Nieuwsbrief 43: Augustinus II

Standaard

Nieuwsbrief XVI 43, Syrië, vrijdag 22 oktober 2021, pater Daniel

Goede Vrienden

Ieder mens draagt bewust of onbewust een onstuitbare honger naar het volmaakte geluk en dus naar God in zich, wat we eerder (Nieuwsbrief XVI 30; 23 juli 2021) treffend konden illustreren met de bekering van de heilige Augustinus. Hij begint zijn “Belijdenissen” ook met de vermaarde woorden “Irrequietum est cor nostrum donec requiescat in Te – Onrustig is ons hart totdat het rust in U”. Het eerste deel van zijn leven is een hartstochtelijke zoektocht naar het ware, het schone, het goede, het volmaakte geluk. Pas vanaf zijn bekering beseft hij dat heel zijn wezen eigenlijk hunkert naar God, de enige die dit alles geven kan. Ik wil nu zijn levensverhaal vervolledigen en het verdere verloop voorstellen omdat het eveneens zo inspirerend is.

Na zijn bekering en zijn doopsel door de heilige Ambrosius in Milaan in 387, wil Augustinus terug naar N-Afrika, naar het ouderlijk huis in Thagaste. Ver van alle drukte en samen met vrienden wil hij daar een contemplatief leven leiden zoals hij eerder beleefde op het landgoed van zijn vriend in Cassiciacum (NW van Milaan). Voor hun vertrek, in Ostia, sterft zijn moeder Monica, in grote dankbaarheid om wat ze mocht beleven: de bekering van haar man en nu van haar zoon. De kinderen willen haar naar Afrika overbrengen maar zij hecht er geen enkel belang aan en vraagt enkel dat ze voor haar zouden bidden bij het altaar van de Heer. Drie jaar (388-391) leeft Augustinus een gelukkig religieus gemeenschapsleven als monnik, asceet, theoloog en bekend schrijver, samen met een kleine groep. In de lente van 391 gaat hij een vriend, die zich bij hen wil voegen opzoeken in Hippo, na Carthago, de grootste en belangrijkste stad van Numidië. Hij weet echter niet dat de oude bisschop Valerius, een Griek, dringend op zoek is naar iemand die in het Latijn kan prediken. De volksmenigte herkent Augustinus en begint te roepen “Augustinus priester”! Hijzelf protesteert, smeekt en weent … tevergeefs. Uiteindelijk vraagt hij enkele maanden om zich voor te bereiden. Hij aanvaardt dit offer als uitboeting voor zijn zonden. Hippo biedt voor hem geen enkele vreugde. Hij wordt priester gewijd en vijf jaar later hulpbisschop van Valerius, die hij ook zal opvolgen. In Hippo was er een verschrikkelijke kloof tussen rijken en armen: de armen leefden in krotten aan de haven, de rijken in villa’s in de stad. Bovendien waren er meer donatisten dan katholieken. De donatisten vormden een sterk georganiseerde en fanatieke sekte, genoemd naar de schismatieke bisschop Donatus van Carthago. Vanaf 312 leerde hij dat alleen heiligen de ware Kerk vormen en dat de geldigheid van de sacramenten afhangt van de heiligheid van de bedienaar. Het donatisme verscheurde de Kerk en de samenleving. Augustinus zal verschillende werken schrijven tegen de donatisten en stellen dat de zonde wel de Kerk besmeurt maar ons niet uitsluit van de Kerk. Hij heeft veel geleden onder hun aanvallen.

Augustinus laat een klooster bouwen en wil rond zich de clerus verzamelen in een soort monastiek gemeenschapsleven. Porphirius, zijn biograaf, schrijft dat Augustinus “een onvermoeibare bisschop en herder was, die de weg effende voor het monastieke leven in Afrika”. Drie jaar voor zijn dood dicteert hij zijn “Retractationes” of herzieningen. Hierin geeft hij vooral veel zelfkritiek en zelden een zelfverdediging. Hij is onder meer veel kritischer tegenover de mythologie en de heidense cultuur. Wat wij in de huidige “mémoires” van vele groten overvloedig aantreffen, is bij hem totaal afwezig: de zorg voor eigen postume glorie. Hij blijft gefascineerd zoeken naar de waarheid omtrent God en de Kerk, precies zoals hij in zijn “Belijdenissen” schreef: “Laat heb ik U liefgekregen, o schoonheid, zo oud en zo nieuw… Ik werd ver van U gehouden door dingen, die niet bestaan zouden hebben, als ze niet in U bestaan hadden… Wanneer ik U eenmaal aan zal hangen uit heel mijn wezen, zal er voor mij nergens meer leed zijn… Gestreden wordt er tussen mijn boze droefheden en mijn vrome vreugde… Ik, arme, Heer heb erbarmen met mij… Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt… Wie immers naast U iets liefheeft dat hij niet om Uwentwil liefheeft, heeft U te weinig lief. O liefde, die altijd brandt en nimmer dooft, o liefde, mijn God, steek mij in brand! Geef mij onthouding!” (X, XXVII, 38; XXVII, 39, XXIX, 40).

Hij die aanvankelijk niet kon begrijpen hoe een man kan leven zonder passionele liefde voor een vrouw en hij die onder druk van zijn moeder afscheid nam van zijn eerste vriendin en ondertussen toch een tweede vriendin nam, ontdekte de liefde van God als een veel groter geluk. Van dan af kon hij niet leven zonder vrienden om hem heen. Als bisschop verzamelde hij zijn clerus en leefde met hen als in een monastieke gemeenschap, waar het werk grotendeels vervangen werd door de pastorale zorg. Het doel dat hij nastreefde was: één hart en één geest vormen in God. In 430, in zijn 76e levensjaar en het 35e van zijn bisschopsambt komen de vandalen aan in Hippo. Op zijn ouderdom behield hij een volkomen helderheid van geest. Hij heeft geen testament gemaakt maar vroeg om goed zorg te dragen voor de bibliotheek van de kerk. Tien dagen voor zijn dood vroeg hij hem niet meer te komen bezoeken. Hij voelde zich zondaar, wilde wenen en bidden om zich voor te bereiden op de definitieve ontmoeting met God. Wanneer hij op 28 augustus 430 de keizerlijke uitnodiging ontvangt voor deelname aan het derde oecumenisch concilie in Efeze (431), sterft hij.

Augustinus is eerder een voorloper van de Middeleeuwen dan een uitloper van de Oudheid. Hij heeft de grootste invloed uitgeoefend op de westerse beschaving. Hij is theoloog, filosoof, bijbelgeleerde, polemist, redenaar, schrijver, opvoeder en vooral herder. Hij schreef 113 boeken, 226 brieven en liet meer dan duizend preken na. Meest bekend zijn de “Belijdenissen” (397-401) en vervolgens zijn “Stad Gods” (413-426). De verwoesting van Rome in 410 door de Visigotische koning Alaric is het begin van de val van het Romeinse Rijk. Sinds ’n eeuw is het Romeinse Rijk christelijk geworden en vele heidenen zien hierin de oorzaak van de ondergang van Rome. Hiertegen gaat Augustinus frontaal in de aanval: Rome is het slachtoffer geworden van zijn eigen wreedheid en morele verwording. Geen rijk kan blijven bestaan op overheersing, uitmoorden en plunderen van andere volken. Augustinus schrijft een theologie van de geschiedenis en van de tijd. Hij onderscheidt twee principes: de aardse vergankelijke rijken en het blijvende, geestelijke Rijk Gods. Dit werk heeft een enorme invloed gehad en is meer dan 500 maal met de hand gekopieerd en bewaard in verschillende bibliotheken. Zijn meest dogmatisch diepzinnige beschouwing handelt “Over de Drie-eenheid”, waaraan hij meer dan 15 jaar heeft gewerkt(tussen 399-419). In zijn preken over de psalmen treffen we naast een diepe geestelijke inhoud tevens sprankelende woordspelingen aan.

Augustinus (354-430), een man van vlees en bloed, heeft langs de ervaring van menselijke liefde en vriendschap de weg naar de ware Bron gevonden: Gods immense Liefde.

P. Daniel

Nieuwsbrief 41+42: Samenvatting en overzicht van de eigenschappen van ons mens-zijn volgens de joods-christelijk visie

Standaard

Nieuwsbrief XVI 41+42, vrijdag 15 oktober 2021, pater Daniel

Goede Vrienden,

De voorbije drie maanden hebben we wekelijks de eigenschappen belicht van ons mens-zijn volgens de joods-christelijk visie, nl. de 7 wortels. Ons “onverzadigbaar verlangen” illustreerden we met de bekering van de heilige Augustinus en de “onrust van ons hart” waarmee hij zijn “Belijdenissen” begint. Verder wezen we op bepaalde psychologische en psychiatrische bewegingen, gesteund op S. Freud, die volkomen voorbijgaan aan het diepste streven van de mens. We wezen tevens op de ontoereikendheid van een “humanistische psychologie”, waardoor de dynamiek van de christelijke visie op lijden en dood nog duidelijker wordt. Met de “theologie van het lichaam” wilden we de “gave van zichzelf” als kostbare en onvervangbare eigenschap van ons mens zijn toelichten. Ziehier nog een samenvatting en overzicht.

1. De enige en algehele waardigheid van onze menselijke persoon danken we uitsluitend aan het feit dat God ons geschapen heeft naar zijn Beeld. Daarom zijn alle mensen hierin volkomen gelijk en hebben we allen dezelfde menselijke waardigheid. Bovendien kan niemand daar iets van afnemen of bijvoegen. Het is mogelijk dat wij zelf niet beantwoorden aan deze waardigheid, of dat anderen onze waardigheid niet respecteren. Toch kunnen noch onze fysische ziekte, psychische aftakeling, ons meest immoreel gedrag, onze grootste armoede of vernedering deze waardigheid wegnemen. Doorheen heel de geschiedenis van de Kerk was dit de verantwoording van zoveel heldhaftige inzet voor armen, zieken, gehandicapten en verworpenen. Dit betekent ook dat een multimiljardair, een fenomenaal genie of een super sportheld geen greintje meer menselijke waardigheid bezit dan jij en ik. We danken God voor deze onverwoestbare schat die Hij ieder van ons gegeven heeft. Gelukkig degene die zich hiervan bewust is en zich niet laat misleiden door voorbijgaande, uiterlijke roem.

2. Ons aardse leven is als een onophoudelijke stroom van onvervulbare verlangens. Zalig hij/zij die beseft dat al deze behoeften, strevingen en verlangens slechts beperkte uitdrukkingen zijn van een onstilbare honger naar God. Wij hunkeren naar een volmaakt, blijvend geluk, dat we slechts kunnen bereiken na dit aardse leven in en met God. Een geschrift uit het midden van de 2e eeuw beschrijft christenen als vreemdelingen hier op aarde: “Elk vreemd land is voor hen een vaderland en elk vaderland blijft een vreemd land” (Brief aan Diognetus). Dit bewustzijn kan ons bevrijden van alle aardse illusies. En elk goed hier op aarde, ook het meest verhevene wordt een illusie wanneer we er ons aan hechten als aan een hoogste goed. Sommigen leren dat wij onbewust in ons handelen een drang naar seksualiteit of naar macht vertonen. Het is best mogelijk. Toch zal voor vele mensen de honger naar God hun diepste “onbewuste” blijven.

3. Een derde bewustwording is het besef dat er naast het goede ook een zekere ontwrichting in ons leven is omwille van de oerzonde van het eerste mensenpaar.  Er is goed en kwaad in ons en aan het kwade werken we soms met eigen verantwoordelijkheid ook mee. Een opvoeding die meent dat het kwade alleen komt van slechte organisaties of structuren en niet van persoonlijke verantwoordelijkheid, begaat een fatale vergissing. Daarom hebben we leiding nodig en oefening in de deugden, waardoor we onze instincten, impulsen en slechte neigingen leren beheersen. Gelukkig de ouders en opvoeders die kinderen op tijd “neen” leren zeggen en hen doen groeien in onthechting en zelfbeheersing.

4. Omwille van onze grote armoede worden we door God hartstochtelijk bemind. Door de oerzonde zijn we niet meer in staat om ons onbevangen door God te laten beminnen en evenmin om op onbevangen wijze God en de anderen lief te hebben. In ons handelen sluipen dikwijls motieven van eigenbelang en egoïsme binnen. Er is een bewuste keuze nodig om ons door de stralen van Gods liefde te laten verwarmen. Bovendien vraagt het oefening en inspanning om God en de anderen onbaatzuchtig lief te hebben. In de mate dat wij ons openstellen voor de scheppende liefde van God, de verlossende liefde van Jezus en de heiligende kracht van de heilige Geest, zullen de vele remmingen zoals twijfel, argwaan, angst, verzet overwonnen worden om ons te laten meevoeren met de oceaan van Gods liefde. We kunnen dit evenwel niet uit onszelf realiseren, we kunnen dit wel in geloof ontvangen. Deemoedig dienen we te erkennen dat we zelf niet de bron zijn maar de fontein, die op haar beurt doorgeeft wat zij van de bron ontvangt.

5. We zijn geroepen om deel te nemen aan het Paasmysterie van Jezus Christus. Door met Hem lijden en sterven te aanvaarden, worden we omgevormd tot zijn beeld en delen we in zijn verrijzenis. Lijden en sterven blijven een steen des aanstoots, die we zo goed mogelijk moeten trachten te overwinnen. In het licht van Gods barmhartigheid krijgen ze evenwel een nieuwe betekenis. Ze zijn zelfs noodzakelijk opdat we omgevormd worden tot de gelijkenis met Jezus Christus. “Zalig de mens die standhoudt in de beproeving. Heeft hij de toets doorstaan, dan zal hij de zegekrans van het leven ontvangen, die God beloofd heeft aan wie Hem liefhebben” (Jacobus 1, 12). Zonder lijden en sterven willen delen in de verrijzenis, is een illusie maar er is in ons leven geen enkel lijden dat niet een bouwsteen kan zijn voor onze verrijzenis.

6. Ons diepste mens-zijn, kunnen we slechts bereiken door de liefdevolle gave van onszelf. Onze menselijke natuur drijft ons naar zelfverwezenlijking en het opkomen voor eigen rechten. Jezus wijst ons echter een hogere weg: “Wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden” (Mattheus 8, 35). Het steeds maar bezig zijn met onszelf, maakt ons ziek en geestelijk dood, zoals een oog dat alleen zichzelf ziet ziek is. Wie zich liefdevol kan geven voor God en voor de anderen, komt tot leven en ontwikkelt zijn diepste zelf.

7. Ons uiteindelijk doel is opnieuw de Gelijkenis Gods verwerven. Dit is alleen mogelijk als we de gelijkenis van Jezus Christus bereiken, want Hij is het volmaakte Beeld van de Vader. Hiernaar kunnen we nu reeds leven in geloof. Een concrete voorstelling kunnen we ons hiervan niet maken, evenmin als een ongeboren baby zich een volwassen leven kan voorstellen. Het leven aan de “overzijde” blijft voor ons onvoorstelbaar. Laconiek kunnen we zeggen: zij die hierover spreken weten niet en zij die weten spreken niet. Hiervoor is immers een “nieuwe geboorte” nodig, de schepping van “een nieuwe mens”.  Alleen God kan dit bewerken.

P. Daniel

Nieuwsbrief 40: Geroepen tot de gelijkenis met God

Standaard

Nieuwsbrief XVI 40, Syrië, vrijdag 1 oktober 2021, pater Daniel

Goede Vrienden,

De zevende en laatste eigenschap van ons mens zijn is onze roeping tot de gelijkenis met God. We zijn allen geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Het beeld blijft. De gelijkenis van God is door de zonde uitgewist en kunnen we met eigen krachten niet meer terugwinnen. Het “beeld Gods” is als de alfa van ieder mensenleven en de “gelijkenis Gods” is als de omega. Vanaf de oudste tijden zochten mensen steeds naar God in de schepping en de natuurkrachten. Toch zijn niet de mensen naar God opgestegen maar is God naar de mensen afgedaald.  God is zelf mens geworden, heeft onder ons gewoond, heeft geleden, is gestorven op het Kruis en is op de derde dag verrezen. Jezus roept ons op om Hem na te volgen. Hebben we zo de gelijkenis met Jezus verworven dan hebben we tevens de gelijkenis bereikt met de Vader. Jezus zegt ons dat niemand tot de Vader komt tenzij door Hem (cfr. Johannes 14,6) en Hij is de perfecte icoon van de Vader (cfr. Johannes 14, 9). De heilige Serafim van Sarov (+ 1833), een van de grootste Russische mystici, zegt dat we de heilige Geest juist krijgen voor deze omvorming. Ons uiteindelijk levensdoel is niets minder dan binnentreden in de heerlijkheid van de Drie-ene God, wat ook ons hoogste geluk is. De overzijde van de dood is niet het geopende graf, maar het liefdevolle gelaat van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. En deze overgang gebeurt door een nieuwe geboorte, een nieuwe schepping. De heilige Paulus drukt het sterk uit: “Ik ben er zelfs van overtuigd dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten staat…” (Romeinen 8, 18). Het oorspronkelijke Griekse woord voor “lijden” staat in het meervoud (mathèmata) en geldt voor fysisch, psychisch, geestelijk, moreel lijden. Verderop drukt Paulus dan nogmaals zijn diepe overtuiging uit: “Maar over dit alles zegevieren wij glansrijk…. Ik ben ervan overtuigd dat noch de dood, noch het leven, noch engelen, noch boze geesten, noch wat is noch wat zal zijn en geen macht in de hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde van God die is in Christus Jezus onze Heer” (Romeinen 8, 37-39). Paulus geeft een opsomming van wat in zijn tijd als de gevaren gezien werd. We kunnen nu zeggen: zelfs de meest duistere plannen van een oppermachtige elite die de wereldbevolking wil ontwrichten, overal verdeeldheid wil zaaien en uiteindelijk een groot deel wil uitroeien om over de anderen als robotten te heersen… kunnen Gods liefde voor ons niet doven en niet beletten dat wij in Christus door lijden en sterven de gelijkenis van God ontvangen.

Hoe kunnen we nu reeds hiernaar leven? Door bewust te kiezen voor deze omvorming in Christus en binnen te treden in de dynamiek die ons steeds meer doet gelijken op Christus. Het is niets anders dan een christelijk leven leiden, geïnspireerd door de menselijke en goddelijke deugden. De kardinale deugden fungeren hierbij als scharniermomenten. De voorzichtigheid is geen leven in angst, vrees of schuchterheid maar op bezonnen wijze het juiste oordeel vellen en de juiste weg gaan. Rechtvaardigheid leert ons respect tegenover God en de medemens en hun te geven wat hen toekomt. Jegens God is het godsvrucht. We genieten volop van de schepping maar we erkennen en eren God als Schepper en Vader, Jezus      als Verlosser en de heilige Geest als onze Heiligmaker. Jegens de naasten erkennen we hun rechten. Het is een houding van rechtschapenheid in gedachten en handelen. Ze brengt harmonie. Sterkte geeft ons de moed om niet te capituleren, maar ook in moeilijkheden trouw te blijven en het goede te doen. Hiermee kunnen we de angst overwinnen, zelfs voor de dood. Het maakt ons bereid om het offer van ons leven te brengen. Matigheid leert ons evenwichtig om te gaan met de aardse goederen en te leven met een gezonde bescheidenheid en soberheid. Ze leert ons minder jachtig te zijn, onze instincten en impulsen te bedwingen. De heilige Johannes spreekt over de “gulzigheid van het vlees” (Grieks: epithumia tès sarkos): “Verliest uw hart niet aan de wereld…Want al wat in de wereld is – het begeren van de lust en het begeren der ogen en de hovaardij van het geld – het komt niet van de Vader maar van de wereld. En die wereld gaat voorbij met heel haar begeerlijkheid, maar wie de wil doet van God blijft in eeuwigheid” (1 Johannes 2, 15-16).

Een christelijk leven wordt vooral geïnspireerd door de goddelijke deugden van geloof, hoop en bijzonder de liefde, die uitgaan van en gericht zijn op de Drie-ene God. Door het nieuwe gebod van de liefde dat Jezus ons openbaarde leven we als vrije kinderen van God. Jezus vat alles zo samen: “’Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand’. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: ‘Gij zult uw naaste beminnen als uzelf’. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten” (Mattheus 22, 37-40).

Onmisbaar hierbij is het gebed. Een van de mooiste en meest volledige uiteenzettingen hierover vind je in het laatste en vierde deel van de Catechismus van de Katholieke Kerk. Zoals een fysisch lichaam niet kan leven zonder zuurstof, zo kan geen mens als belichaamde geest blijven leven zonder gebed. Het Onze Vader dat Jezus ons zelf leerde is hierbij het belangrijkste gebed. Ook het Rozenhoedje kan zegen brengen over de hele dag. Uiteindelijk is bidden een levenshouding, een voortdurende toewijding aan de Drie-ene God en aan de medemens. Ons leven met zijn dagelijkse moeilijkheden kan ook geheiligd worden door kleine tekenen, zoals het bidden van het Angelus ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. Deze kleine daden zijn geen tijdverlies maar zullen uiteindelijk tijdwinst blijken te zijn, omdat ze orde en vrede brengen en beantwoorden aan de diepste stroming in onszelf.

Vrienden, nu reeds zijn we kinderen van God en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is” (1 Johannes 3, 2-3). We kunnen ons geen enkele voorstelling maken van onze uiteindelijke gelijkenis met God. Zoals een ongeboren baby zich geen enkele voorstelling kan maken van het zelfstandige leven buiten de moederschoot, zo kunnen wij ons evenmin voorstellen wat de heerlijkheid van die gelijkenis met God zal zijn. En zoals een baby uit de veilige geborgenheid van de moederschoot moet gestoten worden om tot een volwassen persoon uit te groeien, zo moeten wij uit de moederschoot van dit aardse leven gestoten worden om binnen te treden in de heerlijkheid van Gods Licht. Nieuwsgierig zullen we sterven. De hindoe-mysticus Rabindranth Tagore zei het zo: “Wanneer al de snaren van mijn leven gestemd zullen zijn, mijn Meester, dan zal bij elke van Uw aanrakingen, de muziek der liefde weerklinken”.

P. Daniel