Nieuwsbrief 44: Het kostbare “geheim” van het christelijk geloof is de Eucharistie; het levensoffer van Jezus Christus tot verzoening van alle zonden

Standaard

Nieuwsbrief XVI 44, vrijdag 29 oktober 2021, pater Daniel

Goede Vrienden,

Deze overweging willen we wijden aan het kostbaarste “geheim” van het christelijk geloof, nl. de Eucharistie. Neen, het gaat niet over een vrome ritus voor enkele ‘pilarenbijters’. Dit “mysterie” was vanaf het begin van het christendom het hart van iedere gemeenschap van christenen. In de huidige samenleving blijkt ze nauwelijks nog enige betekenis te hebben voor het openbare leven. Zo was het aanvankelijk ook in het Romeinse Rijk. Christenen lieten zich echter door een heidense overheid niet voorschrijven of en hoe zij Eucharistie zouden vieren. Zij gingen ondergronds en organiseerden vieringen in de catacomben, in de grootste verborgenheid. Het Romeinse Imperium stortte in, terwijl Kruis en Eucharistie overeind bleven.

Doorheen de eeuwen werd Eucharistie op de meest verschillende wijzen genoemd én gevierd: Dankzegging, Laatste Avondmaal, Maaltijd des Heren, Breking van het Brood, Heilig Offer, Heilige en Goddelijke Liturgie, Mis…In de sobere en donkere Romeinse kerken was een viering indrukwekkend door zijn eenvoud. In de kathedralen en barokkerken werden de vieringen omgeven door de overvloedige luister van processies, wierook en gezangen met orgelspel, waarvan de klanken langs het plafond rolden. Meer dan een halve eeuw geleden genoot ik als priesterstudent van pauselijke vieringen op het St Pietersplein te Rome, speciaal op hoogfeesten. Het was telkens weer een ongelooflijke pracht aan polyfonische gezangen, schitterende gewaden, processies en wierook, met een benedictijnse waardigheid. Het Woord Gods werd gezongen met een heldere stem en een indrukwekkende melodie. Meest ontroerend zijn wellicht nog de verslagen uit de concentratiekampen aan het einde van de oorlog, toen de nazi’s hun greep op de gevangenen moesten lossen. Had iemand een beetje brood en wijn kunnen bemachtigen, dan werd in een verdoken hoek Eucharistie gevierd. Een priester sprak enkele Schriftwoorden en de consecratiegebeden, waarna een vredewens en de heilige communie. Een goddelijke lichtstraal voor gevangenen in de barak van een hel.

Rond 155 geeft de heilige martelaar Justinus volgende eenvoudige beschrijving: “(Op de ‘dag van de zon’) komen alle bewoners samen… Er wordt gelezen uit de gedenkschriften van de apostelen of de geschriften van de profeten… (dan) spreekt hij die voorgaat een woord van vermaning en aansporing… Vervolgens staan wij allen gezamenlijk op en spreken onze gebeden uit… voor onszelf en voor allen die elders zijn. Wij bidden dat wij waardig bevonden zullen worden nu wij de waarheid hebben leren kennen… (dan) groeten wij elkaar met een kus. Dan wordt aan de celebrant brood en een beker water en wijn gebracht… hij brengt lof en eer aan de Vader van het al door de naam van de Zoon en de heilige Geest en hij spreekt een lange dankzeggen (Grieks: eucharistia) uit … (en) heel het aanwezige volk zegt: Amen… dan geven …diakens aan ieder die aanwezig is van het eucharistisch brood en de wijn en het water. Zij brengen het ook aan de afwezigen” (Justinus, Apologiae 1, 65).

Het Oude Verbond is vol met voorafbeeldingen van de Eucharistie. Melchisedech, een heiden, biedt Abraham brood en wijn aan (Genesis 14, 18-20). Hij is koning van Salem, een “vredevorst” met verfwijzing naar Jeruzalem (psalm 76, 3). Hij zegent Abraham op mysterieuze wijze en Abraham geeft hem 1/10e deel van alles. “Hij (Melchisedech) lijkt op de Zoon van God. Hij blijft voor altijd priester” (Hebreeën 7,3). Een sterke verwijzing naar de Eucharistie is het offer van Abraham, die bereid is het dierbaarste, nl. zijn enige zoon Isaak te offeren (Genesis 22). Zijn geloofsgehoorzaamheid volstaat. Het echte offer zal Jezus zijn, de nieuwe Isaac, die op het laatste ogenblik niet gespaard zal worden. De voornaamste voorafbeelding van de Eucharistie in Het Oude Testament is de Uittocht van het joodse volk uit de slavernij in Egypte, met de doortocht door de Rode Zee, de tocht door de woestijn en de intocht in het Beloofde Land. Het volk laat zich herhaaldelijk verleiden om te morren bij moeilijkheden en daarbij zijn bevrijding en zijn beloften te vergeten. Dan wordt hun “brood uit de hemel” gegeven in de vorm van “een fijne korrelige laag” en misprijzend vragen ze “wat is dat?” (Exodus 16, 15; Hebreeuws: man hoe = wat dat?) Het werd “manna” genoemd. Jezus zal zich openbaren als het echte brood uit de hemel (Johannes 6, 31 vv) en velen zullen er zich eveneens aan ergeren. Uittocht uit Egypte, de woestijntocht en de intocht in het Beloofde Land zijn tevens het beeld van ieder volk en van het leven van ieder mens.

Ook het Nieuwe Testament is helemaal gericht op de eucharistie, het hoogtepunt van Jezus’ leven, dat beschreven wordt als een “opgaan naar Jeruzalem” om daar het doel van zijn komst, zijn levensoffer te volbrengen tot vergeving van de zonden. De vermeldingen over een “wonderbare spijziging” zijn een voorafbeelding. Mattheus, Marcus en Lucas vertellen de instelling van de Eucharistie en Johannes spreekt in hoofdstuk 6 uitvoerig over “het brood van het leven” en de noodzaak van het eten van Jezus’ Lichaam en het drinken van zijn Bloed. In de plaats van de instelling van de Eucharistie geeft Johannes de beschrijving van het Laatste Avondmaal met de voetwassing waarbij Jezus knielt tot op de grond. Tenslotte vermeldt ook Paulus uitdrukkelijk de instelling van de eucharistie (1 Korintiërs 11). Wanneer de paaslammeren op vrijdagnamiddag geslacht worden, sterft Jezus op het kruis als hét Paaslam voor altijd. Hiermee werd de Eucharistie een historische werkelijkheid, die alle voorafbeeldingen vervult.

In de tijd van de Kerk wordt dit offer voortdurend hernieuwd en sacramenteel gevierd onder de tekenen van brood en wijn. Offeraar en Offer – zij het onbloedig – zijn dezelfde en de priester handelt als “een andere Christus” en in naam van de Kerk. Dit zal blijvend gevierd worden tot aan het Bruiloftsmaal aan het einde der tijden en de vervulling van de verzuchting van het slot van de Openbaring: “Kom, Heer Jezus”.

Doorheen de eeuwen is de fundamentele structuur van de Eucharistie met enkele gebaren en woorden onveranderd gebleven: een dienst van het woord met de lezingen, homilie en voorbeden en een dienst van de eucharistie met brood en wijn, consecratie en communie. In de Latijnse kerk waren de vieringen eerder rationeel en sober. In de oosterse kerk meer mystiek en uitgebreid met vele litanieën, processies, wierook en iconen. Zij beschouwen deze vieringen als een aansluiten bij een hemelse liturgie die al lang begonnen is en daarna ook verder gaat. Het is evenwel hetzelfde levensoffer van Jezus Christus tot verzoening van alle zonden. Deze totale gave van zichzelf is tevens de kern van ieder mensenleven.

Eucharistie is in feite alles en alles is eucharistie. Eucharistie vormt het hart van de Kerk en van de mensheid, van de geschiedenis en van het universum. Heel de geschiedenis, vanaf de schepping tot aan de Wederkomst des Heren is hierop gericht.

P. Daniel

Nieuwsbrief 43: Augustinus II

Standaard

Nieuwsbrief XVI 43, Syrië, vrijdag 22 oktober 2021, pater Daniel

Goede Vrienden

Ieder mens draagt bewust of onbewust een onstuitbare honger naar het volmaakte geluk en dus naar God in zich, wat we eerder (Nieuwsbrief XVI 30; 23 juli 2021) treffend konden illustreren met de bekering van de heilige Augustinus. Hij begint zijn “Belijdenissen” ook met de vermaarde woorden “Irrequietum est cor nostrum donec requiescat in Te – Onrustig is ons hart totdat het rust in U”. Het eerste deel van zijn leven is een hartstochtelijke zoektocht naar het ware, het schone, het goede, het volmaakte geluk. Pas vanaf zijn bekering beseft hij dat heel zijn wezen eigenlijk hunkert naar God, de enige die dit alles geven kan. Ik wil nu zijn levensverhaal vervolledigen en het verdere verloop voorstellen omdat het eveneens zo inspirerend is.

Na zijn bekering en zijn doopsel door de heilige Ambrosius in Milaan in 387, wil Augustinus terug naar N-Afrika, naar het ouderlijk huis in Thagaste. Ver van alle drukte en samen met vrienden wil hij daar een contemplatief leven leiden zoals hij eerder beleefde op het landgoed van zijn vriend in Cassiciacum (NW van Milaan). Voor hun vertrek, in Ostia, sterft zijn moeder Monica, in grote dankbaarheid om wat ze mocht beleven: de bekering van haar man en nu van haar zoon. De kinderen willen haar naar Afrika overbrengen maar zij hecht er geen enkel belang aan en vraagt enkel dat ze voor haar zouden bidden bij het altaar van de Heer. Drie jaar (388-391) leeft Augustinus een gelukkig religieus gemeenschapsleven als monnik, asceet, theoloog en bekend schrijver, samen met een kleine groep. In de lente van 391 gaat hij een vriend, die zich bij hen wil voegen opzoeken in Hippo, na Carthago, de grootste en belangrijkste stad van Numidië. Hij weet echter niet dat de oude bisschop Valerius, een Griek, dringend op zoek is naar iemand die in het Latijn kan prediken. De volksmenigte herkent Augustinus en begint te roepen “Augustinus priester”! Hijzelf protesteert, smeekt en weent … tevergeefs. Uiteindelijk vraagt hij enkele maanden om zich voor te bereiden. Hij aanvaardt dit offer als uitboeting voor zijn zonden. Hippo biedt voor hem geen enkele vreugde. Hij wordt priester gewijd en vijf jaar later hulpbisschop van Valerius, die hij ook zal opvolgen. In Hippo was er een verschrikkelijke kloof tussen rijken en armen: de armen leefden in krotten aan de haven, de rijken in villa’s in de stad. Bovendien waren er meer donatisten dan katholieken. De donatisten vormden een sterk georganiseerde en fanatieke sekte, genoemd naar de schismatieke bisschop Donatus van Carthago. Vanaf 312 leerde hij dat alleen heiligen de ware Kerk vormen en dat de geldigheid van de sacramenten afhangt van de heiligheid van de bedienaar. Het donatisme verscheurde de Kerk en de samenleving. Augustinus zal verschillende werken schrijven tegen de donatisten en stellen dat de zonde wel de Kerk besmeurt maar ons niet uitsluit van de Kerk. Hij heeft veel geleden onder hun aanvallen.

Augustinus laat een klooster bouwen en wil rond zich de clerus verzamelen in een soort monastiek gemeenschapsleven. Porphirius, zijn biograaf, schrijft dat Augustinus “een onvermoeibare bisschop en herder was, die de weg effende voor het monastieke leven in Afrika”. Drie jaar voor zijn dood dicteert hij zijn “Retractationes” of herzieningen. Hierin geeft hij vooral veel zelfkritiek en zelden een zelfverdediging. Hij is onder meer veel kritischer tegenover de mythologie en de heidense cultuur. Wat wij in de huidige “mémoires” van vele groten overvloedig aantreffen, is bij hem totaal afwezig: de zorg voor eigen postume glorie. Hij blijft gefascineerd zoeken naar de waarheid omtrent God en de Kerk, precies zoals hij in zijn “Belijdenissen” schreef: “Laat heb ik U liefgekregen, o schoonheid, zo oud en zo nieuw… Ik werd ver van U gehouden door dingen, die niet bestaan zouden hebben, als ze niet in U bestaan hadden… Wanneer ik U eenmaal aan zal hangen uit heel mijn wezen, zal er voor mij nergens meer leed zijn… Gestreden wordt er tussen mijn boze droefheden en mijn vrome vreugde… Ik, arme, Heer heb erbarmen met mij… Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt… Wie immers naast U iets liefheeft dat hij niet om Uwentwil liefheeft, heeft U te weinig lief. O liefde, die altijd brandt en nimmer dooft, o liefde, mijn God, steek mij in brand! Geef mij onthouding!” (X, XXVII, 38; XXVII, 39, XXIX, 40).

Hij die aanvankelijk niet kon begrijpen hoe een man kan leven zonder passionele liefde voor een vrouw en hij die onder druk van zijn moeder afscheid nam van zijn eerste vriendin en ondertussen toch een tweede vriendin nam, ontdekte de liefde van God als een veel groter geluk. Van dan af kon hij niet leven zonder vrienden om hem heen. Als bisschop verzamelde hij zijn clerus en leefde met hen als in een monastieke gemeenschap, waar het werk grotendeels vervangen werd door de pastorale zorg. Het doel dat hij nastreefde was: één hart en één geest vormen in God. In 430, in zijn 76e levensjaar en het 35e van zijn bisschopsambt komen de vandalen aan in Hippo. Op zijn ouderdom behield hij een volkomen helderheid van geest. Hij heeft geen testament gemaakt maar vroeg om goed zorg te dragen voor de bibliotheek van de kerk. Tien dagen voor zijn dood vroeg hij hem niet meer te komen bezoeken. Hij voelde zich zondaar, wilde wenen en bidden om zich voor te bereiden op de definitieve ontmoeting met God. Wanneer hij op 28 augustus 430 de keizerlijke uitnodiging ontvangt voor deelname aan het derde oecumenisch concilie in Efeze (431), sterft hij.

Augustinus is eerder een voorloper van de Middeleeuwen dan een uitloper van de Oudheid. Hij heeft de grootste invloed uitgeoefend op de westerse beschaving. Hij is theoloog, filosoof, bijbelgeleerde, polemist, redenaar, schrijver, opvoeder en vooral herder. Hij schreef 113 boeken, 226 brieven en liet meer dan duizend preken na. Meest bekend zijn de “Belijdenissen” (397-401) en vervolgens zijn “Stad Gods” (413-426). De verwoesting van Rome in 410 door de Visigotische koning Alaric is het begin van de val van het Romeinse Rijk. Sinds ’n eeuw is het Romeinse Rijk christelijk geworden en vele heidenen zien hierin de oorzaak van de ondergang van Rome. Hiertegen gaat Augustinus frontaal in de aanval: Rome is het slachtoffer geworden van zijn eigen wreedheid en morele verwording. Geen rijk kan blijven bestaan op overheersing, uitmoorden en plunderen van andere volken. Augustinus schrijft een theologie van de geschiedenis en van de tijd. Hij onderscheidt twee principes: de aardse vergankelijke rijken en het blijvende, geestelijke Rijk Gods. Dit werk heeft een enorme invloed gehad en is meer dan 500 maal met de hand gekopieerd en bewaard in verschillende bibliotheken. Zijn meest dogmatisch diepzinnige beschouwing handelt “Over de Drie-eenheid”, waaraan hij meer dan 15 jaar heeft gewerkt(tussen 399-419). In zijn preken over de psalmen treffen we naast een diepe geestelijke inhoud tevens sprankelende woordspelingen aan.

Augustinus (354-430), een man van vlees en bloed, heeft langs de ervaring van menselijke liefde en vriendschap de weg naar de ware Bron gevonden: Gods immense Liefde.

P. Daniel

Nieuwsbrief 41+42: Samenvatting en overzicht van de eigenschappen van ons mens-zijn volgens de joods-christelijk visie

Standaard

Nieuwsbrief XVI 41+42, vrijdag 15 oktober 2021, pater Daniel

Goede Vrienden,

De voorbije drie maanden hebben we wekelijks de eigenschappen belicht van ons mens-zijn volgens de joods-christelijk visie, nl. de 7 wortels. Ons “onverzadigbaar verlangen” illustreerden we met de bekering van de heilige Augustinus en de “onrust van ons hart” waarmee hij zijn “Belijdenissen” begint. Verder wezen we op bepaalde psychologische en psychiatrische bewegingen, gesteund op S. Freud, die volkomen voorbijgaan aan het diepste streven van de mens. We wezen tevens op de ontoereikendheid van een “humanistische psychologie”, waardoor de dynamiek van de christelijke visie op lijden en dood nog duidelijker wordt. Met de “theologie van het lichaam” wilden we de “gave van zichzelf” als kostbare en onvervangbare eigenschap van ons mens zijn toelichten. Ziehier nog een samenvatting en overzicht.

1. De enige en algehele waardigheid van onze menselijke persoon danken we uitsluitend aan het feit dat God ons geschapen heeft naar zijn Beeld. Daarom zijn alle mensen hierin volkomen gelijk en hebben we allen dezelfde menselijke waardigheid. Bovendien kan niemand daar iets van afnemen of bijvoegen. Het is mogelijk dat wij zelf niet beantwoorden aan deze waardigheid, of dat anderen onze waardigheid niet respecteren. Toch kunnen noch onze fysische ziekte, psychische aftakeling, ons meest immoreel gedrag, onze grootste armoede of vernedering deze waardigheid wegnemen. Doorheen heel de geschiedenis van de Kerk was dit de verantwoording van zoveel heldhaftige inzet voor armen, zieken, gehandicapten en verworpenen. Dit betekent ook dat een multimiljardair, een fenomenaal genie of een super sportheld geen greintje meer menselijke waardigheid bezit dan jij en ik. We danken God voor deze onverwoestbare schat die Hij ieder van ons gegeven heeft. Gelukkig degene die zich hiervan bewust is en zich niet laat misleiden door voorbijgaande, uiterlijke roem.

2. Ons aardse leven is als een onophoudelijke stroom van onvervulbare verlangens. Zalig hij/zij die beseft dat al deze behoeften, strevingen en verlangens slechts beperkte uitdrukkingen zijn van een onstilbare honger naar God. Wij hunkeren naar een volmaakt, blijvend geluk, dat we slechts kunnen bereiken na dit aardse leven in en met God. Een geschrift uit het midden van de 2e eeuw beschrijft christenen als vreemdelingen hier op aarde: “Elk vreemd land is voor hen een vaderland en elk vaderland blijft een vreemd land” (Brief aan Diognetus). Dit bewustzijn kan ons bevrijden van alle aardse illusies. En elk goed hier op aarde, ook het meest verhevene wordt een illusie wanneer we er ons aan hechten als aan een hoogste goed. Sommigen leren dat wij onbewust in ons handelen een drang naar seksualiteit of naar macht vertonen. Het is best mogelijk. Toch zal voor vele mensen de honger naar God hun diepste “onbewuste” blijven.

3. Een derde bewustwording is het besef dat er naast het goede ook een zekere ontwrichting in ons leven is omwille van de oerzonde van het eerste mensenpaar.  Er is goed en kwaad in ons en aan het kwade werken we soms met eigen verantwoordelijkheid ook mee. Een opvoeding die meent dat het kwade alleen komt van slechte organisaties of structuren en niet van persoonlijke verantwoordelijkheid, begaat een fatale vergissing. Daarom hebben we leiding nodig en oefening in de deugden, waardoor we onze instincten, impulsen en slechte neigingen leren beheersen. Gelukkig de ouders en opvoeders die kinderen op tijd “neen” leren zeggen en hen doen groeien in onthechting en zelfbeheersing.

4. Omwille van onze grote armoede worden we door God hartstochtelijk bemind. Door de oerzonde zijn we niet meer in staat om ons onbevangen door God te laten beminnen en evenmin om op onbevangen wijze God en de anderen lief te hebben. In ons handelen sluipen dikwijls motieven van eigenbelang en egoïsme binnen. Er is een bewuste keuze nodig om ons door de stralen van Gods liefde te laten verwarmen. Bovendien vraagt het oefening en inspanning om God en de anderen onbaatzuchtig lief te hebben. In de mate dat wij ons openstellen voor de scheppende liefde van God, de verlossende liefde van Jezus en de heiligende kracht van de heilige Geest, zullen de vele remmingen zoals twijfel, argwaan, angst, verzet overwonnen worden om ons te laten meevoeren met de oceaan van Gods liefde. We kunnen dit evenwel niet uit onszelf realiseren, we kunnen dit wel in geloof ontvangen. Deemoedig dienen we te erkennen dat we zelf niet de bron zijn maar de fontein, die op haar beurt doorgeeft wat zij van de bron ontvangt.

5. We zijn geroepen om deel te nemen aan het Paasmysterie van Jezus Christus. Door met Hem lijden en sterven te aanvaarden, worden we omgevormd tot zijn beeld en delen we in zijn verrijzenis. Lijden en sterven blijven een steen des aanstoots, die we zo goed mogelijk moeten trachten te overwinnen. In het licht van Gods barmhartigheid krijgen ze evenwel een nieuwe betekenis. Ze zijn zelfs noodzakelijk opdat we omgevormd worden tot de gelijkenis met Jezus Christus. “Zalig de mens die standhoudt in de beproeving. Heeft hij de toets doorstaan, dan zal hij de zegekrans van het leven ontvangen, die God beloofd heeft aan wie Hem liefhebben” (Jacobus 1, 12). Zonder lijden en sterven willen delen in de verrijzenis, is een illusie maar er is in ons leven geen enkel lijden dat niet een bouwsteen kan zijn voor onze verrijzenis.

6. Ons diepste mens-zijn, kunnen we slechts bereiken door de liefdevolle gave van onszelf. Onze menselijke natuur drijft ons naar zelfverwezenlijking en het opkomen voor eigen rechten. Jezus wijst ons echter een hogere weg: “Wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden” (Mattheus 8, 35). Het steeds maar bezig zijn met onszelf, maakt ons ziek en geestelijk dood, zoals een oog dat alleen zichzelf ziet ziek is. Wie zich liefdevol kan geven voor God en voor de anderen, komt tot leven en ontwikkelt zijn diepste zelf.

7. Ons uiteindelijk doel is opnieuw de Gelijkenis Gods verwerven. Dit is alleen mogelijk als we de gelijkenis van Jezus Christus bereiken, want Hij is het volmaakte Beeld van de Vader. Hiernaar kunnen we nu reeds leven in geloof. Een concrete voorstelling kunnen we ons hiervan niet maken, evenmin als een ongeboren baby zich een volwassen leven kan voorstellen. Het leven aan de “overzijde” blijft voor ons onvoorstelbaar. Laconiek kunnen we zeggen: zij die hierover spreken weten niet en zij die weten spreken niet. Hiervoor is immers een “nieuwe geboorte” nodig, de schepping van “een nieuwe mens”.  Alleen God kan dit bewerken.

P. Daniel