Augustinus tegenover Sigmund Freud

Standaard

Nieuwsbrief XVI.31, 30 juli 2021

Goede Vrienden,

Ieder mens is geschapen naar Gods Beeld, met een (op aarde) onverzadigbare verlangen naar God.  De heilige Augustinus heeft dit perfect begrepen én doorleefd. Ziehier nu een negatief voorbeeld.

Sigmund Freud (1856-1939) was een Oostenrijks zenuwarts en de grondlegger van de “psychoanalyse”. Volgens hem is de seksuele drift zowat de meest belangrijke primaire drift en zijn de verdrongen seksuele verlangens de oorzaak van psychologische problemen, die hij ijverig “analyseert”.  Niet alleen in de universiteiten werden zijn theorieën onderwezen, ze hadden ook veel invloed in het dagelijkse leven. Onbewuste versprekingen of handelingen werden dikwijls geïnterpreteerd als verdrongen seksuele behoeften. Zijn invloed drong ook door tot de kunst, zoals bij de Franse schrijver André Breton (+ 1966), de grondlegger van het “surrealisme”. Het surrealisme tracht het onzichtbare uit te drukken door het on/onderbewuste weer te geven. Wist je dat de slappe, uitgelopen uurwerken die Salvator Dali in 1931 schilderde, wijzen op impotentie? (aldus werd ik zelf door een “kunstkenner” deskundig voorgelicht!) De invloed van Freud is en blijft groot. Hij werd en wordt door sommigen nog beschouwd als een van de grote wetenschappers.

Vanuit verschillende hoeken kwam er scherpe kritiek.  De Britse auteur Richard Webster (+ 2011) stelt dat hysterie helemaal geen psychische oorsprong heeft, zoals Freud beweert, maar het gevolg is van hersenbeschadiging.  De voormalige psychoanalytica Alice Miller (+ 2010) wijst de psychoanalytische theorie en praktijk radicaal af als ongeschikt om de ware oorzaken van traumatische herinneringen te ontdekken. Hiermee worden volgens haar de ware seksuele misbruiken eerder toegedekt. Uiteindelijk heeft de Nederlandse socioloog en historicus, professor Han Israëls, Sigmund Freud ontmaskerd, vooral in zijn grondige studie: De Weense kwakzalver. Honderd jaar Freud en de freudianen, Amsterdam, Bakker, 1999. Een van de beroemdste patiënten van Freud is Anna O, waarvoor dr. Jozef Breuer, de leermeester van Freud, een praatkuur (“gesprekstherapie”) onder hypnose had uitgedacht. Freud vond dit zo geweldig dat hij er samen met Breuer een boek over schreef. Hij stelde de behandeling voor als een geweldig therapeutisch succes en beweerde dat ze daarna op vakantie vertrok. Voor hem was dit zowat het startpunt van zijn psychoanalyse. In feite stopte de behandeling omdat ze in een gekkenhuis moest worden opgenomen. Haar echte naam was Bertha Pappenheim, een joodse activiste tegen vrouwenhandel. Een andere beroemde patiënt is de “Wolvenman” (Sergei Konstantenovitsj Pankejev), die Freud opvoert als het bewijs van het succes van zijn methode. Deze man was echter op 80-jarige leeftijd nog steeds de dwangneuroticus die hij in het begin van de behandeling was. Freud geeft uitvoerige beschrijvingen van beroemde personen. Van Leonardo Da Vinci zegt hij dat hij latent homoseksueel is, waarvoor hij steunt op een zogenaamde autobiografische passage, waarvan Freud goed wist dat ze vervalst was. Het grondige speurwerk van Han Israëls levert resultaten op die elke verbeelding tarten. Sigmund Freud en de Berlijnse chirurg Wilhelm Fliess hebben even de excentrieke opvatting gekoesterd dat bepaalde seksuele problemen verholpen kunnen worden door een operatie aan de neus. Freud stuurt de jonge patiënte Emma Eckstein naar de chirurg. Na de operatie laat Fliess gaasverband in de wonde achter zodat ze niet geneest en blijft bloeden. In zijn briefwisseling met de chirurg beweert Freud dat de bloedingen veroorzaakt worden door de onbewuste verlangens van zijn patiënte (“wensbloedingen”!). In de briefwisseling die zijn dochter Anna in 1950 uitgeeft worden alle hinderlijke passages netjes geschrapt.

Het besluit van prof. Israëls is sterk onderbouwd. Sigmund Freud was een bedrieger, een leugenaar. De enkele feiten die hij aanbracht waren verzonnen of gemanipuleerd. De manier waarop hij patiënten behandelde was onverantwoord en onethisch.  De grote invloed van Freud in de moderne maatschappij belet niet dat hij een kwakzalver is en dat zijn pseudo wetenschappelijk werk kwakzalverij blijft.

Ziehier nog een waar gebeurd verhaal ter bevestiging. Een jonge vrouw wordt opgenomen in een bekend Vlaams psychiatrisch instituut, dat nog onder leiding staat van religieuzen en waarvan de directrice een zuster/religieuze is. De jonge vrouw heeft een ongelukkige relatie met haar moeder en lijdt aan anorexia. Ze vraagt om tijdens het weekend vrij te zijn omdat ze graag een priester wil bezoeken, zonder te zeggen waarom. Jaren geleden had zij immers met heel het gezin bij die priester een gezinsretraite gevolgd, wat op haar een grote indruk had gemaakt. Telkens wanneer ze het moeilijk had schreef ze een lange brief naar deze priester. De psychiater en het verplegend personeel hadden het sterke vermoeden dat ze hiermee een seksuele relatie had, wat geenszins het geval was. Wekenlang werd ze onder druk gezet opdat ze zou toegeven dat ze met deze man een relatie had. Zij bleef ontkennen en verder zwijgen.  Wanneer ze na lange tijd voor het eerst een weekend naar huis mocht, ging ze recht naar deze priester. Ze was zich bewust van ernstige zonden en wilde biechten om het sacrament van de verzoening te ontvangen. Ze kreeg vergeving en keerde verlicht en met een blij gemoed terug. Na korte tijd werd ze ontslagen uit de psychiatrie. Haar verhaal en de weldaad van het sacrament van de verzoening heeft ze uitvoerig op cassette gezet en bezorgd aan de zuster directrice van het psychiatrisch instituut, die hierop niet heeft gereageerd.

Dit toont aan dat sommige psychiaters nog bevrijd moeten worden van freudiaanse illusies. Hun dieptepsychologie mist vooral hoogte, zoals Victor Frankl (+ 1997) leert.  Ze moeten begrijpen dat het realiseren van bepaalde waarden en het zin geven aan zijn leven belangrijker zijn dan seksuele driften te bevredigen of lust te verwerven.  Dit draagt ook meer bij aan onze geestelijke gezondheid. Dat zulks inspanningen en lijden kost, is geheel menswaardig en goed.  Het kan de verantwoordelijkheidszin versterken. Een zelfverwezenlijking nastreven louter door het voldoen van onze verlangens naar lust leidt tot frustraties. We zijn geroepen om onszelf te overstijgen en de rest krijgen we er dan bij. Een oog dat zichzelf wil zien, is ziek. Met onze ogen kunnen wij wel heerlijk genieten van een panorama en van de mensen om ons heen. We zullen hierop later nog terugkomen.

Als besluit van de twee vorige uitweidingen kunnen we stellen: al kan de seksuele drang in een mensenleven soms zeer sterk zijn, het is niet ons diepste streven en een heilige Augustinus is voor ons een veel betere gids naar een gelukkig leven dan een Sigmund Freud. We gaan volgende keer verder met de derde eigenschap van ons mens zijn: we zijn gewond door de zonde.

P. Daniel

Augustinus verwoordt de tweede eigenschap van ons mens-zijn

Standaard

Nieuwsbrief XVI.30, 23 juli 2021

Beste vrienden,

Groot zijt Gij, Heer en ten zeerste lovenswaardig… want Gij hebt ons gemaakt naar U, en rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust vindt in U“. Zo schrijft Augustinus rond 400 in zijn “Belijdenissen” (1). Hiermee verwoordt hij op schitterende wijze de tweede eigenschap van ons mens-zijn en zijn bekering is hiervan een merkwaardige illustratie.

Aurelius Augustinus werd in 354 in Thagaste (Numidië, Algiers) geboren uit een heidense vader, Patricius, en een zeer vrome christelijke moeder, Monica. Hij streefde een academische loopbaan na om “redenaar” te worden, d.w.z. meester in de Latijnse taal en de klassieke literatuur. Op 19-jarige leeftijd was hij reeds “retoricus” in Thagaste, een jaar later in de hoofdstad Carthago, en tegen 383 was hij een goedbetaalde “woordkunstenaar” in Rome. Intussen leefde hij met een meisje, dat hij vijftien jaar bij zich hield en met wie hij in 371 een zoon kreeg, Adeodatus, een zeer begaafde jongen die in 390 stierf. Hij was zeer ingenomen met zijn carrière en tevens hartstochtelijk gehecht aan zijn vriendin, al heeft hij het christelijk geloof van zijn moeder nooit helemaal afgezworen. Wel was hij overtuigd dat de Bijbelse verhalen en het christelijk geloof slechts sprookjes waren voor oude vrouwen. Zelf was hij meer geïnteresseerd in het manicheïsme, gesticht door Mani (+ 277), die twee eeuwige principes aanvaardde: een goede en een kwade macht. Om gered te worden, moest men Mani volgen. Het manicheïsme zal pas in de veertiende eeuw verdwijnen. Negen jaar lang bleef het manicheïsme voor Augustinus zijn “gnosis”, hoewel hij er ook nooit een vurige verdediger van werd. Hij bleef een zoeker naar de zuivere waarheid. Hoewel hij hoge verwachtingen koesterde van de gezaghebbende meesters van het manicheïsme, werd hij steeds meer teleurgesteld door deze “beminnelijke nietsnutten“. God, schepping, oordeel, onsterfelijkheid… alles was voor hem één grote verwarring en het leven met zijn vrome moeder, die erg bezorgd was over zijn onstuimig leven, werd ondraaglijk. Door een list weet hij in 384 aan haar te ontsnappen en neemt ’s nachts een boot vanuit Rome naar het noorden, naar Milaan, de keizerlijke residentie. Zijn moeder kwam hem echter achterna.  Ondertussen begon Augustinus bekend te worden en zijn moeder wilde nu een fatsoenlijk en waardig huwelijk voor hem regelen. Uiteindelijk stemde hij er mee in en stuurde zijn vriendin terug naar Afrika: “Intussen vermenigvuldigden zich mijn zonden. De vrouw met wie ik samenleefde, was van mijn zijde weggerukt, omdat ze als een beletsel gold voor een huwelijk, en op de plek waar mijn hart aan haar had gehangen, was het stukgetrokken en verwond en bleef het maar bloeden… De wonde, mij toegebracht door de scheiding van die eerste vrouw, genas ook niet eens, maar na heftig gloeien en steken, bleef ze etterend voortduren…” (VI, XV, 25). Maar kort daarna, neemt hij toch weer een ander meisje. Aan een vriend bekent hij dat hij niet kan begrijpen hoe iemand kan leven zonder een seksuele relatie met een vrouw. Toevallig ziet hij op straat een bedelaar lachen en beseft dat deze man zorgeloze vreugde geniet terwijl hij, verscheurd door lust, zijn ongelukkig leven in droefheid voortsleept. In Milaan moet hij onder meer een lofrede uitspreken op keizer Valentinus II.  Met de grootste welsprekendheid vertelde hij de grofste leugens en genoot er zelf van: “in deze toespraak vertelde ik meer leugens dan waarheid, en door te liegen won ik de gunst van de toehoorders, die wisten dat ik loog” (VI, VI, 9).

In Milaan was bisschop Ambrosius (+ 397) de grote autoriteit en Augustinus ging naar de kathedraal om naar zijn preken te luisteren. De woorden van deze bisschop, samen met de liturgie en de psalmen, raakten zijn hart. Geleidelijk ontdekte hij het christelijk geloof en de katholieke Kerk. Hoewel hij niet de gelegenheid had om met deze bisschop van gedachten te wisselen, vond zijn immense dorst naar waarheid en schoonheid hier eindelijk enige bevrediging. Een oude priester, Simplicius, raadde hem aan het Manicheïsme te verlaten en zich eerder te wenden tot de Griekse filosoof Plotinus (+ 270), stichter van het Neoplatonisme, en diens leerling Porphyrius (+ 301/5). Hij bleef naar de kathedraal gaan om naar Ambrosius te luisteren. Er was een ommekeer in hem bezig: “Wat heb ik geschreid bij uw hymnen en gezangen, heftig ontroerd door de stemmen van uw lieflijk zingende gemeente… uw waarheid zeeg in mijn hart en een innige aandoening van vroomheid golfde daaruit opwaarts en dan stroomden de tranen en ik voelde mij er wel bij” (IX VI, 14). Een Romeins ambtenaar Ponticianus vertelt over de bekering van de grote monnik en woestijnvader abt Antonius (+ 356) in Egypte, die nu zoveel volgelingen trekt. Dit verhaal treft als een pijl het hart van Augustinus.   Hij beseft dat zijn speeltijd voorbij is en dat hij moet kiezen tussen de hevige hartstochten voor aardse genoegens die hem slechts illusies en verslavingen opleveren en de allesomvattende waarheid, schoonheid en liefde van God. Intussen bidt hij: “Geef mij kuisheid en onthouding, maar doe het niet meteen“, en hij worstelt met “de ziekte van de begeerlijkheid, die ik liever verzadigd wilde zien dan gedoofd ” (VIII, VII, 17). Hij opent willekeurig de brieven van Paulus en leest Romeinen 13, 12 vv: “De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten we ons dus ontdoen van de werken van de duisternis… Bekleed u met de Heer Jezus Christus, en koestert geen zondige begeerten meer“. Na een dramatische innerlijke strijd, neemt hij een radicaal besluit voor Christus. Het is september 386. Na enkele weken staakt hij zijn lessen als “woordenverkoper” en trekt zich terug op het landgoed van een vriend, Cassiciacum (het huidige Cassago Brianza, ten noordwesten van Milaan), met zijn moeder, zijn zoon Adeodatus, enkele leerlingen en vrienden. In de Paaswake van 387 werden hij en zijn zoon door Ambrosius gedoopt. “Laat heb ik U lief gekregen, o schoonheid, zo oud en zo nieuw! En Gij waart binnen en ik was buiten, en daar zocht ik U, en ik rende, wanstaltig als ik was, op de schone dingen af die door U gemaakt zijn. Gij waart bij mij en ik niet bij U… Geroepen hebt Gij, geschreeuwd en mijn doofheid doorbroken, gestraald hebt Gij, geschitterd en mijn blindheid verjaagd…Ik heb geproefd en nu honger en dorst ik...” (X, XXVII, 38). In Cassiciacum leeft deze groep een soort filosofisch-religieus leven en ze delen alles samen. Zij lezen Vergilius en Cicero, terwijl het Oude en het Nieuwe Testament voor hen het hoogste gezag zijn en “onze priester” (bisschop Ambrosius) de zekere gids. Hij brandt van verlangen om God en de ziel te kennen. Hij ontdekt het geloof van Paulus en de liefde van Johannes. Ze zingen hymnen en bidden samen. Hij beleeft nu ten volle wat hij vroeger reeds in vriendschap nastreefde : “ …samen  praten, samen lachen, elkaar vriendelijk ter wille zijn, samen boeken in mooie taal lezen, samen speels zijn en samen ernstig worden, bij tijd en wijle van mening verschillen zonder haat, alsof iemand het oneens was met zichzelf, en juist door die schaars voorkomende onenigheid fleur geven aan de eensgezindheid,  aan of  van elkaar iets leren, bedrukt naar  de afwezige vrienden verlangen, verblijd de aankomende ontvangen: door deze en soortgelijke tekens, uit harten vol liefde en wederliefde naar buiten tredend door mond en tong en ogen en duizend heerlijke gebaren, als met brandbare stoffen de zielen in gloed zetten en van vele maken tot één” (IV, VIII, 13).

De “Belijdenissen” hebben een dubbele betekenis. Augustinus belijdt zijn zonden, zijn ongeordende passies voor aardse genoegens en hij belijdt de grootheid van God, de Liefde en de Waarheid die alles overstijgen. Hij beschrijft zijn zeer persoonlijke strijd, die echter zo authentiek is, dat hij tevens ook universeel is.  Iedereen kan zich hierin herkennen. Hij heeft de “rusteloosheid” van zijn hart ontdekt én beleefd als zijn diepste verlangen naar God en zijn bekering is hiervan een sprekend voorbeeld. In fel contrast hiermee zullen we hierna aantonen hoe Sigmund Freud zichzelf en de wereld bedrogen heeft tot onheil van velen. En dit onheil woekert helaas nog steeds als een kanker voort.

    (1) Aurelius AUGUSTINUS, Belijdenissen. Vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld, Ambo, Baarn, 1985, I,I,1.

P. Daniel

Pater Daniel: we zijn geschapen met een onverzadigbaar verlangen

Standaard

Nieuwsbrief XVI.29, 16 juli 2021

Goede Vrienden,

De eerste en belangrijkste eigenschap van onze identiteit en menselijke waardigheid ligt, zoals we vorige keer hebben aangetoond, in het feit dat we door God geschapen zijn naar Zijn Beeld. God laat ons delen in zijn eigen Leven door ons verstand en vrije wil te geven, nl. een bewustzijn, iets dat uniek is in het hele universum. Hiermee zijn we in staat Hem te kennen en op zijn uitnodiging in te gaan om te delen in Zijn Leven.  

Onze tweede eigenschap is: we zijn geschapen met een onverzadigbaar verlangen. Mens zijn is zonder ophouden verlangen.  We lijken op een bundeling van eindeloze verlangens. Hebben we een fantastische droom, dan zeggen we dat we voor de rest van ons leven volmaakt gelukkig zullen zijn, als we die kunnen verwezenlijken.  En we weten zelf dat het een illusie is, omdat we daarna weer naar iets anders verlangen. We moeten immers zeggen dat we verlangen zijn en nietzomaardat we verlangens hebben. Als kind kwamen we schreiend uit de moederschoot. Daar leefden we veilig geborgen en afgeschermd. Geluid, licht en aanrakingen werden gedempt. Dan kwamen we naakt ter wereld en werden rechtstreeks blootgesteld aan het felle licht, het harde geluid en directe aanrakingen. We weenden omdat we zo behoeftig waren en in niets voor onszelf konden zorgen.

Iets van dit schreiende kind blijven we heel ons aardse leven meedragen omdat we zelf nooit in staat zijn onze diepste verlangens te voldoen. Ons hart is te groot om ooit door iets op aarde helemaal voldaan te worden.  De reden hiervan ligt in het feit dat God ons geschapen heeft naar zijn Beeld om eens volmaakt gelukkig te zijn in Hem. We zijn niet geschapen voor deze vergankelijke wereld. Deze wereld is geschapen voor ons en wij zijn geschapen voor het volmaakte geluk en eeuwige leven in God. We worden als het ware zoals een ijzer naar een magneet aangetrokken. In feite zijn al onze verlangens slechts verschillende uitingen van het ene Grote Verlangen naar God. We kunnen onszelf voorstellen met een heel grote V en daarin niets anders dan kleine v’s.  

De kunst van het leven bestaat er nu in dit te aanvaarden en er naar te leven. Het is een erkennen dat alle aardse waarden ons slechts op beperkte wijze kunnen voldoen. Dan kunnen we ook echt (beperkt) genieten. Daarom zegt Jezus in de zaligsprekingen: zalig gij die arm zijt…, die nu honger lijdt…, die nu weent… (Lucas, 6, 20-22). Geniet (beperkt) van het leven, maar blijf dat schreiende kind in u koesteren, blijf die honger naar het absolute in uw hart bewaren, blijf uw arm en onverzadigd zijn erkennen en laat u niet misleiden door de illusie dat er ook maar iets op aarde is dat u voor altijd en volmaakt gelukkig zou kunnen maken. Zorg er voor dat de diepste stroming in uw leven niet geblokkeerd geraakt door u aan ’n aardse waarde te hechten alsof het uw hoogste goed zou zijn, want dan wordt het een bedrieglijke  afgod. Het eerste gebod in de Bijbel is: God liefhebben boven alles. Het eerste verbod luidt: gij zult geen afgoden vereren. Jezus wil dat wij zijn vreugde ten volle in ons zouden bezitten (Johannes 17,13). We zijn voor niets minder geschapen dan voor het volmaakte Geluk, de oneindige Liefde van God zelf en het Eeuwige Leven met Hem. En al het andere, waar wij te zeer aan gehecht zijn, kan een belemmering, een afgod worden. Dit geldt niet alleen voor aardse rijkdom, bezit, geld, eer, macht, alcohol, drugs, seks… maar ook voor de hoogste morele waarden, zoals de liefde van man en vrouw, de liefde van ouders tegenover hun kinderen enz. Dit alles blijven ondergeschikte waarden. Daarom zegt Jezus ook dat wie zijn echtgeno(o)t(e), kinderen, ouders… ‘meer lief heeft dan Mij’, niet waard is zijn leerling te zijn (Mattheus 10, 37). Dit is geen uitnodiging om de onderlinge  liefde te verminderen, integendeel, het is een aansporing om ons uiteindelijk doel voor ogen te houden en onze  liefde voor God te vermeerderen. Wanneer deze centrale cabine van de hoofdstroom in orde is, zullen we hieruit ook alle energie krijgen om de onderlinge liefde te vermeerderen. Jezus zegt: “Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vruchten want los van Mij kunt ge niets” (Johannes 15, 5).

Wanneer we dit oer-verlangen naar God in ons niet erkennen noch op de juiste wijze voeden, is het alsof de hoofdstroom uitvalt. Er komt een kortsluiting tussen ons diepste Verlangen en de vele beperkte verlangens.   We vluchten dan in de jacht naar kortstondig genot en hechten ons krampachtig vast aan voorbijgaande bevredigingen, die een steeds grotere onvoldaanheid achter laten.  En dit zoeken naar kortstondig genot kan in alles liggen. Sommigen worden zodanig in beslag genomen door de zorg voor hun lichamelijke gezondheid dat het hun  ziekte wordt. Sommigen vluchten in drank, computerspelletjes, drugs, seks… een vlucht die hen niets anders oplevert dan de illusie van geluk én een verslaving. Wanneer iedere band met de diepste stroom in ons ontbreekt, spreken we van “existentiële frustratie”. Veel mensen zien geen zin meer in hun leven, ze weten niet voor wie of wat ze zich moeten inzetten. Hun geestelijke leegte wordt voor hen zo ondraaglijk, dat sommigen zelfs definitief willen vluchten en hun leven zelf beëindigen. Ze hebben geen kracht meer om te strijden. Zolang iemand zin ziet in zijn lijden, zal hij blijven strijden, hoe groot het lijden ook is. Sinds de jaren ’70 van vorige eeuw hebben we duidelijk een spectaculaire toename kunnen waarnemen van een soort driekoppige draak: agressie, verslaving (obsessie), depressie. Je hebt geen wetenschappelijk onderzoek nodig om te zien hoe sterk de agressie in het openbare leven toegenomen is en blijft toenemen. Hetzelfde voor de vele vormen van verslaving. En het duidelijkst is de depressie omwille van een pijnlijke geestelijke leegte, die nu bijna alomtegenwoordig is. Bovendien treden er voortdurend nieuwe vormen op waarvan steeds meer mensen het slachtoffer zijn: burn-out, chronisch vermoeidheidssyndroom… En de uitvoerige psychologische verklaringen hiervan zijn niet in staat de geestelijke leegte op te vullen.

Wat kunnen we doen? Een deugdelijk innerlijk leven opbouwen. Positief onze liefde tot God, Jezus, het Evangelie, Maria, de  Kerk, de anderen  versterken door gebed, meditatie, liturgie, sacramenten. Wat zuurstof is voor het fysisch leven, is gebed  voor een menselijk, spiritueel leven. Negatief kunnen we de “koorts van het leven”, de jacht naar het aardse, de verlangens naar vergankelijke waarden, de drukte en het lawaai verminderen en onszelf niet verliezen noch in grote vreugden, noch in zware tegenslagen. Gun uzelf de nodige innerlijke rust en stilte opdat de diepste stroom in uw leven zijn vrije, onstuimige loop kan gaan en ruim alle “afgoden” op.

Sommigen zullen het grondig oneens zijn met deze voorstelling. Voor Sigmund Freud met zijn verwrongen godsbeeld (en zijn volgelingen), was/is een verwijzing naar  God, naar het geloof of naar het gebed, een capitulatie. Voor ons is het een weg naar authentieke bekering. In een afzonderlijke bijdrage zullen we grondig afrekenen met deze hardnekkige en verstikkende “freudiaanse illusie”. Eerst willen we echter een schitterende illustratie geven van deze tweede eigenschap van ons mens zijn, nl. hoe ons hart onrustig is totdat het rust in God. We doen het aan de hand van de ommekeer die de heilige Augustinus zo levendig beschreef.

P. Daniel

In Flitsen geven we een verslag van ons bezoek aan Sadad. In Het christendom sterft waar het geboren is handelen we nogmaals over de christenen in het Midden-Oosten. Terwijl het orkest speelt …handelt over de ondergang van onze beschaving. En dit nog geeft weer een overvloed aan info over Syrië, corona, geopolitiek en Kerk.