waarin de waarheid van God zich aan de mens openbaart na de zondeval.

Hieruit volgt een belangrijk ecclesiologisch gevolg: waar de Kerk haar spreken en handelen niet langer aan het Kruis toetst, verliest zij haar hermeneutische sleutel. Synodale processen riskeren dan te worden beoordeeld op effectiviteit, inclusiviteit of draagvlak, in plaats van op waarheid en heiligheid.

De Passionisten herinneren de Kerk eraan dat onderscheiding nooit neutraal is. Zij vraagt om een innerlijke positionering onder het Kruis. Zonder deze positionering wordt synodaliteit onvermijdelijk procedureel.


IV. Excursus I – Waarheid, lijden en onderscheiding in de patristische traditie

De vroege Kerk heeft waarheid nooit los gezien van lijden. Voor de martelaren was de waarheid van het geloof geen abstracte leer, maar een existentieel engagement. Ignatius van Antiochië beschrijft zijn martelaarschap als de plaats waar hij werkelijk leerling van Christus wordt.5

Ook Athanasius van Alexandrië verbindt de waarheid van de incarnatie met het lijden van de Kerk: wie de ware Christus belijdt, deelt noodzakelijk in zijn verwerping.6 Deze patristische lijn onderstreept dat waarheid zich niet bewijst door succes, maar door trouw.

De Passionistische spiritualiteit staat expliciet in deze traditie. Zij bewaart de Kerk ervoor waarheid te reduceren tot communicatief haalbare formuleringen. Waarheid vraagt om kruisdragen — ook in ecclesiale besluitvorming.


V. Innerlijk gezag en het geweten: tussen subjectivisme en gehoorzaamheid

Een van de meest delicate vragen in het hedendaagse kerkelijk discours betreft de verhouding tussen kerkelijk gezag en persoonlijk geweten. Regelmatig wordt het geweten voorgesteld als autonome instantie tegenover het leergezag. Deze benadering staat echter haaks op het klassieke katholieke gewetensbegrip.

Volgens Thomas van Aquino is het geweten geen bron van waarheid, maar een oordeelsvermogen dat waarheid toepast.7 Het geweten ontleent zijn normativiteit aan de objectieve orde van het goede. Waar deze orde wordt losgelaten, verliest het geweten zijn richting.

De Passionistische spiritualiteit concretiseert dit door het geweten te plaatsen onder het aanschouwen van de Gekruisigde. Het geweten wordt gevormd door deelname, niet bevestigd in autonomie. Dit sluit nauw aan bij de bevestigingsleer van Anna Terruwe, waarin psychische rijping nooit wordt losgemaakt van morele en geestelijke ordening.

Ook Bernardus van Clairvaux benadrukt dat ware vrijheid slechts mogelijk is in gehoorzaamheid aan God.8 Gehoorzaamheid is geen heteronomie, maar deelname aan een hogere orde van waarheid.


VI. Het ambt als sacramentele drager van innerlijk gezag

Het kerkelijk ambt participeert op eigen wijze in het innerlijk gezag van Christus. Deze participatie is sacramenteel gefundeerd, maar existentieel bemiddeld. Wanneer het ambt wordt losgemaakt van offer en zelfgave, verliest het zijn transparantie.

Hier sluit het denken van Armand Ory nauw aan bij de Passionistische intuïtie. Ory beschrijft het priesterschap als teken van Gods barmhartige liefde, maar benadrukt dat deze barmhartigheid nooit losstaat van waarheid en offer.9 De priester vertegenwoordigt Christus niet door functionaliteit, maar door conformiteit.

Canoniek gezien wordt dit bevestigd door de doelstelling van het kerkelijk recht zelf: salus animarum suprema lex (can. 1752 CIC). Deze bepaling veronderstelt innerlijk gezag: zonder innerlijke deelname aan Christus’ zelfgave wordt het heil van de zielen gereduceerd tot organisatorische zorg.


VII. Excursus II – Canoniek gezag en geestelijke autoriteit

Het canoniek recht veronderstelt impliciet een geestelijk verstaan van gezag. Hoewel het recht formeel en juridisch is, kan het slechts functioneren binnen een ecclesiologie van communio. Wanneer canoniek gezag wordt losgemaakt van geestelijke autoriteit, ontstaat legalisme.

De Passionistische spiritualiteit fungeert hier als correctief. Zij herinnert eraan dat gezag niet wordt gelegitimeerd door recht alleen, maar door waarheid en heiligheid. In die zin is het canoniek recht geen alternatief voor innerlijk gezag, maar een instrument dat ervan leeft.


VIII. Het Heilig Hoofd van Jezus: genezing van het denken onder het Kruis

De godsvrucht tot het Heilig Hoofd van Jezus, zoals toevertrouwd aan Teresa Helena Higginson, biedt een verrassend complementaire verdieping.10 Deze spiritualiteit benadrukt dat het menselijk verstand niet wordt opgeheven door openbaring, maar genezen.

In een cultuur waarin rationaliteit enerzijds absolutistisch wordt opgeëist en anderzijds gewantrouwd, biedt deze devotie een theologisch evenwicht. Het denken wordt onder het Kruis gebracht, niet om vernietigd te worden, maar om gezuiverd te worden van hoogmoed en autonomie.

Deze intuïtie is diep Passionistisch: ook hier is het lijden de plaats van wijsheid. Christus leert niet alleen wat wij moeten denken, maar hoe wij moeten denken — namelijk in gehoorzaamheid.


IX. Synodaliteit als paschale onderscheiding

Synodaliteit kan slechts vruchtbaar zijn wanneer zij wordt opgevat als een paschale weg. Onderscheiding is geen neutrale dialoog, maar een gemeenschappelijke weg onder het Kruis.

Het Emmaüsverhaal (Lc. 24) fungeert hier als fundamenteel paradigma. Pas wanneer Christus het lijden verklaart, worden de Schriften verstaan en gaan de ogen open. Zonder deze paschale uitleg blijft het gesprek gesloten.

De Passionistische spiritualiteit beschermt synodaliteit tegen verwording tot procesdenken. Zij herinnert eraan dat ware onderscheiding altijd waarheid vraagt die pijn kan doen.


X. Slotbeschouwing – De Passionisten als profetisch geheugen van de Kerk

In een Kerk die zoekt naar richting en geloofwaardigheid, bewaren de Passionisten een essentieel geheugen: dat waarheid lijdt, dat gezag offert, en dat gehoorzaamheid leven schenkt. Het innerlijk gezag van de Kerk wordt niet hervormd door structuren, maar herontdekt door terugkeer naar het Kruis.

Synodaliteit vindt haar waarheid niet in methodiek, maar in deelname. Alleen waar de Kerk bereid is zichzelf te verliezen met Christus, zal zij haar gezag hervinden.


Voetnoten

  1. Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, nrs. 18–27. 
  2. Paulus van het Kruis, Lettere, ed. critica, Rome. 
  3. Congregatie van de Passionisten, Constitutiones, art. 1–6. 
  4. Irenaeus van Lyon, Adversus Haereses, V, 16–21. 
  5. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Romeinen, 4–7. 
  6. Athanasius, De Incarnatione Verbi, 20–25. 
  7. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I–II, q. 19. 
  8. Bernardus van Clairvaux, De diligendo Deo, I–III. 
  9. Armand Ory, Le prêtre, signe de la Miséricorde, Parijs 1954. 
  10. Teresa Helena Higginson, Letters and Spiritual Writings; Z.E.P. Marcel OFM Cap., Handboek voor de Godsvrucht tot het Heilig Hoofd van Jezus

Auteursprofiel

Jack Geudens is rooms-katholiek priester en beginnend schrijver, werkzaam op het snijvlak van spiritualiteit, pastorale theologie en christelijke antropologie. Zijn denken en schrijven worden gekenmerkt door een expliciet christelijk-holistische mensvisie, waarin lichaam en ziel, begin en voltooiing van het leven, kwetsbaarheid en waardigheid als één samenhangend theologisch geheel worden verstaan.

Een constitutief element van zijn werk is zijn bewuste positionering als pro-life priester. Deze keuze wordt door Geudens niet opgevat als een louter ethisch of politiek standpunt, maar als een consequentie van een christologisch gefundeerde antropologie. De waardigheid van het menselijk leven wordt daarbij niet afgeleid uit autonomie, functionaliteit of maatschappelijke erkenning, maar uit Gods scheppende en verlossende handelen. Pro-life verschijnt in zijn werk dan ook niet als een afzonderlijk moreel thema, maar als een integrale houding die voortvloeit uit de belijdenis van Christus, de Gekruisigde en Verrezene.

Het geestelijk zwaartepunt van zijn theologische reflectie ligt onder het Kruis, dat functioneert als normatieve locus voor waarheid en onderscheiding. In deze paschale hermeneutiek wordt het Kruis niet gereduceerd tot symbool van lijden, maar verstaan als de plaats waar de waarheid van God en de waarheid van de mens zich definitief openbaren. Vanuit dit perspectief ontwikkelt Geudens een kritische houding tegenover benaderingen van pastoraat en kerkvernieuwing die het leven fragmenteren of selectief benaderen.

Zijn spiritualiteit is wezenlijk mariologisch. Maria fungeert in zijn werk als ecclesiologisch en spiritueel model: zij ontvangt het leven, bewaart het en draagt het, ook wanneer dit leven door het lijden wordt getekend. In dit mariale perspectief krijgt de Verrijzenis haar volle theologische betekenis, niet als ontkenning van schuld of verlies, maar als Gods eschatologische voltooiing van wat gebroken is gebleven. Deze benadering verleent aan het pro-life-denken een diepere spirituele en ecclesiologische inbedding.

De pastorale concretisering van deze visie komt onder meer tot uitdrukking in zijn betrokkenheid bij post-abortuspastoraat, met name binnen de context van Rachel’s Vineyard. Hier wordt zijn holistische mensvisie zichtbaar in een integrale benadering van de persoon, waarin morele verantwoordelijkheid, psychische kwetsbaarheid en geestelijke genezing samen worden doordacht. Schuld wordt niet gerelativeerd, maar opgenomen in een proces van verzoening; pijn wordt niet gereduceerd tot psychologische problematiek, maar geestelijk doorleefd.

Methodologisch wordt zijn pastorale theologie mede gevormd door zijn arbeidstherapeutische en psychosociale achtergrond. Deze ervaring heeft zijn denken behoed voor abstractie en eenzijdige spiritualisering. Geudens benadrukt dat genezing en integratie vaak beginnen in betekenisvol handelen: ritme, verantwoordelijkheid, symbolische en liturgische praktijken die het innerlijk proces ondersteunen. De mens wordt daarbij niet benaderd als casus, maar als persoon in wording, geroepen tot hernieuwde samenhang.

Het priesterschap wordt door Geudens verstaan als sacramentele aanwezigheid bij het mysterie van het leven — ontvangen, beschadigd, vergeven en hersteld. Zijn schrijverschap is een verlengde van deze pastorale praxis. Hij beoogt geen overtuiging door slogans, maar het openen van ruimte voor waarheid die geneest. In zijn werk worden barmhartigheid en waarheid niet dialectisch tegenover elkaar geplaatst, maar wederzijds verondersteld: ware barmhartigheid veronderstelt waarheid, ware waarheid beschermt het leven.

Binnen het bredere kerkelijke debat positioneert Geudens zich kritisch ten opzichte van zowel moralistische reducties van pro-life als van pastorale benaderingen die normativiteit opschorten. Zijn bijdrage is gericht op een integratie van antropologie, spiritualiteit en pastoraat, waarin eerbied voor het leven in al zijn fasen wordt verstaan als een constitutief element van christelijk geloof en kerkelijke praxis.