Nieuwsbrief 40: Geroepen tot de gelijkenis met God

Standaard

Nieuwsbrief XVI 40, Syrië, vrijdag 1 oktober 2021, pater Daniel

Goede Vrienden,

De zevende en laatste eigenschap van ons mens zijn is onze roeping tot de gelijkenis met God. We zijn allen geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Het beeld blijft. De gelijkenis van God is door de zonde uitgewist en kunnen we met eigen krachten niet meer terugwinnen. Het “beeld Gods” is als de alfa van ieder mensenleven en de “gelijkenis Gods” is als de omega. Vanaf de oudste tijden zochten mensen steeds naar God in de schepping en de natuurkrachten. Toch zijn niet de mensen naar God opgestegen maar is God naar de mensen afgedaald.  God is zelf mens geworden, heeft onder ons gewoond, heeft geleden, is gestorven op het Kruis en is op de derde dag verrezen. Jezus roept ons op om Hem na te volgen. Hebben we zo de gelijkenis met Jezus verworven dan hebben we tevens de gelijkenis bereikt met de Vader. Jezus zegt ons dat niemand tot de Vader komt tenzij door Hem (cfr. Johannes 14,6) en Hij is de perfecte icoon van de Vader (cfr. Johannes 14, 9). De heilige Serafim van Sarov (+ 1833), een van de grootste Russische mystici, zegt dat we de heilige Geest juist krijgen voor deze omvorming. Ons uiteindelijk levensdoel is niets minder dan binnentreden in de heerlijkheid van de Drie-ene God, wat ook ons hoogste geluk is. De overzijde van de dood is niet het geopende graf, maar het liefdevolle gelaat van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. En deze overgang gebeurt door een nieuwe geboorte, een nieuwe schepping. De heilige Paulus drukt het sterk uit: “Ik ben er zelfs van overtuigd dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten staat…” (Romeinen 8, 18). Het oorspronkelijke Griekse woord voor “lijden” staat in het meervoud (mathèmata) en geldt voor fysisch, psychisch, geestelijk, moreel lijden. Verderop drukt Paulus dan nogmaals zijn diepe overtuiging uit: “Maar over dit alles zegevieren wij glansrijk…. Ik ben ervan overtuigd dat noch de dood, noch het leven, noch engelen, noch boze geesten, noch wat is noch wat zal zijn en geen macht in de hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde van God die is in Christus Jezus onze Heer” (Romeinen 8, 37-39). Paulus geeft een opsomming van wat in zijn tijd als de gevaren gezien werd. We kunnen nu zeggen: zelfs de meest duistere plannen van een oppermachtige elite die de wereldbevolking wil ontwrichten, overal verdeeldheid wil zaaien en uiteindelijk een groot deel wil uitroeien om over de anderen als robotten te heersen… kunnen Gods liefde voor ons niet doven en niet beletten dat wij in Christus door lijden en sterven de gelijkenis van God ontvangen.

Hoe kunnen we nu reeds hiernaar leven? Door bewust te kiezen voor deze omvorming in Christus en binnen te treden in de dynamiek die ons steeds meer doet gelijken op Christus. Het is niets anders dan een christelijk leven leiden, geïnspireerd door de menselijke en goddelijke deugden. De kardinale deugden fungeren hierbij als scharniermomenten. De voorzichtigheid is geen leven in angst, vrees of schuchterheid maar op bezonnen wijze het juiste oordeel vellen en de juiste weg gaan. Rechtvaardigheid leert ons respect tegenover God en de medemens en hun te geven wat hen toekomt. Jegens God is het godsvrucht. We genieten volop van de schepping maar we erkennen en eren God als Schepper en Vader, Jezus      als Verlosser en de heilige Geest als onze Heiligmaker. Jegens de naasten erkennen we hun rechten. Het is een houding van rechtschapenheid in gedachten en handelen. Ze brengt harmonie. Sterkte geeft ons de moed om niet te capituleren, maar ook in moeilijkheden trouw te blijven en het goede te doen. Hiermee kunnen we de angst overwinnen, zelfs voor de dood. Het maakt ons bereid om het offer van ons leven te brengen. Matigheid leert ons evenwichtig om te gaan met de aardse goederen en te leven met een gezonde bescheidenheid en soberheid. Ze leert ons minder jachtig te zijn, onze instincten en impulsen te bedwingen. De heilige Johannes spreekt over de “gulzigheid van het vlees” (Grieks: epithumia tès sarkos): “Verliest uw hart niet aan de wereld…Want al wat in de wereld is – het begeren van de lust en het begeren der ogen en de hovaardij van het geld – het komt niet van de Vader maar van de wereld. En die wereld gaat voorbij met heel haar begeerlijkheid, maar wie de wil doet van God blijft in eeuwigheid” (1 Johannes 2, 15-16).

Een christelijk leven wordt vooral geïnspireerd door de goddelijke deugden van geloof, hoop en bijzonder de liefde, die uitgaan van en gericht zijn op de Drie-ene God. Door het nieuwe gebod van de liefde dat Jezus ons openbaarde leven we als vrije kinderen van God. Jezus vat alles zo samen: “’Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand’. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: ‘Gij zult uw naaste beminnen als uzelf’. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten” (Mattheus 22, 37-40).

Onmisbaar hierbij is het gebed. Een van de mooiste en meest volledige uiteenzettingen hierover vind je in het laatste en vierde deel van de Catechismus van de Katholieke Kerk. Zoals een fysisch lichaam niet kan leven zonder zuurstof, zo kan geen mens als belichaamde geest blijven leven zonder gebed. Het Onze Vader dat Jezus ons zelf leerde is hierbij het belangrijkste gebed. Ook het Rozenhoedje kan zegen brengen over de hele dag. Uiteindelijk is bidden een levenshouding, een voortdurende toewijding aan de Drie-ene God en aan de medemens. Ons leven met zijn dagelijkse moeilijkheden kan ook geheiligd worden door kleine tekenen, zoals het bidden van het Angelus ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. Deze kleine daden zijn geen tijdverlies maar zullen uiteindelijk tijdwinst blijken te zijn, omdat ze orde en vrede brengen en beantwoorden aan de diepste stroming in onszelf.

Vrienden, nu reeds zijn we kinderen van God en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is” (1 Johannes 3, 2-3). We kunnen ons geen enkele voorstelling maken van onze uiteindelijke gelijkenis met God. Zoals een ongeboren baby zich geen enkele voorstelling kan maken van het zelfstandige leven buiten de moederschoot, zo kunnen wij ons evenmin voorstellen wat de heerlijkheid van die gelijkenis met God zal zijn. En zoals een baby uit de veilige geborgenheid van de moederschoot moet gestoten worden om tot een volwassen persoon uit te groeien, zo moeten wij uit de moederschoot van dit aardse leven gestoten worden om binnen te treden in de heerlijkheid van Gods Licht. Nieuwsgierig zullen we sterven. De hindoe-mysticus Rabindranth Tagore zei het zo: “Wanneer al de snaren van mijn leven gestemd zullen zijn, mijn Meester, dan zal bij elke van Uw aanrakingen, de muziek der liefde weerklinken”.

P. Daniel

Nieuwsbrief 39: Johannes Paulus II en zijn “theologie van het lichaam”

Standaard

Nieuwsbrief XVI. 39, vrijdag 24 september 2021, pater Daniel

Goede vrienden,

We zijn geroepen om ons lijden en sterven met Christus te doorleven en zo te delen in Zijn verrijzenis. En onze hoogste navolging van Christus is de totale gave van onszelf in het sterven, in vrijheid en liefde. Ons lichaam sterft en vergaat, maar wij blijven eeuwig leven. Ziedaar de twee eigenschappen die nauw met elkaar verbonden zijn. We zijn niet geschapen om bij onszelf te blijven, alleen, maar om eens eeuwig te leven in God, die nu reeds in ons woont. De Oostenrijkse psychiater Victor Frankl (+ 1997) geeft hiervoor een duidelijk beeld. Hij overleefde meerdere concentratiekampen en kwam tot een diepe levenswijsheid. Hij vergelijkt de mens met het oog, dat gericht is op de schoonheid van de schepping en de mensen om ons heen. Een oog dat zichzelf ziet, is ziek. Hetzelfde geldt voor een mens.

Als mens vormen we een eenheid van lichaam en ziel. Alle communicatie gebeurt echter langs ons lichaam. Ook de geestelijke waarden kunnen we slechts uitdrukken dankzij ons lichaam. Dit bracht paus Johannes Paulus II ertoe om een “theologie van het lichaam” uit te werken. Theologie gaat over God en dus niet over het aardse lichaam. Met deze tegenstrijdige uitdrukking wilde Johannes Paulus II echter wijzen op de goddelijke taak van ons lichaam; het onzichtbare mysterie van God, zichtbaar maken. En God is een gemeenschap van personen, die leven in wederzijdse liefdevolle gave van zichzelf. Ook ons lichaam met zijn seksuele verscheidenheid heeft de taak om deze liefdevolle gave van zichzelf in een gemeenschap van personen uit te drukken. In het huwelijk wordt dit een unieke gemeenschap van personen, exclusief, trouw, vruchtbaar en gericht op eenwording, wat het boek Genesis noemt: “één vlees worden” (Genesis 2, 24). Zo kunnen man en vrouw met God worden tot “medescheppers” van nieuw menselijke leven en wel op oneindig gevarieerde wijze.

Vóór de oerzonde leefde de mens in wat Johannes Paulus II noemt: “een oorspronkelijke onschuld”, wat hem tot drie ervaringen bracht: eenzaamheid, gemeenschap en naaktheid. God vormt de mens uit de klei van de aarde en geeft hem zijn levensgeest. Hij heeft dus iets aards en iets goddelijks. Hij staat als het ware tussen de aarde en de hemel in. Dit gevoel van “eenzaamheid” of liever van “eigenheid” wordt nog groter wanneer hij tussen de dieren een gelijke zoekt maar niet vindt: “maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet” (Genesis 2, 20). Vanuit dit zoeken naar een gelijke komt de mens tot de ervaring van gemeenschap. De mens vindt geen gelijke in de aarde en ook niet in de dieren maar wel in de vrouw die God geschapen heeft. Tot heden sprak Genesis algemeen over “de mens” (Hebreeuws: Adam; dam=bloed, adam=mens, adamah=aarde), vanaf nu gaat het over man en vrouw (Zachar, neqeva; iesj, isjah). En wanneer de man de vrouw ziet, jubelt hij het uit: “Eindelijk vlees van mijn vlees en been van mijn gebeente” (Genesis 2, 23). Het is deze verrukkelijke blik die de vrouw doet leven en waardoor ook de man zelf tot leven komt. Is deze verrukkelijke blik uitgedoofd, dan dooft ook de gemeenschap uit. In deze oorspronkelijke ervaring ontdekken man en vrouw dat zij in hun lichaam een afstraling zijn van God, een icoon van de Drie-eenheid in hun wederzijdse zichzelf gevende liefde. In elkaar ontdekken ze zichzelf én God, naar wiens beeld ze geschapen zijn. Ze leven in een liefdevolle harmonische overgave aan elkaar en aan God. Zij schamen zich niet voor elkaars naaktheid. Door de zonde komt er een breuk in de harmonie met God, met de medemens, met de schepping en een gebrokenheid in de mens zelf. Er treedt schaamte op en hun zien wordt bezoedeld door de begeerte van het kwetsend grijpen voor zichzelf.    Hun naakte lichaam is geen zuivere openbaring meer van Gods zelf vergeten liefde maar wordt vermengd met de begeerte naar bevrediging van eigen lust. Jezus stierf naakt aan het kruis om ons te bevrijden van de zonde en deze begeerte.  Door ons te verenigen met zijn verlossend lijden en sterven kunnen wij terugkeren naar een herwonnen onschuld, die in ons is blijven sluimeren.

Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik ga een hulp maken die bij hem past” (Genesis 2, 18). We kunnen dit onmogelijk interpreteren alsof God iets niet goed heeft voorzien, zoals een architect die een huis uittekent en dan pas ziet dat het veel te klein is. De verandering kwam er omwille van de zonde van de mens. Moeder Agnes-Mariam spreekt in haar overwegingen over de eerste hoofdstukken van Genesis daarom over het plan A, B en C. God past zijn oorspronkelijk plan na het zondig gedrag van de mens telkens aan. Het “alleen blijven” heeft hier dezelfde betekenis als in Jezus’ woord: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort” (Johannes 12, 24). Het gaat er uiteindelijk om dat we door Christus intreden in de gemeenschap met God, die de mens schiep voor de heerlijkheid met Hem. Door de oerzonde heeft de mens deze uitnodiging afgewezen. Nu schept God een “hulp” voor de mens opdat ze samen als man en vrouw in gemeenschap zouden treden met Hem. Zo niet, worden ze teruggeworpen op zichzelf en blijven alleen. En we treden in volledige gemeenschap met God door het offer van de totale gave van onszelf. Jezus zegt dat Hij liever geen offers meer wil maar wel barmhartigheid (cf. Matteüs 9, 13). Hoe kunnen we dit verstaan wanneer het hele boek Exodus een beschrijving is van de bouw van het heiligdom en het voltrekken van offers? Jezus wil het kwaad en het geweld niet bedwingen door het veroordelen en offeren van schuldigen. Dat is de samenvatting van de gehele mensengeschiedenis vóór Hem. Hij zal de schuld van anderen op zich nemen en zijn eigen leven als offer aanbieden. Dat is het begin van een geheel nieuw tijdperk. Daarmee openbaarde Hij wat verborgen was vanaf de grondvesting van de wereld (cfr Mattheüs 13, 35). De mensheid was zich niet bewust dat ze leefde van het bestraffen en offeren van schuldigen om het kwaad en het geweld te bedwingen. In de plaats hiervan stelt Jezus het offer van zichzelf, waarmee een nieuw tijdperk begint.

Johannes Paulus II heeft zijn “theologie van het lichaamvooral willen ontwikkelen als steun aan de leer die paus Paulus VI gaf in zijn encycliek “Humanae vitae” (1968). Het westen verkeerde in een “contraceptieve roes” en heeft deze leer niet begrepen en grotendeels verworpen. Mens zijn is zichzelf totaal in liefde geven aan God en aan de medemens. Paulus VI begreep dat de contraceptie een fatale aanslag is op de algehele, wederzijdse liefdevolle overgave van zichzelf in het huwelijk. Hij waarschuwde voor de catastrofale gevolgen. De geschiedenis gaf hem ruimschoots gelijk, hoewel velen dit nog steeds niet lijken te beseffen (1).

(1)     MAES D., Hoe een paus gelijk kreeg. Nieuwe perspectieven na een halve eeuw contraceptie, De Blauwe Tijger, 2019. Aan deze brede en ruime studie hebben we verschillende jaren gewerkt en bovendien belangrijke hulp gekregen van eminente deskundigen uit de geneeskunde, die zich bijzonder in deze materie hebben verdiept. Samenvatting van de ”Theologie van het Lichaam” blz. 194-202. Boeiende voorstelling door HEALY Mary, Mannen en vrouwen komen uit EdenEen handleiding bij de Theologie van het Lichaam van Johannes Paulus II, Betsaida, 2019.

P. Daniel

Nieuwsbrief 37: Euthanasie; de waarde van het lijden niet goed begrepen

Standaard

Nieuwsbrief XVI. 37, Syrië, vrijdag 10 september 2021, pater Daniel

Goede Vrienden,

Van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Rijk der Hemelen zich met geweld baan en geweldenaars maken het buit” (Mattheüs 11, 12). Dit is een mysterieuze uitspraak van Jezus. Voor geweld en geweldenaars (Grieks: biastai, Latijn: violenti) heeft Hij over het algemeen geen goed woord. We worden gered door onze vertrouwvolle overgave aan Hem in geloof, niet door geweld. Bijbelgeleerden trachten allerlei verklaringen te zoeken voor dit vers. Wij beschouwen het als een toelichting op de vijfde eigenschap van ons mens-zijn, die we vorige keer hebben uitgelegd: we zijn geroepen om door lijden en sterven omgevormd te worden in Christus, d.w.z. om deel te nemen aan het gewelddadig proces van de overgang van dood naar verrijzenis met Jezus. We zijn immers gedoopt in zijn lijden, sterven en verrijzen.  Dit is geen zoetsappig gebeuren. Het is een gewelddadige afbraak en totale vernietiging van ons aardse leven opdat het omgevormd zou worden.  De graankorrel moet werkelijk sterven, rotten en vergaan. Pas dan komt de prachtige volle aar tevoorschijn.

Lijden en dood zijn door de zondeval in de wereld gekomen. Sindsdien hebben alle mensen van alle tijden hiermee geworsteld: wat is de zin van mijn lijden en sterven? In onze tijd lijkt het moeilijker dan ooit de betekenis hiervan te begrijpen en te beleven.  Onze huidige medische wetenschap en techniek zijn tot zulke fantastische realisaties in staat dat sommigen denken hiermee alle problemen helemaal op te lossen, ook het lijden en de dood. Dit medisch-technisch denken heeft onder meer geleid tot “therapeutische hardnekkigheid”, nl het steeds maar nieuwe operaties uitvoeren en technieken proberen, ook wanneer dit, gezien de leeftijd en de gezondheidstoestand van de patiënt geen enkele zin had. In feite vergroten ze hiermee het lijden en bemoeilijken het natuurlijk sterven. Deze handelwijze is inmiddels grotendeels verlaten en vervangen door “palliatieve zorgen”, nl. het zoveel mogelijk verzorgen en verzachten van de pijn zonder operatief ingrijpen en het begeleiden van de stervende tot op het ogenblik van de totale overgave. Dat is ook de echte betekenis van “euthanasie”: een goede dood, de mens die op zijn wijze en zijn tijd zijn aardse leven loslaat. Erger nog is de huidige trend van ‘transhumanisme’. Het is de illusie, geboren uit hoogmoed, dat de mens zoals hij geschapen is moet en kan “verbeterd” worden tot een soort robot met “artificiële intelligentie”, onbeperkt controleerbaar. Hij zou een combinatie moeten worden van machine en mens, waarbij men van op afstand zogenaamd de ziektes zou kunnen uitschakelen. Ik beschouw dit als een pijnlijke illusie en een hoogmoedige afwijzing van de wijze waarop God, onze Schepper en Jezus Christus onze Verlosser ons het heil willen geven. Lijden en dood krijgen daarin helemaal geen plaats meer en hebben dus ook geen enkele betekenis.  Dit is niet alleen een ontsporing van de echte medische vooruitgang, het is ook een verwerpen van onze “menselijkheid” en van onze goddelijke roeping.

Een van de meest tragische gevolgen van het niet begrijpen en niet aanvaarden van de zin van lijden en sterven vanuit het christelijk geloof, is de huidige praktijk van ‘euthanasie’ als het zelf actief zijn leven (laten) beëindigen. De spontane getuigenissen van sommige dokters die euthanasie plegen zijn veelzeggend. Hierbij putten we uit een verzameling profetische getuigenissen (1). Een doctores maakte zich al vroeg vertrouwd met de euthanasiepraktijk maar telkens ze euthanasie pleegde was ze drie dagen ziek (a.w., blz. 21). Een dokter die euthanasie pleegt, bekent met tranen in de ogen dat hij ’s nachts soms met angstzweet wakker wordt en voor zich het gelaat ziet van hen die hij het fatale spuitje gaf (blz. 193). En hoe macaber kan de sfeer zijn bij euthanasie (blz. 195). Er is inderdaad een enorm verschil tussen het doden van iemand en iemand zijn/haar “goede dood” gunnen. “Na euthanasie is er een ijzige stilte op de dienst” (blz. 184). “Wat wij er ook van denken, we dragen allen een zaadje van de eeuwigheid in ons” (blz. 171-172). Vele atheïsten spreken ook over hun “geest” of “de geest van de wereld” en over een verlangen naar eeuwigheid. Ik ben overtuigd dat ieder mens bewust of onbewust het verlangen naar God in zich draagt. Zelf heb ik acht jaar lang stervenden bijgestaan in het eerste palliatieve hospice in Vlaanderen. Ik behoorde niet tot de ‘medewerkers’ noch tot de ‘vrijwilligers’.  Eens werd ik bij een stervende geroepen omdat ik vlakbij verbleef. Ik heb toen aangeboden dat ze me telkens mochten bellen als het nodig was. Zo werd ik erbij geroepen (in het Latijn: ad-vocatus). Telkens schetste de verpleging voor mij in vertrouwen kort de situatie van de stervende waarvoor ik werd opgeroepen. Dit was voor mij een zeer grote hulp. Op een keer werd ik dringend opgeroepen en toen ik toekwam was er geen verpleegster in de buurt om mij enige toelichting te geven. De poetsvrouw zei me dat zij wel wist voor wie ik moest komen. Ze wees me de laatst binnengekomen stervende aan en deze had uitdrukkelijk laten noteren dat ze geen priester in haar kamer wenste. Natuurlijk wisten noch ik, noch de poetsvrouw dit. Ik merkte ook een bijzonder sterke weerstand maar bleef geduldig met haar in gesprek. Ik was overtuigd dat zij grote gemoedsschommelingen kon hebben en toch de ziekenzalving gevraagd had. Ik vroeg uiteindelijk of ze er bezwaar tegen had dat ik even zou bidden en dat was goed. Dit veranderde haar houding en ik ging verder totdat ik de ziekenzalving had toegediend.  We namen afscheid in een bijzonder aangename sfeer. De volgende dagen wilde ik graag van de verpleging vernemen hoe deze vrouw op mijn bezoek gereageerd had, maar iedereen hield de lippen stijf op elkaar. Zonder mij rechtstreeks enige schuld te geven werd zeer zwaar getild aan dit bezoek, omdat de vrouw uitdrukkelijk gezegd had geen priester te wensen. Pas na haar dood durfde iemand me toevertrouwen dat deze vrouw na mijn bezoek gezegd had dat ik ieder ogenblik mocht terugkomen! Deze contradictie in de houding van de directie van dit hospice is tekenend voor onze vrijzinnige tijd. Enerzijds wil men alles doen om de wensen van de stervende te vervullen, maar de werkelijkheid van de diepste religieuze nood moet in de kiem gesmoord worden. De “Bengaalse nachtegaal”, de Indische mystiek-religieuze dichter en filosoof Rabindranath Tagore (+ 1941) begreep vanuit zijn hindoe-geloof veel beter de diepe betekenis van het sterven, toen hij schreef in “Zwervende vogels”: “De stempel van de dood geeft waarde aan de munt van het leven” (a.w. blz. 32).

We zijn hartstochtelijk door God bemind én geroepen om te beminnen. Liefde echter is in ons aardse leven onafscheidelijk met lijden verbonden. Daarom betekent het woord “passie” in vele moderne talen tegelijk hevig liefhebben én heftig lijden, dat bekroond wordt door het sterven.

(1)    Timothy DEVOS e.a., Euthanasie, l’envers du décor. Réflexions et expériences de soignants, Préfaces de Jacques Ricot et de Herman De Dijn, Editions Mols, juni 2019.

P. Daniel