Pater Jo van Osch (1923–2012)

Standaard

Pater Jo van Osch

“De heilige Geest zal u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb.” (Johannes 14,26)

Pater Jo van Osch werd geboren op 19 november 1923 in Rosmalen. Met het verlangen missionaris te worden volgde hij zijn opleiding in de vormingshuizen van Sterksel, Boxtel en ’s-Heerenberg. Op 9 april 1948 legde hij zijn missionariseed af en op 11 juni 1949 werd hij tot priester gewijd.

Na zijn priesterwijding begon hij in september 1949 als docent filosofie aan de opleiding in ’s-Heerenberg, later ook aan St. Charles in Boxtel. In september 1954 vertrok hij naar Afrika om les te geven aan het grootseminarie van Kipalapala in Tanzania. Daarnaast was hij pastoor van de kleine parochie die aan het seminarie verbonden was, waar hij de studenten begeleidde in de praktische uitoefening van het pastoraat.

In februari 1961 keerde hij uitgeput terug naar Nederland. Zijn hart bleef echter in Kipalapala, en na een periode van herstel vertrok hij in oktober 1962 opnieuw naar Tanzania, zij het met een rustiger werktempo. In oktober 1965 verhuisde hij naar Ntungamo bij Bukoba om daar opnieuw filosofie te doceren. Na drie jaar moest hij wegens ziekte definitief naar Nederland terugkeren.

Begin 1969 werd hij benoemd tot rector van de ziekenhuizen, bejaardenhuizen en een verpleeghuis in Winterswijk. In deze periode begon hij ook artikelen te publiceren in geestelijke tijdschriften. Zo schreef hij in 1973 in Emmaüs — een blad voor wie met Christus door de tijd wil gaan — over “Roeping als geestelijke gave”. Daarin benadrukte hij dat het geestelijke aspect van roeping niet mag worden verwaarloosd: “Met psychologie en sociologie alleen zullen wij nooit de roepingencrisis kunnen oplossen. Dat geldt evenzeer voor een persoonlijke roepingscrisis.”

Daarnaast publiceerde hij regelmatig in het tijdschrift Innerlijk Leven, onder meer over “Verwondering en liefde”, “Jezus ontmoeten in de psalmen” en “De liefde leren kennen”. In al deze bijdragen staat de persoon van Jezus centraal en klinkt een diep pastoraal engagement door voor de innerlijke groei en geestelijke rijping van de mens.

Bevestiging, relatie en genezing

In dezezelfde geest wees pater Van Osch mij op het werk en de inzichten van dr. Anna Terruwe. Hij begeleidde mij bij het schrijven van mijn eindscriptie aan het Grootseminarie Rolduc te Kerkrade, die ik de titel Relatie als instrument van genezing meegaf. In dat traject ontving ik van hem niet alleen intellectuele steun, maar vooral pastorale aanmoediging.

Hij hielp mij de antropologische en pastorale draagwijdte van Terruwe’s visie niet louter theoretisch te begrijpen, maar concreet te verbinden met mensen, levensverhalen en kwetsbare situaties. Wat toen begon als studie, is gaandeweg uitgegroeid tot een blijvende overtuiging: bevestiging is geen bijkomstigheid binnen pastorale zorg, maar een fundamentele grondhouding. Zij maakt het evangelische mensbeeld hoorbaar en voelbaar in het dagelijks handelen, juist daar waar mensen gekwetst, onzeker of innerlijk geremd zijn. In die zin werd zijn begeleiding voor mij een beslissende schakel in het samenbrengen van psychologie, pastorale praxis en geestelijke onderscheiding.

Zorgpastoraat en kerkelijke betrokkenheid

Per 1 september 1980 werd Jo benoemd tot parttime geestelijk verzorger van het Elisabeth Ziekenhuis en het Algemeen Ziekenhuis in Winterswijk. Op 1 augustus 1982 volgde zijn benoeming tot conrector van het St. Annadal Ziekenhuis in Maastricht, dat toen 775 patiënten telde.

Hij werkte graag mee aan de vernieuwing van de Kerk in de geest van het Tweede Vaticaans Concilie, maar steeds binnen het kader van de katholieke traditie. Toen de Nederlandse provincie zich aansloot bij de zogenoemde 8-Meibeweging, die pleitte voor grotere openheid, maakte hij zich zorgen. Hij voelde zich sterker verwant met de Charismatische Beweging. In een artikel in The Petit Echo, het Sociëteitsblad, reageerde hij op een bijdrage van Bill Dyer. Hij was ervan overtuigd dat ware vernieuwing van de Sociëteit alleen binnen en door de Kerk kan plaatsvinden, gedragen door de werking van de heilige Geest.

Later sloot Jo zich aan bij de gemeenschap De Kommel in Maastricht, een katholiek evangelisatiecentrum dat op verzoek van bisschop Mgr. Johannes Gijsen werd opgericht. In 1990 werd zij erkend als een private vereniging van christengelovigen met rechtspersoonlijkheid, en in 1998 opnieuw bevestigd als kerkelijke instelling door bisschop Mgr. Frans Wiertz. Deze gemeenschap werd voor pater Van Osch van steeds grotere betekenis.

Overlijden

Op de ochtend van 13 april 2012 is Jo van Osch rustig thuis overleden. Op 18 april 2012 vond in de kapel van de gemeenschap De Kommel in Maastricht een Eucharistieviering plaats. Daarna werd hij begraven op het kerkhof van Heythuysen.

Oorspronkelijke tekst en foto: Lavigerie.nl

Bevestiging van de hele mens: een opgave – lezing H. Vekeman over dr. Anna Terruwe

Standaard

Terruwe herlezen voor vandaag: menswaardigheid, genezing en weerhoudende lief

Pastoor Jack Geudens, Smakt, 30 januari 2026


Algemene inleiding

Het werk van dr. Anna Terruwe behoort tot die zeldzame intellectuele en pastorale erfenissen die hun betekenis niet verliezen, maar juist aan urgentie winnen naarmate de culturele context verandert. In het Nederlandstalige taalgebied is haar naam wel bekend, maar haar kerninzichten worden vandaag niet altijd meer werkelijk gelezen, begrepen en doorgegeven. Deze publicatie wil daarom bijdragen aan een eenvoudige, toegankelijke en tegelijk inhoudelijk verantwoorde actualisering van haar gedachtegoed — niet als nostalgische terugblik, maar als een levend kader voor mensvisie, begeleiding en genezing.

Terruwe’s centrale intuïtie — dat de mens in zijn diepste kern goed is en dat psychische menswording gedragen wordt door bevestiging — raakt aan de breuklijnen van onze tijd. In een samenleving die steeds sterker draait op prestatie, controle en zelfpresentatie, raken veel mensen innerlijk eenzaam. Men functioneert, maar voelt zich niet gekend; men “doet het goed”, maar ervaart zichzelf niet als goed. Terruwe’s benadering is in dit verband bevrijdend, omdat zij de aandacht verlegt van techniek naar ontmoeting, van gedrag naar grondwaarde, van prestatie naar ontvangen waardigheid. Haar begrippenveld — bevestiging, affectiviteit, frustratieneurose en weerhoudende liefde — biedt een menselijk realisme dat tegelijk psychologisch, ethisch en spiritueel geladen is.

Voor mij heeft deze herlezing ook een expliciet pastorale inzet. In pro-life-pastoraat en in de begeleiding rond verlies, schuld en trauma — met name in de context van Rachel’s Vineyard — blijkt telkens opnieuw hoe diep verwond zelfwaarde en beschadigde relationele ontvankelijkheid kunnen zijn. Waar het publieke debat vaak verengt tot standpunten en polarisatie, vraagt de concrete mens om erkenning, herstellende nabijheid en een weg waarin waarheid en barmhartigheid elkaar niet uitsluiten. Terruwe helpt om het menselijk drama niet te reduceren tot “probleem” of “dossier”, maar om de persoon in zijn verborgen goedheid opnieuw te leren zien. Juist daar kan genezing beginnen: niet wanneer iemand eerst moet “verbeteren”, maar wanneer hij bevestigd wordt om überhaupt te kunnen groeien.

In dat licht verdient ook het pionierswerk van psychiater Harrie Schijns blijvende aandacht. Zijn nadruk op bevestiging en relationele veiligheid als voorwaarden voor herstel sluit nauw aan bij Terruwe’s antropologie. Zijn werk laat zien hoe genezing niet primair tot stand komt door argumentatie of correctie, maar door een veilige en bevestigende ontmoeting. Die lijn vormt tot op vandaag een brug tussen Terruwe’s mensvisie en hedendaagse pastorale noden.

Mijn eigen betrokkenheid bij dit thema gaat terug tot mijn eindscriptie aan het Grootseminarie Rolduc te Kerkrade, getiteld Relatie als instrument van genezing. In dat traject ontving ik steun en begeleiding van pater Van Osch, die mij hielp om Terruwe’s inzichten niet alleen theoretisch te begrijpen, maar te verbinden met concrete levensverhalen. Wat toen als studie begon, is uitgegroeid tot een blijvende overtuiging: bevestiging is geen aanvulling op pastorale zorg, maar een fundamentele grondhouding waarin het evangelische mensbeeld gestalte krijgt.

Deze publicatie beoogt geen definitief historisch oordeel, maar wil uitnodigen tot herlezing en herontdekking. De lezing van prof. Herman Vekeman, die hierna wordt toegelicht en samengevat, biedt een heldere synthese van Terruwe’s kerninzichten en laat zien hoe haar werk tegelijk klinisch, antropologisch en existentieel is. Wie zich door haar laat aanspreken, ontdekt dat “bevestiging” geen abstract begrip is, maar een opdracht: een weg om mensen opnieuw te laten leven vanuit ontvangen waardigheid — en zo de hele mens te dienen.


De Lezing

Online raadpleging: https://www.haptonomischcontact.nl/wp-content/uploads/2015/08/HC-2006-1.pdf


Kernpunten in het kort

  • Aanleiding en context: Herdenking van dr. Anna Terruwe († 28 april 2004) en situering van haar betekenis; studienamiddag (5 oktober 2005) over “Bevestiging in geest, woord en daad”.
  • Kernintuïtie: De mens is in zijn diepste kern goed; echte genezing en groei beginnen bij bevestiging.
  • Levenswerk en weg: Terruwe wordt psychiater om mensen te genezen; na een moeilijke periode van veroordeling (1949–1965) volgt rehabilitatie en brede invloed via praktijk, lezingen en publicaties.
  • Frustratieneurose: Een toestand van eenzaamheid, onveiligheid en gebrekkig gevoelscontact, vaak gecompenseerd door zelfbevestiging (macht, druk, manipulatie).
  • Genezing (niet alleen symptoombestrijding): Herstel van zelfwaardegevoel en vermogen tot gelijkwaardig relationeel contact, door de gevoelsontwikkeling opnieuw op gang te brengen.
  • Bevestiging als methode én houding: De ander mag “geheel zijn zoals hij is” en mag groeien “op zijn wijze en op zijn uur” — met geduld en respect voor tempo.
  • Bevestiging begint vroeg: Preventie start niet pas bij geboorte; prenatale en vroege relationele welkom-ervaringen zijn funderend; de moeder als “eerste bevestiger”.
  • Affectiviteit (kernhouding): Niet “emotioneel zijn”, maar voorzichtig, respectvol en belangeloos verwijlen bij de verborgen goedheid van de ander; zichtbaar in stem, blik, gebaar.
  • Weerhoudende liefde: Liefde rijpt; bij onbeantwoorde wederkerigheid kan “lijden” worden omgevormd tot trouw wachten en ruimte geven, zodat de ander kan ontvangen.
  • Psychische menswording: Ontstaat door een belangeloze ontmoeting waarin iemand zichzelf leert kennen als goed, waardevol en beminnenswaardig; wie zo bevestigd is, wordt ook bekwaam om anderen te bevestigen.
  • Slotaccent: De beslissende kracht is belangeloze affectiviteit: een warme levensstroom die anderen helpt hun goedheid te ontdekken en aan te nemen.

I. Toelichting bij de lezing van Herman Vekeman

Wim Laumans

De figuur en het werk van dr. Anna Terruwe (1911–2004) blijven tot op heden inspireren, omdat zij op een unieke wijze klinische observatie, psychologische antropologie en een uitgesproken personalistische mensvisie met elkaar wist te verbinden. In de lezing die hier volgt, biedt prof. Herman Vekeman een inhoudelijk rijke en zorgvuldig opgebouwde synthese van Terruwe’s kerninzichten. Daarmee doet hij niet alleen recht aan haar persoon en haar wetenschappelijke en klinische nalatenschap, maar draagt hij tevens bij aan een hernieuwde waardering van haar betekenis binnen de hedendaagse reflectie op menswording, affectiviteit en relationele genezing.

De redactie acht publicatie van deze lezing bijzonder aangewezen, omdat zij Terruwe’s denken situeert binnen een bredere antropologische en therapeutische context, zonder haar benadering te reduceren tot een specifieke methodiek. Terruwe’s concept van bevestiging wordt helder uitgewerkt als een fundamenteel relationeel en antropologisch gegeven, dat voorafgaat aan techniek en interventie. Bevestiging verschijnt bij haar niet als een instrumenteel middel, maar als een voorwaarde voor psychische rijping en affectieve ordening: de ervaring door een ander als persoon te worden erkend, in waardigheid en ontvankelijkheid.

Juist in het publieke discours is zorgvuldige positionering van Terruwe’s werk noodzakelijk gebleken. Haar bevestigingsleer is soms vereenvoudigd of vereenzelvigd met andere stromingen binnen de psychologische en therapeutische praktijk. De lezing van Vekeman laat zien dat Terruwe’s denken een eigen, coherent en theologisch-resonant antropologisch kader bezit, waarin affectiviteit, frustratie, weerhoudende liefde en psychische menswording op organische wijze samenhangen. Haar benadering wortelt in een personalistische mensvisie waarin de mens niet wordt benaderd als probleemdrager of object van behandeling, maar als persoon die geroepen is tot innerlijke vrijheid en relationele volwassenheid.

Tegen deze achtergrond beoogt deze publicatie de lezer een dubbele dienst te bewijzen. Enerzijds biedt zij een nauwkeurige en toegankelijke kennismaking met Terruwe’s centrale begrippen — bevestiging, affectiviteit, frustratieneurose, psychische menswording en weerhoudende liefde. Anderzijds maakt zij duidelijk dat Terruwe’s werk niet kan worden herleid tot een therapeutische techniek, maar gelezen moet worden als een samenhangende mensvisie, waarin “het goede” als kern van de persoon zowel psychologisch, pedagogisch als ethisch-spiritueel betekenis krijgt. De lezing van Vekeman onderstreept zo de blijvende actualiteit van Terruwe’s denken voor hedendaagse vragen rond genezing, opvoeding en menselijke waardigheid.


II. Samenvatting en kernbevindingen bij de lezing van Herman Vekeman

Pastoor Jack Geudens

1. Samenvatting

Deze bijdrage biedt een systematische en thematisch geordende weergave van de kerninzichten van dr. Anna Terruwe (1911–2004), zoals gepresenteerd in een herdenkingslezing. Uitgangspunt vormt Terruwe’s fundamentele overtuiging dat goedheid de blijvende kern van iedere mens is, en dat psychische menswording slechts mogelijk wordt door bevestiging binnen een belangeloze, relationele ontmoeting.

Tegen de achtergrond van haar biografische en wetenschappelijke ontwikkeling wordt haar centrale diagnose van de frustratieneurose uitgewerkt: een toestand van existentiële eenzaamheid, een onzeker zelfwaardegevoel en een verstoorde gevoelsontwikkeling, vaak gecompenseerd door vormen van zelfbevestiging, prestatiedrang of machtsuitoefening. De bijdrage laat zien hoe Terruwe genezing niet primair opvat als symptoomreductie, maar als herstel van gevoelsmatige ontvankelijkheid, zelfwaarde en werkelijk relationeel contact.

Een centrale plaats krijgt het begrip affectiviteit, door Terruwe verstaan als het voorzichtig, respectvol en belangeloos verwijlen bij de verborgen goedheid van de ander. Affectiviteit wordt daarbij nadrukkelijk onderscheiden van louter emotionele beleving en gepositioneerd als kernhouding van haar bevestigingsleer.

Vervolgens wordt Terruwe’s visie op de voortreffelijkheid van de liefde en op de weerhoudende liefde geanalyseerd: liefde als een dynamisch proces van schenken en ontvangen, dat in situaties van onbeantwoorde wederkerigheid vraagt om zelfbeheersing en terughouding ter wille van de ander.

Ten slotte wordt psychische menswording uitgewerkt als vrucht van een belangeloze ontmoeting waarin de mens zichzelf leert kennen als goed, waardevol en beminnenswaardig. Elf samenhangende aspecten van ‘goedheid’ worden onderscheiden, met implicaties voor opvoeding, therapie, ethiek en spiritualiteit. De bijdrage besluit met een reflectie die onderstreept dat affectiviteit, juist in haar belangeloosheid, een beslissende kracht vormt voor menselijke genezing en gemeenschapsvorming.

2. Kernbevindingen

Een psychologisch-antropologische synthese

Het werk van Anna Terruwe is geworteld in één centrale overtuiging: de mens is in zijn diepste kern goed, maar deze goedheid kan slechts tot ontplooiing komen wanneer zij door een ander wordt herkend en bevestigd. Psychisch lijden ontstaat volgens haar niet in de eerste plaats uit moreel falen of verdringing, maar uit een tekort aan bevestiging in de ontwikkeling van het gevoelsleven.

2.1 Bevestiging als voorwaarde voor psychische groei

Onder bevestiging verstaat Terruwe niet het prijzen of goedkeuren van gedrag, maar het existentieel ervaren dat men mag bestaan zoals men is. Deze ervaring vormt de basis van een gezond zelfwaardegevoel. Zonder bevestiging blijft de gevoelsontwikkeling onvoltooid, ook wanneer verstandelijke en lichamelijke functies zich normaal ontwikkelen.

Bevestiging is daarom geen techniek, maar een relationele grondhouding waarin de ander wordt gezien als persoon, niet als probleem of prestatie.

2.2 Frustratieneurose: gevolg van gemiste bevestiging

Een kernontdekking van Terruwe is wat zij aanduidt als frustratieneurose. Deze toestand ontstaat wanneer iemand in een cruciale ontwikkelingsfase emotioneel alleen wordt gelaten. Het gevolg is een diep gevoel van eenzaamheid, onzekerheid en onveiligheid, gepaard aan een onvermogen tot gelijkwaardig gevoelscontact.

Kenmerkend is dat deze mensen vaak beschikken over een goed ontwikkeld verstand en een sterke daadkracht. Juist deze vermogens worden ingezet om het innerlijke tekort te compenseren. Zo ontstaat zelfbevestiging: een poging om ontbrekende eigenwaarde te vervangen door macht, prestatie, controle of status. Deze strategie maskeert het lijden, maar geneest het niet.

2.3 Genezing als herneming van gevoelsontwikkeling

Genezing bestaat voor Terruwe niet in gedragscorrectie of symptoombestrijding, maar in het opnieuw op gang brengen van de gevoelsontwikkeling. Dat vraagt tijd, geduld en een zorgvuldige afstemming op het tempo van de betrokkene.

De kern van genezing is dat iemand opnieuw bevestiging ontvangt, waardoor hij zijn eigen goedheid kan herkennen en aanvaarden. Pas dan wordt werkelijk relationeel contact mogelijk.

2.4 Affectiviteit: de houding van de bevestiger

Om deze bevestiging mogelijk te maken, introduceert Terruwe het begrip affectiviteit. Daarmee bedoelt zij geen emotionaliteit, maar een wijze van aanwezig zijn waarin men belangeloos verwijlt bij de verborgen goedheid van de ander.

Affectiviteit is:

  • voorzichtig: zij dwingt niet;
  • respectvol: zij tast de ander niet aan;
  • belangeloos: zij zoekt niet zichzelf, maar het goede van de ander.

In deze houding wordt de bevestiger zelf geraakt door de goedheid van de ander. Dit geraakt-zijn wordt zichtbaar in houding, stem en woordkeuze, en maakt voor de ander diens eigen waarde herkenbaar.

2.5 Liefde, rijping en weerhouding

Terruwe beschrijft liefde als een dynamisch proces dat begint met welbehagen, maar moet rijpen tot wederkerigheid. Wanneer verlangen niet beantwoord kan worden, ontstaat lijden. Veel relaties lopen op dit punt vast.

Daarom benadrukt zij het belang van weerhoudende liefde: het vermogen om het eigen verlangen te begrenzen wanneer de ander nog niet kan ontvangen. Deze zelfbeheersing is geen afstand nemen, maar een vorm van zorg die de ander ruimte en tijd gunt. Zo blijft liefde gericht op het welzijn van de ander, ook in spanning en gemis.

2.6 Psychische menswording

Het uiteindelijke doel van bevestiging, genezing en liefde is wat Terruwe aanduidt als psychische menswording: het proces waarin iemand door een belangeloze ontmoeting met een ander tot zichzelf komt en zichzelf kan aanvaarden als goed en waardevol.

Deze menswording maakt vrijheid mogelijk: de vrijheid om lief te hebben zonder te bezitten, om te bevestigen zonder te manipuleren, en om verantwoordelijkheid te dragen zonder zelfbevestiging.

2.7 Mensbeeld en maatschappelijke betekenis

Terruwe’s inzichten reiken verder dan de klinische praktijk. Zij laten zien hoe individueel en maatschappelijk lijden samenhangen met een tekort aan bevestigende relaties. Waar mensen niet bevestigd worden in hun goedheid, ontstaan prestatiedwang, machtsstructuren en relationele verarming.

Haar werk pleit daarom impliciet voor een cultuur waarin menselijk leven niet wordt beoordeeld op nut, succes of effectiviteit, maar wordt gedragen door relationele erkenning en zorg.


Slotwoord

Wie vandaag om zich heen kijkt, ziet hoe gemakkelijk mensen verdwalen in een cultuur van snelheid, meetbaarheid en zelfpresentatie. Relaties worden vluchtiger, kwetsbaarheid wordt sneller geproblematiseerd, en innerlijke pijn wordt vaak “opgelost” met techniek, prikkels of diagnose-taal. Tegelijk groeit een stille honger naar iets anders: naar gezien worden zonder voorwaarden, naar een woord dat niet beoordeelt maar opent, naar nabijheid die niet bezit maar draagt. Juist in die context klinkt dr. Anna Terruwe’s boodschap verrassend actueel en bijna profetisch: de mens leeft niet van perfectie, maar van bevestiging; niet van prestatie, maar van ontvangen waardigheid.

De thema’s die in deze lezing worden uitgewerkt — frustratieneurose, affectiviteit, tederheid en weerhoudende liefde — raken aan wat velen vandaag ervaren, maar nauwelijks kunnen benoemen: de spanning tussen een innerlijk gemis en een buitenkant die “het goed doet”. Terruwe leert ons zien dat genezing begint waar de mens niet langer gereduceerd wordt tot probleem, symptoom of dossier, maar waar zijn verborgen goedheid opnieuw wordt aangesproken. Dat is geen sentiment en geen naïef optimisme. Het is een veeleisende houding: geduldig, respectvol en belangeloos aanwezig blijven, zodat de ander in zijn tijd en op zijn wijze weer kan groeien.

Dit slotperspectief is ook van pastorale betekenis. In situaties van verlies, schuld en trauma — waar schaamte en zelfverwijt het laatste woord dreigen te hebben — blijkt telkens opnieuw dat een mens niet eerst “sterk” of “waardig” moet worden om liefde te ontvangen. Integendeel: waar iemand bevestigd wordt, kan hij of zij pas weer leren ontvangen, vertrouwen en kiezen voor het goede. Zo krijgt bevestiging een concrete ethische en spirituele diepte: zij verbindt waarheid met barmhartigheid, en rechtvaardigheid met genezing.

Moge deze publicatie daarom niet alleen gelezen worden als een waardevol document uit een traditie, maar als een uitnodiging tot praktijk: tot een manier van kijken, spreken en nabij zijn die mensen helpt om opnieuw mens te worden. In een tijd van verharde tegenstellingen en innerlijke eenzaamheid is dat misschien wel een van de meest noodzakelijke vormen van dienstbaarheid: de ander bevestigen in zijn goedheid, opdat hij kan worden wie hij is — ook wanneer hij dat nu nog niet kan.


Bronnen

Haptonomisch Contact, 17e jaargang, nr. 1 (maart 2006), p. 8–18.
Online raadpleging: https://www.haptonomischcontact.nl/wp-content/uploads/2015/08/HC-2006-1.pdf


De levende erfenis van Anna Terruwe en Conrad Baars in de Verenigde Staten – update

Standaard

Hoe hun antropologie en bevestigingsleer wortel schieten in pastorale praktijk en geestelijke begeleiding

English Abstract

From Personal Vocation to Living Tradition

The Contemporary Reception of the Work of Anna Terruwe and Conrad Baars in the United States

This article examines the contemporary continuation of the psychological and anthropological vision of Anna Terruwe and Conrad Baars not through a purely academic reconstruction, but through the living institutions that currently transmit and embody their work in the United States. Institutes such as the Baars Institute, the Institute for Personalist Psychology, and the Anna Terruwe Museum demonstrate that their approach remains deeply relevant in contemporary therapeutic and pastoral contexts. Rooted in the concept of affirmation as a form of healing love, this tradition offers a personalist alternative to technocratic and reductionist models of psychotherapy and resonates deeply with a Christian understanding of mercy, freedom, and intrinsic human dignity. Interpreted under the criterion of the Cross, affirmation appears not as self-validation, but as participation in the redemptive love of Christ, who confirms the human person precisely in vulnerability and suffering.


Affirmation under the Criterion of the Cross

A Christological Norm for the Psychology of Terruwe and Baars

The psychological vision developed by Anna Terruwe and Conrad Baars is best understood not merely as a therapeutic method, but as an anthropology implicitly ordered toward a Christian understanding of the human person. At its core lies the concept of affirmation: the experiential assurance that one may exist, feel, desire, and grow as a person within a relational horizon of benevolent love. Affirmation, in this sense, is not a technique, but a formative encounter in which the person is received as intrinsically worthy.

When read through the lens of a theological criterion of the Cross, this notion of affirmation acquires its full normative depth. Within the Christian tradition, the dignity of the human person is not grounded in autonomy, functionality, or self-realization, but in God’s unconditional love revealed in Jesus Christ and definitively manifested in the Crucified One. The Cross reveals a God who confirms the human person precisely in vulnerability, dependence, and suffering — not despite these realities, but through them.

This christological grounding resonates profoundly with the personalist anthropology articulated by the Second Vatican Council. Gaudium et Spes affirms that “man can fully discover his true self only in a sincere gift of himself.”¹ Such self-gift, however, presupposes a prior reception: the experience of being affirmed, loved, and held in existence. Terruwe’s psychology implicitly presupposes this ontological priority of being-loved-before-acting, corresponding to the theological primacy of grace over moral or psychological achievement.

From a Thomistic perspective, this convergence becomes even clearer. In the Summa Theologiae, Thomas Aquinas describes love (amor benevolentiae) as willing the good of the other — a movement that orders the will and heals disordered affectivity.² Terruwe and Baars, though not writing as scholastic theologians, describe precisely this dynamic on the psychological level: affective healing occurs when the person is encountered by a love that seeks their good without appropriation or control. Such love liberates the emotional life and restores inner freedom.

Within this framework, affirmation reaches its ultimate norm in the mystery of the Cross. The Crucified Christ embodies the definitive form of benevolent love: a love that does not withdraw in the face of weakness, failure, or sin, but remains present and faithful. Affirmation, therefore, is not a humanistic ideal detached from theology, but a participatory experience in the redemptive love of Christ. The Cross becomes the criterion that distinguishes genuine affirmation from mere validation or psychological indulgence.

Detached from this criterion, affirmation risks being absorbed into therapeutic self-affirmation or subjective well-being. Under the sign of the Cross, however, affirmation is revealed as a path toward truth, freedom, and responsibility. As emphasized in Veritatis Splendor, authentic freedom is inseparable from truth and self-gift and cannot be reduced to self-determination alone.³

Seen in this light, the contemporary reception of Terruwe and Baars — particularly in the United States — represents more than a historical continuation. It constitutes a living tradition in which psychology, anthropology, and Christian theology converge. Under the criterion of the Cross, affirmation becomes a mode of healing presence that reflects the merciful love of God Himself, who confirms the human person not by bypassing suffering, but by entering it and transforming it from within.

Footnotes

  1. Second Vatican Council, Gaudium et Spes (7 December 1965), no. 24: AAS 58 (1966), 1044–1045.
  2. St. Thomas Aquinas, Summa Theologiae, I–II, q. 26, a. 4; q. 28, a. 1.
  3. John Paul II, Veritatis Splendor (6 August 1993), nos. 35–41.

Abstract (samenvatting)

Van persoonlijke roeping naar levende traditie

De hedendaagse receptie van het werk van Anna Terruwe en Conrad Baars in de Verenigde Staten

Dit artikel onderzoekt de hedendaagse voortzetting van de psychologische en antropologische visie van Anna Terruwe en Conrad Baars, niet via een louter academische reconstructie, maar via de levende instituties die hun werk in de Verenigde Staten vandaag overdragen en belichamen. Instituten zoals het Baars Institute, het Institute for Personalist Psychology en het Anna Terruwe Museum tonen aan dat hun benadering blijvend relevant is binnen actuele therapeutische en pastorale contexten. Geworteld in het begrip bevestiging als een vorm van genezende liefde, biedt deze traditie een personalistisch alternatief voor technocratische en reductionistische modellen van psychotherapie en sluit zij nauw aan bij een christelijk verstaan van barmhartigheid, vrijheid en intrinsieke menselijke waardigheid. Geïnterpreteerd onder het criterium van het Kruis verschijnt bevestiging niet als zelfvalidatie, maar als deelname aan de verlossende liefde van Christus, die de menselijke persoon juist bevestigt in kwetsbaarheid en lijden.

Bevestiging onder het criterium van het Kruis

Een christologische norm voor de psychologie van Terruwe en Baars

De psychologische visie die door Anna Terruwe en Conrad Baars werd ontwikkeld, kan het best worden verstaan niet enkel als een therapeutische methode, maar als een antropologie die impliciet geordend is op een christelijk begrip van de menselijke persoon. In het hart ervan ligt het begrip bevestiging: de ervaringsmatige zekerheid dat men mag bestaan, voelen, verlangen en groeien als persoon binnen een relationele horizon van welwillende liefde. Bevestiging is in deze zin geen techniek, maar een vormende ontmoeting waarin de persoon wordt ontvangen als intrinsiek waardig.

Wanneer dit begrip wordt gelezen door de lens van een theologisch criterium van het Kruis, krijgt bevestiging haar volle normatieve diepte. Binnen de christelijke traditie is de waardigheid van de menselijke persoon niet gegrond in autonomie, functionaliteit of zelfverwerkelijking, maar in Gods onvoorwaardelijke liefde die geopenbaard is in Jezus Christus en definitief zichtbaar wordt in de Gekruisigde Jezus. Het Kruis openbaart een God die de menselijke persoon bevestigt juist in kwetsbaarheid, afhankelijkheid en lijden — niet ondanks deze realiteit, maar doorheen deze realiteit.

Deze christologische grondslag resoneert diep met de personalistische antropologie zoals die door het Tweede Vaticaans Concilie werd verwoord. Gaudium et Spes stelt dat “de mens zichzelf slechts volledig kan vinden door de oprechte gave van zichzelf”.¹ Zo’n zelfgave veronderstelt echter een voorafgaande ontvankelijkheid: de ervaring bevestigd, geliefd en in het bestaan gedragen te worden. De psychologie van Terruwe veronderstelt impliciet deze ontologische prioriteit van het bemind-zijn vóór het handelen, overeenkomstig met de theologische primordiale plaats van de genade boven morele of psychologische prestatie.

Vanuit thomistisch perspectief wordt deze samenhang nog duidelijker. In de Summa Theologiae beschrijft Thomas van Aquino de liefde (amor benevolentiae) als het willen van het goede van de ander — een beweging die de wil ordent en ontregelde affectiviteit geneest.² Terruwe en Baars, hoewel zij niet schrijven als scholastieke theologen, beschrijven precies deze dynamiek op psychologisch niveau: affectieve genezing treedt op wanneer de persoon wordt ontmoet door een liefde die zijn of haar welzijn zoekt zonder toe-eigening of controle. Zo’n liefde bevrijdt het gevoelsleven en herstelt de innerlijke vrijheid.

Binnen dit kader bereikt bevestiging haar uiteindelijke norm in het mysterie van het Kruis. De Gekruisigde Christus belichaamt de definitieve vorm van welwillende liefde: een liefde die zich niet terugtrekt bij zwakheid, falen of zonde, maar aanwezig en trouw blijft. Bevestiging is daarom geen humanistisch ideaal losgemaakt van theologie, maar een participerende ervaring in de verlossende liefde van Christus. Het Kruis wordt het criterium dat ware bevestiging onderscheidt van loutere validatie of psychologische toegeeflijkheid.

Losgemaakt van dit criterium dreigt bevestiging te worden opgeslorpt door therapeutische zelfbevestiging of subjectief welbevinden. Onder het teken van het Kruis wordt bevestiging echter zichtbaar als een weg naar waarheid, vrijheid en verantwoordelijkheid. Zoals Veritatis Splendor benadrukt, is authentieke vrijheid onafscheidelijk van waarheid en zelfgave en kan zij niet worden gereduceerd tot loutere zelfbeschikking.³

In dit licht bezien vertegenwoordigt de hedendaagse receptie van Terruwe en Baars — met name in de Verenigde Staten — meer dan een historische voortzetting. Zij vormt een levende traditie waarin psychologie, antropologie en christelijke theologie samenkomen. Onder het criterium van het Kruis wordt bevestiging een wijze van genezende aanwezigheid die de barmhartige liefde van God zelf weerspiegelt, die de menselijke persoon niet bevestigt door het lijden te omzeilen, maar door het binnen te gaan en van binnenuit te transformeren.

Voetnoten

  1. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 24: AAS 58 (1966), 1044–1045.
  2. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I–II, q. 26, a. 4; q. 28, a. 1.
  3. Johannes Paulus II, Veritatis Splendor (6 augustus 1993), nrs. 35–41.

Inleiding

De reflectie die hier volgt vertrekt niet vanuit een louter academische herlezing van het oeuvre van Anna Terruwe en Conrad Baars, maar vanuit de concrete hedendaagse context waarin hun werk vandaag wordt gedragen, geïnterpreteerd en doorgegeven. Juist deze actuele doorwerking maakt zichtbaar dat hun benadering geen afgesloten hoofdstuk vormt binnen de geschiedenis van de katholieke psychologie, maar een levende traditie is gebleven — ontstaan uit een intensieve ontmoeting met de lijdende mens en gevoed door klinische, pastorale en morele ervaring.

Genezing als relationele werkelijkheid

Het oorspronkelijke vertrekpunt van Terruwe en Baars lag in hun langdurige klinische en pastorale omgang met mensen bij wie de emotionele ontwikkeling was vastgelopen. Hun fundamentele inzicht luidde dat psychisch en moreel herstel niet tot stand komt door analyse, techniek of gedragsmatige correctie alleen, maar door bevestigende liefde: een wijze van relationele aanwezigheid waardoor de mens opnieuw leert ervaren dat hij of zij mag bestaan, voelen en verlangen.

Deze bevestiging is geen sentimentaliteit, maar een moreel en relationeel handelen. Zij vraagt om wat Terruwe en Baars aanduiden als weerhoudende liefde: nabijheid zonder toe-eigening, betrokkenheid zonder manipulatie, zorg zonder beheersing. Hier raakt hun psychologie aan een diep christelijk verstaan van barmhartigheid, waarin de ander niet wordt “gerepareerd”, maar wordt ontvangen als persoon.

Hedendaagse institutionele dragers in de Verenigde Staten

In de eenentwintigste eeuw wordt dit gedachtegoed vooral in de Verenigde Staten levend gehouden. Het Baars Institute fungeert als een laagdrempelige toegangspoort tot het werk van Terruwe en Baars, terwijl het Institute for Personalist Psychology expliciet inzet op vorming binnen een integrale personalistische antropologie. Het Anna Terruwe Museum bewaart en ontsluit het intellectuele en spirituele erfgoed van Terruwe en onderstreept dat het hier niet gaat om een therapietechniek, maar om een mensvisie.

Bevestiging onder het teken van het Kruis

Binnen deze bredere context krijgt de christologische verdieping beslissend gewicht. Bevestiging wordt niet normatief bepaald door psychologisch welbevinden, maar door de openbaring van Gods liefde in de Gekruisigde. De mens wordt bevestigd niet op grond van prestatie of autonomie, maar omdat hij bemind is — juist in zijn kwetsbaarheid.

Hier raakt de psychologie van Terruwe en Baars aan een Kruis-criteriologie: ware genezing ontstaat waar liefde aanwezig blijft onder het teken van lijden en waarheid. Affirmatie wordt zo deelname aan het gebroken-maar-verrijzen-Lichaam van Christus.

Ecclesiologische implicaties

Deze visie heeft directe implicaties voor pastoraat en kerkelijk handelen. Innerlijk gezag ontstaat niet uit beheersing of methodiek, maar uit bevestigende aanwezigheid. In een cultuur van protocollen herinnert deze traditie eraan dat genezing ontstaat waar menselijke liefde, innerlijke vrijheid en vertrouwen in Gods barmhartigheid elkaar ontmoeten.

Voetnoten

  1. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 24: AAS 58 (1966), 1044–1045.
  2. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 4; q. 28, a. 1.
  3. Johannes Paulus II, Veritatis Splendor (6 augustus 1993), nr. 35–41; 95.

Waar wordt de katholieke psychologie van Anna Terruwe en Conrad Baars vandaag toegepast?

1. Nederland – historische wortels en beperkte institutionele voortzetting

In Nederland liggen de historische wortels van de katholieke psychologie van Anna Terruwe en Conrad Baars. Hun werk heeft hier diepe sporen nagelaten binnen psychiatrie, zielzorg en pastorale begeleiding. Tegelijk moet worden vastgesteld dat de institutionele voortzetting vandaag beperkt is.

De Stichting Anna Terruwe heeft als doel het bewaren en verspreiden van Terruwe’s gedachtegoed, met name haar bevestigingsleer. In de huidige situatie vervult de stichting echter vooral een archiverende functie. Er bestaan geen structurele opleidingstrajecten, noch is er sprake van een zichtbare klinische of academische opvolging. Daarmee ontbreekt een levende institutionele overdracht, en dreigt het gedachtegoed in Nederland vooral historisch bewaard te blijven.

Een belangrijke klinisch-pastorale vertegenwoordiger van Terruwe’s benadering was Harrie Schijns (†), psychiater en zielzorger te Breda. Hij belichaamde lange tijd de vruchtbare verbinding tussen psychiatrie en pastorale zorg. Met zijn overlijden is een van de laatste directe schakels tussen Terruwe’s psychologie en de Nederlandse zorgpraktijk weggevallen.

Daarnaast bestonden er in het verleden informele netwerken, met name internationale Yahoo Groups, waarin psychiaters, psychologen en priesters ervaringen uitwisselden rond de Terruwe–Baars-therapie en bijbehorende casuïstiek. Deze netwerken zijn inmiddels grotendeels verdwenen of inactief geraakt, waardoor ook hier geen structurele opvolging meer plaatsvindt.

2. Verenigde Staten – levende traditie en institutionele overdracht

In tegenstelling tot de Nederlandse situatie vindt in de Verenigde Staten de meest consequente en levende voortzetting van het werk van Terruwe en Baars plaats. Hier is hun psychologie niet alleen bewaard, maar ook verder ontwikkeld en doorgegeven binnen therapeutische, pastorale en vormende contexten.

Een centrale figuur hierin is Sue Baars, dochter van Conrad Baars. Zij is psychiater en psychotherapeut, opgeleid in de lijn van Terruwe en Baars, en vervult een sleutelrol in de overdracht van hun visie. In haar werk staat bevestiging centraal als genezende liefde, ingebed in een niet-reductionistische katholieke mensvisie. Zij weet klinische praktijk te verbinden met de spirituele en morele dimensie van de menselijke persoon.

Daarnaast functioneren verschillende Amerikaanse instituten als dragers van deze levende traditie. Het Baars Institute, het Institute for Personalist Psychology en het Anna Terruwe Museum vervullen elk op hun eigen wijze een vormende en ontsluitende rol. Hier wordt het werk van Terruwe niet museaal, maar functioneel voortgezet: in opleiding, therapie, publicaties en supervisie. Deze instellingen tonen dat haar psychologie geen afgesloten hoofdstuk is, maar een overdraagbare en actuele benadering.

3. Theologische en spirituele receptie

Naast de klinische en institutionele voortzetting is er ook sprake van een theologische en spirituele receptie van Terruwe’s mensvisie. Een belangrijke resonantie is te vinden bij Maurice Zundel, met name in zijn boek Die God, deze mens. Zundel beschrijft de menswording van God als een radicaal relationeel gebeuren, waarin genezing tot stand komt door bevestigende liefde.

Hoewel Zundel geen psycholoog is en geen therapeutische methode ontwikkelt, vormt zijn denken een diep theologisch raakvlak dat Terruwe’s antropologie verdiept. Zijn visie onderstreept dat menselijke genezing uiteindelijk geworteld is in relationele ontvankelijkheid en goddelijke nabijheid.

4. Pastorale toepassing vandaag

Ten slotte leeft de psychologie van Terruwe vandaag op een bijzondere wijze voort in het pastorale veld. In het pastoraat, zoals dat onder meer door pastoor Jack Geudens wordt vormgegeven, wordt Terruwe’s bevestigingsleer toegepast als grondhouding van begeleiding. De relatie fungeert hier als instrument van genezing, gedragen door vertrouwen in Gods barmhartige liefde.

In deze context leeft Terruwe’s psychologie niet academisch, maar pastoraal-sacramenteel. Zij wordt concreet in begeleiding, gebed en nabijheid, met bijzondere aandacht voor gekwetst leven en morele kwetsbaarheid.

Deze pastorale toepassing wordt verder ontsloten in diverse publicaties, waaronder Scriptie vanuit werkervaringen met de lijdende mens, vertrouwend op Gods barmhartige liefde en Relatie als instrument van genezing. In deze werken wordt Terruwe’s psychologie doorvertaald naar een bredere theologische horizon, waarin kruisspiritualiteit, barmhartigheidstheologie en pro-life-pastoraat samenkomen.


Slotzin

Zo blijkt dat de katholieke psychologie van Anna Terruwe vandaag niet primair voortleeft in academische structuren, maar in levende relaties waarin bevestiging, barmhartigheid en genezing elkaar ontmoeten.


Slotmeditatie

Ware genezing voltrekt zich niet waar de mens wordt verbeterd,
maar waar hij wordt bevestigd.

Dat wij leren liefhebben zoals God liefheeft:
niet bezittend, niet dwingend,
maar dragend, weerhoudend en bevrijdend.

Dat wie lijdt opnieuw mag ervaren:
ik mag er zijn —
en dat dit genoeg is om te beginnen te leven.


Theoretisch kader: personalistische antropologie en bevestiging

De psychologie van Anna Terruwe en Conrad Baars laat zich niet adequaat begrijpen binnen een zuiver empirisch of behavioristisch kader. Hun benadering wortelt expliciet in een personalistische antropologie, waarin de mens wordt verstaan als een eenheid van lichaam en ziel, affectiviteit en rationaliteit, vrijheid en relationele ontvankelijkheid. In deze zin sluiten zij aan bij de bredere personalistische stroming zoals die in de twintigste eeuw is uitgewerkt door auteurs als Emmanuel Mounier, Martin Buber en paus Johannes Paulus II, zonder hun werk tot een gesloten filosofisch systeem te reduceren.¹

Centraal staat het inzicht dat de menselijke persoon niet louter zichzelf constitueert door autonomie of prestatie, maar tot zichzelf wordt gebracht in en door bevestigende relatie. Bevestiging is hierbij geen psychologisch hulpmiddel, maar een antropologisch grondgegeven: de persoon heeft relationele erkenning nodig om zijn natuurlijke neigingen ordelijk te integreren en tot innerlijke vrijheid te komen.²


Thomas van Aquino: liefde als oorzaak van groei

Hoewel Terruwe en Baars zelden expliciet scholastiek citeren, vertoont hun denken een diepe structurele verwantschap met de antropologie van Thomas van Aquino. Bij Thomas is liefde (amor) niet primair affect, maar een actus van de wil die het goede van de ander beoogt (velle bonum alteri).³ Deze liefde werkt vormend: zij stelt de ander in staat zijn potenties te actualiseren overeenkomstig zijn natuur.

In dit licht kan bevestigende liefde worden verstaan als een participatie aan de scheppende en onderhoudende liefde van God, waardoor de mens innerlijk wordt geordend. Waar deze liefde ontbreekt of wordt vervangen door conditionele waardering, ontstaat wat Terruwe aanduidt als affectieve onrijpheid. Thomas zelf benadrukt dat de deugden slechts duurzaam kunnen groeien waar de affectiviteit ordelijk is gevormd.⁴

De weerhoudende liefde waar Terruwe en Baars op wijzen, sluit nauw aan bij Thomas’ onderscheid tussen amor concupiscentiae en amor benevolentiae. Bevestiging is geen toe-eigening, maar welwillendheid die de ander vrijlaat.⁵


Vaticanum II: waardigheid, relationaliteit en barmhartigheid

De antropologische grondintuïties van Terruwe en Baars vinden een duidelijke resonantie in het leergezag van het Tweede Vaticaans Concilie, met name in Gaudium et Spes. Het concilie benadrukt dat menselijke waardigheid niet functioneel of maatschappelijk wordt toegekend, maar intrinsiek is, geworteld in de schepping naar Gods beeld.⁶

In nr. 24 van Gaudium et Spes wordt de mens beschreven als een wezen dat zichzelf slechts kan vinden “door de oprechte gave van zichzelf”. Deze formulering biedt een theologisch-antropologische sleutel tot het begrip bevestiging: pas waar de mens zich ontvangen weet, kan hij zichzelf schenken zonder zichzelf te verliezen.⁷

Daarnaast sluit de benadering van Terruwe en Baars nauw aan bij het conciliaire verstaan van barmhartigheid als constitutief voor de zending van de Kerk. Pastoraat en zorg zijn geen technische interventies, maar deelname aan Gods genezende nabijheid tot de gekwetste mens.⁸


Bevestiging, vrijheid en morele rijping

Terruwe en Baars plaatsen bevestiging niet tegenover moraal, maar situeren haar voorafgaand aan morele verantwoordelijkheid. Waar affectieve rijping ontbreekt, wordt morele aanspraak ervaren als overweldigend of destructief. Dit inzicht voorkomt zowel moralisme als permissiviteit.

Hier raakt hun psychologie aan het fundamentele thomistische principe gratia supponit naturam. Genade — en ook morele vorming — kan slechts vrucht dragen waar de natuur voldoende is geordend.⁹ Bevestiging herstelt deze orde niet door dwang, maar door liefdevolle nabijheid.


Bevestiging als deelname aan de Gekruisigde en Verrezen Liefde Jezus Christus (Kruis-criterium)

Een wezenlijk element dat zowel het denken van Terruwe en Baars als de apostolische traditie van de Kerk verbindt, is de centrale plaats die bevestiging inneemt binnen een christologisch geordende antropologie. In hun psychologie is bevestiging geen louter psychologisch hulpmiddel, maar een fundamenteel antropologisch en relationeel gegeven voor iedere vorm van menselijke genezing. Affirmatie betekent hier: het ervaren van eigen waarde, betekenis en ontvankelijkheid binnen een relationele werkelijkheid waarin iemand mag bestaan zoals hij of zij is.

Deze visie is diepgeworteld in een personalistische mensopvatting, waarin het menselijk leven wordt verstaan als een samenhangende eenheid van affectiviteit, verstand, wil en relationele openheid. Deze mensvisie staat op haar beurt in nauwe verwantschap met de thomistische antropologie, waarin redelijkheid en affectieve ordening elkaar wederzijds dragen. In tegenstelling tot reductionistische of technocratische psychologische modellen is bevestiging bij Terruwe en Baars daarom niet primair een techniek, maar een ontvangen woord van waardigheid: de bevestigde mens ervaart dat hij mag bestaan, voelen en verlangen — niet als project, maar als persoon.

Hier ligt het beslissende raakvlak met de Kruis-criteriologie. Binnen de christelijke traditie wordt de waarde en erkenning van de menselijke persoon niet bepaald door prestatie, autonomie of zelfverwerkelijking, maar door de onvoorwaardelijke liefde van God zelf, die zich openbaart en medelijdend nabij komt in Christus aan het kruis. De gekruisigde Christus bevestigt de waardigheid van iedere mens niet omdat deze succesvol, autonoom of krachtig is, maar omdat hij of zij is aanvaard in de barmhartige liefde van de Vader — juist ook in lijden en kwetsbaarheid.

In Gaudium et Spes wordt de mens beschreven als iemand die zichzelf slechts kan vinden “door de oprechte gave van zichzelf”. Deze zelfgave is echter geen vorm van voluntaristische zelfbevestiging, maar veronderstelt een voorafgaande ontvankelijkheid voor liefde die relatie schept. Binnen deze christelijke antropologie weerklinkt de kernintuïtie van Terruwe en Baars: het menselijke hart wordt niet in de eerste plaats genezen door zelfdiscipline of psychologische techniek, maar door de ervaring dat ik — ook in mijn kwetsbaarheid — door God bemind word en tot leven word geroepen. In die zin is affirmatie geen seculiere zelfhulp, maar een ervaringsmatige deelname aan het mysterie van het Kruis, waar God mens werd en zich onherroepelijk met de lijdende mens heeft verbonden.

Hoewel Terruwe en Baars zelden expliciet scholastische teksten citeren, vertonen hun inzichten over liefde, affectiviteit en emotionele rijping een duidelijke resonantie met het thomistische begrip van liefde als amor benevolentiae: liefde die de wil ordent naar het goede van de ander. In christologische vertaling mondt hun psychologie dan ook uit in een participatie aan de liefde van Christus zelf — liefde als oorsprong van groei, genezing en vrijheid. Binnen deze horizon wordt bevestiging normatief bepaald door het Kruis: niet als psychologisch ideaal, maar als de relationele aanwezigheid van God, die de mens bevestigt als beminde persoon, ook — en juist — in zijn gebrokenheid.

Ecclesiologische implicaties

Vanuit kerkelijk perspectief impliceert deze benadering dat ook het pastorale handelen van de Kerk moet worden getoetst aan de vraag of zij bevestigend aanwezig is. In een cultuur waarin zowel therapie als pastoraat dreigen te verworden tot methodiek en protocol, herinnert deze traditie eraan dat innerlijk gezag voortkomt uit liefdevolle waarachtigheid, niet uit beheersing.¹⁰


Bronnenlijst

  • Terruwe, A. & Baars, C., Psychic Wholeness and Healing.
  • Baars Institute – officiële website en therapie-informatie.
  • Institute for Personalist Psychology / House of Hope International (New York).
  • Anna Terruwe Museum – publicaties en virtuele bibliotheek.
  • Artikelen en interviews van Denise M. Mari op http://www.terruwe.wordpress.com

Voetnoten

  1. E. Mounier, Le personnalisme, Paris 1949; K. Wojtyła, Osoba i czyn, Kraków 1969.
  2. A. Terruwe & C. Baars, Psychic Wholeness and Healing, New York 1972, 45–67.
  3. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 4.
  4. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 59, a. 5.
  5. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I–II, q. 26, a. 1–2.
  6. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes (7 december 1965), nr. 12.
  7. Gaudium et Spes, nr. 24.
  8. Gaudium et Spes, nr. 22 en 27.
  9. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I, q. 1, a. 8 ad 2.
  10. Johannes Paulus II, Veritatis Splendor (1993), nr. 95.

Pastoor Geudens, Smakt, 30-1-2026