Een gastvrij onthaal voor Jezus in Jericho. Van alle kanten zijn de mensen toegestroomd. Men wil de wonderdoener uit Nazareth wel eens in levenden lijve zien. Men heeft zoveel over hem gehoord: dat Hij doven laat horen, blinden laat zien en lammen weer laat lopen.
Misschien laat Hij ook in Jericho een kunstje zien. Verder zegt men, dat Hij zo menselijk kan preken, dat Hij niet op elk slakje zout legt zoals de Farizeeën en Schriftgeleerden. Bij Hem is de Sabbat er voor de mens en niet de mens voor de sabbat. Een nieuw geluid en een hele opluchting.
Bij zo’n drukte hebben kinderen en kleine mensen vaak pech en kijken ze tegen de hoge ruggen van de mensen aan. Die pech had ook Zachaeus, een kleine man. Ook hij had gehoord, dat Jezus in de stad was. Ook hij had de verhalen over Jezus gehoord en ook hij wilde…
Op 2 november is het Allerzielen. Katholieke gelovigen herdenken dan hun doden. Traditioneel worden de kerkhoven bezocht en de graven gezegend. De afgelopen jaren is er veel veranderd in uitvaartrituelen. “Maar de kerkelijke uitvaartliturgie is nog steeds heel krachtig.”
Sommige tradities zijn niet kapot te krijgen. De viering van Allerzielen – in de volksmond vaak goedbedoeld Allerheiligen genoemd – is er zo een. Vanaf half oktober worden op menig kerkhof de graven extra gepoetst. Er verschijnen meer en grotere bloemstukken dan de rest van het jaar en tegen het vallen van de avond branden er heel wat lichtjes. Gelovig of niet, voor veel mensen is Allerzielen een vast moment op de kalender om de doden te herdenken. “Het past ook mooi bij de tijd van het jaar,” zegt vicaris Ed Smeets voor Liturgie en Kerkmuziek. “Als de winterperiode aanbreekt en het ’s avonds vroeg donker wordt, is dat een uitgelezen moment om te denken aan degenen die gestorven zijn. Zoals we in het voorjaar ook de verrijzenis en het nieuwe leven vieren. Het is goed dat we als Kerk aansluiten bij de seizoenen. Het past ook helemaal in het kerkelijk gedachtegoed over sterven en het leven na de dood.”
De dood hoort bij het leven. Dat is nu eenmaal zo. Maar niet iedereen vindt het gemakkelijk om daarover te praten. Veel mensen denken liever niet aan het einde van hun leven. Laat staan over wat er daarna komt. “Vroeger wisten mensen dat ze na hun pensioen doorgaans nog een paar jaar te gaan hadden, waarin ze zich konden voorbereiden op het naderende einde,” zegt Smeets. “Nu lijkt het wel alsof veel senioren na hun pensionering aan een tweede jeugd beginnen. Het einde wordt steeds verder opgeschoven, ook omdat we tegenwoordig veel ouder worden.”
Het gevolg is dat wanneer de dood zich dan aandient, deze voor velen onverwacht komt of – en dat is het andere uiterste – op een zelfgekozen moment. Dit laatste staat haaks op het christelijk gedachtegoed dat wij het leven van God gekregen hebben en dat het ook aan Hem is om te bepalen wanneer het voltooid is. Maar in onze geseculariseerde samenleving wordt dat geluid steeds minder vaak gehoord. “Gedachtenisprentjes of toespraakjes tijdens een uitvaart zijn vooral een terugblik op iemands leven en gaan zelden meer over geloof of een weerzien na de dood,” zegt Smeets. “Ik snap dat familieleden daar vaak de woorden niet voor hebben. Maar daarom moeten wij als Kerk die boodschap van de verrijzenis wel blijven verkondigen, want die is ijzersterk.” Allerzielen is daarom niet alleen een moment om met verdriet of dankbaarheid terug te denken aan iemand die overleden is, maar ook om te bidden voor zijn of haar zielenrust.
De uitvaartliturgie kent een duidelijke opbouw: we halen niet alleen herinneringen op aan de overledene, maar bieden ook perspectief op eeuwig leven. Dat is een heel krachtig model. Dat mogen we als Kerk best hardop zeggen.
Besloten kring Toen in het voorjaar van 2020 de coronapandemie in alle hevigheid losbarstte, had dat ook grote gevolgen voor uitvaarten. De regels veranderden ook regelmatig. Nu eens mochten begrafenissen alleen in kleine kring plaatsvinden, maar zonder koffietafel; dan weer met een grotere groep, als er maar afstand werd gehouden. Tot overmaat van ramp waren de kerken ook een tijd helemaal gesloten en had niet iedereen door dat uitvaarten wel toegestaan waren. Tijdens de pandemie vonden veel begrafenissen of crematies noodgedwongen in besloten kring plaats. “Die trend is daarna gebleven,” zegt Smeets. “Uitvaarten zijn veel meer dan voorheen een privéaangelegenheid van de familie en naaste vrienden geworden. In de coronatijd hebben mensen ontdekt dat een viering met een kleine groep veel intiemer is en ook heel sfeervol kan zijn. Dat is natuurlijk zo, maar het gaat wel volledig voorbij aan het idee dat je als geloofsgemeenschap samen afscheid neemt van iemand uit je midden en daar ook troost uit kunt putten.”
Die ‘privatisering’ van begrafenissen is ook te merken aan het aantal rouwadvertenties in kranten. Dat is sterk teruggelopen. In veel annonces kun je lezen dat de uitvaart ‘in stilte’ heeft plaatsgevonden, terwijl die advertenties van oorsprong bedoeld zijn om aan de gemeenschap te laten weten dat iemand gestorven is, zodat er samen afscheid genomen kan worden. Zoals het in een verder verleden in veel Limburgse dorpen niet ongebruikelijk was om voor het huis van een overledene een zogeheten ‘lijkplank’ te plaatsen. De naaste buren wisten dan dat er iemand gestorven was en kwamen ’s avonds bij dat huis bij elkaar om samen te bidden. Hieruit is later het gebruik van de avondwake gegroeid, maar die is op veel plaatsen weer in onbruik geraakt.
Liturgie vol symbolen Dat tradities rond sterven en begraven in de loop van de tijd veranderen, is op zich niet ongebruikelijk en hoeft ook niet verkeerd te zijn. Maar vernieuwing betekent niet altijd verbetering, zegt vicaris Smeets. “In crematoria worden regelmatig bijeenkomsten gehouden, die door iemand zelf in elkaar gezet zijn en waar geen duidelijke lijn in zit. Ze blijven vaak hangen in ‘we zullen je nooit vergeten’ en missen de diepgang van de kerkelijke uitvaartliturgie.”
Die liturgie is volgens Smeets heel mooi en rijk aan symbolen. “Alleen al het binnenkomen en plaatsnemen in een kerk is anders dan in een aula. Er hangt direct een andere sfeer. Als de dienst dan begint, wordt de overledene afgehaald achter in de kerk. Daarbij wordt een gebed om rust en vrede uitgesproken. Dan volgt de verkondiging en daarna de eucharistie als gezamenlijke maaltijd en als teken dat Christus de dood overwonnen heeft en dat wij daarin mogen delen. Aan het einde wordt de kist bewierookt en met wijwater besprenkeld en we gaan de kerk uit onder het zingen van het ‘In Paradisum’: de engelen begeleiden u naar het paradijs. Daaromheen is er best ruimte voor eigen inbreng door familieleden, die bijvoorbeeld kaarsen aansteken, bloemen leggen of aan het begin of het einde zelf een woordje spreken. Maar er zit een duidelijke lijn en opbouw in zo’n viering, met niet alleen herinneringen ophalen, maar ook perspectief bieden op eeuwig leven. Dat is een heel krachtig model. Dat mogen we als Kerk best hardop zeggen.”
De vraag is of dat ook voldoende gebeurt in het contact met nabestaanden. “Zelf neem ik in de voorbereiding altijd ruim de tijd om met de familie over de overledene te spreken,” zegt Smeets. “Wat heeft dit leven betekend? Het was een geschenk van God en het is mooi dat het nu ook weer bij God geborgen is. Voor veel mensen is het al een troost om dat te horen.” Ook na de uitvaart is het in de meeste parochies de gewoonte dat er minstens één keer en soms vaker iemand bij de nabestaanden op bezoek gaat om te horen hoe het gaat. Soms is er ook de mogelijkheid om aan te sluiten bij een gespreksgroep over rouwverwerking.
Nieuwe rituelen Ook in de Kerk ontstaan af en toe nieuwe rituelen. Zo staat op de kist of op het priesterkoor steeds vaker een foto van de overledene. Ook kennen veel parochies het gebruik om van elke gestorven parochiaan een gedachteniskruisje met diens naam te maken en dat achter in de kerk te hangen. Na Allerzielen worden die kruisjes meestal aan de familie gegeven. “Dat is weer een moment om even contact te hebben en te vragen hoe het gaat,” zegt Smeets. Sommige kerken kennen ook een overledenenboek, waarin met mooie gekalligrafeerde letters de naam van de overledene en de geboorte- en sterfdatum worden geschreven. Meestal is er gelegenheid om daarbij een kaarsje op te steken. “Net als het zegenen van de graven met Allerzielen, zijn het tekenen dat die persoon niet zomaar vergeten is, maar dat er voor hem of haar gebeden wordt.”
Allerheiligen of Allerzielen?
Er zijn geen twee andere kerkelijke feesten, waarvan de namen zo vaak door elkaar worden gehaald als Allerheiligen en Allerzielen. Meestal als mensen het over Allerheiligen hebben, bedoelen ze Allerzielen. De verwarring is overigens heel begrijpelijk. De twee gedenkdagen vallen pal na elkaar. Op 1 november is het Allerheiligen en een dag later Allerzielen. Met Allerheiligen vieren we het feest van álle heiligen en martelaren, of ze nu officieel heilig verklaard zijn of niet. Daags erna herdenken we iedereen die gestorven is en bidden we dat zij bij God in de hemel mogen zijn of komen. In het verleden was daar ook het verdienen van aflaten aan verbonden. In sommige katholieke regio’s is het hoogfeest van Allerheiligen een vrije dag, Allerzielen niet. Om praktische redenen worden beide gedenkdagen in Nederland vaak in het weekeinde vóór of ná 1 en 2 november gevierd, waardoor het onderscheid tussen de twee vieringen nog kleiner wordt.
In deze dagen naar Allerheiligen en Allerzielen, de dagen waar we nog meer dan anders aan de dood denken en aan hen die ons voorgingen, dacht ik aan een reclamespotje van de DELA van een paar jaar terug. Die campagne droeg de titel: “U bent onvergetelijk… Maar niet onsterfelijk.” Met die campagne wilden ze mensen aanzetten om eens over hun uitvaart na te denken.
Elk van ons gaat hier zijn levensweg, maar elk van ons weet ook dat er hier op aarde vroeg of laat een einde aan komt. Niemand weet wanneer. Jezus zegt dat ons ook: “Weest dus waakzaam, want gij kent dag noch uur” (Mattheus 25,13). Wanneer ons hart voor de laatste keer heeft geklopt en de laatste adem is uitgeblazen, keert onze ziel terug naar God om het loon naar het voorbije leven te ontvangen.
Dat is ons diepste geloof. De droefheid van een christen bij de dood van een dierbare is anders dan die van een ongelovige: “Gij moogt niet bedroefd zijn zoals de andere mensen, die geen hoop hebben. Wij geloven immers dat Jezus is gestorven en weer opgestaan; evenzo zal God hen die in Jezus zijn ontslapen levend met Hem meevoeren” (1 Tess. 4,13-14).
Wanneer een christen overleden is, wordt dat ook uitdrukkelijk uitgesproken en gevierd in de kerkelijke uitvaart. Het is altijd vanzelfsprekend geweest dat een gelovig mens met een kerkelijke uitvaart naar de laatste rustplaats werd gebracht. De laatste paar jaar zien we daar verandering in.
In de afgelopen jaren heb ik in onze dorpen hier en in het zuiden van Limburg enkele keren meegemaakt dat gedoopte en gelovige mensen geen kerkelijke uitvaart kregen. Onkerkelijke of ongelovige familieleden zorgden dan voor een soort afscheid in een crematorium of in een zaal ergens. Bij een aantal dacht ik: dit kan die overledene niet zelf gewild hebben.
We blijven hier niet voor altijd op aarde, dat is duidelijk maar die campagne slaat de bal mis als men zegt dat we niet onsterfelijk zijn:we zijn als christenen wél onsterfelijk. Op verschillende plaatsen in het evangelie belooft Jezus ons het Eeuwige Leven. Als we een levende relatie met Jezus aangaan, zullen we niet verdwijnen in het donkere gat van de dood maar thuiskomen bij Hem in de Hemel.
Dat is de reden waarom Jezus naar de aarde is gekomen, de reden van de Menswording van God, zo zegt Hij Zelf: “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben” (Johannes 3,16).
En welke mooie belofte doet Jezus niet bij de opwekking van Zijn vriend Lazarus: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?” (Johannes 11,25-26)
In deze dagen naar Allerheiligen en Allerzielen mogen we ons geloof in het Eeuwige Leven uitspreken. En wanneer ons leven hier eens zal eindigen mogen we de Onsterfelijkheid van de Heer binnentreden.